Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 7. Evenwichtige verdeling van de zetels over vrouwen en mannen
Artikel 2:279 BW
Vervallen per 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)
Dit artikel is vervallen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:279 BW (1)
Conclusies van de A-G (1)
Caribisch enquêterecht: afwijzing enquêteverzoek OM na jarenlange aanhouding, belangenafweging
“[…] “bepaalt dat het Hof in iedere stand van het geding waarin een onderzoek wordt verzocht voorlopige voorzieningen kan treffen als bedoeld in het derde lid van die bepaling”). Zie onder 2.5 hiervoor. Art. 2:274 lid 1 BW-SM bepaalt dat het Hof het verzoek behandelt met de meeste spoed en dat het Hof het verzoek slechts toewijst wanneer blijkt van de daar bedoelde “gegronde redenen”, etc. Uit art. 2:279 lid 1 BW-SM volgt onder meer dat de onderzoekers hun bevindingen vastleggen in een door hen ondertekend verslag dat ter griffie van het Hof wordt neergelegd. Uit art. 2:282-283 BW-SM volgt onder meer dat het Hof eerst bevoegd is tot het treffen van voorzieningen als daarin bedoeld voor zover uit dat ter griffie neergelegde onderzoeksverslag blijkt dat er sprake is geweest van wanbeleid van de rechtspersoon. Dit een en ander geldt al sinds 1 april 2014. Ik noem in dit verband ook rov. 2.4 van Beschikking IV. Zie onder 2.11 hiervoor. Hetzelfde geldt m.i. voor 3.7-3.7.5 hiervoor. - Daarbij wijs ik mede erop dat sinds 1 april 2014 een met art. 2:355 lid 5 BW vergelijkbare bepaling is vervat in art. 2:282 lid 5 BW-SM (“Het Hof kan zijn uitspraak ten aanzien van de gevraagde voorzieningen […]”
r.o. 3.8.1