← Alle artikelen

Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 3. Het vermogen van de vennootschap

Artikel 2:203a BW

Vervallen per 1 oktober 2012 (Stb. 2012, 299)

Dit artikel is vervallen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:203a BW (7)

Hoge Raad (3)

  • Hoge Raad · 19 juli 2019

    Aansprakelijkheid opvolgend bestuurder wegens niet nagekomen stortingsplicht; motiveringsgebrek tussen- en eindarrest

    “[…] (hierna: [D] ), daarbij vertegenwoordigd door haar enig directeur, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). (iii) Voorafgaand aan die oprichting is op 1 juli 2005 op rekening van [B] B.V. in oprichting (hierna: [B] i.o.), door [C] B.V. (hierna: [C] ) een bedrag gestort van € 18.000,-- met als omschrijving “overboeking tegoed tbv oprichting [B] BV”. (iv) In een bankverklaring op de voet van art. 2:203a lid 1 onder b (oud) BW van 1 juli 2005 heeft de Rabobank aan de notaris ten overstaan van wie de oprichting van [B] heeft plaatsgevonden, bericht dat op de rekening van [B] i.o. een creditsaldo staat van € 18.000,-- en “dat vermeld saldo volgens mededeling van de mede-ondergetekende(n), oprichters(s) van genoemde vennootschap, is ontstaan ten titel van storting op de bij de bij de oprichting van genoemde vennootschap te plaatsen aandelen”. (v) Op 5 juli 2005 is een bedrag van € 18.000,-- van de rekening van [B] overgeboekt naar [C] onder de vermelding “overboeking tegoed”. (vi) Op 11 april 2006 heeft [D] haar aandelen in [B] (180 aandelen van elk nominaal € 100,--, tezamen het gehele geplaatste kapitaal) overgedragen aan [A] . De akte van aandelenoverdracht vermeldt dat blijkens […]”

    r.o. 2.1

    ECLI:NL:HR:2019:1276

  • Hoge Raad · 11 juli 2003

    Bas-C BV

    Volstortingsplicht oprichter-bestuurder en aansprakelijkheid ex artikel 2:180 lid 2 BW

    “Bij de beoordeling van het hiertegen aangevoerde middel wordt het volgende vooropgesteld. Ten eerste heeft [verweerder] in de akte van oprichting verklaard dat hij de geplaatste aandelen zou volstorten in geld. Uit art. 2:178 lid 2 BW volgt dat deze storting uiterlijk bij de oprichting van Bas-C B.V. moest zijn geschied. Ten tweede strekt de regeling van art. 2:203a lid 1, aanhef en onder b, BW, waarin de storting op aandelen in geld is uitgewerkt, ertoe het kapitaal van de op te richten vennootschap te beschermen ten behoeve van mogelijke schuldeisers van die vennootschap. Deze bepaling waarborgt dat aan de op te richten vennootschap bij of op enig moment (maar niet eerder dan vijf maanden) voor haar oprichting daadwerkelijk het kapitaal ter beschikking komt te staan dat op de bij de oprichting te plaatsen aandelen dient te worden gestort (HR 24 maart 2000, nr. C98/267, NJ 2000, 354).”

    r.o. 3.4

    “Evenmin kan op grond van de eerste onder 3.1(v) aangehaalde passage uit de desbetreffende akte worden aangenomen dat voor of bij de oprichting van Bas-C B.V. geld is gestort op de aandelen in haar kapitaal overeenkomstig het bepaalde in art. 2:203a BW. Dat is al daarom niet het geval omdat de voorwaarde ("althans indien"), die in deze akte is verbonden aan de daarin bedoelde bekrachtiging van "de onttrekkingen van bedragen aan de rekening bedoeld in artikel 203a lid 1 sub b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek", wat daarvan overigens zij, niet in vervulling is gegaan, gelet op het vorenoverwogene.”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:HR:2003:AF4595

  • Hoge Raad · 24 maart 2000

    Wachtkamer Televisie Nederland (WTN)

    Stortingsplicht oprichters bv: bankverklaring artikel 2:203a BW en terugboeking naar andere rekening

    “[…] 45 aandelen deelgenomen. Artikel 1.c van de slotverklaring vermeldt dat blijkens de aan de akte te hechten bankverklaring het bij de oprichting geplaatste kapitaal in geld is volgestort en dat de storting voor zoveel nodig wordt aanvaard. De aan de akte gehechte bankverklaring is een door ING bank op 15 september 1992 ter zake van bankrekening [nummer] afgegeven verklaring als bedoeld in art. 2:203a lid 1, sub b, BW. (iii) Volgens een door het Hof (rov. 1) overgenomen vaststelling van de Rechtbank was deze bankrekening [nummer] (verder: rekening 2) geopend door “WTN B.V. i.o.”, met welke aanduiding de Rechtbank kennelijk doelt op de vennootschap onder firma “Wachtkamer Televisie Nederland B.V. i.o.”, waarvan [eisers] de vennoten waren. (iv) Naar het Hof eveneens met de Rechtbank heeft aangenomen, beschikte WTN B.V. i.o. al eerder over een bankrekening bij ING bank met rekeningnummer [nummer] (verder: rekening 1). Ter zake van deze rekening had de bank een krediet in rekening-courant verleend ten bedrage van ƒ 200.000,--. Vóór de afgifte van de bankverklaring is dit krediet verhoogd tot ƒ 300.000,--. (v) Op 14 september 1992 is een bedrag van ƒ 90.000,-- (met gebruikmaking van […]”

    r.o. 3.1

    “De onderdelen 1.1 en 1.3 bevatten geen klacht. De klachten, voorgedragen in de onderdelen 1.4, 1.5, 1.6, aanhef en onder (1), en 1.7, aanhef en onder (2) en (3), en in middel 2, zijn alle gebaseerd op het uitgangspunt dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat vóór de oprichting van WTN B.V. rekening 2 een rekening van de vennootschap in oprichting was, doch rekening 1 een rekening (niet van de vennootschap in oprichting maar) van de vennootschap onder firma “Wachtkamer Televisie Nederland B.V. i.o.”, waarvan [eisers] de vennoten waren. Dit uitgangspunt mist feitelijke grondslag. Het Hof is kennelijk - in lijn met HR 17 september 1982, nr. 11958, NJ 1983, 120, welk arrest voor het huidige recht zijn betekenis heeft behouden - ervan uitgegaan dat, nu de latere oprichters van WTN B.V. de vennoten waren van WTN B.V. i.o. en de rechtshandelingen van WTN B.V. i.o. in verband met de rekeningen 1 en 2 waren verricht onder de naam van de vennootschap in oprichting, moet worden aangenomen dat WTN B.V. i.o. daarbij heeft gehandeld ten name en ten behoeve van de op te richten vennootschap. [eisers] hebben in de feitelijke instanties geen beroep gedaan op omstandigheden waaruit, mede in […]”

    r.o. 3.2

    “Bij de beoordeling van de overige klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 2:203a BW houdt, in de vorm van een regeling betreffende de aan de akte van oprichting te hechten verklaringen, mede een regeling in van de verplichtingen van de oprichters, indien voor of bij de oprichting van een besloten vennootschap op aandelen wordt gestort in geld. Volgens deze regeling hebben de oprichters niet slechts aan hun stortingsplicht voldaan indien (a) het gestorte bedrag bij de oprichting op een - aan de vereisten van art. 2:203a voldoende - rekening aan de vennootschap ter beschikking staat, doch tevens indien (b) de bedragen die op de bij de oprichting te plaatsen aandelen moeten worden gestort alle op een zelfde tijdstip, ten vroegste vijf maanden voor de oprichting, op een afzonderlijke rekening stonden welke na de oprichting uitsluitend ter beschikking van de vennootschap zal staan, mits de vennootschap de stortingen in de akte van oprichting aanvaardt. Op onttrekking van bedragen aan deze rekening is lid 4 van art. 2:203a van toepassing. Met de openstelling van mogelijkheid (b) beoogde de wetgever tegemoet te komen aan het belang van oprichters die al voor de oprichting […]”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:HR:2000:AA5258

Conclusies van de A-G (4)

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2019

    Stortingsaansprakelijkheid middellijk bestuurder ex artikel 2:180 lid 2 BW (oud); kasrondje en bewijslast

    “Bij de oprichting kan in geld of in natura op de aandelen worden gestort. Bij een storting in geld was op grond van art. 2:203a BW (oud) een verklaring van de bank vereist die door de notaris aan de akte van oprichting werd gehecht. De bankverklaring bij storting in geld is in 1986 ingevoerd bij gelegenheid van de Nieuwe regeling voor het kapitaal van de BV. Er waren twee soorten bankverklaringen, de a-verklaring en de b-verklaring. In de praktijk werd de b-verklaring het meest gebruikt; deze is ook in de onderhavige zaak afgegeven (zie de feiten onder 1.4). Deze verklaring hield in dat op een zeker tijdstip – ten vroegste vijf maanden voor de oprichting – de gestorte bedragen op een afzonderlijke rekening stonden die na de oprichting uitsluitend ter beschikking van de vennootschap zou staan en dat de vennootschap de stortingen in de oprichtingsakte aanvaardde. De reden dat in de praktijk vaak gebruik werd gemaakt van de b-verklaring, is dat de op de rekening gestorte gelden al voor de oprichting door de BV konden worden aangewend. Door dergelijke onttrekkingen aan de bankrekening van de BV i.o. was het mogelijk dat het saldo van de bankrekening op het moment van de oprichting […]”

    r.o. 3.3

    “Het systeem van kapitaalbescherming is in 2012 gewijzigd bij de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (zie onder 3.2). Het minimumkapitaalvoorschrift van art. 2:178 lid 2 BW (oud) is geschrapt. In verband met de afschaffing van het minimumkapitaalvoorschrift werd ook de bankverklaring van art. 2:203a BW en de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder die was gekoppeld aan het niet tijdig naleven van de minimumstortingsplicht in de zin van art. 2:180 lid 2, aanhef en onder b, BW geschrapt. De achtergrond van deze wijzigingen was dat systeem van kapitaalbescherming niet effectief was en onnodig belemmerend werkte voor het krijgen van toegang tot de BV-vorm.”

    r.o. 3.6

    “Maeijer heeft in zijn noot onder het arrest verder de volgende bijzondere regel van bewijslastverdeling afgeleid: “Indien niet uit de oprichtingsakte of aangehechte overeenkomst betreffende inbreng in natura blijkt dat bij de oprichting de minimaal vereiste storting heeft plaats gehad, is het aan de betrokken bestuurder-groot aandeelhouder die aan zijn hoofdelijke aansprakelijkheid wil ontkomen, om te stellen wanneer en op welke wijze hij heeft gestort.” De zaak Van Aken/Savelbergh speelde voor de invoering van het vereiste van een bankverklaring bij storting in geld (art 2:203a BW) in 1986 (zie onder 3.3). Volgens Nieuwe Weme & Van Solinge kan uit het arrest worden afgeleid dat indien niet uit de oprichtingsakte of de aangehechte stukken blijkt dat de minimaal vereiste storting heeft plaatsgevonden, degene bij wie de aandelen zijn geplaatst, zal moeten stellen en aantonen dat en hoeveel hij heeft gestort. Dat geldt volgens hen ook voor de bestuurder-grootaandeelhouder die aan zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 2:69/180 lid 2 BW wil ontkomen.”

    r.o. 3.11

    “Bij deze – in de woorden van Maeijer in zijn noot onder het arrest – “tolerante” uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van de rechtsgeldigheid van een kasrondje speelt mee dat het hof zijn arrest “wel erg summier had gemotiveerd”. Evenals Van Aken/Savelbergh speelde deze zaak nog voordat het vereiste van de bankverklaring in de zin van art. 2:203a BW bij storting in geld in 1986 in werking was getreden (zie onder 3.3).”

    r.o. 3.13

    ECLI:NL:PHR:2019:490

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 oktober 2003

    Curator, artikel 2:193 BW en verjaring van stortingsplicht op aandelen

    “Deze voorschriften wijzen erop dat de wetgever een bijzonder belang hecht aan daadwerkelijke volstorting van uitgegeven aandelen. Men zegt wel dat de verplichting tot volstorting van het aandeel onaantastbaar is.(24) Visser voegt hier overigens aan toe, dat dit beginsel uitzondering leidt in bepaalde door de wet nauwkeurig omschreven gevallen. Hij geeft geen overzicht van deze gevallen. De wetgever heeft het belang van de storting op aandelen nog eens verder onderstreept door de voorschiften dat het volledige bedrag van het minimumkapitaal gestort dient te worden (art. 2:178, lid 2 BW) en dat op aandelen tenminste 1/4 van het nominale bedrag gestort dient te worden (art. 2:191, lid 1, BW). Op het niet-naleven van deze voorschriften is de sanctie van persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders gesteld (art. 2:180, lid 2 BW). Daadwerkelijke volstorting van aandelen wordt tenslotte nog bevorderd door het voorschift van de verklaring van de bank over het beschikbaar zijn van de bij oprichting te storten bedragen (art. 2:203a BW) en door het voorschrift van de controle op de inbreng in natura (art. 2:204b BW).”

    r.o. 4.13

    “Ik zou willen verdedigen dat het Nederlandse vennootschapsrecht zich een in beginsel korte verjaringstermijn voor de stortingsplicht kan veroorloven. De hierboven genoemde bepalingen uit Boek 2 BW maken de kans dat bij oprichting niet daadwerkelijk op de aandelen wordt gestort klein. Het in 1986 ingevoerde art. 2:203a BW bewerkstelligt inmiddels de hierboven geciteerde bepaling B, zoals te vinden in de akte van oprichting van M.M.D., niet meer mogelijk is. De te storten gelden dienen immers voor de oprichting op een bankrekening te staan. Als niet-volgestorte aandelen worden uitgegeven, dan bedenke men dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het moment van opeisbaarheid, waartoe is vereist dat over wordt gegaan tot uitschrijven van de storting en niet van het moment van uitgifte van aandelen. Juist op deze situatie van niet-volgestorte aandelen is art. 2:193 BW gericht. Als vóór faillissement door de vennootschap niet om volstorting van de niet-volgestorte aandelen is verzocht, kan de curator op basis van art. 2: 193 BW volstorting van de aandelen vorderen. Ook bedenke men nog dat, als de curator van zijn uit art. 2:193 BW voortvloeiende bevoegdheid gebruik maakt, er in de […]”

    r.o. 4.18

    ECLI:NL:PHR:2003:AI0308

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 maart 2000

    Conclusie: volstortingsplicht en kasrondje bij bankverklaring oprichting B.V.

    “Op 15 september 1992 heeft de ING Bank terzake van de oprichting van Wachtkamer Te--le-visie Nederland B.V. (WTN) een bankverklaring afgegeven als bedoeld in art. 2:203a, lid 1, aan---hef en onder b, BW. Reeds vóór de afgifte van die verklaring beschikte WTN i.o. over een rekening bij de ING Bank (rekening 1), met een kredietfaciliteit van f 200.000. Eveneens vóór de genoemde afgifte is dit krediet verhoogd tot een bedrag van f 300.000.”

    r.o. 1.1

    “Middel 1 wijst er in onderdeel 1.3. (sub [1]) op dat [eisers] in de feitelijke instanties hebben aangevoerd dat de door WTN na de oprichting voortgezette onderneming reeds geruime tijd, nl. juli 1991, draaide in de vorm van een v.o.f.6, onder de naam Wachtkamer Tele-vi-sie Neder-land B.V. i.o. Rekening 1 was volgens dit zelfde onderdeel (sub [2]) een rekening van de v.o.f.7 Daaren-te-gen zou rekening 2 een bankrekening in de zin van art. 2:203a, lid 1 onder b, io. lid 3, BW zijn, der-halve een rekening t.n.v. de op te richten vennootschap.”

    r.o. 3.1.1

    “In de onderhavige zaak is gekozen voor toepassing van het stelsel van art. 2:203a, lid 1, aanhef en onder b, BW. Dit houdt in dat het gestorte kapitaal ten vroegste vijf maanden voor de op-richting op een afzonderlijke bankre-kening staat welke na de op-richting exclusief aan de op te rich-ten b.v. ter beschikking staat, mits de vennootschap de storting in de oprichtingsakte aan-vaardt (b-verklaring). Blijkens de stukken is aan het vereiste van een b-verklaring voldaan: ten tijde van de oprich-ting van WTN B.V. stond / 90.000,- op rekening 2. Deze storting heeft de b.v. in de slotverklaring van de oprichtingsakte aanvaard8.”

    r.o. 3.2.3.1

    “Het middel gaat ervan uit dat niet de b.v. i.o. een kredietfacili-teit heeft verkregen, maar dat [eisers] zelf (in de vorm van de v.o.f.) dit krediet ter volstorting van de aandelen hebben opgenomen. Vervolgens zou als gevolg van terugstorting van de f 90.000,- door de b.v. op de rekening van de v.o.f. niet langer een beroep zijn gedaan op de verruimde kredietfaciliteit die de bank ter be-schikking stelde, maar zou dit krediet weer zijn verminderd met de f 90.000,- en zouden [eisers] dit bedrag lenen van de b.v.”

    r.o. 3.2.3.2

    ECLI:NL:PHR:2000:AA5258

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 juli 2003

    Conclusie A-G: geen geldige volstorting minimumkapitaal met middelen van B.V. in oprichting

    De curator van een failliete B.V. vordert van de oprichter-aandeelhouder volstorting van de aandelen en spreekt hem aan als bestuurder op grond van artikel 2:180 BW. De A-G concludeert dat het minimumkapitaal niet geldig is gestort met geld dat afkomstig is van de vennootschap in oprichting zelf. Volgens hem moet een storting reëel en onbezwaard zijn en mag de vennootschap haar eigen kapitaalstorting niet financieren. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.

    ECLI:NL:PHR:2003:AF4595