Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 5. Het bestuur van de vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:246 BW
In werking getreden op 26 juli 1976 (Stb. 1976, 395)
Tenzij bij de statuten anders is bepaald, is het bestuur zonder opdracht der algemene vergadering niet bevoegd aangifte te doen tot faillietverklaring van de vennootschap.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:246 BW (4)
Hoge Raad (1)
Geocopter
Bestuurdersaansprakelijkheid: eigen faillissementsaanvraag in strijd met artikel 2:246 BW als onbehoorlijk bestuur
“In deze zaak gaat het erom of de bestuurder van een failliet verklaarde vennootschap zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aansprakelijk is jegens de boedel op de voet van art. 2:248 BW wegens het in strijd met art. 2:246 BW doen van aangifte tot faillietverklaring van de vennootschap.”
r.o. 3.1.1“[…] Deze regel strekt tot bescherming van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde vennootschap. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus gehandeld zou hebben (vgl. HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053 (Panmo), rov. 3.7). Art. 2:246 BW houdt in dat, tenzij bij de statuten anders is bepaald, het bestuur zonder opdracht van de algemene vergadering niet bevoegd is aangifte te doen tot faillietverklaring van de vennootschap. Deze regel strekt tot bescherming van de belangen van de vennootschap en de aandeelhouders. Het in strijd met art. 2:246 BW aanvragen van het faillissement van de vennootschap door de bestuurder, kan grond zijn voor zijn aansprakelijkheid jegens de vennootschap op de voet van art. 2:9 BW. Indien het in strijd met art. 2:246 BW aanvragen van het faillissement van de vennootschap door de bestuurder in de omstandigheden van het geval de belangen van de gezamenlijke schuldeisers schaadt, kan dit bovendien worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in art. 2:248 lid 1 […]”
r.o. 3.3.2“Onderdeel 1.1 voert aan dat het hof heeft miskend dat de aan [eiser] verweten gedragingen, namelijk het in zijn hoedanigheid van bestuurder aanvragen van het faillissement van de vennootschap en het persisteren bij die aanvraag ten tijde van de mondelinge behandeling daarvan, niet kunnen gelden als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW. Onderdeel 1.2 voegt daaraan toe dat het hof heeft miskend dat art. 2:246 BW niet de strekking heeft de schuldeisers te beschermen.”
r.o. 3.4.1“Deze klachten berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar strekt art. 2:246 BW tot bescherming van de belangen van de vennootschap en haar aandeelhouders, maar zoals hiervoor in 3.3.2 is overwogen, staat dit niet eraan in de weg dat het in strijd met art. 2:246 BW aanvragen van het faillissement van de vennootschap, onder omstandigheden tevens de belangen van de gezamenlijke schuldeisers kan schaden en op die grond aangemerkt kan worden als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW.”
r.o. 3.4.2
Conclusies van de A-G (2)
Eigen faillissementsaanvraag door bestuurder als kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW)
“[…] vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BV), een coöperatieve vereniging of een buitenlandse rechtspersoon: (…)- de originele notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders waaruit blijkt van de opdracht van deze vergadering aan het bestuur tot het aanvragen van het faillissement van de vennootschap, als bedoeld in artikel 2:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor de NV en artikel 2:246 BW voor de BV; (…) [vetgedrukt in origineel, A-G]” Van Andel leest het Procesreglement zo dat niet alleen uittreksels, maar ook de opdracht van de AV aan het bestuur als bedoeld in art. 2:246 BW niet ouder mag zijn dan één maand voor de aanvraag van de eigen aangifte tot faillietverklaring. In casu heeft de AV de toestemming in de zin van art. 2:246 BW op 17 oktober 2011 verleend (zie nr. 1.5-1.6). De faillissementsaanvraag werd ruim twee maanden later, op 27 december 2011, ingediend door [eiser] (nr. 1.18), hetgeen voor Van Andel reden is om aan te nemen dat de rechtbank het faillissement niet had mogen uitspreken omdat de aanvraag niet voldeed aan het Procesreglement. De lezing van het Procesreglement van Van Andel komt mij niet juist voor. De zinsnede in de aanhef van art. […]”
r.o. 3.13Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders na Interventiewet; conclusie strekt tot verwerping
“Onderdeel 2 van het cassatiemiddel van SNS Reaal c.s. bevat – samengevat – de volgende subsidiaire klacht. - Indien er in dit geval grond bestaat voor het maken van een uitzondering op de ontvankelijkheidseis van art. 2:246 lid 1 sub c BW, dan geldt die uitzondering uitsluitend voor een enquête naar het beleid en de gang van zaken bij SNS Reaal rond de onteigening. VEB c.s. en Stichting Beheer zijn dus niet-ontvankelijk voor zover zij verzoeken om een onderzoek met betrekking tot andere onderwerpen dan de gang van zaken rond de onteigening. Dit heeft de ondernemingskamer miskend. Het oordeel van de ondernemingskamer is althans ontoereikend gemotiveerd.”
r.o. 4.3
Rechtbanken (1)
Eigen aangifte faillissement afgewezen: geen rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit vastgesteld (artikel 2:246 BW)
“In artikel 2:246 BW is bepaald dat het bestuur van een besloten vennootschap zonder opdracht van de algemene vergadering van aandeelhouders niet bevoegd is om aangifte te doen van faillietverklaring van de vennootschap, tenzij in de statuten anders is bepaald. Onder verwijzing naar dat artikel is in het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventierecht voorgeschreven dat bij een eigen aangifte tot faillietverklaring moeten zijn gevoegd de originele notulen van de aandeelhoudersvergadering waarin de vergadering het bestuur opdracht heeft gegeven tot het aanvragen van het faillissement van de vennootschap.”
r.o. 2.2