Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 5. Het bestuur van de vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:239 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2013, laatst gewijzigd bij Stb. 2011, 275
Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap.
De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen.
Besluiten van het bestuur kunnen bij of krachtens de statuten slechts worden onderworpen aan de goedkeuring van een ander orgaan van de vennootschap.
De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap. Het bestuur is gehouden de aanwijzingen op te volgen, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:239 BW (46)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (6)
Tegenstrijdig belang bestuurder: medebestuurders beslissen over uitsluiting van besluitvorming
“[…] belang is om te beslissen of hij aan de besluitvorming kan deelnemen. Indien daarover een verschil van inzicht bestaat dat niet in overleg kan worden opgelost, dient de rechter, zo nodig in kort geding, te beslissen en het ligt dan voor de hand dat de bestuurders die collega-bestuurders van de besluitvorming willen uitsluiten, zich tot de rechter wenden, aldus het onderdeel. 3.2.1 Art. 2:239 leden 5 en 6 BW bepalen het volgende over tegenstrijdig belang van bestuurders van een besloten vennootschap: 5. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. 6. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen. 3.2.2 Een bestuurder heeft een tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:239 lid 6 BW indien hij […]”
r.o. 3.1 · leden 5, 6“Art. 2:239 leden 5 en 6 BW bepalen het volgende over tegenstrijdig belang van bestuurders van een besloten vennootschap: 5. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. 6. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.”
r.o. 3.2.1 · leden 5, 6“Een bestuurder heeft een tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:239 lid 6 BW indien hij te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat, kan slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.”
r.o. 3.2.2 · lid 6Cancun
Enquête: vennootschapsbelang en zorgplicht bestuurders in joint venture; wanbeleid bevestigd
“Onderdeel 1.1 betoogt dat het belang van de Vennootschap als joint venture geheel samenviel met de belangen van de aandeelhouders. Mede gelet op het bepaalde in art. 2:239 lid 4 BW was het bestuur van de Vennootschap daarom op grond van de feitelijke instructiemacht van de aandeelhouders verplicht om instructies van de aandeelhouders op te volgen. Het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.4, 3.26 en 3.27 getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft de ondernemingskamer haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. 4.2.1 Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in […]”
r.o. 4.1 · leden 4, 5“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.”
r.o. 4.2.1 · lid 5“Elke bestuurder is gehouden om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en om zorgvuldigheid te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, ongeacht of een bestuurder is benoemd door of op voordracht van de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding. Dat is niet anders indien de aandeelhouders nauw betrokken zijn bij de joint venture-vennootschap of indien de statuten bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap (vgl. art. 2:239 lid 4 BW en Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 91-92).”
r.o. 4.2.3 · lid 4“De door het onderdeel gehuldigde opvatting dat het bestuur van een vennootschap verplicht is, ook bij afwezigheid van een daartoe strekkende statutaire bepaling als bedoeld in art. 2:239 lid 4 BW, de instructies van de algemene vergadering of van een of meer bepaalde aandeelhouders op te volgen, is onjuist. Uit hetgeen hiervoor in 4.2.1 – 4.2.3 is overwogen, volgt immers dat het bestuur van een vennootschap bij de vervulling van zijn taak een eigen verantwoordelijkheid heeft om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming. Dat is niet anders indien de aandeelhouders op grond van de machtsverhoudingen binnen de vennootschap feitelijke instructiemacht hebben. De ondernemingskamer heeft acht geslagen op de aard van de Vennootschap als een joint venture die is aangegaan tussen twee gelijkwaardige partners, naderhand aangevuld met een aandeelhouder met een minderheidsbelang. Blijkens de rov. 3.20.1 – 3.20.2 en 3.26 – 3.27 heeft zij onderkend dat het vennootschapsbelang onder de gegeven omstandigheden meebracht dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder zouden veranderen dan in het licht van de omstandigheden was geboden. Zij […]”
r.o. 4.3 · lid 4Cancun
Enquête joint venture: vennootschapsbelang, zorgplicht bestuur en artikel 2:8 BW aandeelhouders
“[…] omtrent de taak van het bestuur. De ondernemingskamer zou miskennen dat het niet op de weg van het bestuur, maar van de aandeelhouders lag om de door hen gemaakte afspraken omtrent de eerste verwatering vast te leggen. 4.2.1 Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder […]”
r.o. 4.1 · lid 5“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.”
r.o. 4.2.1 · lid 5“Elke bestuurder is gehouden om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en om zorgvuldigheid te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, ongeacht of een bestuurder is benoemd door of op voordracht van de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding. Dat is niet anders indien de aandeelhouders nauw betrokken zijn bij de joint venture-vennootschap of indien de statuten bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap (vgl. art. 2:239 lid 4 BW en Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 91-92).”
r.o. 4.2.3 · lid 4Cancun
Enquête: vennootschapsbelang en zorgplicht bestuur bij joint venture-vennootschap en verwatering
“[…] motiveert de ondernemingskamer onvoldoende waarom het vennootschapsbelang zo zwaar woog, althans zodanig afweek van de belangen van de gezamenlijke aandeelhouders, dat het bestuur zulks wel had moeten doen, zo betoogt het onderdeel. 4.2.1 Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder […]”
r.o. 4.1 · lid 5“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.”
r.o. 4.2.1 · lid 5“Elke bestuurder is gehouden om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en om zorgvuldigheid te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, ongeacht of een bestuurder is benoemd door of op voordracht van de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding. Dat is niet anders indien de aandeelhouders nauw betrokken zijn bij de joint venture-vennootschap of indien de statuten bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap (vgl. art. 2:239 lid 4 BW en Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 91-92).”
r.o. 4.2.3 · lid 4Cancun
Wanbeleid bij joint venture-vennootschap: vennootschapsbelang, zorgplicht bestuurders en artikel 2:8 BW
“[…] vastlegging primair het belang van Holding I zou dienen, (iv) het bestuur niet tot taak had te bemiddelen in het aandeelhoudersconflict, en (v) er geen indicaties waren dat de exploitatie van het hotel zou lijden door de emissie. 4.2.1 Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder […]”
r.o. 4.1 · lid 5“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.”
r.o. 4.2.1 · lid 5“Elke bestuurder is gehouden om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en om zorgvuldigheid te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, ongeacht of een bestuurder is benoemd door of op voordracht van de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding. Dat is niet anders indien de aandeelhouders nauw betrokken zijn bij de joint venture-vennootschap of indien de statuten bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap (vgl. art. 2:239 lid 4 BW en Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 91-92). Deze verplichtingen van een bestuurder gelden vanaf het moment van zijn aantreden.”
r.o. 4.2.3 · lid 4Sjardin/Sjartec
Vernietiging ontslagbesluit bestuurder BV wegens strijd met goede trouw naast arbeidsovereenkomst
“[…] toewijsbaar geoordeeld op de grond kort samengevat dat, indien een bestuurder van een BV meent dat bepaalde feiten en omstandigheden meebrengen dat een hem gegeven ontslag vernietigd moet worden wegens strijd met de goede trouw, hij op grond van die feiten en omstandigheden uitsluitend de rechtsgevolgen kan inroepen die de artt. 1639 e e.v. BW daaraan verbinden (voor zover daarvan in de artt. 2:239 e.v. BW niet wordt afgeweken) en dat de voormelde vordering van [eiser] derhalve krachtens art. 1639 u BW is verjaard.”
r.o. 3.1
Conclusies van de A-G (21)
Ontslag van bestuurders door AVA: nietigheid, bijeenroeping en tegenstrijdig belang (A-G)
“Subonderdeel 2a bestrijdt als niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd de volgende passage in rov. 3.16 van het arrest: “Deze in artikel 2:239 lid 6 BW en artikel 22 lid 4 van de statuten beschreven gedragsnorm richt zich tot de betrokken bestuurders: zij dienen zich bij een tegenstrijdig belang te onthouden van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming. Daarop ziet de klacht niet, nu die alleen inzoomt op de oproeping voor een vergadering die aan die beraadslaging en besluitvorming voorafgaat.””
r.o. 3.9 · lid 6“Daartoe voert het subonderdeel, samengevat, de volgende klachten aan. a. Art. 2:239 lid 6 BW en art. 22 lid 4 van de statuten zien op verschillende situaties en bevoegdheden van verschillende actoren. De in art. 2:239 lid 6 BW genoemde afwijking staat in art. 16 lid 6 van de statuten. Beide bepalingen zien op de bestuursvergadering en regelen wat heeft te gelden in geval van een tegenstrijdig belang. Art. 22 lid 4 van de statuten ziet op een andere situatie, namelijk die waarin het bestuur niet binnen vier weken overgaat tot de verzochte oproep, en richt zich tot de aandeelhouders. Wat het hof hier heeft overwogen, is niet geregeld in en sluit niet aan op dit art. 22 lid 4. b. De door Qati geformuleerde grief ziet wel degelijk op de bestuursvergadering (niet op de algemene vergadering). Behandeling”
r.o. 3.10 · lid 6“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”
r.o. 3.11“[…] bestreden oordeel niet ziet), niet om de besluiten van de algemene vergadering van Qati van 12 augustus 2021 (waarop het bestreden oordeel wel ziet). 3.13.4 Bovendien mist de klacht feitelijke grondslag in het arrest. 3.13.5 Zoals mede bevestiging vindt in de laatste zin van rov. 3.16, gaat het hof in het bestreden oordeel ervan uit dat de daarin bedoelde gedragsnorm/regel (als vervat in art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 lid 6 van de statuten) niet ook ziet op besluitvorming door het bestuur van Qati tot het al dan niet bijeenroepen van een algemene vergadering van Qati. De reden daarvoor vindt het hof in art. 22 lid 4, laatste zin van de statuten: dit biedt al een remedie voor de situatie waarin het bestuur van Qati, om welke reden dan ook, niet tot zo’n bijeenroeping overgaat. Van die remedie heeft de holding van [betrokkene 1] juist gebruik willen maken. 3.13.6 Hieruit volgt waarom het hof in rov. 3.16 meent dat de daarin bedoelde “klacht” van Qati niet opgaat: deze “klacht” betreft weliswaar voornoemde besluitvorming, dus de bestuursvergadering (niet de algemene vergadering), maar op de desbetreffende beslissing (bestuursvergadering) is de in art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 […]”
r.o. 3.13 · lid 6Uitstoting en uittreding: vennootschapsbelang bij afwikkeling onderneming na vastgelopen 50/50-samenwerking
“Ik begin met klacht a. 4.11.1 Voor het concept ‘vennootschapsbelang’ is deze Hoge Raad-overweging richtinggevend: “Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.” 4.11.2 Het gaat de klacht om de derde zin in het […]”
r.o. 4.11 · lid 5“Voor het concept ‘vennootschapsbelang’ is deze Hoge Raad-overweging richtinggevend: “Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.””
r.o. 4.11.1 · lid 5Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW
“Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien […]”
r.o. 3.17 · lid 6“[…] 3.18 de in rov. 3.17 beschreven rechtsregels met betrekking tot tegenstrijdig belang ten onrechte niet heeft toegepast. Volgens de klacht vergen deze regels een beoordeling van het gedrag van de geconflicteerde bestuurder ( [bestuurder/CEO] ) en ontbreekt die beoordeling, waardoor een essentiële schakel in de redenering van de OK ontbreekt. Ten aanzien van de wettelijke onthoudingsregel (art. 2:239 lid 6 BW) geldt dat uit rov. 3.18 niet blijkt of beraadslaging en besluitvorming heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de zogenoemde Linders/Hofstee-regels geldt dat de OK niet heeft beoordeeld of [bestuurder/CEO] de verschillende belangen voldoende gescheiden heeft gehouden, of [bestuurder/CEO] ten aanzien daarvan voldoende openheid heeft betracht, en/of of de inschakeling van een deskundige in de gegeven omstandigheid was aangewezen. 4.90.1 Deze klacht is ongegrond. 4.90.2 Vooropgesteld: de klacht bestrijdt - terecht - niet het juridisch kader over tegenstrijdig belang in rov. 3.17. 4.90.3 De klacht neemt op zichzelf ook terecht tot uitgangspunt dat uit het voorlopige oordeel omtrent tegenstrijdig belang in rov. 3.18 niet blijkt dat de OK heeft geoordeeld dat [bestuurder/CEO] […]”
r.o. 4.90 · lid 6“Deze klacht is ongegrond.”
r.o. 4.90.1“De eerste route (PI 69) is dat het oordeel van de OK in rov. 3.18 onvoldoende is gemotiveerd, omdat de OK niet kenbaar heeft beoordeeld hoe [bestuurder/CEO] heeft gehandeld in het kader van het aangenomen tegenstrijdig belang en hoe dit zich verhoudt tot de onthoudingsregel (art. 2:239 lid 6 BW) en/of de Linders/Hofstee-regels. De klacht verwijst naar de overweging van de OK in rov. 3.18 dat [bestuurder/CEO] erop zou hebben aangedrongen en zou hebben gewild dat bepaalde aantallen wafers besteld zouden worden en voert vervolgens aan dat de OK niet toelicht waaruit zou blijken hoe [bestuurder/CEO] op de bestellingen heeft aangedrongen en/of dat [bestuurder/CEO] deze zou hebben gewild. Hier lijkt zich volgens de klacht, onder verwijzing naar onderdeel 1, te wreken dat de OK-beschikkingen in allerijl zijn gegeven en niet zijn gebaseerd op een voldragen partijdebat.”
r.o. 4.92 · lid 6Enquête: tegenstrijdig belang bestuurder en vermogensrechtelijk geschil; A-G concludeert tot verwerping
“De OK verwerpt de eerste grond. Zij zet dit als volgt uiteen. (p. 8-9 van het proces-verbaal) Ten aanzien van de grond onder 1. wordt het volgende voorop gesteld. Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarvan is sprake indien de betrokken bestuurder, gelet op alle omstandigheden van het geval, te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming. De Ondernemingskamer is van oordeel dat de Founder-bestuurders in dit geval een tegenstrijdig belang hadden bij de totstandkoming van de besluiten van 7 en 10 januari 2025. [verzoeker] waren partij bij de Term Sheet van juni 2024 en met de daarin overeengekomen Hive-Out zou een aanzienlijk deel van de door Getir gehouden aandelen in haar dochtervennootschappen, waaronder Getir Finance aan hen worden toebedeeld. De Founder-bestuurders, hadden daarom ook persoonlijk een […]”
r.o. 2.7 · lid 6“[…] is gehouden (p. 8 van het proces-verbaal), (i) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel (ii) haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. - Voor (i) voert het subonderdeel aan: dat de OK heeft miskend dat “het - bij gebreke van een andersluidende (statutaire) regeling - (in beginsel)” aan de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang is om te beslissen of hij, gelet op art. 2:239 lid 5-6 BW, aan de besluitvorming kan deelnemen. En: dat indien daarover een verschil van inzicht bestaat (zoals in dit geval) dat niet in overleg kan worden opgelost, de rechter, zo nodig in kort geding, dient te beslissen. Het ligt daarbij voor de hand - aldus nog steeds het subonderdeel - dat de bestuurders die, met een beroep op de wettelijke regeling voor tegenstrijdig belang, collega-bestuurders van de besluitvorming willen (doen) uitsluiten, zich tot de rechter wenden. - Voor (ii) voert het subonderdeel aan dat de OK in ieder geval haar oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd door niet uiteen te zetten waarom [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , de uitvoerend bestuurders van Getir, “deze weg” (ik begrijp: als bedoeld onder (i)) in dit geval niet hoefden te volgen. De enkele […]”
r.o. 3.5 · leden 5, 6“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”
r.o. 3.6“De daarin verdedigde opvatting - die de OK niet huldigt in het proces-verbaal - komt erop neer dat bij een meerhoofdig bestuur van een B.V., zoals Getir, het in uitgangspunt aan de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang zélf is om voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW te beslissen óf hij aan de desbetreffende beraadslaging en besluitvorming van het bestuur kan deelnemen (ik begrijp: óf hij daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft in de zin van die bepaling), en dat bij een verschil van inzicht dienaangaande (ik begrijp: tussen die bestuurder en diens medebestuurders) dat niet door overleg kan worden opgelost de rechter hierover dient te beslissen, waarbij het voor de hand ligt dat de medebestuurders de gang naar de rechter dienen te maken.”
r.o. 3.7.1 · lid 6Conclusie A-G: ernstig persoonlijk verwijt indirect bestuurder bij afwikkeling vennootschap, Ontvanger/Roelofsen
“Voor zover de klachten aansluiten bij de wettelijke regeling van tegenstrijdig belang (zie bijvoorbeeld art. 2:129 lid 6 BW en art. 2:239 lid 6 BW voor bestuurders van een naamloze respectievelijk besloten vennootschap), slagen zij niet. In deze zaak is immers niet de vraag aan de orde of [eiser 2] had mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming in verband met een persoonlijk belang dat al dan niet tegenstrijdig is aan het belang van de vennootschap(pen) waarvan hij bestuurder was, maar de vraag of [eiser 2] in verband met zijn handelen jegens de Bank als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarbij gaat het om de toepassing van de hiervoor 3.3 e.v. geschetste normen, die uiteindelijk een invulling vormen van de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW. De wettelijke regeling van tegenstrijdig belang speelt daarbij geen rol. Voor zover het subonderdeel zou willen betogen dat van een bestuurder nooit kan worden verwacht dat hij verschillende belangen gescheiden houdt, dat hij dat zorgvuldig doet en daarbij openheid betracht, tenzij sprake is van een tegenstrijdig belang in de zin van de wettelijke regeling, vindt dat geen steun in het recht.”
r.o. 3.82 · lid 6Conclusie: (mede)beleidsbepaler ex artikel 2:248 lid 7 BW en feitelijke terzijdestelling
“[…] niet beperkt is tot personen die zijn aan te merken als formeel bestuurder van de vennootschap (ook wel aangeduid als statutair bestuurder), waarop art. 2:248 BW doelt met “een bestuurder”. Dus tot personen die langs de daartoe geëigende weg - zie mede art. 2:242 BW - geldig zijn benoemd tot bestuurder van de vennootschap en aldus deel uitmaken (lid zijn) van het in art. 2:239 BW bedoelde bestuur van de vennootschap, blijkens art. 2:189a BW een orgaan van de vennootschap. 3.7.2 Art. 2:248 lid 7, eerste zin BW bewerkstelligt dat - met inachtneming van art. 2:248 lid 7, tweede zin BW - genoemd bereik van art. 2:248 BW tevens omvat degene die het beleid van de vennootschap (mede) bepaalt als ware hij zo’n formeel bestuurder. Daarmee is wel gezegd dat de curator art. 2:248 BW (ook) in stelling kan brengen tegen diegene (“degene”, etc.), dus een daarop gebaseerde vordering (ook) kan instellen tegen die persoon. Maar aansprakelijkheid van die persoon jegens de boedel op de voet van art. 2:248 BW is dan nog niet gegeven. Die aansprakelijkheid hangt in het bijzonder ervan af of naar het oordeel van de rechter de curator in staat is de horde van art. 2:248 lid […]”
r.o. 3.7“Naar luid daarvan wordt met een bestuurder voor de toepassing van art. 2:248 BW gelijkgesteld “degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder”. Art. 2:248 lid 7, eerste zin BW brengt mee dat het bereik van de in art. 2:248 BW vervatte bestuurdersaansprakelijkheidsregeling niet beperkt is tot personen die zijn aan te merken als formeel bestuurder van de vennootschap (ook wel aangeduid als statutair bestuurder), waarop art. 2:248 BW doelt met “een bestuurder”. Dus tot personen die langs de daartoe geëigende weg - zie mede art. 2:242 BW - geldig zijn benoemd tot bestuurder van de vennootschap en aldus deel uitmaken (lid zijn) van het in art. 2:239 BW bedoelde bestuur van de vennootschap, blijkens art. 2:189a BW een orgaan van de vennootschap.”
r.o. 3.7.1“[…] dat de bescherming welke rechtspersoonlijkheid biedt aan hen die de onderneming van de rechtspersoon drijven wegvalt, wanneer van die rechtspersoonlijkheid misbruik wordt gemaakt ten koste van hen die met de rechtspersoon handelen.” 3.8.2 Het in art. 2:248 lid 7, eerste zin BW bedoelde begrip “beleid” van de vennootschap, wat raakt aan het besturen van de vennootschap in de zin van art. 2:239 lid 1 BW, dient ruim uitgelegd te worden. Dit omvat, blijkens de parlementaire geschiedenis en naar de kern genomen, zowel een uit een reeks van bestuursdaden volgende vaste gedragslijn als een bepaalde, enkele bestuursdaad.Deze parlementaire geschiedenis zou de indruk kunnen wekken dat de wetgever een feitelijke betrokkenheid van “degene” in art. 2:248 lid 7, eerste zin BW bij de in art. 2:248 BW bedoelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur veronderstelt, zonder welke deelname van (mede)beleidsbepalerschap in de zin van art. 2:248 lid 7, eerste zin BW geen sprake kan zijn. Erg duidelijk is dit niet, gezien ook de tekst van deze bepaling. Die rept slechts op neutrale wijze van het (mede)bepalen van het beleid van de vennootschap als ware men formele bestuurder, […]”
r.o. 3.8 · lid 1“Het in art. 2:248 lid 7, eerste zin BW bedoelde begrip “beleid” van de vennootschap, wat raakt aan het besturen van de vennootschap in de zin van art. 2:239 lid 1 BW, dient ruim uitgelegd te worden. Dit omvat, blijkens de parlementaire geschiedenis en naar de kern genomen, zowel een uit een reeks van bestuursdaden volgende vaste gedragslijn als een bepaalde, enkele bestuursdaad.Deze parlementaire geschiedenis zou de indruk kunnen wekken dat de wetgever een feitelijke betrokkenheid van “degene” in art. 2:248 lid 7, eerste zin BW bij de in art. 2:248 BW bedoelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur veronderstelt, zonder welke deelname van (mede)beleidsbepalerschap in de zin van art. 2:248 lid 7, eerste zin BW geen sprake kan zijn. Erg duidelijk is dit niet, gezien ook de tekst van deze bepaling. Die rept slechts op neutrale wijze van het (mede)bepalen van het beleid van de vennootschap als ware men formele bestuurder, zonder daarbij enige verbinding te leggen met zo’n (betrokkenheid bij) kennelijk onbehoorlijke taakvervulling.Nodig is dit evenmin. Het gaat bij art. 2:248 lid 7, eerste zin BW erom of voor de toepassing van art. 2:248 BW een persoon als formele […]”
r.o. 3.8.2 · lid 1Aansprakelijkheid bestuurder bij verhuur eigen perceel aan vennootschap; tegenstrijdig belang
“[…] volgt: “Tenzij bij de statuten anders is bepaald, wordt de vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd door commissarissen. De algemene vergadering is steeds bevoegd een of meer andere personen daartoe aan te wijzen.” Deze bepaling is per 1 januari 2013 vervallen en vervangen door de tegenstrijdig belangregeling van art. 2:239 lid 6 BW (voor bestuurders) en art. 2:250 lid 5 BW (voor commissarissen). Art. 2:256 (oud) BW blijft van toepassing op rechtshandelingen die zijn verricht voor de invoering van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013. De desbetreffende huurovereenkomst dateert zoals gezegd van 19 juni 2008.Art. 2:256, eerste zin (oud) BW is van regelend recht en biedt de mogelijkheid om het tegenstrijdig belang in de statuten ‘weg te schrijven’ in de zin dat het bestuur ook bij het bestaan van een tegenstrijdig belang bevoegd blijft de vennootschap te vertegenwoordigen. De statuten van [eiseres] heb ik in het procesdossier niet aangetroffen. In een vonnis in kort geding van 20 oktober 2009 tussen ASAP en [eiseres] heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat het tegenstrijdige belang in de […]”
r.o. 3.4 · lid 6Enquête: bevel tot afgifte witness statement door bestuurder als onmiddellijke voorziening
“Voornoemd regime geldt bovendien voor alle partijgetuigen, derhalve ook voor partijgetuigen die als zodanig worden aangemerkt omdat zij bestuurder van de procederende rechtspersoon zijn. De normen neergelegd in art. 2:8 BW (aanvullende en beperkende werking redelijkheid en billijkheid), art. 2:9 BW (bestuurders zijn gehouden tot een behoorlijke taakvervulling), art. 2:239 lid 5 BW (bestuurders richten zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) en art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) maken dit niet anders. Deze normen zijn te algemeen om de specifieke wettelijke bepalingen omtrent partijgetuigen en de rechtspraak die in dit kader is ontwikkeld opzij te zetten en vormen een onvoldoende wettelijke basis om bestuurders – in strijd met het geldende Nederlandse burgerlijk procesrecht – te dwingen als partijgetuige een verklaring af te leggen. De regel dat een partijgetuige niet kan worden gedwongen een verklaring af te leggen, geldt ongeacht welk belang een ander bij de verklaring stelt te hebben.”
r.o. 2.22 · lid 5“Subonderdeel 2.1 klaagt dat het onjuist is dat de Ondernemingskamer in rov. 3.10 heeft geoordeeld dat een expliciete wettelijke grondslag nodig is om een ingezetene, die naar Nederlands burgerlijk procesrecht als partijgetuige moet worden aangemerkt, een bevel te kunnen geven om een verklaring ten behoeve van een buitenlandse procedure af te leggen. De Ondernemingskamer heeft miskend dat de art. 2:8, 2:9 (jo. 2:239), 2:349a lid 2 en 6:162 BW hiertoe een voldoende wettelijke grondslag bieden, aldus de klacht.”
r.o. 2.24“De klacht betreft in wezen een herhaling van de klachten in onderdeel 1 en faalt om dezelfde reden.”
r.o. 2.25Uitleg statutaire aanbiedingsregeling, aandeelhoudersovereenkomst en redelijkheid en billijkheid
“[…] gelden wat op grond van de aandeelhoudersovereenkomst tussen de partijen bij die overeenkomst reeds geldt. Strijd met de inhoud van een aandeelhoudersovereenkomst leidt er echter in beginsel niet toe dat een overeenkomstig de statuten genomen besluit ongeldig is, al kunnen redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW), eventueel mede in het licht van de norm van het vennootschappelijk belang (art. 2:239 lid 5 BW), tot nuanceringen leiden (‘doorwerking’ van de aandeelhoudersovereenkomst naar de vennootschappelijke verhoudingen). Afgezien van die nuanceringen zijn de gewone regels van wanprestatie en schadevergoeding van Boek 6 BW van toepassing (art. 6:74 e.v. en 6:95 e.v. BW), met inbegrip van de mogelijkheid dat de rechter een aandeelhouder veroordeelt tot schadevergoeding in natura (art. 6:103 BW). Mijns inziens is niet bij voorbaat uitgesloten dat een aandeelhouder wordt veroordeeld tot medewerking aan een nieuw besluit van de vennootschap, waarbij een eerder besluit geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt.”
r.o. 3.16 · lid 5Enquête: onmiddellijke voorzieningen, schorsing bestuurder en beheer van aandelen
“De klacht faalt. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de taakvervulling van een door de ondernemingskamer op grond van art. 2:349a lid 2 BW aangestelde bestuurder. Op grond van art. 2:239 lid 5 BW behoort een bestuurder, ongeacht of deze al dan niet door de ondernemingskamer is benoemd, het vennootschappelijk belang te dienen en zich bij zijn taakvervulling primair te richten naar het belang van de vennootschap en de met de vennootschap verbonden onderneming. Gelet op de wijze waarop een bestuurder zijn taak dient uit te voeren, levert het benoemen door de ondernemingskamer van een bestuurder zonder een beperking van diens wettelijke bevoegdheden in zijn algemeenheid geen strijd op met art. 3:303 BW en/of artikel 6 EVRM.”
r.o. 2.6 · lid 5Enquête joint venture-vennootschap: vennootschappelijk belang, wanbeleid en verwatering
“[…] en ander miskend heeft. De Ondernemingskamer zou haar oordeel op dit punt in elk geval niet voldoende hebben gemotiveerd. 4.3.23 De klachten van onderdeel 1.9.2 worden tevergeefs voorgesteld. Het bestuur dient zich bij de vervulling van zijn taak te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Deze regel, die sinds 1 januari 2013 ook is vastgelegd in art. 2:239 lid 5 BW, brengt mee dat het bestuur bij zijn besluitvorming de belangen van alle betrokkenen, waaronder ook de belangen van de aandeelhouders, in aanmerking dient te nemen (zie onder meer HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, rov. 4.4.1 (ASMI I)). Een en ander geldt ook wanneer de vennootschap een rol vervult in het kader van een ‘joint venture’ van de aandeelhouders. Het belang waarnaar het bestuur van een joint venture-vennootschap zich dient te richten, zal in dat geval mede gekleurd worden door het karakter van de joint venture en de bijzondere omstandigheden van het geval. Het is niet m.i. zonder meer zo dat het vennootschappelijk belang van een joint venture-vennootschap gelijk is aan de belangen van haar aandeelhouders (de joint venture-partners), zoals het […]”
r.o. 4.3 · lid 5“De klachten van onderdeel 1.9.2 worden tevergeefs voorgesteld. Het bestuur dient zich bij de vervulling van zijn taak te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Deze regel, die sinds 1 januari 2013 ook is vastgelegd in art. 2:239 lid 5 BW, brengt mee dat het bestuur bij zijn besluitvorming de belangen van alle betrokkenen, waaronder ook de belangen van de aandeelhouders, in aanmerking dient te nemen (zie onder meer HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, rov. 4.4.1 (ASMI I)). Een en ander geldt ook wanneer de vennootschap een rol vervult in het kader van een ‘joint venture’ van de aandeelhouders. Het belang waarnaar het bestuur van een joint venture-vennootschap zich dient te richten, zal in dat geval mede gekleurd worden door het karakter van de joint venture en de bijzondere omstandigheden van het geval. Het is niet m.i. zonder meer zo dat het vennootschappelijk belang van een joint venture-vennootschap gelijk is aan de belangen van haar aandeelhouders (de joint venture-partners), zoals het onderdeel kennelijk meent.”
r.o. 4.3.23 · lid 5“Het onderdeel stelt tevens de vraag aan de orde hoever de verantwoordelijkheid van het bestuur reikt als het gaat om het in aanmerking nemen van de belangen van de aandeelhouders/joint venture-partners. Het onderdeel betoogt dat de joint venture-partners Holding I en Inversiones uitdrukkelijk hebben ingestemd met de eerste verwatering, en dat het hier gaat om deskundige partijen die in staat waren om hun eigen belangen adequaat te verdedigen. Het bestuur van de Vennootschap mocht er volgens het onderdeel dan ook van uitgaan dat de belangen van de joint venture en van de afzonderlijke joint venture-partners door de eerste verwatering niet onevenredig geschaad zouden worden. Het bestuur zou niet gehouden zijn geweest tot een verdere toetsing aan de belangen van de joint venture en van de joint venture-partners.”
r.o. 4.3.24“[…] het belang van de vennootschap. De bestuurder die wordt benoemd door een bepaalde groep aandeelhouders geniet weliswaar het bijzondere vertrouwen van die groep, maar zal zich bij de besluitvorming niet uitsluitend mogen laten leiden door hun belangen.” Zie in dit verband overigens ook de gewijzigde regeling omtrent het geven van aanwijzingen aan het bestuur. Sinds 1 oktober 2012 vermeldt art. 2:239 lid 4 BW dat de statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap. Het bestuur is gehouden de aanwijzingen op te volgen, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming – aldus de genoemde bepaling. De Memorie van Toelichting merkt hierover onder meer het volgende op (Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 90): “Het bestuur is gehouden om de aanwijzingen op te volgen, tenzij dat in strijd is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Het bestuur mag derhalve de instructies van een ander orgaan niet slaafs navolgen, maar dient een zelfstandige belangenafweging uit te voeren. In concernverhoudingen betekent dit dat het bestuur […]”
r.o. 4.3.38 · lid 4Trustkantoor als bestuurder aansprakelijk jegens Ontvanger wegens verhaalsfrustratie; conclusie strekt tot vernietiging
“[…] aan het bestuur of de bestuurder van een rechtspersoon, volgt het hof haar daarin niet. De wet opent de mogelijkheden beperkingen in de bevoegdheden van het bestuur van een kapitaalsvennootschap aan te brengen, doch slechts in die vorm dat zulke beperkingen in de statuten van de rechtspersoon worden opgenomen. Voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is dat te vinden in art. 2:239 BW. In dit wettelijk stelsel, en met het oog op de belangen van degenen die erop moeten kunnen vertrouwen dat de vennootschap haar verplichtingen nakomt, is niet aanvaardbaar dat de bestuurder van een vennootschap zich jegens derden kan beroepen op een bij overeenkomst aangebrachte beperking van zijn taken of verantwoordelijkheden. Het kan een 'trustdirecteur' als MeesPierson Trust derhalve niet worden toegestaan aan schuldeisers van de door haar bestuurde vennootschap tegen te werpen dat uit de overeenkomst met haar opdrachtgever voortvloeit dat haar taken minder verstrekkend zijn dan uit de wet voortvloeit.”
r.o. 2.12“Anders dan MeesPierson Trust stelt, mocht zij niet zonder meer afgaan op de door haar opdrachtgever ingeschakelde belastingadviseur, en lag het wel degelijk op haar weg om te onderzoeken wat de fiscale gevolgen voor de door haar bestuurde vennootschap konden zijn van de binnen de vennootschap ontwikkelde activiteiten. Een trustkantoor dat het bestuur van een besloten vennootschap op zich neemt is (in elk geval voor zover niet op de voet van art. 2:239 BW een statutaire beperking is aangebracht) volwaardig bestuurder en kan zich niet beperken tot de functie van brievenbus of secretariaat. De Nederlandse wetgeving laat zo een beperkte taakopvatting niet toe. Had MeesPierson Trust aan haar onderzoeksplicht voldaan, dan had zij moeten bemerken dat het vervreemden van aandelen die Hilltop nog geen half jaar tevoren had verworven tot gevolg kon hebben dat alsnog kapitaalbelasting zou worden geheven.”
r.o. 3.25Conclusie: onmiddellijke voorzieningen OK en zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouders (Begemann)
“[…] en bij iedere rechtshandeling m.b.t. het vervreemden en verwerven van activa en het aantasten van besluiten en rechtshandelingen die zijn genomen of aangegaan na 14 oktober 2005. Een dergelijke uitsluitende bevoegdheid is in strijd met het aan art. 2:8 BW(13) ten grondslag liggende beginsel van collectief bestuur. Deze bevoegdheid is bovendien in strijd met art. 2:15 lid 3 onder b en art. 2:239 lid 2, tweede volzin BW. Eerstgenoemde bepaling schrijft voor dat een vordering tot vernietiging van een besluit wordt ingesteld krachtens bestuursbesluit. Art. 2:239 lid 2, tweede volzin BW bepaalt dat een bestuurder niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. Indien zittend bestuurder [betrokkene 9] zou stemmen tegen het instellen van een vordering tot vernietiging en de [betrokkene 11] vóór, zou de stem van laatstgenoemde de doorslag geven, hetgeen in strijd komt met art. 2:239 lid 2, tweede volzin, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel stelt dat de beschikking in dit opzicht onjuist en/of onbegrijpelijk is.”
r.o. 3.30 · lid 2Ontslag statutair bestuurder door AVA omvat in beginsel ook arbeidsovereenkomst
“[…] art. 7:661, lid 1 BW is opgenomen. De beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap kan in ieder geval op basis van het strengere art. 2:9 BW plaatsvinden(2). Daarnaast geldt bij voorbeeld dat anders dan voor een gewone werknemer geldt een bestuurder van een vennootschap niet zonder meer instructies van zijn werkgever hoeft op te volgen (art. 7:660 BW versus art. 2:239, lid 4 BW). Ik meen hierin de beleidslijn van de wetgever te onderkennen aspecten van het arbeidsrecht die ten opzichte van bestuurders problematisch zijn te ecarteren door aanpassing van het arbeidsrecht. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de wetgever heeft bepaald dat voor het ontslag van een bestuurder geen ontslagvergunning is vereist.”
r.o. 2.3 · lid 4Interne bestuurdersaansprakelijkheid: verjaring en toerekening van kennis aan rechtspersoon
Een houdstervennootschap vorderde van haar voormalige indirect bestuurder schadevergoeding wegens interne bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 en 2:11 BW). Het hof wees de vorderingen af wegens verjaring, omdat de kennis van de bestuurder en van een financieel directeur aan de vennootschap werd toegerekend. De A-G concludeert dat de regel dat de wetenschap van een bestuurder in beginsel als wetenschap van de rechtspersoon geldt, ook van toepassing is bij een bestuurder met tegenstrijdig belang. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Enquête: ontvankelijkheid vennootschap en onmiddellijke voorzieningen bij verstoorde joint venture
Een vennootschap en haar grootaandeelhouder verzochten de OK om een enquête naar een houdstermaatschappij van een joint venture, waarbij de OK onmiddellijke voorzieningen trof: schorsing van een bestuurder, benoeming van een tijdelijk bestuurder en overdracht van aandelen ten titel van beheer. De A-G concludeert dat het verzoek van de vennootschap ontvankelijk is, ook al was de geschorste bestuurder niet gekend, en dat de OK de onmiddellijke voorzieningen van artikel 2:349a BW voldoende heeft gemotiveerd en afgewogen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Eigen faillissementsaanvraag door bestuurder als kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW)
Een curator sprak de enig overgebleven bestuurder aan voor het boedeltekort, omdat deze zonder overleg met de aandeelhouders het eigen faillissement van de vennootschap aanvroeg. Het hof nam kennelijk onbehoorlijk bestuur aan. De A-G concludeert tot vernietiging: hij onderscheidt de grondslagen van artikel 2:9 en 2:248 BW, acht wetenschap van benadeling van schuldeisers vereist, stelt strengere eisen aan het causaal verband en vindt de afwijzing van matiging onvoldoende gemotiveerd.
Enquête: motivering en proportionaliteit onmiddellijke voorziening, benoeming bestuurder (art. 2:349a BW)
In een enquêteprocedure bepleit de A-G verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing van de OK om als onmiddellijke voorziening een onafhankelijke bestuurder naast de zittende bestuurder te benoemen. Het treffen van een onmiddellijke voorziening is een discretionaire bevoegdheid, waarvoor in beginsel slechts een beperkte motivering nodig is, naarmate de voorziening ingrijpender is wordt de motiveringsplicht zwaarder. Een door de OK benoemde bestuurder is onafhankelijk en moet het vennootschappelijk belang dienen, niet uitsluitend dat van de verzoekende aandeelhouder.
Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)
“Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien […]”
r.o. 3.17 · lid 6Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“[…] te rijmen met de bevoegdheidsallocatie die ten grondslag ligt aan het in Boek 2 BW verankerde grondmodel van een B.V., waaraan inherent is dat de algemene vergadering een aantal (kern)bevoegdheden heeft waarbij dit orgaan in beginsel zelfstandig bevoegd is tot het nemen van besluiten ter zake. Een uiting daarvan is art. 2:217 lid 1 BW, welke bepaling moet worden gelezen in samenhang met art. 2:239 lid 1 BW: aan de algemene vergadering behoort, binnen de door de wet en de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid, die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend. Ik wijs ter illustratie ook op art. 2:244 lid 1, eerste zin BW, waaruit bij wege van hoofdregel volgt dat iedere bestuurder te allen tijde kan worden geschorst en ontslagen (bij besluit) door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming: in het normaaltype is dat de algemene vergadering, gelet op art. 2:242 lid 1 BW (wat dan een zelfstandige (kern)bevoegdheid is van de algemene vergadering).”
r.o. 4.27 · lid 1“[…] aan art. 2:227 lid 7 BW en art. 2:238 lid 2, slotzin BW en naleving daarvan (dus het (voldoende) in de gelegenheid stellen van de bestuurders en de commissarissen om als zodanig hun raadgevende stem te gebruiken), mede in het licht van het vennootschappelijk belang en de door de bestuurders en de commissarissen te vervullen taak (waarbij zij zich naar dat belang te richten hebben, zie art. 2:239 lid 5 BW en art. 2:250 lid 2 BW). Ik wijs in dat verband ook op de mogelijkheid voor de betrokken bestuurder(s) of commissaris(sen) bij niet-naleving daarvan het betreffende besluit in rechte aan te vechten, bijvoorbeeld op de voet van art. 2:15 BW; het daarmee te ontsluiten juridische sanctiearsenaal kan wel degelijk tanden hebben en bijten. Dat het dan aan die betrokkene(n) is daarvan ‘werk te maken’, weegt m.i. niet op tegen het vermijden van voornoemde knelpunten en is bovendien inherent aan elk totstandkomingsgebrek als bedoeld in art. 2:15 lid 1 onder a BW, net zoals dat trouwens geldt voor de vernietigingsgronden bedoeld in art. 2:15 lid 1 onder b BW en in art. 2:15 lid 1 onder c BW. Dat art. 2:227 lid 7 BW en art. 2:238 lid 2, slotzin BW gerelateerd zijn aan het […]”
r.o. 4.31 · lid 5Einde en afwikkeling vof; firmant aansprakelijk voor rekening-courantschuld; verjaring artikel 6:140 BW
“[…] Een verschil met de regelingen bij volmacht in Boek 3 BW en lastgeving in Boek 7 BW is dat art. 2:129/239 lid 6 BW en art. 2:140/250 lid 5 BW (anders dan de vervallen tegenstrijdig belangregeling van art. 2:146/256 BW) niet in de sleutel van vertegenwoordiging (extern werkend), maar in de sleutel van besluitvorming (intern werkend) zijn geplaatst. De vraag naar mogelijke doorwerking van art. 2:239 lid 6 BW op [betrokkene 1] als procuratiehouder van Gravene kan overigens buiten beschouwing blijven. De cassatieklachten zijn in de sleutel geplaatst van (onbevoegde) vertegenwoordiging.”
r.o. 3.4 · lid 6“De klachten doen een beroep op art. 7:417 BW jo. 7:424 BW. Voor zover het hof op basis van deze bepalingen al tot het oordeel van onbevoegdelijk dienen van twee heren had moeten komen (vgl. nr. 3.3 hiervoor en nr. 3.6 hierna), leidt dat, anders dan het onderdeel stelt, niet tot onbevoegde vertegenwoordiging. De sanctie op het onbevoegdelijk dienen van twee heren is dat de lasthebber zijn recht op loon verliest en gehouden is tot vergoeding van de door de lastgever geleden schade die is ontstaan als gevolg van het onbevoegdelijk dienen van twee heren. Die sanctie is dwingendrechtelijk geregeld in art. 7:417 lid 3 BW. De overeenkomst die de lasthebber namens beide partijen sluit, blijft geldig. Dit volgt uit het gebruik van de wettelijke formulering met ‘mag’ in art. 7:417 lid 1 BW (in plaats van ‘kan’ in bijv. art. 7:416 lid 1 BW) en blijkt ook uit de wetgeschiedenis.”
r.o. 3.5
Hoven en Ondernemingskamer (7)
Enquêteverzoek cliëntenraad zorgvennootschap afgewezen na belangenafweging ondanks gegronde redenen
“De Ondernemingskamer stelt voorop dat de bestuurders en commissarissen van een vennootschap zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (art. 2:239 lid 5 en 2:250 lid 2 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming door middel van duurzame langetermijnwaardecreatie (vgl. HR 4 april 2013, ECLI:NL:HR:2014:799 (Cancun)). Als duurzame langetermijnwaardecreatie in het licht van alle omstandigheden van het geval niet meer mogelijk is, kan het vennootschappelijk belang meebrengen dat de onderneming wordt beëindigd. Daarbij zullen het bestuur en de raad van commissarissen zorgvuldigheid moeten betrachten ten aanzien van de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming betrokken zijn, waaronder de aandeelhouders, de werknemers, schuldeisers en derden die met de onderneming samenwerken of die anderszins belang hebben bij de activiteiten van de onderneming.”
r.o. 4.15 · leden 2, 5Enquête gelast bij BV wegens tegenstrijdig belang en niet vastgestelde jaarrekeningen
“Een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW doet zich voor indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich […]”
r.o. 4.8 · lid 6Enquêteverzoek afgewezen na belangenafweging ondanks gegronde twijfel aan juiste gang van zaken
“Bij de beoordeling stelt de Ondernemingskamer voorop dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming door middel van duurzame lange termijn waardecreatie. In geval van vennootschap als ITA wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de [de aandeelhouder A] en DDV overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband kunnen meebrengen dat (ook) het belang van de vennootschap is gebaat bij continuering van de bestaande verhoudingen tussen de aandeelhouders.”
r.o. 4.7 · lid 5“De overige gronden die DDV aan haar enquêteverzoek ten grondslag heeft gelegd, dragen niet bij aan twijfel over het beleid en de gang van zaken. Voor zover DDV veronderstelt dat ten aanzien van ieder onderwerp waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, op formele wijze binnen het bestuur moet worden besloten, berust haar betoog op een onjuiste rechtsopvatting. Artikel 2:239 lid 6 BW vereist weliswaar dat een geconflicteerde bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming, maar de wet stelt niet de eis dat aan een rechtshandeling waarbij een bestuurder is geconflicteerd besluitvorming binnen het bestuur voorafgaat; wel is de geconflicteerde bestuurder, ongeacht of besluitvorming binnen het bestuur plaatsvindt, onverminderd gehouden tot een behoorlijke taakvervulling (vgl. Kamerstukken I 2009/10, 31763, B, p. 4 en Kamerstukken I, 2010/11, 31763, C, p. 7). Indien hij een tegenstrijdig belang heeft, dient de betrokken bestuurder verhoogde zorgvuldigheid te betrachten (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:2752, Nexperia). Verwijten van DDV omtrent tegenstrijdig belang spelen zich af in een verder verleden of zijn onvoldoende zwaarwegend om bij te dragen aan twijfel aan […]”
r.o. 4.12 · lid 6OK wijst uittredings- en enquêteverzoek af; maatstaf voorzieningen en afsplitsing samenhangende vorderingen
“[…] ter bescherming van de minderheidsaandeelhouders, door het verloop van vijf jaar zijn werking heeft verloren en daaruit afleidt dat de minderheidsaandeelhouders tegenover Russel Square als meerderheidsaandeelhouder geen enkele bescherming meer genieten, faalt dit betoog. Het einde van de werking van art. 16.1 doet immers niet af aan de bescherming die minderheidsaandeelhouders aan art. 2:8 en 2:239 lid 6 BW kunnen ontlenen (vgl. onder meer ECLI:NL:GHAMS:2026:318, Nexperia, rov. 3.9). Voor zover [verzoekster] betoogt dat Russell Square daadwerkelijk activa aan In Domo onttrekt, heeft zij haar betoog in het licht van het verweer van Russell Square onvoldoende feitelijk gestaafd. Russell Square heeft onder meer toegelicht dat zij en In Domo behoren tot de meer dan 2000 deelnemingen van WPP. De ondernemingen binnen het WPP-netwerk maken tegen marktconforme voorwaarden gebruik van gezamenlijke diensten en voorzieningen. Daarbij worden de diensten op het gebied van onder meer IT, HR, finance, legal en business development doorberekend op basis van de relatieve omzet binnen de WPP-groep. Naast de wettelijk vereiste winst- en verliesrekening (op basis van IFRS) worden de ondernemingen […]”
r.o. 4.6 · lid 6Faillissementsaanvraag afgewezen; tegenstrijdig belang bij cessie raakt vertegenwoordigingsbevoegdheid niet
“Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. Wat er ook zij van de geldigheid van het besluit, een gebrek daarin tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aan. Het niet naleven van het in artikel 2:239 lid 6 BW opgenomen verbod heeft daarom (in beginsel) geen gevolgen voor de binding van de vennootschap aan de transactie. Dat hier sprake is van een situatie waarin een uitzondering op dit uitgangspunt moet worden gemaakt waar ook [geïntimeerde] een beroep op zou kunnen doen, is door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. - De toestand van te hebben opgehouden te betalen”
r.o. 3.7 · lid 6OK wijst enquêteverzoek af in conflict tussen aandeelhouders-bestuurders apothekersgroep
“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (artikel 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.”
r.o. 4.6 · lid 5“Een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW doet zich voor indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval.”
r.o. 4.14 · lid 6OK gelast enquête Nexperia; tegenstrijdig belang CEO en strategiewijziging
“In deze zaak is onder meer het onderwerp van tegenstrijdig belang aan de orde. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming. De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hoge mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het […]”
r.o. 3.9 · lid 6
Rechtbanken (12)
Kort geding: ontslag oprichter als STAK-bestuurder en geen herstel als bestuurder topholding
“In het Nederlandse vennootschapsrecht (Boek 2 BW) is de bevoegdheidsverdeling tussen de AVA en het bestuur van de werkvennootschap als volgt geregeld: Het bestuur van de werkvennootschap is in beginsel zelfstandig belast met het besturen van de vennootschap (artikel 2:239 BW). Dit betekent dat het bestuur bepaalt welke strategie wordt gevoerd. De AVA kan het bestuur van de werkvennootschap enkel verplichten om instructies op te volgen als dit expliciet in de statuten van de werkvennootschap is opgenomen (artikel 2:239 lid 4 BW). Zelfs als er statutaire instructierechten bestaan, is het bestuur niet verplicht om instructies op te volgen die in strijd zijn met het vennootschappelijk belang (het belang van de onderneming en de bij de onderneming betrokken stakeholders). Het bestuur van de STAK heeft wel een indirect machtsmiddel: het heeft de bevoegdheid de bestuurders van de werkmaatschappij benoemen of ontslaan.”
r.o. 4.10 · lid 4Deadlock tussen 50/50-aandeelhouders over uitbreiding naar Duitsland; terughoudendheid voorzieningenrechter
“[…] doen. Deze regelingen gelden immers niet voor altijd en er zijn al signalen dat die op termijn zullen worden beperkt of gestaakt. Voor de Duitse activiteiten is het daarom extra van belang snel in actie te komen. Artikel 1 van de managementovereenkomst (zie 2.3.1) noopt daar ook toe. Een verbod tot uitbreiding naar Duitsland is daarmee evident in strijd. [eisers] beroepen zich voorts op artikel 2:239 lid 5 BW. Het belang van de vennootschap zou mede het benutten van een concrete, goed voorbereide commerciële kans omvatten. In dat verband dient de weigerachtige houding van [naam 1] er, met een beroep op artikel 2:8 lid 2 BW, ook toe te leiden dat [eisers] de bevoegdheid krijgen om handelend op te treden zonder Defka’s statutair of contractueel vereiste goedkeuring en instemming. Een grammaticale interpretatie van het concurrentiebeding leidt er niet toe dat [eisers] geen concurrerende activiteiten in Duitsland mogen ontplooien. Het concurrentiebeding geldt immers alleen “anders dan in het belang van de Vennootschap”. [eisers] beroepen zich tot slot op artikelen 3:13 BW, 6:2 en 6:248 BW.”
r.o. 3.3 · lid 5Prijs bij call optie in aandeelhoudersovereenkomst: geen derogatie door redelijkheid en billijkheid
“[…] en liggen ongeveer 20% hoger dan de prijzen van Abresch. Ook heeft de productieverplaatsing voor extra kosten bij [bedrijf 1] gezorgd. Dit alles komt door invloeden van [naam 5], die in het bestuur zit van zowel [bedrijf 1] als de desbetreffende Daifuku-ondernemingen. [naam 5] was bij het maken van die keuzes als bestuurder van meerdere ondernemingen geconflicteerd in de zin van artikel 2:239 lid 6 BW, omdat hij te maken had met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid moet worden getwijfeld of hij zich bij dat handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van [bedrijf 1] en daarbij ook voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [eiser] als minderheidsaandeelhouder. [eiser] heeft over deze gang van zaken eind 2023 vragen gesteld aan [bedrijf 1] (zie 2.21), maar [bedrijf 1] heeft daar niet transparant op gereageerd, terwijl [eiser] als toenmalige aandeelhouder recht had op informatie op grond van artikel 2:217 lid 2 BW. Uit de weigerachtige houding van [bedrijf 1] en daarmee ook van Daifuku valt af te leiden dat zij iets te verbergen hebben voor [eiser]. Aldus steeds [eiser].”
r.o. 4.18 · lid 6Inzagerecht gezamenlijk bevoegd bestuurder in administratie van twee vennootschappen
“[eiser] vordert inzage in de administratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in zijn hoedanigheid van gezamenlijk bevoegd bestuurder. In die hoedanigheid heeft hij op grond van artikel 2:8, 2:9 en 2:10 BW een eigen, rechtens te respecteren belang. [eiser] hoeft daarbij niet letterlijk ‘in de hoedanigheid van bestuurder’ [gedaagde 1] in rechte te betrekken. Het beroep van [gedaagde 1] op artikel 2:239 lid 6 BW, dat er eerst door [gedaagde 2] een besluit had moeten worden genomen, gaat niet op. Die bepaling ziet op bestuursbesluitvorming, niet op het inzagerecht van (één van) de bestuurder(s).”
r.o. 4.2 · lid 6Kort geding: ordemaatregelen, schorsing bestuurders en stemrecht meerderheidsaandeelhouder afgewezen
“[…] besluiten konden worden genomen. Het handelen van [gedaagde 2] heeft geleid tot een impasse in het bestuur, rechtsonzekerheid omtrent de samenstelling daarvan, en tot een situatie waarin de continuïteit van de bedrijfsvoering van de vennootschap en de dochtervennootschappen in gevaar is gebracht. [gedaagde 2] heeft zich bij het vervullen van zijn taak niet gehouden aan de norm van artikel 2:239 lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW) en moet daarom worden geschorst als bestuurder voor de duur van een nog te voeren bodemprocedure. Daarnaast dient het stemrecht van [gedaagde 2] als aandeelhouder te worden geschorst, of ten titel van beheer aan een onafhankelijke derde te worden overgedragen, voor de duur van een nog te voeren bodemprocedure. [gedaagde 2] heeft immers niet conform artikel 2:8 BW jegens [eiser] als minderheidsaandeelhouder gehandeld. Hij dreigt zijn positie als meerderheidsaandeelhouder te misbruiken door telkens in strijd met de wet en de statuten te handelen, aldus [eiser].”
r.o. 4.2 · lid 5Bestuurdersaansprakelijkheid jegens minderheidsaandeelhouder na wanbeleid; verrekeningen en tegenstrijdig belang; bewijsopdracht
“[…] met familieleden ook (indirect) aandeelhouder in [A] . Ook [eiseres] was in de betreffende periode aandeelhouder van [A] . Zij bezat 16,66% van de aandelen. De aandeelhouder van [eiseres] , [B] , is een neef van [gedaagde 2] . In deze procedure vordert [eiseres] vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het geconstateerde wanbeleid. Zij doet een beroep op artikelen 2:8, 2:9, 2:239 lid 6 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders een zorgvuldigheidsnorm jegens [eiseres] als minderheidsaandeelhouder hebben geschonden en dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ter toelichting op haar vordering verwijst [eiseres] onder meer naar het oordeel van de Ondernemingskamer. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij een aantal bestuurshandelingen in strijd met artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en 2:239 lid 6 BW hebben gehandeld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een door hen jegens [eiseres] in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm geschonden en hen kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Voor wat betreft het verwijt dat […]”
r.o. 1.1 · lid 6“[eiseres] legt onder meer aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiseres] onrechtmatig hebben gehandeld, meer in het bijzonder hebben zij gehandeld in strijd met hun zorgplicht als bedoeld in artikel 2:8 BW in samenhang met artikel 2:9 BW. Daarnaast wijst [eiseres] op de bijzondere zorgplicht zoals geformuleerd in artikel 2:239 BW en op de groepsaansprakelijkheid zoals geformuleerd in artikel 6:166 BW. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] treft van hun handelen een persoonlijk ernstig verwijt omdat zij stelselmatig op basis van een vooropgezet plan [eiseres] als aandeelhouder van [A] hebben getroffen, onder bevoordeling van de aan hen gelieerde vennootschappen, [L] en [M] . [A] was een winstgevende onderneming totdat de familie [familienaam gedaagde 2] ruzie kreeg en [L] aan [D] en [gedaagde 2] werd toegedeeld. Daarna werd [B] feitelijk buitenspel gezet, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wilden [B] niets meer betalen. Thans is [A] ontbonden, bezit geen activa meer en de ondernemingsactiviteiten zijn gestaakt. Niet valt te verwachten dat de vereffenaar nog zal kunnen vereffenen, waardoor [eiseres] definitief haar schade als aandeelhouder heeft geleden.”
r.o. 4.2“[eiseres] heeft, als minderheidsaandeelhouder van [A] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als (voormalig) bestuurders aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van hun handelen. Zij doet daarbij onder meer een beroep op artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en 2:239 lid 2 BW. Met het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van wanbeleid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] staat hun aansprakelijkheid jegens [eiseres] voor de door hen verrichtte handelingen niet al vast. De rechtbank moet hierover een eigen afweging maken. Het oordeel van de Ondernemingskamer moet bij deze afweging wel in aanmerking worden genomen en kan, mede gelet op de inhoud van het onderzoeksrapport en het in de procedure bij de Ondernemingskamer gevoerde debat, bewijsrechtelijke betekenis hebben.”
r.o. 5.2 · lid 2“[eiseres] verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van [A] het volgende: a. [A] heeft over de periode van 2019 tot 1 september 2021 te weinig omzet in rekening gebracht aan [L] en/of [M] en te veel kosten aan hen vergoed. Het verwijt inzake de te hoge kosten geldt ook voor de periode na 1 september 2021; b. [A] , [L] en [M] hebben in september 2019 en in maart 2020 in een driehoeksverhouding onderlinge vorderingen verrekend, zonder voldoende documentatie, en waaronder in ieder geval ten onrechte een bedrag van twee keer € 250.000; c. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in strijd gehandeld met artikel 2:239 lid 6 BW door deel te nemen aan besluitvorming over onderwerpen waarvoor zij een met [A] tegenstrijdig belang hadden.”
r.o. 5.6 · lid 6Verbod ontslag mede-bestuurder bij twijfel over statutaire aanbiedingsplicht na change of control
“[gedaagde] wil met haar vorderingen in feite bereiken dat [eiseres] als bestuurder van IAM de Roemeense advocaat instrueert om de schorsingsprocedure in Roemenië tussen IAM en Beequip in te trekken. De schorsingsprocedure is voor zover de voorzieningenrechter weet de enige procedure die [eiseres] namens IAM heeft geëntameerd. Aan deze wens van [gedaagde] ligt het standpunt ten grondslag dat het bestuur van IAM geen rechtsgeldig besluit heeft genomen om die procedure te beginnen. Weliswaar is in de vergadering van 18 december 2025 als besluit genoteerd dat die rechtsmaatregelen getroffen gaan worden, maar [gedaagde] stelt zich (nu) op het standpunt dat [eiseres] (net zoals [eiseres] dit destijds [gedaagde] al verweet) haar stem niet had kunnen gebruiken omdat aan haar zijde sprake was van een tegenstrijdig belang. In die situatie had de algemene vergadering van aandeelhouders hierover een goedkeurend besluit moeten nemen (artikel 2:239 lid 6 BW) en dat is niet gebeurd.”
r.o. 5.12 · lid 6Ernstig verwijt aan OK-bestuurder wegens tegenstrijdig belang bij verkoop dochtervennootschappen
“[gedaagde id hfdzk] was tegenover Kors gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder. Hij moest zich bij de vervulling daarvan richten naar het belang van Kors en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:239 lid 5 BW). Hij mocht als bestuurder van Kors niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over een transactie indien hij daarbij direct of indirect een persoonlijk belang had dat tegenstrijdig was met het belang van Kors (artikel 2:239 lid 6 BW).”
r.o. 4.2 · leden 5, 6“De rechtbank oordeelt dat [gedaagde id hfdzk] bij het besluit tot verkoop van de dochtervennootschappen van Kors aan [eiser id vrijw.zk] een tegenstrijdig belang had. Op dat moment was al vastgelegd dat hij kort na de levering van de aandelen in de dochtervennootschappen via [naam 3] zestig procent van de aandelen in de koper zou gaan houden, terwijl hij bij dat besluit handelde als bestuurder van de verkoper. Gelet op de onverenigbare belangen van koper en verkoper kan in redelijkheid worden betwijfeld of [gedaagde id hfdzk] zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Kors. [gedaagde id hfdzk] had zich daarom dienen te onthouden van de besluitvorming binnen Kors over deze transactie op grond van artikel 2:239 lid 6 BW. Door dat niet te doen heeft [gedaagde id hfdzk] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk vervuld jegens Kors, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het handelen in strijd met een wettelijke bepaling die de vennootschap beoogt te beschermen, is in dit verband een zwaarwegende omstandigheid. Daarmee heeft [gedaagde id hfdzk] als bestuurder eveneens onrechtmatig gehandeld jegens Kors.”
r.o. 4.3 · lid 6Material breach aandeelhoudersovereenkomst: aandelen over tegen nominale waarde, geen overname ex artikel 2:343 BW
“[…] om een persoonlijke schuld aan (een vennootschap van) [betrokkene 3] af te lossen. Dat [betrokkene 3] profijt had van deze huurverlenging - omdat [betrokkene 1] daarmee een lening kon krijgen waarmee zij een schuld aan [betrokkene 3] kon aflossen - laat volgens de deskundige onverlet dat [betrokkene 1] dit besluit - gezien de statuten, de aandeelhoudersovereenkomst en de bepalingen van art. 2:239 lid 6 BW - expliciet aan de aandeelhouders had moeten voorleggen, voorafgaand aan het opmaken van de jaarrekening op 2 juli 2019.”
r.o. 2.18 · lid 6Tussenvonnis: tegenstrijdig belang, pauliana en onrechtmatige daad bij doorstart modeketen
“[…] in privé dan wel vennootschappen waarvan hij UBO was. Bij geen van de overeenkomsten van Sandwich III die de curator vernietigd wil zien had [persoon 1] een financieel belang in de wederpartij van Sandwich III. [persoon 1] voert verder aan dat voor zover er al een tegenstrijdig belang zou zijn, dit niet de nietigheid van de verrichte (externe) rechtshandeling tot gevolg heeft. 5.107. Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan de vraag of een tegenstrijdig belang bestaat slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Niet volstaan kan worden met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang. Aangetoond moet worden dat daadwerkelijk sprake is van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan […]”
r.o. 5.99 · lid 6Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij vastgoedtransacties met meesterclausule en tegenstrijdig belang
“[…] Victoria OZ tegenstrijdig belang. VVZ heeft bij deze transacties haar persoonlijke belangen niet zorgvuldig gescheiden gehouden van de belangen van Victoria OZ. De verkoopopbrengsten zijn naar VVZ en [gedaagde partij 2] gegaan. VVZ had de beslissingen over het vastgoed aan de AVA dienen voor te leggen, maar dat is niet gebeurd. Hiermee handelen VVZ en [gedaagde partij 2] in strijd met artikel 2:239 lid 6 BW en artikel 14 lid 2 van de statuten. VVZ heeft geen openheid gegeven aan aandeelhouder MO Beheer. Dat is in strijd met het informatierecht uit artikel 2:217 lid 2 BW. Bij meerdere transacties is de door Victoria OZ te lijden schade nog niet vast te stellen. Daarom wordt verwijzing naar de schadestaat gevorderd. Het standpunt van VVZ en [gedaagde partij 2]”
r.o. 4.2 · lid 6Kort geding: schorsing bestuurder en verbod uitoefening prioriteitsrechten wegens schuld aan vennootschap
“[…] B.V. hoger beroep instelt tegen het vonnis waarbij hij in privé is veroordeeld de lening aan [bedrijfsnaam] B.V. terug te betalen, dat de executie van het vonnis wordt gestaakt en dat in verband hiermee andere advocaten worden aangesteld. Dit belang is in strijd met het belang van [bedrijfsnaam] B.V., zodat de heer [gedaagde ] niet had mogen deelnemen aan de besluitvorming (artikel 2:239 lid 6 BW). Een vordering tot vernietiging van deze bestuursbesluiten op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW zou in een bodemprocedure daarom kans van slagen hebben. De vordering tot schorsing van deze bestuursbesluiten van 3 april 2023 is om die reden toewijsbaar.” (randnummer 4.22)”
r.o. 2.8 · lid 6