← Alle artikelen

Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 5. Het bestuur van de vennootschap en het toezicht op het bestuur

Artikel 2:251 BW

In deze vorm in werking sinds 1 oktober 2004, laatst gewijzigd bij Stb. 2004, 370

1

Het bestuur verschaft de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens.

2

Het bestuur stelt ten minste een keer per jaar de raad van commissarissen schriftelijk op de hoogte van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, de algemene en financiële risico's en het beheers- en controlesysteem van de vennootschap.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:251 BW (1)

Conclusies van de A-G (1)

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 december 2015

    Feitelijk bestuurder Arubaanse vennootschap aansprakelijk voor onbetaalde advocaatfacturen; toepasselijk recht in appel

    “Het onderdeel (onder c) klaagt dat, kort gezegd, voor een dergelijke persoonlijke aansprakelijkheid van de enig aandeelhouder/niet-bestuurder van een (buitenlandse) vennootschap een specifieke dwingende Nederlandse wetsbepaling, zoals art. 2:248 BW, ontbreekt en dat ook niet wordt toegekomen aan art. 10:121 BW. Evenmin valt in art. 2:251 en 261 lid 1 BW steun voor het oordeel van het hof te vinden en heeft het hof een verkeerde maatstaf gehanteerd, aldus de klacht.”

    r.o. 2.11

    “Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, voor zover wordt betoogd dat het hof aansluiting heeft gezocht bij de in het subonderdeel genoemde wetsartikelen. Het hof heeft immers een persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] aangenomen die zijn grondslag vindt in art. 6:162 BW. Voor zover het subonderdeel betoogt dat voor de persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] een wettelijke basis ontbreekt, gaat het onderdeel derhalve uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de maatstaven uit het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006 te hanteren ter beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag van [eiser] . De norm voor de in rov. 3.5 van dat arrest onder (ii) genoemde gevallen betreft – evenals de Beklamel-norm – een zorgvuldigheidsnorm die ingeval van schending een doen of nalaten oplevert in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. De overweging van de Hoge Raad dat een bestuurder jegens een schuldeiser onrechtmatig heeft gehandeld, indien hem, mede gelet op de verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in […]”

    r.o. 2.12

    ECLI:NL:PHR:2015:2412