Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:180 BW
In deze vorm in werking sinds 1 oktober 2012, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 299
De bestuurders zijn verplicht de vennootschap te doen inschrijven in het handelsregister en een authentiek afschrift van de akte van oprichting en van de daaraan ingevolge artikel 204 gehechte stukken neer te leggen ten kantore van het handelsregister.
De bestuurders zijn naast de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden in het tijdvak voordat de opgave ter eerste inschrijving in het handelsregister, vergezeld van de neer te leggen afschriften, is geschied.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:180 BW (8)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (3)
Aansprakelijkheid opvolgend bestuurder wegens niet nagekomen stortingsplicht; motiveringsgebrek tussen- en eindarrest
“In deze procedure vordert Aabo schadevergoeding van [verweerder] . De grondslag van haar vordering komt neer op het volgende. Bij de oprichting van [B] is niet het voorgeschreven minimumkapitaal op de aandelen in [B] gestort. Ook na de oprichting, toen [A] bestuurder was van [B] , is dit niet gebeurd. [A] is daarom op grond van art. 2:180 lid 2, aanhef en onder b, (oud) BW naast [B] hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens haar bestuur verrichte rechtshandeling waardoor [B] is verbonden. [verweerder] was bestuurder van [A] . Op grond van art. 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van [A] daarom tevens hoofdelijk op haar bestuurder [verweerder] .”
r.o. 2.2 · lid 2“Nu aldus het door Aabo gestelde voldoende is betwist, is niet komen vast te staan dat niet aan de volstortingsverplichting is voldaan. Het hof stelt vast dat door Aabo terzake geen bewijsaanbod is gedaan dat voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen. Aabo heeft alleen in eerste aanleg in haar inleidende dagvaarding, dus nog voorafgaand aan de aanvulling van haar gronden met een beroep op artikel 2:180 lid 2 BW (oud), een algemeen geformuleerd bewijsaanbod gedaan. Het hof ziet geen aanleiding Aabo ambtshalve met bewijs te belasten. Daarmee dient het niet voldaan zijn aan de volstortingsverplichting als grondslag voor de vorderingen van Aabo te worden verworpen.””
r.o. 2.6 · lid 2“[…] in het tussenarrest, en de daarin door het hof aan [verweerder] voorgelegde vragen. Bovendien is niet duidelijk welke (aanvullende of meer gedetailleerde) stellingen van Aabo het hof op het oog had, welke stellingen het hof miste en waarom het hof in het tussenarrest dan geen vragen aan Aabo heeft gesteld. Aabo heeft haar vordering tijdens de procedure aangevuld met een beroep op art. 2:180 lid 2, onder b, (oud) BW. Aabo verwees hierbij naar het verslag van de curator, dat Aabo niet eerder kon overleggen dan zij heeft gedaan en waarin de curator vaststelde dat niet was voldaan aan de stortingsplicht. Vervolgens heeft [verweerder] in eerste aanleg niet betwist dat niet was voldaan aan de stortingsplicht. In eerste aanleg was er dan ook geen aanleiding voor Aabo om nader in te gaan op het niet voldaan zijn aan de stortingsplicht. [verweerder] heeft in hoger beroep de vraag of voldaan is aan de stortingsplicht alsnog tot onderwerp van debat gemaakt. Aabo heeft daarop ook gereageerd. Zij heeft opnieuw verwezen naar het verslag van de curator en bovendien gesteld dat uit de administratieve bescheiden niet blijkt dat sprake is geweest van een boeking van het bedrag in […]”
r.o. 3.2 · lid 2“De onderdelen 4 en 5 behoeven geen behandeling. De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”
r.o. 3.3Staalbankiers/Elko Management
Artikel 2:180 lid 2 BW: strekking en beperkende werking redelijkheid en billijkheid
“Staalbankiers heeft in dit geding gevorderd dat [verweerster 1] en [verweerder 2] worden veroordeeld tot betaling aan haar van het bedrag van de hiervoor in 3.1 onder (viii) vermelde restschuld met rente. Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [verweerster 1] op grond van art. 2:180 lid 2, aanhef en onder a, BW, en [verweerder 2] op grond van dezelfde bepaling in verbinding met art. 2:11 BW, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de voldoening van deze restschuld, nu de kredietovereenkomst van 10 juli 2002 is gesloten voordat de opgave ter eerste inschrijving van EDG Beheer in het handelsregister (op 12 juli 2002) is gedaan. [Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben diverse verweren gevoerd.”
r.o. 3.2.1 · lid 2“[…] het als volgt. (a) De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de kredietovereenkomst is gesloten onder een opschortende voorwaarde die op 10 juli 2002 nog niet in vervulling was gegaan. De onderhavige voorwaarde heeft geen opschortende werking, maar is slechts een voorwaarde van bijkomende aard (rov. 4.5.1). (b) [Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben zich echter mede erop beroepen dat art. 2:180 lid 2, aanhef en onder a, BW in de gegeven omstandigheden niet van toepassing is. Dit verweer slaagt. Voor Staalbankiers was het als nauw betrokken derde immers volstrekt duidelijk wie haar contractuele wederpartij was, alsook dat deze op het moment van het ter beschikking stellen van het krediet bestond. Voorts ging zij ervan uit dat zij zich indien nodig op haar contractspartij kon verhalen, met het oog waarop zij zekerheden heeft bedongen. Deze zekerheden bleken echter onvoldoende om haar gehele vordering te voldoen. De onderhavige bepaling strekt niet ertoe een crediteur tegen dit risico te beschermen. Zij mist in dit geval dus toepassing (rov. 4.7.3 en 4.7.4). (c) Indien de onderhavige bepaling in dit geval toch van toepassing zou zijn, baat dit Staalbankiers niet omdat haar […]”
r.o. 3.2.3 · lid 2“Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het hiervoor in 3.2.3 onder (b) weergegeven oordeel van het hof. Volgens het onderdeel heeft het hof art. 2:180 lid 2, aanhef en onder a, BW, gelet op doel en strekking van deze bepaling, ten onrechte buiten toepassing gelaten.”
r.o. 3.3 · lid 2“Art. 2:180 lid 2, aanhef en onder a, BW stemt in de kern overeen met art. 2:69 lid 2, aanhef en onder a, BW. De laatstgenoemde bepaling is onder meer als volgt toegelicht: "Met een opgave, overeenkomstig de eisen der wet, ter inschrijving hebben de bestuurders aan hun plicht voldaan. Tussen de ontvangst van de opgave door de beheerder van het handelsregister en de inschrijving na controle plegen enkele dagen of weken te verlopen. Voorzichtige bestuurders wachten met het aangaan van zware verplichtingen totdat de opgave ter eerste inschrijving is geschied." (Nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II 1983-1984, 16 551, nr. 11, blz. 8)”
r.o. 3.4.1 · lid 2Bas-C BV
Volstortingsplicht oprichter-bestuurder en aansprakelijkheid ex artikel 2:180 lid 2 BW
“In het onderhavige geding heeft de curator gevorderd zoals onder 1 van dit arrest weergegeven. Zijn vorderingen onder 1 zijn erop gebaseerd dat [verweerder] niet aan diens verplichting tot volstorting van de aandelen-Bas-C B.V. heeft voldaan. Daarom moet [verweerder] niet alleen worden veroordeeld deze storting alsnog te doen, maar is hij bovendien als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk zoals bedoeld in art. 2:180 lid 2 BW, aldus de curator. De vordering onder 2 is gebaseerd op art. 2:248 BW; deze speelt in cassatie geen rol meer. [Verweerder] heeft deze vorderingen en de gronden waarop zij berusten, bestreden. Hij voerde daartoe in de kern aan dat hij van het saldo op de onder 3.1(iii) bedoelde rekening een bedrag van ƒ 40.000,-- heeft geleend en aan dit bedrag, dat op die rekening bleef staan, de bestemming heeft gegeven van voldoening aan zijn stortingsplicht. Zijn hieruit resulterende schuld uit geldlening heeft hij na de oprichting van Bas-C B.V. afgelost door verrekening in rekening-courant, zo stelde [verweerder].”
r.o. 3.2 · lid 2“De Rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen van haar onder 1 aangehaalde tussenvonnis onder meer geoordeeld, dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet aan zijn verplichting tot volstorting van de aandelen heeft voldaan. Zij achtte [verweerder] daarom niet alleen alsnog tot volstorting gehouden, maar hield hem ook aansprakelijk op grond van art. 2:180 BW. Zij gelastte een comparitie van partijen om de curator in staat te stellen zijn vordering in zoverre te specificeren en zo nodig nader toe te lichten. In het tegen dat vonnis door [verweerder] ingestelde hoger beroep heeft het Hof, samengevat weergegeven, geoordeeld dat [verweerder] wel degelijk aan zijn verplichting tot volstorting van de aandelen-Bas-C B.V. heeft voldaan. Na te hebben vastgesteld dat [verweerder] niet een bedrag van ƒ 40.000,-- op de rekening van de B.V. heeft overgemaakt, overwoog het Hof daartoe in rov. 4.6.3 met name: "Aan die verplichting [tot volstorting] kan ook op andere wijze worden voldaan. [verweerder] heeft naar het oordeel van het hof aan zijn verplichting tot volstorting voldaan doordat hij een bedrag op de rekening van Bas-C B.V. i.o. - over welke rekening [verweerder] als ondernemer van […]”
r.o. 3.3“Na verwijzing zal, wat betreft de vordering van de curator dat [verweerder] de onderhavige aandelen alsnog zal volstorten, de juistheid van de stelling van [verweerder] dat hij de in 3.6 bedoelde lening heeft afbetaald en daarmee inmiddels heeft voldaan aan zijn volstortingsplicht, onderzocht moeten worden. Wat betreft de op art. 2:180 BW gebaseerde vordering van de curator geldt dat, zelfs indien na verwijzing komt vast te staan dat [verweerder] inmiddels heeft voldaan aan zijn stortingsplicht, hem dit niet kan baten omdat de afbetaling van de door hem gesloten lening dan heeft plaatsgevonden na het in art. 2:178 lid 2 BW genoemde tijdstip en mitsdien te laat om aan de in art. 2:180 BW bedoelde aansprakelijkheid te ontkomen. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 maart 2001; verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 930,63 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de […]”
r.o. 3.9
Conclusies van de A-G (5)
Uitleg statutaire aanbiedingsregeling, aandeelhoudersovereenkomst en redelijkheid en billijkheid
“Het rechtsregime van een rechtspersoon wordt behalve door de wet door de statuten bepaald. Aan dat regime zijn de oprichters en de organen van de rechtspersoon ook zelf gebonden, evenals de aandeelhouders die na de oprichting toetreden. De inhoud van de statuten is niet alleen van betekenis voor de interne verhoudingen binnen de rechtspersoon, maar raakt ook de verhouding van de rechtspersoon tot derden. Met dit laatste staat in verband dat de akte van oprichting van de rechtspersoon, die onder meer de statuten bevat, in de vorm van een authentiek afschrift verplicht ten kantore van het handelsregister wordt neergelegd (voor de BV: art. 2:180 BW), zodat zij door derden kan worden ingezien. In geval van een statutenwijziging geldt dezelfde verplichting voor de gewijzigde statuten (art. 2:236 BW). Een en ander levert krachtige argumenten op voor een min of meer objectieve uitleg van statutaire bepalingen, zoals in de literatuur ook wordt onderkend.”
r.o. 3.2Stortingsaansprakelijkheid middellijk bestuurder ex artikel 2:180 lid 2 BW (oud); kasrondje en bewijslast
“De curator in het faillissement van [B] heeft in het tweede verslag van 5 maart 2010 onder 7.4 over de stortingsverplichting op aandelen het volgende vermeld: “Aan de verplichting tot volstorting van de aandelen is niet voldaan. Op 1 juli 2005 is € 18.000,- op de rekening van de vennootschap i.o. gestort door de vorige aandeelhouder [C] B.V. Op 5 juli 2005 is dit bedrag echter weer teruggestort onder de vermelding “Overboeking tegoed”. In de boekhouding van de vennootschap is dit bedrag ook niet als lening aan [C] geboekt. Ten tijde van de oprichting d.d. 8 juli 2005 stond het startkapitaal derhalve niet werkelijk ter beschikking van de vennootschap. De curator zal de aandeelhouder aanspreken tot volstorting van het minimumkapitaal van 18.000,-. Het feit dat niet is voldaan aan de volstortingsverplichting betekent voorts dat de bestuurder van [B] hoofdelijk aansprakelijk is voor elke tijdens zijn bestuur verrichte rechtshandeling waarvoor de vennootschap is verbonden (artikel 2:180 lid 2 BW).””
r.o. 1.11 · lid 2“Voorafgaand aan de comparitie heeft Aabo op 27 april 2010 een akte genomen, waarbij zij producties in het geding heeft gebracht. In deze akte heeft zij tevens de grondslag van haar vordering aangevuld met een beroep op art. 2:180 lid 2 BW. Daarbij heeft zij gesteld dat inmiddels is gebleken dat [verweerder] als (middellijk) bestuurder van [B] niet heeft voldaan aan de stortingsplicht op de aandelen. Daarom is hij hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens zijn bestuur verrichte rechtshandeling die de vennootschap heeft gebonden, waaronder begrepen de leveranties waarop de vorderingen van Aabo zijn gebaseerd.”
r.o. 2.5 · lid 2“Het systeem van kapitaalbescherming is in 2012 gewijzigd bij de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (zie onder 3.2). Het minimumkapitaalvoorschrift van art. 2:178 lid 2 BW (oud) is geschrapt. In verband met de afschaffing van het minimumkapitaalvoorschrift werd ook de bankverklaring van art. 2:203a BW en de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder die was gekoppeld aan het niet tijdig naleven van de minimumstortingsplicht in de zin van art. 2:180 lid 2, aanhef en onder b, BW geschrapt. De achtergrond van deze wijzigingen was dat systeem van kapitaalbescherming niet effectief was en onnodig belemmerend werkte voor het krijgen van toegang tot de BV-vorm.”
r.o. 3.6 · lid 2“Door het hof, in rov. 4.7 van het tussenarrest, is terecht onderkend dat de wetgeving inmiddels is gewijzigd, maar dat de aansprakelijkheid van bestuurders voor schending van de minimumvolstortingsplicht – kortweg aangeduid als de stortingsaansprakelijkheid – op grond van het overgangsrecht nog van toepassing is op het onderhavige geschil. In het NV-recht (art. 2:69 lid 2 BW) geldt overigens nog steeds een soortgelijke bepaling als art. 2:180 lid 2 BW (oud).”
r.o. 3.7 · lid 2Hoofdelijke bestuurdersaansprakelijkheid bij te late handelsregisterinschrijving bv; ratio artikel 2:180 lid 2 sub a BW
“Bij inleidende dagvaarding van 29 juni 2005 heeft Staalbankiers [verweerder] c.s. gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch. Staalbankiers heeft daarbij - na vermindering van eis - in conventie gevorderd dat [verweerder] c.s. worden veroordeeld tot betaling aan Staalbankiers van (in hoofdsom) een bedrag van € 3.757.140,10, te vermeerderen met 7,25% rente althans de wettelijke rente. Staalbankiers heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd (samengevat) dat [verweerster 1] op grond van art. 2:180 lid 2 sub a BW en [verweerder 2] op grond van art. 2:11 BW jo. art. 2:180 lid 2 sub a BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uit de kredietovereenkomst van 10 juli 2002 resterende schuld van EDG Beheer. De opgave ter eerste inschrijving van EDG Beheer in het handelsregister is immers eerst op 12 juli 2002 gedaan.”
r.o. 1.9 · lid 2“Het cassatiemiddel valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 4.7.3 en 4.7.4. Daarin heeft het hof, na te hebben geoordeeld dat op 10 juli 2002 - formeel - aan de vereisten voor toepasselijkheid van art. 2:180 lid 2 sub a BW is voldaan (rov. 4.5.1-4.5.3), met betrekking tot het verweer van [verweerder] c.s. dat art. 2:180 lid 2 sub a BW gelet op de reikwijdte en strekking daarvan in dezen niet van toepassing is, het volgende overwogen: "4.7.3. Gelet op de ratio van artikel 2:180 lid 2 sub a BW is dit artikel naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden niet van toepassing. Voor Staalbankiers was het als nauw betrokken derde immers volstrekt duidelijk wie haar contractuele wederpartij was alsook dat deze op het moment van het ter beschikking stellen van het krediet bestond. Voorts ging zij er vanuit dat zij zich indien nodig op haar contractspartij kon verhalen, met het oog waarop zij ook bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst de gebruikelijke zekerheden heeft bedongen. In dezen heeft Staalbankiers zich daadwerkelijk op EDG Beheer verhaald door uitwinning van de door haar bedongen zekerheden, maar deze bleken onvoldoende om haar gehele […]”
r.o. 2.1 · lid 2“Gelet op deze omstandigheden mist artikel 2:180 lid 2 sub a BW in het onderhavige geval toepassing. Immers, zoals hiervoor reeds overwogen, heeft artikel 2:180 lid 2 sub a BW ten doel derden via registratie in het handelsregister inzicht te geven in de hoedanigheid van de contractspartij. Om die reden dient de vordering van Staalbankiers te worden afgewezen."”
r.o. 4.7.4 · lid 2“Het onderdeel klaagt dat het hof art. 2:180 lid 2 sub a BW ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, buiten toepassing heeft gelaten, terwijl vaststaat dat aan de vereisten voor toepasselijkheid van de bepaling is voldaan. Hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 2:180 lid 2 sub a BW treedt in indien aan de formele vereisten van de bepaling is voldaan, ongeacht de wetenschap van Staalbankiers omtrent het bestaan en de identiteit van haar contractspartij en zonder dat [verweerder] c.s. de mogelijkheid hebben zich te disculperen. Doel en strekking van art. 2:180 lid 2 sub a BW is namelijk een civiele sanctie te stellen op niet-naleving van de inschrijvingsplicht teneinde naleving daarvan in het algemeen zoveel mogelijk te waarborgen. Indien aan de vereisten van art. 2:180 lid 2 sub a BW is voldaan, kan het gevolg van toepassing van die bepaling zijn dat Staalbankiers, ondanks het feit dat zij wist wie haar wederpartij was en dat haar wederpartij bestond, de facto wordt beschermd tegen het risico dat onvoldoende zekerheden zijn bedongen. De andersluidende overwegingen van het hof zijn rechtens onjuist althans onvoldoende gemotiveerd, aldus nog steeds het onderdeel.”
r.o. 2.2 · lid 2Curator, artikel 2:193 BW en verjaring van stortingsplicht op aandelen
“Deze voorschriften wijzen erop dat de wetgever een bijzonder belang hecht aan daadwerkelijke volstorting van uitgegeven aandelen. Men zegt wel dat de verplichting tot volstorting van het aandeel onaantastbaar is.(24) Visser voegt hier overigens aan toe, dat dit beginsel uitzondering leidt in bepaalde door de wet nauwkeurig omschreven gevallen. Hij geeft geen overzicht van deze gevallen. De wetgever heeft het belang van de storting op aandelen nog eens verder onderstreept door de voorschiften dat het volledige bedrag van het minimumkapitaal gestort dient te worden (art. 2:178, lid 2 BW) en dat op aandelen tenminste 1/4 van het nominale bedrag gestort dient te worden (art. 2:191, lid 1, BW). Op het niet-naleven van deze voorschriften is de sanctie van persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders gesteld (art. 2:180, lid 2 BW). Daadwerkelijke volstorting van aandelen wordt tenslotte nog bevorderd door het voorschift van de verklaring van de bank over het beschikbaar zijn van de bij oprichting te storten bedragen (art. 2:203a BW) en door het voorschrift van de controle op de inbreng in natura (art. 2:204b BW).”
r.o. 4.13 · lid 2Conclusie A-G: geen geldige volstorting minimumkapitaal met middelen van B.V. in oprichting
De curator van een failliete B.V. vordert van de oprichter-aandeelhouder volstorting van de aandelen en spreekt hem aan als bestuurder op grond van artikel 2:180 BW. De A-G concludeert dat het minimumkapitaal niet geldig is gestort met geld dat afkomstig is van de vennootschap in oprichting zelf. Volgens hem moet een storting reëel en onbezwaard zijn en mag de vennootschap haar eigen kapitaalstorting niet financieren. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.