← Alle artikelen

Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 6. De raad van commissarissen bij de grote besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Artikel 2:272 BW

In deze vorm in werking sinds 1 oktober 2012, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 300

De raad van commissarissen benoemt de bestuurders der vennootschap; deze bevoegdheid kan niet door enige bindende voordracht worden beperkt. Hij geeft de algemene vergadering kennis van een voorgenomen benoeming van een bestuurder der vennootschap; hij ontslaat een bestuurder niet dan nadat de algemene vergadering over het voorgenomen ontslag is gehoord. Het tiende lid van artikel 268 is van overeenkomstige toepassing.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:272 BW (7)

Hoge Raad (3)

  • Hoge Raad · 18 november 2022

    Enquêteverzoek OM bij Sint Maartens havenbedrijf; belangenafweging bij openbaar belang

    “In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) SMHHC houdt, direct of indirect, alle aandelen in de overige verweersters. SMHHC c.s. leggen zich toe op activiteiten die verband houden met de haven van Sint Maarten. Het Land is enig aandeelhouder van SMHHC. Tot 29 juni 2017 was [belanghebbende 22] als statutair bestuurder zelfstandig bevoegd SMHHC en de meeste andere van verweersters te vertegenwoordigen. (ii) Het OM heeft bij brief van 8 juli 2015 een verzoek om inlichtingen aan SMHHC gedaan op grond van art. 2:272 lid 3 BW Sint Maarten (hierna: BWSM), naar aanleiding van bij het OM gerezen bedenkingen bij het functioneren van en de integriteit binnen de onderneming van SMHHC c.s. Hierover, en over de aanvullende verzoeken van het OM, is in de twee daaropvolgende jaren tussen de advocaat van SMHHC c.s. en het OM gecorrespondeerd. (iii) Het OM heeft bij brief van 20 juli 2017 aan SMHHC en de raad van commissarissen van SMHHC (hierna ook: RvC) zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen het beleid en de gang van zaken binnen SMHHC c.s. Hierop is namens SMHHC c.s. en de RvC gereageerd, maar niet naar genoegen van het OM.”

    r.o. 2.1

    ECLI:NL:HR:2022:1705

  • Hoge Raad · 11 november 2016

    Enquêteverzoek Curaçao: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren vooraf en vervaltermijn vernietiging

    “Het hof heeft de verzoeken van Bab afgewezen, en daartoe als volgt overwogen: “2.2 De verweerders (en belanghebbenden) hebben het verweer gevoerd dat Bab niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de verzoeken, omdat zij niet voldoet aan de kapitaalseis als bedoeld in art. 2:272 lid 1, aanhef en sub c, BW en niet heeft voldaan aan de plicht haar bezwaren kenbaar te maken als bedoeld in art. 2:273 BW.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:HR:2016:2574

  • Hoge Raad · 14 april 2023

    Curaçaos enquêterecht: ontvankelijkheid enquêteverzoek ten aanzien van stichting particulier fonds

    De Hoge Raad verwerpt met een artikel 81 RO-motivering het cassatieberoep in een Curaçaose enquêtezaak. De zaak ging over de vraag of het enquêteverzoek ontvankelijk is voor zover het een stichting particulier fonds betreft, op grond dat de onderneming mede door deze stichting wordt gehouden. De Hoge Raad geeft geen nadere motivering.

    ECLI:NL:HR:2023:565

Conclusies van de A-G (3)

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 april 2022

    Caribisch enquêterecht: afwijzing enquêteverzoek OM na jarenlange aanhouding, belangenafweging

    “Bij brief van 8 juli 2015 heeft het OM een verzoek om inlichtingen aan SMHHC gedaan op grond van ar. 2:272 lid 3 BW-SM. Dit naar aanleiding van bij het OM gerezen bedenkingen bij het functioneren en de integriteit binnen de ondernemingen van de vennootschappen. Hierover, en over de aanvullende verzoeken van het OM, is in de twee daarop volgende jaren tussen de advocaat van de vennootschappen en het OM gecorrespondeerd.”

    r.o. 1.2

    “In rov. 3.1-3.8 van Beschikking I overweegt het Hof als volgt: “3. De beoordeling3.1 Op grond van artikel 2:271 BW kan het Hof een of meer onderzoekers benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij een rechtspersoon en daarmee nauw verbonden rechtspersonen. Artikel 2:272 lid 2 BW bepaalt onder meer dat het openbaar ministerie steeds bevoegd is een dergelijk verzoek te doen om redenen van openbaar belang. Ingevolge artikel 2:272 lid 3 BW kan het openbaar ministerie voorafgaand aan een in te dienen verzoek inlichtingen doen inwinnen bij de betreffende rechtspersoon over het beleid en de gang van zaken en is die rechtspersoon verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en inzage te verlenen. Artikel 2:276 lid 1 BW bepaalt dat het Hof in iedere stand van het geding waarin een onderzoek wordt verzocht voorlopige voorzieningen kan treffen als bedoeld in het derde lid van die bepaling.”

    r.o. 2.5

    “[…] rechtsopvatting van het Hof doet zich in werkelijkheid niet voor. 3.14.2 In het voetspoor daarvan strandt ook de eerste klacht in subonderdeel 2.2, eveneens een rechtsklacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.Hetzelfde lot treft dederde klacht in subonderdeel 2.2, eveneens een rechtsklacht. Daarbij teken ik aan dat, gelet ook op rov. 3.1 van Beschikking I (de verwijzing daarin naar art. 2:272 lid 2 BW-SM) en rov. 2.5 van Beschikking IV (mede over de stelling van het OM dat er integriteitsproblemen zijn binnen de Sint Maartense overheidsbedrijven), het Hof onderkent dat het OM steeds bevoegd is een enquêteverzoek te doen en hier ook doet om redenen van openbaar belang. Verder blijkt nergens uit dat het Hof in Beschikking IV eraan voorbijziet dat “redenen van openbaar belang, indien zij juist gebleken zijn, een bijzondere grond voor het houden van een onderzoek [kunnen] vormen naast andere gronden die eveneens tot het instellen van een onderzoek hebben kunnen leiden.” Dát is wat te lezen valt in de De Vries Robbé-beschikking van de Hoge Raad waarop de klacht een beroep doet. Daarbij verdient nog opmerking dat in het onderhavige geval het OM de enige partij is die verzoekt […]”

    r.o. 3.14

    “In het voetspoor daarvan strandt ook de eerste klacht in subonderdeel 2.2, eveneens een rechtsklacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.Hetzelfde lot treft dederde klacht in subonderdeel 2.2, eveneens een rechtsklacht. Daarbij teken ik aan dat, gelet ook op rov. 3.1 van Beschikking I (de verwijzing daarin naar art. 2:272 lid 2 BW-SM) en rov. 2.5 van Beschikking IV (mede over de stelling van het OM dat er integriteitsproblemen zijn binnen de Sint Maartense overheidsbedrijven), het Hof onderkent dat het OM steeds bevoegd is een enquêteverzoek te doen en hier ook doet om redenen van openbaar belang. Verder blijkt nergens uit dat het Hof in Beschikking IV eraan voorbijziet dat “redenen van openbaar belang, indien zij juist gebleken zijn, een bijzondere grond voor het houden van een onderzoek [kunnen] vormen naast andere gronden die eveneens tot het instellen van een onderzoek hebben kunnen leiden.” Dát is wat te lezen valt in de De Vries Robbé-beschikking van de Hoge Raad waarop de klacht een beroep doet. Daarbij verdient nog opmerking dat in het onderhavige geval het OM de enige partij is die verzoekt om een onderzoek. Welk verzoek van het OM het Hof dus afwijst op basis van een […]”

    r.o. 3.14.2

    ECLI:NL:PHR:2022:398

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 juni 2016

    Curaçaos enquêterecht: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren en vervaltermijn vernietiging

    “Er bestaat m.i. geen aanleiding te veronderstellen dat het recht van Curaçao op dit punt van het Nederlandse beoogt af te wijken. Art. 2:272 BWC vormt de evenknie van art. 2:346 BW. De Curaçaose regeling van art. 2:272 lid 1 sub c verschilt weliswaar in een aantal opzichten van het Nederlandse art. 2:346 lid 1 aanhef en onder b BW waarop zij toch duidelijk is geënt, maar deze verschillen brengen m.i. niet mee dat het Curaçaose artikel voor wat betreft de Slotervaartziekenhuis-regel anders moet worden uitgelegd dan het Nederlandse recht.”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:PHR:2016:513

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 december 2000

    Benoeming bestuurder B.V. zonder AVA-besluit; doorhaling handelsregisterinschrijving; vertrouwensleer

    Een persoon liet zich in het handelsregister inschrijven als bestuurder van een B.V., maar de enig aandeelhouder had hem nooit benoemd. De conclusie gaat over de vraag of de vertrouwensleer of rechtsverwerking een ontbrekend benoemingsbesluit kan vervangen, gelet op artikel 2:242 BW. De plaatsvervangend procureur-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2000:AA9047

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 juni 2026

    Ontslag statutair bestuurder structuurvennootschap door RvC niet nietig of vernietigbaar

    “Bij een structuurvennootschap als [geïntimeerde] worden de bestuurders benoemd door de raad van commissarissen, op grond van artikel 2:272 BW. De raad van commissarissen kan de bestuurders ook ontslaan, op grond van artikel 2:244 BW, maar, gelet op artikel 2:272 BW, niet dan nadat de algemene vergadering over het voorgenomen ontslag is gehoord. Dit volgt ook uit de artikelen 15.1 en 15.2 van de statuten van [geïntimeerde] .”

    r.o. 3.15

    ECLI:NL:GHARL:2026:3978