Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 5. Het bestuur van de vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:240 BW
In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)
Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit.
De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt mede aan iedere bestuurder toe. De statuten kunnen echter bepalen dat zij behalve aan het bestuur slechts toekomt aan een of meer bestuurders. Zij kunnen voorts bepalen dat een bestuurder de vennootschap slechts met medewerking van een of meer anderen mag vertegenwoordigen.
Bevoegdheid tot vertegenwoordiging die aan het bestuur of aan een bestuurder toekomt, is onbeperkt en onvoorwaardelijk, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Een wettelijk toegelaten of voorgeschreven beperking van of voorwaarde voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging kan slechts door de vennootschap worden ingeroepen.
De statuten kunnen ook aan andere personen dan bestuurders bevoegdheid tot vertegenwoordiging toekennen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:240 BW (14)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (12)
Interne bestuurdersaansprakelijkheid: verjaring en toerekening van kennis aan rechtspersoon
“[…] 3.109-3.110 van het arrest besloten ligt dat [betrokkene 5] geen ondergeschikte was ten opzichte van [verweerder] en/of anderszins in de positie verkeerde om rechtsmaatregelen te treffen namens de betrokken rechtspersoon (zoals het entameren van een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure), dan geven ’s hofs overwegingen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dan heeft het hof in elk geval art. 2:240 BW miskend. Althans zijn ’s hofs overwegingen zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en heeft het hof in elk geval verzuimd bepaalde essentiële stellingen van [Holding] te bespreken. Als het hof die stellingen had betrokken bij zijn oordeel, dan had het niet, althans niet zonder nadere motivering, tot de slotsom kunnen komen dat “kennis van [betrokkene 5] heeft te gelden als kennis van Genchart”. [betrokkene 5] was immers vanwege zijn positie als werknemer van de vennootschap en ten opzichte van [verweerder] (nota bene de wederpartij van de vennootschap) niet in staat om maatregelen te treffen ter bescherming van de vennootschap. 3.23.2 De tweede klacht. Als in rov. 3.109-3.110 besloten ligt dat voor de toerekening van kennis van [betrokkene 5] niet relevant is of hij in de […]”
r.o. 3.23“De eerste klacht. Als in rov. 3.109-3.110 van het arrest besloten ligt dat [betrokkene 5] geen ondergeschikte was ten opzichte van [verweerder] en/of anderszins in de positie verkeerde om rechtsmaatregelen te treffen namens de betrokken rechtspersoon (zoals het entameren van een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure), dan geven ’s hofs overwegingen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dan heeft het hof in elk geval art. 2:240 BW miskend. Althans zijn ’s hofs overwegingen zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en heeft het hof in elk geval verzuimd bepaalde essentiële stellingen van [Holding] te bespreken. Als het hof die stellingen had betrokken bij zijn oordeel, dan had het niet, althans niet zonder nadere motivering, tot de slotsom kunnen komen dat “kennis van [betrokkene 5] heeft te gelden als kennis van Genchart”. [betrokkene 5] was immers vanwege zijn positie als werknemer van de vennootschap en ten opzichte van [verweerder] (nota bene de wederpartij van de vennootschap) niet in staat om maatregelen te treffen ter bescherming van de vennootschap.”
r.o. 3.23.1“[…] afdoende mogelijkheid bestond. ’s Hofs oordeel in rov. 3.110 bouwt mede hierop voort. 3.25.3 Het hof oordeelt nergens in rov. 3.109-3.110 expliciet of impliciet dat [betrokkene 5] op enigerlei wijze in de positie verkeerde (bevoegd was) zelf ter zake rechtsmaatregelen te treffen namens de rechtspersoon. Een dergelijk oordeel is in ’s hofs redenering ook niet nodig. Enige miskenning van art. 2:240 BW door het hof doet zich dan evenmin voor, dit spreekt voor zich. Wel stelt het hof in rov. 3.109 voorop dat het hier gaat om [verweerder] in diens functie van “(indirect) bestuurder” van Genchart en om [betrokkene 5] in diens functie van “(niet-statutaire) financieel directeur” van die rechtspersoon. Waarmee het hof laat zien voor ogen te hebben dat [betrokkene 5] als financieel directeur binnen Genchart geen deel uitmaakte van het bestuur, maar functioneel daaronder ressorteerde, en aldus ondergeschikt was ten opzichte van [verweerder] in genoemde hoedanigheid. Wat evenwel niet afdoet aan die door [betrokkene 5] opgedane kennis, diens daadwerkelijke functie bij Genchart en diens daarmee verband houdende taak/verantwoordelijkheid, waarover nader onder 3.25.2 hiervoor. 3.25.4 […]”
r.o. 3.25“Het hof oordeelt nergens in rov. 3.109-3.110 expliciet of impliciet dat [betrokkene 5] op enigerlei wijze in de positie verkeerde (bevoegd was) zelf ter zake rechtsmaatregelen te treffen namens de rechtspersoon. Een dergelijk oordeel is in ’s hofs redenering ook niet nodig. Enige miskenning van art. 2:240 BW door het hof doet zich dan evenmin voor, dit spreekt voor zich. Wel stelt het hof in rov. 3.109 voorop dat het hier gaat om [verweerder] in diens functie van “(indirect) bestuurder” van Genchart en om [betrokkene 5] in diens functie van “(niet-statutaire) financieel directeur” van die rechtspersoon. Waarmee het hof laat zien voor ogen te hebben dat [betrokkene 5] als financieel directeur binnen Genchart geen deel uitmaakte van het bestuur, maar functioneel daaronder ressorteerde, en aldus ondergeschikt was ten opzichte van [verweerder] in genoemde hoedanigheid. Wat evenwel niet afdoet aan die door [betrokkene 5] opgedane kennis, diens daadwerkelijke functie bij Genchart en diens daarmee verband houdende taak/verantwoordelijkheid, waarover nader onder 3.25.2 hiervoor.”
r.o. 3.25.3Bestuurdersaansprakelijkheid wegens betalingsonwil na niet-nabetaling CAO-loon door uitzendbureau
“Het betoog dat [eiser 1] geen doorslaggevende stem had in het bestuur van TVN en dat hij rekening moest houden met zijn Poolse compagnon ( [betrokkene 1] ), kan Vlimo c.s. evenmin baten. Ter betwisting hiervan heeft SNCU terecht aangevoerd dat ingevolge de wet alle bestuurders van een vennootschap afzonderlijk vertegenwoordigingsbevoegd zijn (zie art. 2:240 lid 2 BW) en dat uit niets blijkt dat [eiser 1] een uit de wet voortvloeiende beperkte bevoegdheid had (art. 2:240 lid 3 BW), terwijl blijkens de uittreksels uit het handelsregister de bestuurders van TVN zelfstandig en alleen bevoegd zijn. Vlimo c.s. hebben dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.”
r.o. 3.10 · leden 2, 3“[…] dat het enorm moeilijk blijkt dat betrokken (Poolse) ex-werknemers te vinden. Deze stelling hebben Vlimo c.s. in het licht van de betwisting daarvan door SNCU onvoldoende onderbouwd” (zie par. 5.C onder 7 sub 1); - in rov. 3.10: “[t]er betwisting hiervan heeft SNCU terecht aangevoerd dat ingevolge de wet alle bestuurders van een vennootschap afzonderlijk vertegenwoordigingsbevoegd zijn (zie art. 2:240 lid 2 BW) en dat uit niets blijkt dat [eiser 1] een uit de wet voortvloeiende beperkte bevoegdheid had (art. 2:240 lid 3 BW), terwijl blijkens de uittreksels uit het handelsregister de bestuurders van TVN zelfstandig en alleen bevoegd zijn. Vlimo c.s. hebben dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken” (zie par. 5.C onder 7 sub 2-3); - in rov. 3.11: het beroep van Vlimo c.s. op consignatie kan hen “niet baten, omdat consignatie niet aan hun aansprakelijkheid kan afdoen” (zie par. 5.C onder 7 sub 4).”
r.o. 3.19 · leden 2, 3“[…] reageert het hof op het betoog van Vlimo c.s. “dat [eiser 1] geen doorslaggevende stem had in het bestuur van TVN” en “dat hij rekening moest houden met zijn Poolse compagnon ( [betrokkene 1] )”. Uit de overweging in rov. 3.10 dat SNCU “ter betwisting” hiervan terecht heeft aangevoerd dat ingevolge de wet alle bestuurders van een vennootschap afzonderlijk vertegenwoordigingsbevoegd zijn (art. 2:240 lid 2 BW) en dat uit niets blijkt dat [eiser 1] een uit de wet voortvloeiende beperkte bevoegdheid had (art. 2:240 lid 3 BW), terwijl blijkens de uittreksels uit het handelsregister de bestuurders van TVN zelfstandig en alleen bevoegd zijn, blijkt m.i. niet dat het hof de stelplicht en bewijslast ook daadwerkelijk op Vlimo c.s. heeft gelegd. Het hof doelt met “ter betwisting” in rov. 3.10 slechts op hetgeen SNCU heeft aangevoerd in reactie op het bedoelde betoog van Vlimo c.s. in het kader van hun voornoemde bestrijding. In het verlengde daarvan geeft ook de slotoverweging in rov. 3.10 dat Vlimo c.s. “dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd hebben besproken” m.i. geen blijk van een miskenning van de hoofdregels van de stelplicht- en bewijslastverdeling, terwijl dit oordeel, gelet […]”
r.o. 3.20 · leden 2, 3“[…] niet afdoen hetgeen Vlimo c.s. opmerken in par. 9.C onder 5-7, nu dit voorbijziet aan de in dit geval gegeven omstandigheden en het gevoerde partijdebat waarop het oordeel van het hof is gebaseerd. Ik wijs daarbij nog op het volgende: - Het vertrekpunt van de wet (Boek 2 BW) is dat bij een meerhoofdig bestuur van een B.V. elke bestuurder individuele vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt (art. 2:240 lid 2 BW), zoals het hof in rov. 3.10 terecht overweegt. - In cassatie worden niet specifiek bestreden de (feitelijke) vaststellingen van het hof in rov. 3.10 “dat uit niets blijkt dat [eiser 1] een uit de wet voortvloeiende beperkte bevoegdheid had (art. 2:240 lid 3 BW), terwijl blijkens de uittreksels uit het handelsregister de bestuurders van TVN zelfstandig en alleen bevoegd zijn”. - Zoals in rov. 3.10 besloten ligt, is voor bevoegde vertegenwoordiging van de vennootschap door een bestuurder ex art. 2:240 BW niet vereist dat daaraan ook een bestuursbesluit ten grondslag ligt. Dit laatste is immers geen uit de wet voortvloeiende beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van een bestuurder in de zin van art. 2:240 lid 3 BW. - Overigens is ook niet aangevoerd in het kader van […]”
r.o. 3.52 · leden 2, 3Toerekening van wetenschap van bestuurders aan rechtspersoon bij verjaring van onrechtmatigedaadsvordering
“Het onderdeel verwijst in de eerste plaats naar enkele bepalingen van Boek 2 BW, namelijk art. 2:45, 2:130, 2:240 en art. 2:292 BW. Deze bepalingen houden in de eerste plaats in dat het bestuur de rechtspersoon vertegenwoordigt, voor zover uit wet of statuten niet anders voortvloeit. In de tweede plaats houden art. 2:130 en 2:240 BW voor de naamloze vennootschap en besloten vennootschap de regel in dat de bevoegdheid tot vertegenwoordiging mede aan de individuele bestuurders toekomt, zij het ook dat de statuten anders kunnen bepalen. Het lijkt erop dat de stellers van het middel menen dat vertegenwoordigingsbevoegdheid steeds tot toerekening van kennis aan de rechtspersoon behoort te leiden. Zij verwijzen mede naar de bepalingen van art. 3:66 jo. 3:78 BW. Art. 3:66 BW houdt in lid 1 de regel in dat een door een gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling in haar gevolgen de volmachtgever treft. Het tweede lid van het artikel voegt hieraan toe dat voor zover het al of niet aanwezig zijn van een wil of van wilsgebreken, alsmede bekendheid of onbekendheid met feiten van belang zijn voor de geldigheid of de gevolgen van […]”
r.o. 3.6Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW, te late publicatie jaarrekening, vermoedens
“[…] de bewijswaardering in rov. 2.4 bestreden. De klachten gaan uit van een onjuiste lezing van de bestreden rov. 2.4. Het hof heeft immers noch in de bestreden rov. 2.1 noch in de bestreden rov. 2.4 tot uitgangspunt genomen dat [eiser] als bestuurder is aan te merken op grond van de inschrijving in het Handelsregister noch dat hij bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen in de zin van art. 2:240 BW. Ook heeft het hof niet geoordeeld dat de stelplicht en bewijslast over de omstandigheid dat [eiser] bestuurder was niet bij de curator liggen. In de bestreden rov. 2.4 heeft het hof alleen geoordeeld dat [eiser] niet is geslaagd in het voldoende motiveren van zijn grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij als bestuurder van [A] B.V. is aan te merken. In eerste aanleg lagen deze stelplicht en bewijslast op de curator. In hoger beroep ligt de bewijslast van zijn grieven op [eiser]. In de bestreden rov. 2.4 heeft het hof dan ook terecht een eigen bewijswaardering gegeven en in het licht daarvan de stelling van [eiser] dat hij niet als bestuurder is aan te merken als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Het hof heeft voorts geen rechtsregel geschonden door producties […]”
r.o. 2.7Arbitrage managementovereenkomst en exclusieve rechtsmacht bij vernietiging bestuursbesluit
“Praktische consequentie van het idee dat beslissingen geen besluiten in de zin van art. 2:14 - 16 BW zijn is dat zowel de beslissing als de externe rechtshandeling door arbitrage kunnen worden beslecht. Voor deze benadering pleit dat bij beslissingen het juridisch zwaartepunt als gevolg van art. 2:240 BW ligt op de externe rechtshandeling, niet op de interne besluitvorming. Zowel het besluit tot opzegging van een overeenkomst, als de daadwerkelijke opzegging zou bij arbitrage kunnen worden beslecht. Deze vaststelling is van belang voor een goed begrip van het hierna te bespreken Groenselect-arrest.(19) In die zaak werd een verklaring voor recht gevorderd dat een aantal aandeelhoudersbesluiten en (niet nader omschreven) bestuursbesluiten niet rechtsgeldig zijn; de overwegingen van de Hoge Raad zagen op de vernietiging van besluiten. Wanneer de Hoge Raad ooit zou oordelen dat beslissingen niet als besluiten kwalificeren, stelt hij buiten twijfel dat Groenselect geen betrekking heeft op beslissingen. Erga omnes-werking van (nietige of vernietigde) besluiten”
r.o. 3.8“Het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting dat het 'besluit' tot opzegging van 2 november 2006 direct externe werking heeft (zie hierboven, nr. 3.23 en 3.24). Anders dan het onderdeel wil, valt de externe rechtshandeling (de opzegging van de MCA) los te zien van het 'besluit' tot opzegging. Dit volgt niet alleen uit de tekst van het 'besluit' tot opzegging, maar ook uit het richtlijnstelsel (o.a. neergelegd in art. 2:240 BW) op grond waarvan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders in beginsel onbeperkt en onvoorwaardelijk is.(36) De geldigheid van de rechtshandeling is niet afhankelijk van het 'besluit' tot opzegging. Omdat het 'besluit' wordt geabstraheerd van de externe rechtshandeling, kan niet worden gesteld dat de opzegging van de MCA niet ter vrije bepaling van partijen staat. Voor de beantwoording van de vraag of de MCA terecht is opgezegd is daarom irrelevant of deze beëindiging op 3 november 2006 nu wel of niet voortbouwt op het 'besluit' tot opzegging.”
r.o. 4.2Enquête: voorlopige voorziening tegen ontslag bestuurders en enquêtebevoegdheid personeelsvertegenwoordiging
“De door mij gecursiveerde passage moet in het licht van de tweede volzin van art. 2:240, lid 3 BW zo worden begrepen dat alleen de vennootschap, niet een grootaandeelhouder, een beroep op tegenstrijdig belang kan doen. De vraag of sprake was van tegenstrijdig belang en of AHAM op de juiste wijze was vertegenwoordigd kan daarom in het midden blijven.”
r.o. 3.3 · lid 3Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW en onderzoeksplicht bank bij concernkrediet
“[…] voor de rechtspraktijk ook (nieuwe) problemen met zich meebrengen; in ieder ontwikkeld vennootschapssysteem is tegenstrijdig belang een mere a boire van controverses en conflicten, hoe dit ook is geregeld). Art. 2:256 BW is een voorbeeld van een wettelijk voorschrift dat niet is aangepast aan een veranderd maatschappelijk decor. In 1970 is door invoering van een wetsartikel dat inmiddels in art. 2:240 BW is opgegaan, aan vele gevallen van externe werking van interne vertegenwoordigingsonbevoegdheid van een bestuurder een eind gemaakt. Hiermee is een rem gezet op het naar buiten verplaatsen van problemen die primair binnen de vennootschap hun ontstaan vinden. Er is in Boek 2 BW echter nu nog steeds een vertegenwoordigingsregeling voor tegenstrijdig belang opgenomen. Hiermee is het in beginsel mogelijk dat tegenstrijdig belang-problemen naar buiten de vennootschap worden verplaatst. De vertegenwoordigingsregeling van art. 2: 256 BW moeten Nederlandse rechters in de hun voorgelegde casussen uitleggen. Daar is geen ontkomen aan. In art. 256 kan niet een besluitvormingsregeling gelezen worden. Er is nog iets waarvoor ik aandacht vraag: sommige auteurs zijn negatief over het vereiste […]”
r.o. 2.4“[…] dat, als op de bank een zekere onderzoeksplicht naar vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurder wordt gelegd, deze daarmee als hoeder van het belang van de vennootschap moet gaan optreden. Ik vind dit bezwaar niet doorslaggevend, omdat zich dit bij iedere vorm van vertegenwoordigingsonbevoegdheid van een bestuurder met externe werking voordoet. Dergelijke gevallen kennen we ondanks art. 2:240 BW nog steeds. Door een meerderderheid van de Nederlandse schrijvers wordt aangenomen dat, zolang er geen besluit tot uitgifte van aandelen door de vergadering van aandeelhouders is genomen, het bestuur extern onbevoegd is om aandelen uit te geven.(9) Dit impliceert een zekere onderzoeksplicht voor de nemer van aandelen of er een uitgiftebesluit door de aandeelhoudersvergadering is genomen. In dit geval gaat de nemer van aandelen - zo zou men in de trant van het middelonderdeel kunnen zeggen - als een hoeder van een goede interne gang van zaken binnen de vennootschap optreden. Hiermee hebben de meeste auteurs echter geen moeite. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin een vennootschap drie bestuurders heeft en de vertegenwoordigingsbevoegdheid alleen aan de bestuurders gezamenlijk […]”
r.o. 2.6Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW, feitelijk beleidsbepaler en bewijsvermoeden
“[…] dat arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof in Den Haag. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. 1. Prod. 1 bij c.v.a. 2. Dit blijkt uit het tussenvonnis van de rechtbank te Middelburg van 3 juli 1996; de overeenkomst bevindt zich niet in het procesdossier. 3. Zie de m.v.gr. onder Toelichting Grief III; [eiser 2] heeft gesteld niet overeenkomstig de art. 2:240 en 2:242 BW te zijn benoemd. 4. HR 28 juni 1996, NJ 1997, 58 , m.nt. J.M.M. Maeijer. 5. Handelsregisterwet 1996 (Wet van 8 februari 1996, Stb. 181). 6. K.b. van 18 september 1997, Stb. 416. 7. Vgl. m.v.t., kamerst. [II 1994-1995] 23 970, nr. 3, p. 13 (ad oorspr. art. 19) 8. Nl. de m.v.t. Kamerst. [II, 1983-1984) 16 631, nr. 3, p. 6 en de m.v.a. II (kamerst. nr. 6), p. 23-24. 9. S.t. advocaat eisers, nr. 14. 10. Zie hiervóór, § 1.3. 11. Zoals gebleken is tijdens de procedure is geen administratie van Vlimeta overgelegd. Ook heeft Mefigro geen stukken geproduceerd waaruit zou kunnen blijken dat de door het hof aangenomen feiten onjuist zijn. 12. Zie hiervóór, § 1.3. 13. M.v.a. I, kamerst. [1985-1986] 16 631, nr. 27b, p. 21. 14. Zie ook P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 1998, […]”
r.o. 3.5.3.6Enquête: ontvankelijkheid vennootschap en onmiddellijke voorzieningen bij verstoorde joint venture
Een vennootschap en haar grootaandeelhouder verzochten de OK om een enquête naar een houdstermaatschappij van een joint venture, waarbij de OK onmiddellijke voorzieningen trof: schorsing van een bestuurder, benoeming van een tijdelijk bestuurder en overdracht van aandelen ten titel van beheer. De A-G concludeert dat het verzoek van de vennootschap ontvankelijk is, ook al was de geschorste bestuurder niet gekend, en dat de OK de onmiddellijke voorzieningen van artikel 2:349a BW voldoende heeft gemotiveerd en afgewogen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Conclusie: tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW, statutaire afwijking en verjaring
Conclusie over een verzoek tot heropening van de vereffening van een ontbonden vennootschap, waarbij de vraag speelt of een schuldoverneming onbevoegd is verricht wegens tegenstrijdig belang van de enig bestuurder en aandeelhouder. De A-G meent dat een statutaire bepaling die de bestuurder bij tegenstrijdig belang bevoegd verklaart, hem vertegenwoordigingsbevoegd maakt, behoudens misbruik van bevoegdheid. Onbevoegde vertegenwoordiging leidt tot ongeldigheid, zodat artikel 3:52 BW niet van toepassing is. Hij concludeert tot vernietiging.
Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW; enig aandeelhouder-bestuurder verbindt B.V. niet zonder expliciete aanwijzing
Conclusie over de vraag of een enig aandeelhouder-bestuurder een B.V. kan binden aan transacties met een andere vennootschap waarin hij zelf belang heeft. De A-G beschouwt artikel 2:256 BW als vertegenwoordigingsregeling, waarop ook de curator zich kan beroepen. Daadwerkelijk nadeel is niet vereist. Een bijzonder vertegenwoordiger moet expliciet en schriftelijk worden aangewezen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Enquête ASMI: strategie, corporate governance en gegronde redenen voor twijfel aan juist beleid
“[…] te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Voorts bepaalt het artikellid dat hij het bestuur met raad ter zijde staat. Het oordeel kan ook niet worden gebaseerd op algemeen aanvaarde regels omtrent corporate governance. Principe III.1 van de Nederlandse Corporate Governance Code herhaalt het bepaalde in art. 2:240 lid 2 BW met een in dit verband niet ter zake doende aanvulling. Ook in de best practice bepalingen komt een verwijzing naar een bemiddelende rol van de raad van commissarissen niet voor. Best practice bepaling III.1.6 bepaalt niet meer dan dat het toezicht van de raad van commissarissen op het bestuur onder andere omvat de verhouding met aandeelhouders. Ook op de Nederlandse Corporate Governance Code kan de OK haar oordeel over de bemiddelende rol van de raad van commissarissen niet baseren. De door de OK aanvaarde rechtsregel acht ik ook onwenselijk. Het spreekt voor zich dat geschillen tussen (een groep) aandeelhouders en het bestuur zo mogelijk worden opgelost. Dat de raad van commissarissen daarbij een rol moet spelen die verder gaat dan toezicht te houden op het bestuur om […]”
r.o. 3.5.8 · lid 2
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Statutaire beperking vertegenwoordigingsbevoegdheid bestuurder: externe werking en schijn van bevoegdheid
Eigenaren van winkelruimte in een winkelpassage vorderen schadevergoeding van een projectontwikkelaar en een aannemer wegens te late heropening van de passage. Voor de gestelde afspraak over een uiterste ontsluitingsdatum beroept de ontwikkelaar zich op een in het handelsregister ingeschreven statutaire beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurder die de afspraak zou hebben gemaakt. Het hof gaat uit van externe werking van die beperking en laat de eigenaren bewijzen dat de afspraak is gemaakt en dat de schijn van bevoegdheid is gewekt.
Rechtbanken (1)
Tegenstrijdig belang enige commissaris: algemene vergadering beslist over goedkeuring aandelenoverdracht
“De vennootschap is als rechtspersoon gehouden om het ertoe te leiden dat de in de statuten bedoelde goedkeuring voor de aandelenverkoop al of niet wordt gegeven. De algemene vergadering is het bevoegde orgaan om te besluiten over de verzochte goedkeuring en dient ervoor te zorgen dat de geagendeerde besluitvorming wordt voortgezet. De vennootschap zelf kan daartoe in rechte worden aangesproken omdat het bevoegde orgaan geen rechtspersoonlijkheid heeft en niet kan worden gedagvaard. Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap (artikel 2:240 BW) en de bestuurder dient daarom de vergadering bijeen te (doen) roepen en te (doen) voortzetten. Hij is daartoe op grond van artikel 2:219 BW ook bevoegd. De oproeping dient te geschieden met inachtneming van de termijn zoals bepaald in de statuten. De vergadering dient uiterlijk binnen 21 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis te worden hervat.”
r.o. 4.9