← Alle artikelen

Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 5. Het bestuur van de vennootschap en het toezicht op het bestuur

Artikel 2:259 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 1992, laatst gewijzigd bij Stb. 1989, 541

Het bepaalde bij de artikelen 9, 241 en 248 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de taakvervulling door de raad van commissarissen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:259 BW (3)

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 28 april 2000

    Montedison

    Aansprakelijkheid moedervennootschap voor uitkeringen en terugbetaling lening bij failliete dochter; artikel 2:11 BW

    “[…] BW gehouden het tekort aan te vullen. Voor zover de schade uitslui-tend door [oud-werknemer] zou zijn toegebracht is Montedison daar-voor volgens de curator aansprakelijk als degene in wier dienst [oud-werknemer] was. Meer subsidiair heeft de curator ge-steld dat [oud-werknemer] als commissaris van Domp onvoldoende toezicht heeft gehouden en daarom aansprakelijk is voor het tekort ingevolge art. 2:259 BW en dat Montedison ook hiervoor aansprakelijk is als degene in wier dienst [oud-werknemer] was. Montedison heeft, samengevat weergegeven, tot haar verweer aangevoerd dat zij na 30 september 1988 en met name met betrekking tot het besluit van 1 oktober 1988 tot uitkering van het interimdividend en van de vrije reserves, niet verantwoordelijk is. Na 30 september 1988 behoorden de aandelen toe aan Fender B.V. Montedison heeft geen geld aan Domp onttrokken. De hiervoor in 3.1 onder (ix) en (x) bedoelde terugbetaling op aan Domp ge-leend geld kan volgens Montedison niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Montedison is niet aansprakelijk voor door [oud-werknemer] toegebrachte schade omdat deze niet heeft gehandeld als werknemer van Montedison of in haar op-dracht. Na 30 september 1988 […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:2000:AA5658

Conclusies van de A-G (2)

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 augustus 2021

    Bestuurders-, commissaris- en aandeelhoudersaansprakelijkheid na dividenduitkeringen ondanks bodemverontreinigingsclaim

    “[…] de Staat der Nederlanden te betalen en niet anders.” De rechtbank oordeelt vervolgens in haar vonnis als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.16-4.25) is sprake van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [eiser 2] (als bestuurder op grond van art. 2:248 lid 1 BW) en [eiser 3] (als feitelijk beleidsbepaler op grond van art. 2:248 lid 7 BW en als commissaris op grond van art. 2:259 BW jo. art. 2:248 lid 1 BW) in de gegeven omstandigheden, waarbij de rechtbank onder meer betrekt dat over 2008 en 2009 geen voorziening is getroffen in de jaarrekening van Welsec voor de vordering van de Staat op Welsec en dat uitvoering is gegeven aan de dividendbesluiten in de referteperiode waardoor de betrokken uitkeringen zijn gedaan aan Welsecs enig aandeelhouder HHI. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van [eiser 2] en [eiser 3] een belangrijke oorzaak van het faillissement is: (rov. 4.31-4.35) “4.31 HHI c.s. heeft voorts betwist dat de aan [eiser 2] en [eiser 3] verweten kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als bestuurders en de [eiser 3] verweten kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2021:739

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 april 2000

    Aansprakelijkheid voormalige aandeelhoudster voor onttrekkingen na buy-out; feitelijk bestuurder; artikel 2:11 BW

    “[…] van art. 2:248 BW verplicht zijn het tekort aan te vullen. Voor zover uitsluitend [oud-werknemer] aansprakelijk zou zijn, is Montedison volgens de curator als werkgeefster van [oud-werknemer] aansprakelijk voor diens handelen. Meer subsidiair stelt de curator dat [oud-werknemer] als commissaris bij Domp onvoldoende toezicht heeft gehouden en daarom aansprakelijk is voor het tekort ingevolge art. 2:259 BW en dat Montedison als werkgeefster van [oud-werknemer] ook hiervoor aansprakelijk is.”

    r.o. 1.3

    “Subonderdeel 12c richt zich met een motiveringsklacht tegen rov. 4.31. Hier verwierp het hof de stelling van de curator dat Montedison als werkgeefster aansprakelijk is voor nalatigheden van [oud-werknemer] in zijn hoedanigheid van commissaris van Domp. Krachtens art. 2:259 BW vindt het bepaalde in art. 2:248 BW overeenkomstig toepassing ten aanzien van de taakvervulling door de raad van commissarissen34. M.i. faalt ook dit subonderdeel. De enkele omstandigheid dat [oud-werknemer] tevens werknemer van Montedison was, brengt niet noodzakelijkerwijs met zich mede dat alle handelingen die [oud-werknemer] met betrekking tot Domp verrichtte, noch dat alle verzuimen die aan [oud-werknemer] zijn toe te rekenen, geacht worden binnen de dienstbetrekking van [oud-werknemer] met Montedison te hebben plaatsgevonden. Het hof heeft uit de wederzijdse stellingen mogen opmaken dat, wat er zij van de wijze waarop [oud-werknemer] in 1984 in Domp terecht is gekomen en tot de overname heeft gefunctioneerd, [oud-werknemer] in elk geval tijdens en na de aandelenoverdracht niet (langer) optrad in zijn hoedanigheid van werknemer van Montedison, maar als een ondernemer die zijn eigen koers bepaalt. Het […]”

    r.o. 2.44

    ECLI:NL:PHR:2000:AA5658