← Alle artikelen

Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 5. Het bestuur van de vennootschap en het toezicht op het bestuur

Artikel 2:244 BW

In deze vorm in werking sinds 1 juli 2021, laatst gewijzigd bij Stb. 2020, 507

1

Iedere bestuurder kan te allen tijde worden geschorst en ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming. De statuten kunnen bepalen dat een bestuurder eveneens kan worden ontslagen door een ander orgaan, tenzij de benoeming overeenkomstig artikel 272 door de raad van commissarissen geschiedt. Is uitvoering gegeven aan artikel 239a, dan is het bestuur te allen tijde bevoegd tot schorsing van een uitvoerend bestuurder.

2

Indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of ontslag slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in een algemene vergadering, waarin een bepaald gedeelte van het kapitaal is vertegenwoordigd, mag deze versterkte meerderheid twee derden der uitgebrachte stemmen, welke twee derden meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, niet te boven gaan.

3

Een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen vennootschap en bestuurder kan door de rechter niet worden uitgesproken.

4

De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden, wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:244 BW (26)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (5)

  • Hoge Raad · 15 april 2005

    Unidek

    Ontslagbesluit AVA jegens statutair bestuurder beëindigt in beginsel ook arbeidsovereenkomst

    “Wanneer een natuurlijke persoon die als bestuurder van de naamloze of besloten vennootschap is benoemd en - zoals veelal het geval is en ook hier is aangenomen - krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 lid 1 BW onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap en kan hij geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer uitoefenen, maar behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. Het antwoord op de vraag welke gevolgen het ontslagbesluit heeft voor de arbeidsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap, moet worden gegeven aan de hand van het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en in de op arbeidsovereenkomsten toepasselijke wetsbepalingen, voor zover Boek 2 BW deze wetsbepalingen niet uitdrukkelijk terzijde stelt (zie: HR 13 november 1992, nr. 151146, NJ 1993, 265).”

    r.o. 3.4.2 · lid 1

    “Naar mede blijkt uit de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) de art. 2:134 en 2:244 BW (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 en 2.5), strekken deze bepalingen ertoe te bewerkstellingen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Daarom heeft te gelden dat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat (vgl. HR 17 november 1995, rek. nr. 8746, NJ 1996, 142) of indien partijen anders zijn overeengekomen.”

    r.o. 3.4.3

    “Onderdeel 1 richt zich tegen de verwerping door het hof (rov. 4.7) van het verweer van [eiser] dat de algemene vergadering van aandeelhouders niet bevoegd is hem in arbeidsrechtelijke zin te ontslaan, omdat alleen het bestuur daartoe bevoegd zou zijn. Het onderdeel miskent dat de algemene vergadering van aandeelhouders als het orgaan dat te dezen bevoegd is de statutair directeur te benoemen ingevolge art. 2:244 lid 1 BW ook de bevoegdheid heeft hem te ontslaan en dat, naar uit het onder 3.4.3 overwogene voortvloeit, die bevoegdheid tevens ziet op beëindiging van de dienstbetrekking. Het oordeel van het hof getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt.”

    r.o. 3.5.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2005:AS2030

  • Hoge Raad · 15 april 2005

    Ontslagbesluit AVA beëindigt in beginsel ook arbeidsovereenkomst statutair bestuurder

    “Wanneer een natuurlijke persoon die als bestuurder van de naamloze of besloten vennootschap is benoemd en - zoals veelal het geval is en ook hier is aangenomen - krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 lid 1 BW onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap en kan hij geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer uitoefenen, maar behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. Het antwoord op de vraag welke gevolgen het ontslagbesluit heeft voor de arbeidsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap, moet worden gegeven aan de hand van het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en in de op arbeidsovereenkomsten toepasselijke wetsbepalingen, voor zover Boek 2 BW deze wetsbepalingen niet uitdrukkelijk terzijde stelt (zie: HR 13 november 1992, nr. 151146, NJ 1993, 265).”

    r.o. 3.4.2 · lid 1

    “Naar mede blijkt uit de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) de art. 2:134 en 2:244 BW (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 en 2.5), strekken deze bepalingen ertoe te bewerkstellingen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Daarom heeft te gelden dat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat (vgl. HR 17 november 1995, rek. nr. 8746, NJ 1996, 142) of indien partijen anders zijn overeengekomen.”

    r.o. 3.4.3

    “Onderdeel 1 richt zich tegen de verwerping door het hof (rov. 4.7) van het verweer van [eiser] dat de algemene vergadering van aandeelhouders niet bevoegd is hem in arbeidsrechtelijke zin te ontslaan, omdat alleen het bestuur daartoe bevoegd zou zijn. Het onderdeel miskent dat de algemene vergadering van aandeelhouders als het orgaan dat te dezen bevoegd is de statutair directeur te benoemen ingevolge art. 2:244 lid 1 BW ook de bevoegdheid heeft hem te ontslaan en dat, naar uit het onder 3.4.3 overwogene voortvloeit, die bevoegdheid tevens ziet op beëindiging van de dienstbetrekking. Het oordeel van het hof getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt.”

    r.o. 3.5.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2005:AS2032

  • Hoge Raad · 15 april 2005

    Ontslagneming statutair bestuurder beëindigt ook dienstbetrekking

    “[…] tot het werk op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daartoe is in het vonnis onder meer overwogen (rov. 5): "Wanneer een natuurlijk persoon als bestuurder van een besloten vennootschap is benoemd en zijn werkzaamheden krachtens arbeidsovereenkomst verricht, brengt een bij (geldig) besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap aan hem als bestuurder verleend ontslag ingevolge artikel 2:244 lid 1 BW mee dat hij de hoedanigheid van bestuurder verliest en dus geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer kan uitoefenen. Dit hoeft echter niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook geldt in het (niet zo vaak voorkomende) geval dat hier speelt, waarbij betrokkene zelf zijn functie als statutair bestuurder neerlegt. De stelling dat het neerleggen van zijn functie als statutair bestuurder automatisch het einde van de dienstbetrekking van [eiser] met Ciris heeft meegebracht, kan de voorzieningenrechter dan ook niet volgen, te minder nu in de brief van 13 augustus 2003 van zijn raadsman [eiser] expliciet te kennen heeft gegeven dat deze beëindiging niet ziet op zijn arbeidsrechtelijke relatie […]”

    r.o. 3.3 · lid 1

    “Het middel behelst de klacht dat de voorzieningenrechter ten onrechte, in strijd met art. 2:244 BW, heeft geoordeeld dat ontslagneming door de statutair directeur van een besloten vennootschap niet tevens het einde van zijn arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft.”

    r.o. 3.4

    “Wanneer een natuurlijke persoon die als bestuurder van de naamloze of besloten vennootschap is benoemd en - zoals veelal het geval is en hier door de voorzieningenrechter is aangenomen - krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 lid 1 BW onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap en kan hij geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer uitoefenen, maar behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. Het antwoord op de vraag welke gevolgen het ontslagbesluit heeft voor de arbeidsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap, moet worden gegeven aan de hand van het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en in de op arbeidsovereenkomsten toepasselijke wetsbepalingen, voor zover Boek 2 BW deze wetsbepalingen niet uitdrukkelijk terzijde stelt (zie: HR 13 november 1992, nr. 151146, NJ 1993, 265).”

    r.o. 3.5.2 · lid 1

    “Naar mede blijkt uit de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) de art. 2:134 en 2:244 BW (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9), strekken deze bepalingen ertoe te bewerkstellingen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Daarom heeft te gelden dat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat (vgl. HR 17 november 1995, rek. nr. 8746, NJ 1996, 142) of indien partijen anders zijn overeengekomen.”

    r.o. 3.5.3

    ECLI:NL:HR:2005:AS2713

  • Hoge Raad · 26 oktober 1984

    Sjardin/Sjartec

    Vernietiging ontslagbesluit bestuurder BV wegens strijd met goede trouw naast arbeidsovereenkomst

    “[…] tevens in acht te nemen eisen van de goede trouw. Een zodanige toetsing dient te geschieden door toetsing van het besluit waarbij tot het ontslag werd besloten, aan de vernietigingsgronden van art. 2:11 BW. Eerst indien het ontslagbesluit waarvan vernietiging is gevraagd, onaantastbaar is geoordeeld, komt de vraag aan de orde welke gevolgen het arbeidsrecht aan het ontslag verbindt, waarbij art. 2:244 lid 3 BW dat bij vernietiging van het ontslagbesluit geen rol speelt een beletsel vormt om herstel van de dienstbetrekking uit te spreken.”

    r.o. 3.2 · lid 3

    “[…] het ontslagbesluit wegens strijd met de goede trouw haar grondslag niet vindt in enige strijdigheid met de eisen van de goede trouw die bij het tot stand komen van het besluit in acht dienden te worden genomen, doch uitsluitend in de gronden waarop het ontslag aan [eiser] gegeven werd. In een zodanig geval brengt de strekking van de artt. 1639 e e.v., met inachtneming van het bepaalde in art. 2:244 lid 3 BW, mee dat alleen toetsing mogelijk is van het ontslag zelf aan de toepasselijke regels betreffende de arbeidsovereenkomst, waarbij de bij de uitvoering van die overeenkomst in acht te nemen eisen van de goede trouw mede van belang kunnen zijn. Daarop is de onderhavige vordering evenwel niet gegrond, terwijl zij, naar het Hof terecht heeft geoordeeld, wegens het verstrijken van de termijn van art. 1639 u daarop ook niet meer gegrond zou kunnen worden. 4. Beslissing De Hoge Raad:verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de B.V. begroot op ƒ 306,30 aan verschotten en ƒ 1.700,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vicepresident Ras als voorzitter en de raadsheren Snijders, Martens, Bloembergen […]”

    r.o. 3.3 · lid 3

    ECLI:NL:HR:1984:AG4887

  • Hoge Raad · 3 juni 2022

    Directeur: statutair bestuurder of niet? Cassatieberoep verworpen op grond van artikel 81 RO

    Een holdingvennootschap kwam in cassatie tegen een arrest over het ontslag van haar directeur, waarbij volgens de inhoudsindicatie de vraag speelde of de directeur statutair bestuurder was (artikel 2:244 BW). De Hoge Raad verwerpt het beroep zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO.

    ECLI:NL:HR:2022:817

Conclusies van de A-G (12)

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 juni 2025

    Joint venture: schorsing uitvoerend bestuurder, kapitaalstortingsbesluiten en uittreding; verwerping cassatie

    “Ik stel, kort, het volgende voorop. 3.81.1 Volgens art. 2:244 lid 1 BW kan iedere bestuurder van een bv te allen tijde worden geschorst (en ontslagen) door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming. Is uitvoering gegeven aan art. 2:239a BW, dan is het bestuur te allen tijde bevoegd tot schorsing van een uitvoerend bestuurder, zo blijkt uit het slot van art. 2:244 lid 1 BW. Dit laatste speelt in deze zaak, zoals de OK noteert in rov. 3.24 van het arrest. 3.81.2 Aangenomen wordt - het verrast niet - dat schorsing voor de geschorste een ingrijpende maatregel is, die, gezien ook het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW, op feiten of redelijke vermoedens dient te zijn gebaseerd. Te lezen valt bijvoorbeeld ook dat schorsing een onmiddellijke ontheffing uit de bestuursbevoegdheden is, wat spoedeisendheid veronderstelt. En dat van het orgaan dat de bestuurder schorst, verlangd mag worden dat het de gronden voor die schorsing zo spoedig mogelijk aan de betrokkene mededeelt. 3.81.3 Een deugdelijke grond voor schorsing kan onder meer gelegen zijn in ernstige aanwijzingen dat de bestuurder zich grovelijk heeft misdragen. Een schorsingsbesluit zonder deugdelijke grond kan vernietigbaar zijn, tegen […]”

    r.o. 3.81 · lid 1

    “Volgens art. 2:244 lid 1 BW kan iedere bestuurder van een bv te allen tijde worden geschorst (en ontslagen) door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming. Is uitvoering gegeven aan art. 2:239a BW, dan is het bestuur te allen tijde bevoegd tot schorsing van een uitvoerend bestuurder, zo blijkt uit het slot van art. 2:244 lid 1 BW. Dit laatste speelt in deze zaak, zoals de OK noteert in rov. 3.24 van het arrest.”

    r.o. 3.81.1 · lid 1

    “[…] stelling van [eiser 2]. Voor zover die stelling erop neerkomt dat er voldoende urgentie moet zijn voor de schorsing, geldt dat de OK dit dus onderkent en aanwezig oordeelt, royaal gemotiveerd en niet zonder grond. Voor zover die stelling erop neerkomt dat een nóg grotere mate van urgentie is vereist voor de schorsing, geldt dat deze eis geen basis vindt in het recht - zó strak is de in art. 2:244 lid 1 BW bedoelde mogelijkheid tot schorsing niet afgesteld - en de OK deze eis dus terecht niet hanteert. Daarmee valt het doek voor de klacht. 3.82.2 Klacht b strandt ook. Nu de OK oordeelt dat de onder 3.81.4 sub i-iii hiervoor genoemde omstandigheden afdoende waren, ligt daarin besloten dat de schorsing naar het oordeel van de OK niet - althans niet in overwegende mate - een vergeldingsmaatregel betrof als reactie op het handelen van [eiser 2], maar door andere omstandigheden werd en kon worden gemotiveerd. Daar komt nog bij dat de OK in de bedoelde stellingen van Windward c.s. met betrekking tot een ‘vergelding’ geen aanleiding behoefde te zien voor een kenbare respons, gelet op de (te) dunne onderbouwing daarvan. 3.82.3 Klacht c strandt eveneens. Welke persoonlijke gevolgen? […]”

    r.o. 3.82 · lid 1

    “[…] stelling van [eiser 2]. Voor zover die stelling erop neerkomt dat er voldoende urgentie moet zijn voor de schorsing, geldt dat de OK dit dus onderkent en aanwezig oordeelt, royaal gemotiveerd en niet zonder grond. Voor zover die stelling erop neerkomt dat een nóg grotere mate van urgentie is vereist voor de schorsing, geldt dat deze eis geen basis vindt in het recht - zó strak is de in art. 2:244 lid 1 BW bedoelde mogelijkheid tot schorsing niet afgesteld - en de OK deze eis dus terecht niet hanteert. Daarmee valt het doek voor de klacht.”

    r.o. 3.82.1 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:735

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 januari 2022

    Is een werknemer door een benoemingsbesluit statutair bestuurder geworden en kon hij zo worden ontslagen?

    “Over het ontslag van een statutair bestuurder merk ik het volgende op. Op grond van art. 2:244 lid 1, eerste volzin, BW kan een statutair bestuurder te allen tijde worden ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming. De wet beperkt de ontslaggronden niet. De ontslaggrond kan, maar hoeft dus niet te zijn gelegen in bijvoorbeeld disfunctioneren of verwijtbaar gedrag van de bestuurder of de financieel-economische omstandigheden. Een belanghebbende, onder wie de gewezen bestuurder, kan op de voet van art. 2:15 BW vernietiging van het ontslagbesluit vorderen. In deze zaak speelt dat overigens geen rol. De relatie tussen het ontslag van een statutair bestuurder en de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met die statutair bestuurder”

    r.o. 3.7 · lid 1

    “[…] Deze beëindiging moet volgens de literatuur worden beschouwd als een opzegging van de arbeidsovereenkomst, met de rechtsgevolgen van dien. Voor statutair bestuurders van vennootschappen die werknemer zijn, gelden rondom de opzegging in beginsel ook de regels die op andere werknemers van toepassing zijn. Er zijn echter uitzonderingen, waarvan de volgende twee de belangrijkste zijn: (i) art. 2:244 lid 3 BW maakt duidelijk dat een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst (als bedoeld in art. 7:682 BW) tussen een bv en een bestuurder niet door de rechter kan worden uitgesproken; en (ii) art. 7:671 lid 1 BW vermeldt de gronden waarop de werkgever de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van de werknemer kan opzeggen. Volgens art. 7:671 lid 1, aanhef en onder e, BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer die statutair bestuurder is, indien herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet mogelijk is, zoals op grond van art. 2:244 lid 3 BW in alle gevallen geldt voor de bv (zie onder (i)). De werkgever is daarbij in geen geval aangewezen op de in art. 7:671 lid 1, aanhef en […]”

    r.o. 3.9 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2022:31

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2020

    Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig

    “[…] orgaan in beginsel zelfstandig bevoegd is tot het nemen van besluiten ter zake. Een uiting daarvan is art. 2:217 lid 1 BW, welke bepaling moet worden gelezen in samenhang met art. 2:239 lid 1 BW: aan de algemene vergadering behoort, binnen de door de wet en de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid, die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend. Ik wijs ter illustratie ook op art. 2:244 lid 1, eerste zin BW, waaruit bij wege van hoofdregel volgt dat iedere bestuurder te allen tijde kan worden geschorst en ontslagen (bij besluit) door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming: in het normaaltype is dat de algemene vergadering, gelet op art. 2:242 lid 1 BW (wat dan een zelfstandige (kern)bevoegdheid is van de algemene vergadering).”

    r.o. 4.27 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2020:111

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2011

    Zorgplicht (voormalig) bestuurder en bank bij koop tegels uit faillissementsboedel

    “Het onderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van 's hofs arrest. Het hof heeft uit de omstandigheid dat (enkel) het dienstverband van [verweerder 2] per 31 juli 2001 was beëindigd(9) afgeleid dat hij ten tijde van de verkoop van de tegels nog steeds bestuurder was, meer in het bijzonder dat hij op dat moment in vennootschapsrechtelijke zin bestuurder van [A] was. 's Hofs oordeel is ook niet innerlijk tegenstrijdig. Zoals de Ontvanger in punt 5.23 en 6.3 van zijn s.t. terecht stelt, houdt een beëindiging van het dienstverband van een bestuurder door de curator ex. art. 40 lid 1 Fw niet automatisch in dat hij geen bestuurder in vennootschapsrechtelijke zin meer is. Om dit laatste tijdens faillissement te bewerkstelligen is nodig dat het bevoegde orgaan van de betrokken vennootschap de bestuurder uit zijn functie ontheft (art. 2:244 BW) of dat hij zelf ontslag neemt.(10) Het ligt dan ook voor de hand dat, waar het hof in het vervolg van het arrest spreekt van '(voormalig) bestuurder', het hof bedoelt tot uitdrukking te brengen: de bestuurder van wie de arbeidsrelatie is beëindigd, maar die nog wel in vennootschapsrechtelijke zin als bestuurder moet worden beschouwd.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2011:BO9577

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 november 2010

    Arbitrage managementovereenkomst en exclusieve rechtsmacht bij vernietiging bestuursbesluit

    “[…] gevolg heeft. Deze arresten zijn niet rechtstreeks van toepassing op deze zaak: hier verricht Silver Lining, een BV, op grond van een overeenkomst tot opdracht haar werkzaamheden voor Perstorp Waspik. Voor analoge toepassing van deze arresten zie ik voor een situatie als de onderhavige geen ruimte. De arresten van 15 april 2005 leunen op de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) art. 2:134 en 2:244 BW die ertoe strekken te bewerkstelligen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Een overeenkomst van opdracht kan zeer wel worden voortgezet na het ontslag van de opdrachtnemer als statutair bestuurder. Ook voor zover het onderdeel betoogt dat in concreto het AVA-besluit de opzegging van de MCA meebrengt, kan het evenmin tot cassatie leiden. In cassatie wordt niet bestreden dat eerst de MCA is beëindigd en vervolgens het AVA besluit tot ontslag is genomen (rov. 4.9.2 en 4.9.3). Evenmin wordt, onder vermelding naar vindplaatsen in de gedingstukken, duidelijk gemaakt waarom een omgekeerd verband, nl. dat de beëindiging van de MCA het vennootschapsrechtelijk ontslag van Silver Lining tot gevolg zou hebben, zou bestaan. Hieruit […]”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:PHR:2010:BN8533

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 april 2010

    Enquête: voorlopige voorziening tegen ontslag bestuurders en enquêtebevoegdheid personeelsvertegenwoordiging

    “[…] tevens in acht te nemen eisen van de goede trouw. Een zodanige toetsing dient te geschieden door toetsing van het besluit waarbij tot het ontslag werd besloten, aan de vernietigingsgronden van art. 2:11 BW. Eerst indien het ontslagbesluit waarvan vernietiging is gevraagd, onaantastbaar is geoordeeld, komt de vraag aan de orde welke gevolgen het arbeidsrecht aan het ontslag verbindt, waarbij art. 2:244 lid 3 BW -dat bij vernietiging van het ontslagbesluit geen rol speelt -een beletsel vormt om herstel van de dienstbetrekking uit te spreken.”

    r.o. 3.11 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2010:BL6182

  • Parket bij de Hoge Raad · 3 februari 2006

    Ontslagneming statutair directeur beëindigt in beginsel ook de arbeidsovereenkomst

    “[…] directeur en daaruit had hij nu juist ontslag genomen. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het neerleggen van de functie als statutair bestuurder niet automatisch het einde meebrengt van de dienstbetrekking van [B] met Ciris. Hiertegen wordt in cassatie (ingesteld in het belang der wet) opgekomen, omdat een dergelijk oordeel in strijd wordt geacht met artikel 2:244 BW. De Hoge Raad heeft naar aanleiding van deze klacht geoordeeld (in rechtsoverweging 3.5.2): "Wanneer een natuurlijke persoon die als bestuurder van de naamloze of besloten vennootschap is benoemd en -zoals veelal het geval is en hier door de voorzieningenrechter is aangenomen- krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 BW lid 1 onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap en kan hij geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer uitoefenen, maar behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. Het antwoord op de vraag welke gevolgen het […]”

    r.o. 2.1 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2006:AU9716

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 april 2005

    Ontslag statutair bestuurder door AVA omvat in beginsel ook arbeidsovereenkomst

    “De eerste drie onderdelen zijn gericht tegen rov. 4.7 t/m 4.9, waarin het hof als volgt heeft overwogen: "4.7. Het hof verwerpt het standpunt van [eiser] dat de AVA niet bevoegd zou zijn hem te ontslaan. Ingevolge artikel 2:244 BW kan iedere bestuurder te allen tijde worden geschorst en ontslagen door degene die bevoegd is tot benoeming. Ingevolge artikel 2:243 lid 1 BW is dit in casu de AVA. De opvatting van [eiser] dat artikel 2:244 BW uitsluitend betrekking zou hebben op de bevoegdheid tot het nemen van een (vennootschapsrechtelijk) ontslagbesluit en niet (mede) op het ontslag zelf, kan niet worden aanvaard, mede gelet op de inhoud van het derde lid van artikel 2:244 BW dat immers ziet op de (arbeidsrechtelijke) gevolgen van het door de AVA gegeven ontslag.”

    r.o. 2.1 · lid 3

    “In de eerste drie onderdelen van het cassatiemiddel staat centraal (de motivering van) het oordeel van het hof dat het door de ava op 25 maart 1999 genomen besluit ook een ontslag in arbeidsrechtelijke zin inhield. Het eerste onderdeel klaagt erover dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat uit artikel 2:244 BW voortvloeit dat de ava bevoegd is de arbeidsovereenkomst met de bestuurder te beëindigen. Het tweede onderdeel richt een rechtsklacht tegen het oordeel dat tenzij het tegendeel blijkt dan wel bijvoorbeeld een wettelijk verbod aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de weg staat - in beginsel moet worden aangenomen dat de vennootschap met het ontslag heeft bedoeld de gehele tweezijdige rechtsbetrekking met de bestuurder te verbreken. Het derde onderdeel klaagt ten slotte dat [eiser] niet tot het door hem aangeboden bewijs is toegelaten dat op 25 maart 1999 geen sprake is geweest van arbeidsrechtelijk ontslag. Alvorens de middelenonderdelen inhoudelijk te bespreken, merk ik eerst het volgende op.”

    r.o. 2.2

    “Het probleem van toepasselijkheid van zowel vennootschapsrecht als arbeidsrecht is lang geleden onderkend. Ik besteed aan de wetshistorie een zekere aandacht. De voorganger van art. 2:244, lid 1 BW -art. 48b K.- dateert van 1928. Over dat artikel zijn in de wetsgeschiedenis mijns inziens nog steeds relevante opmerkingen te vinden. In de uit 1910 daterende toelichting op art. 48 (oud) K wordt opgemerkt: "De rechtsverhouding tusschen de naamlooze vennootschap en hare bestuurders is een duidelijk sprekend voorbeeld van eene dubbelslachtige rechtsbetrekking. Terwijl toch eenerzijds de bestuurder de vennootschap vertegenwoordigt, rechtshandelingen verricht namens haar, is hij haar tevens als beheerder harer zaken een arbeider in haren dienst"(3). Met het oog op problemen die uit de gelijktijdige toepassing van vennootschapsrecht en arbeidsrecht voortvloeien wilde de wetgever toentertijd het volgende in artikel 48 K. bepalen: "Ieder beding eener overeenkomst tusschen de vennootschap en den bestuurder, bij hetwelk ten behoeve van dien bestuurder wordt afgeweken van eene wettige bepaling der akte van oprichting, is nietig. Ten aanzien van den bestuurder, die een arbeider is in dienst der […]”

    r.o. 2.4 · lid 1

    “[…] vooropgesteld dat wanneer een natuurlijk persoon als bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap is benoemd en - zoals veelal het geval is en hier door de rechtbank is aangenomen - zijn werkzaamheden krachtens arbeidsovereenkomst verricht, een bij geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap aan hem als bestuurder verleend ontslag wel ingevolge artikel 2:134 lid 1 resp/ 2:244 lid 1 BW meebrengt dat hij de hoedanigheid van bestuurder der vennootschap verliest en dus geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden, meer kan uitoefenen, maar niet tot gevolg hoeft te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. Het antwoord op de vraag welke gevolgen het ontslagbesluit heeft voor de arbeidsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap moet worden gegeven aan de hand van het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en op de op arbeidsovereenkomsten toepasselijke wetsbepalingen, voor zover Boek 2 BW deze wetsbepalingen niet uitdrukkelijk terzijde stelt." De Hoge Raad besliste vervolgens dat de bestuurder/werknemer een beroep mag doen op het ontslagverbod tijdens ziekte. Over deze uitspraak is heel veel geschreven. Ik kan in de geciteerde overweging in […]”

    r.o. 2.7 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2005:AS2030

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 april 2005

    Einde arbeidsovereenkomst bij ontslagname statutair bestuurder (cassatie in het belang der wet)

    “[…] tot zijn werk op straffe van verbeurte een dwangsom. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer het volgende: "5. Wanneer een natuurlijk persoon als bestuurder van een besloten vennootschap is benoemd en zijn werkzaamheden krachtens arbeidsovereenkomst verricht, brengt een bij (geldig) besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap aan hem als bestuurder verleend ontslag ingevolge artikel 2:244 lid 1 BW mee dat hij de hoedanigheid van bestuurder verliest en dus geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer kan uitoefenen. Dit hoeft echter niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook geldt in het (niet zo vaak voorkomende) geval dat hier speelt, waarbij betrokkene zelf zijn functie als statutair bestuurder neerlegt. De stelling dat het neerleggen van zijn functie als statutair bestuurder automatisch het einde van de dienstbetrekking van [eiser] met Ciris heeft meegebracht, kan de voorzieningenrechter dan ook niet volgen, te minder nu in de brief van 13 augustus 2003 van zijn raadsman [eiser] expliciet te kennen heeft gegeven dat deze beëindiging niet ziet op zijn arbeidsrechtelijke relatie […]”

    r.o. 1.11 · lid 1

    “Als middel van cassatie wordt voorgesteld: De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft in zijn voormelde vonnis het recht geschonden in het bijzonder art. 2:244 BW doordat hij ten onrechte heeft geoordeeld dat wanneer een statutair directeur van een besloten vennootschap zijn functie van statutair directeur neerlegt, dit niet tevens het einde van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft.”

    r.o. 2.2

    “Art. 2:244 lid 1 BW bepaalt dat iedere bestuurder te allen tijde kan worden ontslagen en geschorst door degene die bevoegd is tot benoeming. In het derde lid is geregeld dat een veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking door de rechter niet kan worden uitgesproken. Een besluit van de aandeelhoudersvergadering (of raad van commissarissen bij een structuurvennootschap) heeft direct het ontslag van de bestuurder als vennootschappelijke bestuurder tot gevolg; het behoeft niet daarna nog door een orgaan van de vennootschap uitgevoerd te worden.(8) Hoogstens moet het ontslagbesluit aan de ontslagen bestuurder worden medegedeeld indien hij bij die aandeelhoudersvergadering niet aanwezig was.”

    r.o. 2.6 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2005:AS2713

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 juli 2004

    Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW; enig aandeelhouder-bestuurder verbindt B.V. niet zonder expliciete aanwijzing

    “Met de tweede en derde grief komt Sneldruk op tegen het oordeel van de rechtbank dat [betrokkene 1] op 31 december 1990 niet meer bevoegd was Graphics te vertegenwoordigen aangezien de arbeidsovereenkomst tussen Graphics en [betrokkene 1] op die datum reeds was beëindigd. Bij gebrek aan belang kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven of die arbeidsovereenkomst op genoemde datum nog van kracht was, aangezien het einde van de arbeidsovereenkomst niet zonder meer meebrengt dat directeur [betrokkene 1] per 31 december 1990 vennootschapsrechtelijk niet meer bevoegd was Graphics te vertegenwoordigen. Het hof overweegt verder dat de vennootschapsrechtelijke bevoegdheid tot ontslag van [betrokkene 1] overeenkomstig artt. 2:244 jo. 242 BW bij de aandeelhoudersvergadering van Graphics berustte. Tot 27 juni 1991 was [betrokkene 1] enig aandeelhouder van Graphics zodat alleen hij bevoegd was zichzelf te ontslaan. Onweersproken heeft Sneldruk gesteld dat van een dergelijk ontslag geen sprake is geweest. [Betrokkene 1] was daarom bevoegd op 31 december 1990 Graphics te vertegenwoordigen bij de hoofdelijkheidsverklaring.”

    r.o. 2.6

    ECLI:NL:PHR:2004:AP4394

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 1984

    Vernietiging ontslagbesluit bestuurder BV wegens strijd met goede trouw naast arbeidsrechtelijke bescherming

    In deze conclusie gaat het om de vraag of een ontslagen bestuurder van een BV, met wie een arbeidsovereenkomst bestaat, het aandeelhoudersbesluit tot ontslag kan laten vernietigen wegens strijd met de goede trouw. Het hof had dat uitgesloten en verwees de bestuurder naar het arbeidsrecht. De A-G meent dat het besluit wel aan artikel 2:11 BW (oud) getoetst kan worden, ook al zal die toetsing marginaal zijn, en concludeert tot vernietiging van het arrest en verwijzing.

    ECLI:NL:PHR:1984:AG4887

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2019

    Artikel 2:342 BW: terugovergang stemrecht van stemgerechtigde pandhouder op aandeelhouder

    “[…] vanuit hetgeen de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW voor dat geval van die betrokkene in die hoedanigheid vordert. Dat waartoe een actor op grond daarvan verplicht is in termen van te betrachten zorgvuldigheid, is telkens afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij ook de statutaire belet en ontstentenis-regeling van de vennootschap als bedoeld in art. 2:244 lid 4 BW een rol kan spelen. Daarbij past het bijvoorbeeld niet om als uitgangspunt te nemen een in algemene zin geldende regel dat op een stemgerechtigd pandhouder in die hoedanigheid dan, wat de OK noemt in rov. 3.17, de ‘plicht’ rust om ‘uit eigen beweging in dat bestuur te voorzien’, of de plicht rust iedere voorgestelde kandidaat te benoemen. In het kader van de wettelijke geschillenregeling geldt niet iets anders, met dien verstande dat voor toepassing van die regeling, zoals hier in het kader van art. 2:342 BW, een eigen beoordelingskader geldt. Ook dit miskent de OK m.i. niet; een en ander ligt veeleer besloten in rov. 3.17, mede te bezien in het licht van rov. 3.5. Zie onder 2.10 hiervoor. Het oordeel van de OK in rov. 3.17 komt erop neer dat, in de gegeven feiten en […]”

    r.o. 3.39 · lid 4

    “Het subonderdeel faalt. Onderdeel III – Motiveringsklachten”

    r.o. 3.40

    ECLI:NL:PHR:2019:1345

Hoven en Ondernemingskamer (3)

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 juni 2026

    Ontslag statutair bestuurder structuurvennootschap door RvC niet nietig of vernietigbaar

    “Bij een structuurvennootschap als [geïntimeerde] worden de bestuurders benoemd door de raad van commissarissen, op grond van artikel 2:272 BW. De raad van commissarissen kan de bestuurders ook ontslaan, op grond van artikel 2:244 BW, maar, gelet op artikel 2:272 BW, niet dan nadat de algemene vergadering over het voorgenomen ontslag is gehoord. Dit volgt ook uit de artikelen 15.1 en 15.2 van de statuten van [geïntimeerde] .”

    r.o. 3.15

    ECLI:NL:GHARL:2026:3978

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 februari 2026

    OK wijst onmiddellijke voorzieningen af bij ontslag bestuurder door aandeelhouders

    “Daarmee wordt toegekomen aan de beoordeling van het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen. De Ondernemingskamer stelt daarbij voorop dat indien, zoals hier, nog geen onderzoek is gelast, zij slechts onmiddellijke voorzieningen kan treffen indien naar haar voorlopig oordeel gegronde redenen bestaan te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van de vennootschap en er zwaarwegende redenen zijn die maken dat de toestand van de vennootschap het treffen van die onmiddellijke voorzieningen vereist. Verder geldt als uitgangspunt bij de beoordeling dat de algemene vergadering van SemiBlocks op grond van de wet (art. 2:244 BW) en de statuten (art. 17 lid 3) te allen tijde bevoegd is de bestuurder te ontslaan, tenzij dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 2:8 lid 2 BW).”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:GHAMS:2026:574

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 7 april 2026

    Enquêteverzoek joint venture afgewezen na belangenafweging ondanks onzorgvuldige schorsing en ontslag bestuurders

    In een joint venture met twee aandeelhouders verzocht de ene aandeelhouder om een enquête, omdat haar bestuurders onzorgvuldig waren geschorst en ontslagen door de andere aandeelhouder. De OK oordeelt dat de wijze van schorsing en ontslag in strijd is met de zorgvuldigheidseisen van artikel 2:8 BW en gegronde redenen voor twijfel oplevert. Het verzoek wordt toch afgewezen op grond van een belangenafweging, omdat de joint venture eindigt, de aandelen zullen overgaan en de geschillen in arbitrage worden beslist.

    ECLI:NL:GHAMS:2026:992

Rechtbanken (6)

  • Rechtbank Midden-Nederland · 15 juli 2026

    Vernietiging ontslagbesluit statutair bestuurder wegens schending hoorplicht afgewezen

    “Als een bestuurder met een beroep op artikel 2:15 BW opkomt tegen een besluit van een aandeelhoudersvergadering tot ontslag van die bestuurder, geldt het volgende: Uitgangspunt is dat de aandeelhoudersvergadering het orgaan is dat het uiteindelijk voor het zeggen heeft. Artikel 2:244 BW bepaalt dat iedere bestuurder te allen tijde kan worden geschorst en ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming, en dat is hier de aandeelhoudersvergadering. De bepaling van artikel 2:227 lid 7 BW dat de bestuurders een raadgevende stem hebben geldt ook voor bestuurders wiens ontslag op de agenda staat. De bestuurder moet in de gelegenheid worden gesteld advies te geven over het voorgenomen besluit. Het uitbrengen van dit advies is geen formaliteit, maar moet kunnen bijdragen aan de inhoud van de besluitvorming.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:4781

  • Rechtbank Overijssel · 13 juli 2026

    Ontslag statutair bestuurder: schending raadgevende stem, voldongen feit, billijke vergoeding

    “[verzoeker] heeft een zogenaamde “dubbele rechtspositie”. Hij is zowel statutair bestuurder van [verweerder] als werknemer. Voor zijn rechtspositie als bestuurder zijn de regels van het vennootschapsrecht van belang, voor zijn rechtspositie als werknemer de regels van het arbeidsrecht. Op zijn ontslag als bestuurder is artikel 2:244 lid 1 BW van toepassing. Op zijn ontslag als werknemer onder andere artikel 7:671 lid 1 BW.”

    r.o. 5.4 · lid 1

    ECLI:NL:RBOVE:2026:4528

  • Rechtbank Gelderland · 21 april 2026

    Statutair bestuurder: ontslag op staande voet en aansprakelijkheid voor onttrokken gelden (€ 800.000)

    “[…] inschrijving van zijn naam in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft - zoals u weet - slechts een administratief karakter en is niet constitutief van rechtswege. Deze inschrijving is destijds uitsluitend verricht om praktische redenen in het kader van het verrichten van bancaire handelingen, en kan geenszins worden aangemerkt als bewijs van een geldige benoeming conform artikel 2:244 lid 1 BW, dan wel de statuten van uw vennootschap. Van een rechtsgeldige aanstelling als statutair bestuurder is dus geen sprake geweest. De enkele inschrijving bij de Kamer van Koophandel schept op zichzelf geen bestuursrechtelijke rechtspositie, noch levert deze een rechtsgeldig benoemingsbesluit op. Nu een dergelijk besluit ontbreekt, ontbreekt ook de bevoegdheid van de AVA om cliënt te ontslaan in zijn hoedanigheid als bestuurder — deze hoedanigheid bestaat immers formeel-juridisch niet. Cliënt heeft zijn werkzaamheden steeds verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, en kan derhalve slechts worden ontslagen met inachtneming van het arbeidsrechtelijke regime, waaronder de ontslagbescherming van toepassing is. Derhalve verzoek ik u om de oproep in te trekken en af te zien […]”

    r.o. 2.9 · lid 1

    “[…] in beginsel niet aan de overheid is om te oordelen over de vraag of de arbeidsovereenkomst van een bestuurder kan worden opgezegd, als een aandeelhoudersvergadering rechtsgeldig heeft besloten dat de bestuurder niet aan kan blijven. Dat een werknemer die ook bestuurder is geen vernietiging kan vragen van een arbeidsrechtelijke opzegging, zoals een ontslag op staande voet, volgt ook uit artikel 2:244 lid 3 BW. Volgens dat artikel kan door de rechter namelijk geen veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder worden uitgesproken. Artikel 2:244 lid 3 BW staat overigens alleen in de weg aan de vernietiging van een arbeidsrechtelijke opzegging, niet aan de nietigheid of vernietiging van een vennootschapsrechtelijk ontslag(besluit) (zie: Hoge Raad, 26 oktober 1984, ECLI:NL:HR:2005:AS2713 en NJ 1985/375 (Sjardin/Sjartec)). Dat is echter niet verzocht, zodat de rechtbank ervan uit dient te gaan dat het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit onaantastbaar is. Conclusie”

    r.o. 4.7 · lid 3

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3431

  • Rechtbank Gelderland · 9 april 2026

    Ontbinding arbeidsovereenkomst statutair bestuurder stichting na ontslag; artikel 2:298a BW en opzegverbod

    “[…] II, 2015/16, 34 491, nr. 3 p. 18) wordt met betrekking tot artikel 2:298a BW het volgende vermeld: “Met deze bepaling wordt recht gedaan aan het belang van de rechtspersoon om bestuurd te worden door personen die het vertrouwen genieten van het orgaan dat voor de samenstelling van het bestuur verantwoordelijk is. De regel geldt thans reeds voor de NV (artikel 2:134 lid 3 BW), de BV (artikel 2:244 lid 3 BW), de vereniging (artikel 2:37 lid 6 BW) en de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:37 lid 6 en 2:53a lid 1 BW). Omdat het vertrouwen in de bestuurder ook bij de stichting van wezenlijk belang is, komt de genoemde regel ook voor stichtingen te gelden.” Dit heeft tot gevolg dat artikel 7:671 lid 1 sub e BW, waarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van een bestuurder van een rechtspersoon zonder zijn schriftelijke instemming kan worden beëindigd als herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van Boek 2 BW niet mogelijk is, (ook) op de bestuurder van de stichting van toepassing is geworden. Hiermee heeft de bestuurder van de stichting dezelfde rechtspositie gekregen als de bestuurder van andere rechtspersonen (waaronder de naamloze vennootschap en […]”

    r.o. 5.4 · lid 3

    ECLI:NL:RBGEL:2026:2687

  • Rechtbank Amsterdam · 11 februari 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid na turboliquidatie aannemer: formeel en feitelijk bestuurder hoofdelijk aansprakelijk

    “Er is een periode geweest, van 1 oktober 2020 tot 2 augustus 2022 dat [bedrijf 1] volgens de inschrijving bij de KvK geen bestuurder had (dit heet ‘ontstentenis’). De statuten moeten bepalen hoe in de taken en bevoegdheden in geval van ontstentenis wordt voorzien (artikel 2:244 lid 4 BW). Verder is het de taak van de algemene vergadering van aandeelhouders de bestuurders te benoemen (artikel 2:242 lid 1 BW). De aandeelhouders hebben dit in die periode nagelaten. De vordering”

    r.o. 4.7 · lid 4

    ECLI:NL:RBAMS:2026:2022

  • Rechtbank Oost-Brabant · 9 september 2026

    Onbehoorlijk bestuur en onrechtmatige daad na enquête: terugbetaling managementfees, lening, bonus en schadestaat

    “[…] - opnemen van een ongebruikelijk lange opzegtermijn van twaalf maanden in de Managementovereenkomst. Dit heeft ertoe geleid dat de positie van Bobeas c.s. de facto sterker was dan die van een statutair bestuurder: Bobeas c.s. kreeg als feitelijk bestuurder alle bevoegdheden van een statutair bestuurder maar kon niet, zoals een statutair bestuurder, te allen tijde worden ontslagen (vgl. artikel 2:244 lid 1 BW). Het is uiteindelijk aan de civiele rechter om te beoordelen of het door i3 jegens Bobeas c.s. gevoerde Bibolini-verweer kan slagen (vgl. HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409, rov. 4.11, Gerechtshof Amsterdam 17 december 2019, CLI:NL:GHAMS:2019:4491, Gerechtshof Amsterdam 21 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:1724, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3263, Rechtbank Den Haag 7 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13549, Rechtbank Den Haag 7 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9009, Rechtbank Amsterdam 9 oktober 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7485, en Rechtbank Amsterdam 11 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4902). In het kader van de thans gevraagde onmiddellijke voorzieningen kwalificeert de Ondernemingskamer niet alleen de handelwijze van Petrias c.s. bij het […]”

    r.o. 4.19 · lid 1

    ECLI:NL:RBOBR:2026:6480