Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 3. Het vermogen van de vennootschap
Artikel 2:207 BW
In deze vorm in werking sinds 1 oktober 2012, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 299
Het bestuur beslist over de verkrijging van aandelen in het kapitaal van de vennootschap. Verkrijging door de vennootschap van niet volgestorte aandelen in haar kapitaal is nietig.
De vennootschap mag, behalve om niet, geen volgestorte eigen aandelen verkrijgen indien het eigen vermogen, verminderd met de verkrijgingsprijs, kleiner is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden of indien het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.
Indien de vennootschap na een verkrijging anders dan om niet niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders die dat ten tijde van de verkrijging wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien, jegens de vennootschap hoofdelijk verbonden tot vergoeding van het tekort dat door de verkrijging is ontstaan, met de wettelijke rente vanaf de dag van de verkrijging. Artikel 248 lid 5 is van overeenkomstige toepassing. Niet verbonden is de bestuurder die bewijst dat het niet aan hem te wijten is dat de vennootschap de aandelen heeft verkregen en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikellid gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder. De vordering kan niet worden ingesteld tegen de door de rechter benoemde bewindvoerder. De vervreemder van de aandelen die wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden is jegens de vennootschap gehouden tot vergoeding van het tekort dat door de verkrijging van zijn aandelen is ontstaan, voor ten hoogste de verkrijgingsprijs van de door hem vervreemde aandelen, met de wettelijke rente vanaf de dag van de verkrijging. Indien de bestuurders de vordering uit hoofde van de eerste zin hebben voldaan, geschiedt de in de vorige zin bedoelde vergoeding aan de bestuurders, naar evenredigheid van het gedeelte dat door ieder der bestuurders is voldaan. De bestuurders en de vervreemder zijn niet bevoegd tot verrekening van hun schuld uit hoofde van dit artikel.
De statuten kunnen de verkrijging door de vennootschap van eigen aandelen uitsluiten of beperken.
De vorige leden gelden niet voor aandelen die de vennootschap onder algemene titel verkrijgt.
Onder het begrip aandelen in dit artikel zijn certificaten daarvan begrepen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:207 BW (9)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (4)
Einde enquêteprocedure en niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen onmiddellijke voorzieningen (e-Traction)
“[…] werking van deze verplichtingen vangt eerst aan, en ook de Closing vindt pas plaats, nadat aan alle navolgende voorwaarden is voldaan: (i) op basis van de door [ [A] ] vastgestelde prijs voor de [verweerder 4] Aandelen heeft het bestuur van DEM een balans- en uitkeringstoets gedaan en op basis daarvan heeft het bestuur van DEM vastgesteld dat wordt voldaan aan de vereisten als bedoeld In artikel 2:207 lid 2 BW. Hierbij wordt aangetekend dat per december 2018, in het kader van de geconsolideerde jaarrekening 2017 van DEM, mede ten behoeve van de accountant van DEM (EY) nog een continuïteitstoets is gedaan, waarbij is gerekend met het scenario van een inkoop van de [verweerder 4] Aandelen door DEM. DEM heeft ten tijde van de ondertekening van deze [VSO] geen redenen aan te nemen dat een actuele balans- en uitkeringstoets materieel to[t] andere inzichten leidt dan de bedoelde continuïteitstoets die per december 2018 heeft plaatsgevonden, met dien verstande dat Partijen onderkennen dat in die continuïteitstoets geen rekening is gehouden met - en ook deze zullen worden betrokken in de balans- en uitkeringstoets - de navolgende elementen; (a) verplichtingen jegens de Belastingdienst […]”
r.o. 3.1 · lid 2“[…] uit de uittredingsprocedure zijn omzeild; (vii) voor levering van de aandelen toestemming van de ondernemingskamer is vereist op grond van artikel 2:343 lid 2 juncto artikel 2:338 lid 1 BW; (viii) betaling van de vastgestelde koopprijs van € 4.093.000 - zo verstaat de ondernemingskamer de stelling - onverantwoord is, in strijd komt met de wettelijke voorgeschreven uitkeringstoets van artikel 2:207 BW en de continuïteit van de onderneming van DEM op het spel zet. De uitvoering van de VSO leidt ertoe dat de DEM-groep haar activiteiten moet beëindigen omdat er gelden vrij gemaakt moeten worden om [verweerder 4] uit te kopen. [verweerder 2] is inmiddels bezig met een uitfasering van de activiteiten en koerst aan op liquidatie. Een waardering van Duff & Phelps Valuation and Corporate Finance Advisors (hierna: Duff & Phelps) van 27 mei 2019 van de waarde van de aandelen die [verweerder 4] houdt per 31 maart 2019, komt uit op een bedrag van € 2,75 miljoen. Uitgaande van dit rapport heeft Duff & Phelps een uitkeringstoets opgesteld, waarvan de conclusie luidt dat in verband met de noodzakelijke financiering van de herstructurering van de DEM-groep, in 2019 geen gelden ter beschikking […]”
r.o. 2.8“[…] hierboven onder 2.2 [onder 1.2 hiervoor, A-G]) is geformuleerd en bedoeld als een opschortende voorwaarde. Blijkt de uitkomst van de balans- en uitkeringstoets negatief te zijn, dan is er geen VSO tot stand gekomen. Het is aan [verweerder 2] als bestuurder om, in het kader van de uitvoering van de VSO, voorafgaand aan de overdracht van de door [verweerder 4] gehouden aandelen deze in artikel 2:207 lid 2 BW voorgeschreven balans- en uitkeringstoets te verrichten. Dit artikellid bepaalt dat de vennootschap geen volgestorte eigen aandelen mag verkrijgen indien het eigen vermogen, verminderd met de verkrijgingsprijs, kleiner is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden of indien het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. In het kader van deze toets kan [verweerder 2] naar het oordeel van de Ondernemingskamer betekenis toekennen aan de continuïteitbeoordeling die in het kader van het opmaken en controleren van de jaarrekening 2017 van DEM eind 2018 heeft plaatsgevonden. DEM heeft in dat verband verwezen naar een aantal […]”
r.o. 3.10 · lid 2“[…] kennelijk onredelijk heeft gehandeld door de VSO te sluiten. De stelling dat de VSO in strijd is met het eigendomsrecht van JKS en STAK wordt door de Ondernemingskamer gepasseerd. De VSO betreft uiteindelijk de overdracht van de eigendom van aandelen van [verweerder 4] aan DEM voor een bepaalde prijs, waarbij als voorwaarde geldt dat de uitkomst van een balans- en uitkeringstoets conform artikel 2:207 lid 2 BW aan de uitvoering van die overeenkomst niet in de weg staat. Onvoldoende is toegelicht op grond waarvan de genoemde eigendomsrechten zouden zijn geschonden.”
r.o. 3.12 · lid 2Uitspraak Parket bij de Hoge Raad
“Artikel 2:207c is geïntroduceerd als het sluitstuk van het regime van kapitaalbescherming voor de BV, in de zin dat het beoogt te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de regels van artikel 2:205 en 2:207 BW. Waar het de vennootschap op grond van deze artikelen verboden is eigen (niet-volgestorte) aandelen te nemen resp. verkrijgen, moet voorkomen worden dat formele verkrijging door derden niettemin wordt gefinancierd vanuit, althans met risico voor het vermogen van de vennootschap.(12) 3. 10 Voorts geldt dat de inkoopartikelen op dezelfde leest zijn geschoeid als artikel 2:216 BW, dat winstuitkering aan de aandeelhouders slechts mogelijk maakt wanneer dit uit de vrije reserves geschiedt.(13) Deze voorwaarde is terug te vinden in het tweede lid van 2:207c BW.”
r.o. 3.9“In Sanders/Westbroek wordt de strenge opvatting van de term 'toestaan' bepleit.(29) Zij menen dat de mogelijkheid tot het verstrekken van een lening expliciet tot uitdrukking moet komen in de statuten. Daarbij wordt in het algemeen gewezen op de wettekst zelf, het systeem van de wet, het bijzondere karakter van de regeling (een tijdens de totstandkoming later ingevoegde uitzondering) en op artikel 2:207 lid 2 sub c BW, dat ook het woord 'toestaan' bevat en naar men aanneemt ook een uitdrukkelijke bepaling in de statuten vereist. Het bezwaar tegen deze strenge opvatting is dat het niet duidelijk is wat de bijzondere toegevoegde waarde van een uitdrukkelijk statutair toestaan is, nu artikel 2:207c., lid 2 de vennootschap tegen het al te frivool verstrekken van leningen beschermt door het vereiste dat er voldoende vrije reserves zijn. Het stellen van het vereiste van een uitdrukkelijk statutair toestaan komt nogal willekeurig over.”
r.o. 3.28 · lid 2Curator, artikel 2:193 BW en verjaring van stortingsplicht op aandelen
“[…] van het overgedragen aandeel. Ontslag uit deze aansprakelijkheid is alleen mogelijk bij authentieke of geregistreerde akte na een besluit van bestuur en raad van commissarissen waarbij bovendien nog geldt dat de aansprakelijkheid van de ex-aandeelhouders blijft bestaan voor stortingen die zijn uitgeschreven binnen een jaar na het opmaken van de authentieke of geregistreerde akte. -Art. 2:207, lid 1, BW schrijft voor dat een vennootschap geen niet-volgestorte aandelen mag verkrijgen. -Art. 2:208 BW onderwerpt een ontheffing van de stortingsplicht aan allerlei beperkende voorschriften, waarbij vooral het verzetrecht van crediteuren in het oog springt. Het merendeel van deze bepalingen gold vóór 1976 en was al opgenomen in het Wetboek van Koophandel.”
r.o. 4.12 · lid 1Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“[…] 2:238 lid 2, slotzin BW deel uitmaken. Een kenmerk van deze omvangrijke wetgevingsoperatie is de accentverschuiving van de sanctie van nietigheid (vernietiging) naar de sanctie van aansprakelijkheid, die met name zichtbaar is in het kader van regels van kapitaalbescherming. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in het vervallen van art. 2:204c BW (oud) (‘Nachgründung’), in de wijziging van art. 2:207 BW (oud) (inkoop van eigen aandelen), in het vervallen van art. 2:207c BW (oud) (financiële steunverlening) en in de wijziging van art. 2:216 BW (oud) (uitkeringen aan aandeelhouders).”
r.o. 4.40
Hoven en Ondernemingskamer (4)
Vernietiging inkoopbesluit door OK-bestuurder; uitkeringstest geen besluit; verhaal verweerkosten
“Op 10 juli 2019 heeft [geïntimeerde 2] vastgesteld dat bij de inkoop van de [naam 1] aandelen is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 2:207 lid 2 BW. Bij deze balanstest en uitkeringstoets heeft [geïntimeerde 2] betekenis toegekend aan de continuïteitsbeoordeling die in het kader van het opmaken en de controle van de jaarrekening 2017 van [geïntimeerde 1] heeft plaatsgevonden.”
r.o. 3.19 · lid 2“Voor zover voor het hoger beroep van belang en samengevat, hebben [appellanten] in eerste aanleg, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW gevorderd van het besluit van [geïntimeerde 2] dat [geïntimeerde 1] de [naam 1] aandelen inkoopt en van de vaststelling door [geïntimeerde 2] dat bij die inkoop is voldaan aan de vereisten van artikel 2:207 lid 2 BW, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten met nakosten en rente.”
r.o. 4.1 · lid 2“[appellanten] vorderen in het principaal hoger beroep de vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW van het besluit van [geïntimeerde 2] dat [geïntimeerde 1] de [naam 1] aandelen inkoopt (zie 3.18, hierna: het inkoopbesluit) en van de vaststelling door [geïntimeerde 2] dat bij die inkoop is voldaan aan de vereisten van de uitkeringstest van artikel 2:207 lid 2 BW (zie 3.19). Volgens [appellanten] betreffen dit besluiten die [geïntimeerde 2] als bestuurder van [geïntimeerde 1] heeft genomen. [appellanten] stellen dat deze bestuursbesluiten zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.”
r.o. 5.6 · lid 2“De vaststelling door het bestuur van een besloten vennootschap dat wel of niet is voldaan aan de zogeheten uitkeringstest van artikel 2:207 lid 2 BW is geen beslissing die rechtsgevolgen heeft voor de vennootschap. Daarom is deze vaststelling geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW. De vordering van [appellanten] op dit punt is dus niet toewijsbaar.”
r.o. 5.18 · lid 2Uittreding certificaathouders uit houdster: OK bevoegd, uittreding toegewezen, deskundige benoemd
“Bij gebrek aan onderbouwing verwerpt de Ondernemingskamer het beroep van Enora op artikel 2:207 BW. Voorlopige voorzieningen”
r.o. 4.20Conservatoire beslagen bij uittredingsvordering; artikel 2:207 lid 2 BW pas na prijsbepaling te toetsen
“Het beslag dat [geïntimeerde 1] heeft gelegd onder [appellant] houdt verband met de vordering tot uittreding die zij heeft ingesteld tegen [appellant] . Het beslag strekt tot zekerheid voor betaling van de koopsom voor de aandelen die [appellant] van [geïntimeerde 1] zou moeten overnemen. Met grief C heeft [appellant] betoogd dat zij die aandelen niet mag overnemen omdat artikel 2:207 lid 2 BW aan toewijzing van die vordering in de weg staat. Volgens [appellant] laat haar eigen vermogen niet toe dat zij de aandelen van [geïntimeerde 1] overneemt en heeft een dergelijke verkrijging tot gevolg dat opeisbare schulden niet meer kunnen worden betaald. De grief faalt. Het hof licht dat als volgt toe.”
r.o. 5.3 · lid 2“[…] 1] zodanig in haar rechten en belangen geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Het hof zal daarom de prijs van de aandelen gaan bepalen waartegen [appellant] de aandelen van [geïntimeerde 1] moet overnemen. Partijen mogen zich bij akte uitlaten over de wijze waarop het hof volgens hen moet doen. De beoordeling of artikel 2:207 lid 2 BW in de weg staat aan toewijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] kan pas worden gemaakt als het hof de prijs van de aandelen heeft bepaald. Pas dan kan worden beoordeeld of het eigen vermogen van [appellant] niet toelaat dat zij de aandelen van [geïntimeerde 1] overneemt en of een dergelijke verkrijging tot gevolg heeft dat opeisbare schulden van [appellant] niet meer kunnen worden betaald.”
r.o. 5.4 · lid 2Uittreding aandeelhouder: toets artikel 2:207 lid 2 BW pas na prijsbepaling
“Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen haar aandelen over te nemen afgewezen. Volgens de rechtbank is gebleken dat de aandelen van [appellant] niet zijn volgestort. Aangezien verkrijging door de vennootschap van niet volgestorte aandelen in haar kapitaal op grond van artikel 2:207 lid 1 BW nietig is, kan de vordering tegen [geïntimeerde] niet worden toegewezen. Omdat beide partijen in het ongelijk zijn gesteld, heeft de rechtbank proceskosten gecompenseerd.”
r.o. 4.3 · lid 1“[…] in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, een vordering tot uittreding kan instellen tegen (onder andere) de vennootschap. De rechter bepaalt de prijs die de vennootschap voor de aandelen moet betalen. Een vordering tegen de vennootschap kan evenwel niet worden toegewezen, voor zover artikel 2:207 BW aan verkrijging van de aandelen door de vennootschap in de weg staat. Dat artikel bepaalt in lid 1 dat verkrijging door de vennootschap van niet volgestorte aandelen nietig is. Artikel 2:207 lid 2 BW bepaalt vervolgens dat de vennootschap, behalve om niet, geen volgestorte eigen aandelen mag verkrijgen als het eigen vermogen, verminderd met de verkrijgingsprijs, kleiner is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden of als het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. - Het hof is bevoegd kennis te nemen van de vordering van [appellant]”
r.o. 5.8 · lid 2“De rechtbank heeft, zoals gezegd, geoordeeld dat dat de aandelen van [appellant] niet zijn volgestort. Daarop is het oordeel gebaseerd dat artikel 2:207 BW aan een vordering tot uittreding in de weg staat en dat de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] tot overname van de aandelen moet worden afgewezen. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat de aandelen van [appellant] wél zijn volgestort. In zoverre berust het bestreden vonnis op een onjuistheid en kan het niet in stand blijven. Deze grief van [appellant] slaagt dus.”
r.o. 5.10“Het hof zal hierna beoordelen of de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] tot overname van de aandelen van [appellant] op grond van artikel 2:343 BW (alsnog) kan worden toegewezen. - Toets van artikel 2:207 lid 2 BW: op het moment van overdracht van de aandelen”
r.o. 5.11 · lid 2
Rechtbanken (1)
Put-optie aandeelhoudersovereenkomst; geen ernstig persoonlijk verwijt aan bestuurders bij niet-afnemen aandelen
“[…] verstande dat CC I niet gehouden is tot de verplichting onder (i) indien Ducate Group de betreffende aandelen heeft gekocht, afgenomen en betaald aan [eisende partij] en dat Ducate niet gehouden is tot de onder (ii) genoemde verplichting indien CC I de betreffende aandelen heeft gekocht, afgenomen en betaald aan [eisende partij] , II. Subsidiair, indien en voor zover zou vaststaan dat artikel 2:207 BW de koop van alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group door Ducate Group niet mogelijk zou maken en tevens CC I geen verplichting zou hebben die aandelen te kopen krachtens de Put Optie: (i) Ducate Group beveelt alles te doen wat nodig is om zo spoedig mogelijk te voldoen aan de eisen van artikel 2:207 BW, zodat Ducate Group alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group kan afnemen nemen tegen betaling aan [eisende partij] van een koopprijs van € 8.400.198,56, vermeerderd met een contractuele rente over dat bedrag vanaf 23 april 2024, dan wel de wettelijke handelsrente van 15% per jaar te rekenen vanaf 4 mei 2024, dan wel een andere handelsrente te rekenen vanaf 4 mei 2024, en dat tot de […]”
r.o. 3.1“Daar komt bij dat de vordering om “alles te doen wat nodig is om alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group af te nemen” zo ruim geformuleerd is dat dit het risico van executiegeschillen met zich brengt. Ook om die reden is de gevorderde dwangsom niet toewijsbaar. Artikel 2:207 BW”
r.o. 4.21“Convent Capital c.s. heeft verklaard dat niet aan de orde is of door Ducate Group bij de inkoop van de optieaandelen aan de balans- of uitkeringstest van artikel 2:207, tweede lid, BW wordt voldaan. De subsidiaire vorderingen van [eisende partij] zullen daarom onbesproken worden gelaten. Bestuurdersaansprakelijkheid”
r.o. 4.22