← Alle artikelen

Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 2. De aandelen

Artikel 2:191b BW

In werking getreden op 20 januari 1986 (Stb. 1985, 656)

1

Indien inbreng anders dan in geld is overeengekomen, moet hetgeen wordt ingebracht naar economische maatstaven kunnen worden gewaardeerd. Een recht op het verrichten van werk of diensten kan niet worden ingebracht.

2

Inbreng anders dan in geld moet onverwijld geschieden na het nemen van het aandeel of na de dag waartegen een bijstorting is uitgeschreven of waarop zij is overeengekomen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:191b BW (1)

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 16 juli 2026

    Enquête Grand Met: twijfel over inbreng in natura, governance en informatievoorziening; bestuurder en beheerder benoemd

    “[…] moet daarop het nominale bedrag worden gestort (art. 2:191 lid 1 BW). Een aandeelhouder kan niet worden ontheven van de verplichting tot storting (art. 2:191 lid 2 BW). Indien inbreng anders dan in geld is overeengekomen, moet hetgeen wordt ingebracht naar economische maatstaven kunnen worden gewaardeerd. Inbreng anders dan in geld moet onverwijld geschieden na het nemen van het aandeel (art. 2:191b BW). Om te waarborgen dat aandelen die na oprichting tegen inbreng in natura worden uitgegeven ook worden volgestort, dient de vennootschap een beschrijving op te stellen van hetgeen wordt ingebracht. De bestuurders ondertekenen deze beschrijving en de vennootschap legt de beschrijving ter inzage van haar aandeelhouders (art. 2:204b BW). In dit stelsel ligt besloten dat niet alleen de aandeelhouders een verantwoordelijkheid hebben dat de aandelen die zij na oprichting nemen tegen inbreng in natura daadwerkelijk worden volgestort, maar dat ook op de bestuurders een verantwoordelijkheid rust. Bestuurders die willens en wetens een te lage inbreng aanvaarden, kunnen in voorkomend geval immers worden aangesproken op grond van art. 2:9 BW (Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 63).”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1934