Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 4. De algemene vergadering
Artikel 2:227 BW
In deze vorm in werking sinds 1 juli 2014, laatst gewijzigd bij Stb. 2014, 202
Onder vergaderrecht wordt in deze titel verstaan het recht om, in persoon of bij schriftelijk gevolmachtigde, de algemene vergadering bij te wonen en daar het woord te voeren.
Het vergaderrecht komt toe aan aandeelhouders, aan houders van certificaten waaraan bij de statuten vergaderrecht is verbonden, aan aandeelhouders die vanwege een vruchtgebruik of pandrecht geen stemrecht hebben en aan vruchtgebruikers en pandhouders die stemrecht hebben. Vruchtgebruikers en pandhouders die geen stemrecht hebben, hebben vergaderrecht, indien de statuten dit bepalen en bij de vestiging of overdracht van het vruchtgebruik of pandrecht niet anders is bepaald. De statuten kunnen bepalen dat het verbinden en ontnemen van vergaderrecht aan certificaten van aandelen geschiedt door een daartoe in de statuten aangewezen orgaan.
Iedere aandeelhouder is bevoegd, in persoon of bij schriftelijk gevolmachtigde, het hem toekomende stemrecht uit te oefenen in de algemene vergadering.
Een statutaire regeling waarbij aan certificaathouders vergaderrecht is toegekend, kan slechts met instemming van de betrokken certificaathouders worden gewijzigd, tenzij bij het toekennen van het vergaderrecht de bevoegdheid tot wijziging uitdrukkelijk in de statuten was voorbehouden. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op vruchtgebruikers en pandhouders.
Bij de statuten kan de bevoegdheid van vergadergerechtigden zich te doen vertegenwoordigen worden beperkt. De bevoegdheid van vergadergerechtigden zich te doen vertegenwoordigen door een advocaat, notaris, toegevoegd notaris, kandidaat-notaris, registeraccountant of accountant-administratieconsulent kan niet worden uitgesloten.
De statuten kunnen bepalen dat het vergaderrecht is opgeschort zolang een vergadergerechtigde in gebreke is te voldoen aan een wettelijke of statutaire verplichting. De statuten kunnen bepalen, dat voor bijwoning van de algemene vergadering vereist is, dat de vergadergerechtigde van zijn voornemen hiertoe kennis geeft aan het bestuur van de vennootschap. Bij de oproeping van de vergadering wordt alsdan vermeld de dag waarop de kennisgeving uiterlijk moet geschieden. Deze dag kan niet vroeger worden gesteld dan op de derde dag voor die van de vergadering.
De bestuurders en de commissarissen hebben als zodanig in de algemene vergadering een raadgevende stem.
Aan de eis van schriftelijkheid van de volmacht wordt voldaan indien de volmacht elektronisch is vastgelegd.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:227 BW (20)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (4)
M.E. Beheer
Tegenstrijdig belang bestuurder en vertegenwoordigingsbevoegdheid ex artikel 2:256 BW
“[…] faalt het. De klacht ziet reeds eraan voorbij dat, ook al zou STAK als aandeelhouder op deze wijze van het tegenstrijdig belang op de hoogte zijn, [eiser 1] daarmee nog niet heeft voldaan aan de plicht alle daartoe gerechtigde deelnemers aan de aandeelhoudersvergadering terzake te informeren. De houders van door STAK uitgegeven certificaten van aandelen zijn immers op de voet van art. 2:227 lid 2 BW gerechtigd aan de aandeelhoudersvergadering deel te nemen en daarin het woord te voeren.”
r.o. 3.6.3 · lid 2Vernietigbaar ontslagbesluit bestuurder buiten vergadering; raadgevende stem en terugwerkende kracht
“Het hof heeft allereerst geoordeeld dat art. 2:227 lid 4 BW (ook) van toepassing is op besluitvorming buiten vergadering (rov. 3.5). Voorts heeft het hof (in rov. 3.11) overwogen dat [verweerder] als bestuurder met betrekking tot het ten processe bedoelde ontslagbesluit (van 7 december 2003) niet de mogelijkheid heeft gehad gebruik te maken van de hem op grond art. 2:227 lid 4 BW als bestuurder toekomende bevoegdheid. Dat hij van het tevoren genomen besluit van de Ownership Board (het leidinggevend orgaan van de top-vennootschap van de Hay-groep) hem te ontslaan telefonisch op de hoogte is gebracht door [betrokkene 2], die geen lid was van enig orgaan van HGIH, is onvoldoende om te kunnen worden beschouwd als een uitnodiging van de aandeelhouder aan de bestuurder om te reageren op het desbetreffende besluit of om een raadgevende stem te laten horen. Hieraan heeft het hof (in rov. 3.12 en 3.13) de conclusie verbonden dat dit besluit niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen en ingevolge art. 2:15 BW vernietigbaar is, hetgeen tot gevolg heeft dat [verweerder] bestuurder van HGIG was op het moment dat het besluit tot schorsing van de overige bestuurders werd genomen, zodat ook […]”
r.o. 3.3 · lid 4“Onderdeel 1 van het middel strekt ten betoge dat art. 2:227 lid 4 niet van toepassing is bij besluitvorming die op de voet van art. 2:238 BW op andere wijze dan in een vergadering is geschied. Het onderdeel faalt, omdat het voorschrift van art. 2:227 lid 4 in beginsel ook in acht moet worden genomen bij besluitvorming als bedoeld in art. 2:238 (HR 10 maart 1995, nr. 15577, LJN ZC1657, NJ 1995, 595). Zoals is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2 bestaat het voornemen dit uitdrukkelijk in de wet op te nemen, hetgeen een argument temeer vormt voor handhaving van genoemde rechtspraak.”
r.o. 3.4 · lid 4Ontslag bestuurder bv zonder raadgevende stem: vernietigbaar of nietig?
De Hoge Raad verwerpt met toepassing van artikel 81 lid 1 RO het cassatieberoep in een zaak over het ontslag van een bestuurder van een bv door de AVA, zonder dat diens raadgevende stem was gehoord. Het hof had geoordeeld dat het ontslagbesluit vernietigbaar is en niet nietig. Dat oordeel blijft daarmee in stand.
Janssen Pers
Aandeelhoudersbesluiten enig aandeelhouder: ontslag bestuurder, intrekking emissie en redelijkheid en billijkheid
In kort geding gaat het om besluiten van een enig aandeelhouder die eerder genomen emissie- en statutenwijzigingsbesluiten intrekken en de bestuurder ontslaan, nadat een voormalige bestuurder onverwacht weer de zeggenschap had teruggekregen. De Hoge Raad oordeelt dat een besluit van de enige aandeelhouder buiten vergadering slechts schriftelijke vastlegging vereist. Het weglaten van de verplichte raadpleging van het bestuur bij ontslag is niet gerechtvaardigd. Het hof had bovendien de omstandigheden bij de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW niet mogen negeren. Het arrest wordt vernietigd en de zaak verwezen.
Conclusies van de A-G (10)
Te vroeg begonnen aandeelhoudersvergadering: Wijsmuller-norm, vernietigbaarheid en geldigheid statutenwijziging bv
“[…] al uiteen, in een conclusie in een andere zaak waarnaar ik kortheidshalve verwijs, dat de sanctie op niet-naleving van deze norm naar geldend recht pleegt te worden gevonden in vernietigbaarheid van het desbetreffende besluit van het orgaan van de rechtspersoon op de voet van art. 2:15 BW. De uitkomst is vandaag de dag niet anders. Het gaat hier, net als bijvoorbeeld bij het bepaalde in art. 2:227 lid 7 BW over de raadgevende stem van bestuurders (en commissarissen), niet om een vereiste voor de geldigheid van zo’n besluit waar het bij art. 2:14 BW om draait, dus een vereiste waaraan moet zijn voldaan wil rechtens überhaupt van zo’n bestaand, niet-nietig besluit sprake kunnen zijn. Nee, schending van de Wijsmuller-norm valt in het schema van art. 2:15 BW, niet van art. 2:14 BW (of een andere bepaling betreffende nietigheid van een rechtshandeling). Zie ook onder 3.17.9 hiervoor. 3.37.5 Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht, die poneert dat het bij schending van de Wijsmuller-norm wel, zonder méér, gaat om zo’n fundamenteel totstandkomingsgebrek dat moet leiden tot nietigheid. Dit geldt dus ook voor het in de klacht gedane beroep, naast art. 2:14 BW, op “de in […]”
r.o. 3.37 · lid 7“‘s Hofs oordeel dat schending van de Wijsmuller-norm het desbetreffende besluit vernietigbaar maakt in de zin van art. 2:15 BW, niet nietig in de zin van art. 2:14 BW, is juist. Ik zette vijf jaar geleden al uiteen, in een conclusie in een andere zaak waarnaar ik kortheidshalve verwijs, dat de sanctie op niet-naleving van deze norm naar geldend recht pleegt te worden gevonden in vernietigbaarheid van het desbetreffende besluit van het orgaan van de rechtspersoon op de voet van art. 2:15 BW. De uitkomst is vandaag de dag niet anders. Het gaat hier, net als bijvoorbeeld bij het bepaalde in art. 2:227 lid 7 BW over de raadgevende stem van bestuurders (en commissarissen), niet om een vereiste voor de geldigheid van zo’n besluit waar het bij art. 2:14 BW om draait, dus een vereiste waaraan moet zijn voldaan wil rechtens überhaupt van zo’n bestaand, niet-nietig besluit sprake kunnen zijn. Nee, schending van de Wijsmuller-norm valt in het schema van art. 2:15 BW, niet van art. 2:14 BW (of een andere bepaling betreffende nietigheid van een rechtshandeling). Zie ook onder 3.17.9 hiervoor.”
r.o. 3.37.4 · lid 7“Dit is reeds fataal voor subonderdeel 3.1, dat ervan uitgaat dat die feitelijke stellingen van [eiser] onder a-d, dus tezamen, “maken (…) dat [eiser] de facto op onaanvaardbare wijze het fundamentele stem- en vergaderrecht dat hen op basis van artikel 2:227 en 2:228 BW toekomt, is onthouden, zodat het hof tot het oordeel had kunnen komen dat het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is”. Want als het hof die feitelijke stellingen onder a-d nog eens zou hebben bezien, en dan vanuit het perspectief van art. 2:8 lid 2 BW, is het dus niet zo dat het hof op basis van die stellingen tot dat “oordeel had kunnen komen”. Wat ik schreef onder 3.56 hiervoor zou hier logischerwijs doorwerken. Kortom, de veronderstelling van het subonderdeel klopt niet. Daarmee mist hier ook het vereiste belang.”
r.o. 3.57Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“[…] aangevoerd dat zij in haar hoedanigheid van bestuurder niet tijdig en op een correcte wijze is opgeroepen tot de bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van 17 juli 2017 en evenmin is gehoord over het te nemen ontslagbesluit of in de gelegenheid is gesteld om haar raadgevende stem te gebruiken, hetgeen in strijd is met de statuten van [verweerster] Beheer en het bepaalde in art. 2:227 lid 7 BW. [eiseres] Holding heeft voorts gesteld dat het besluit in ieder geval vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 onder a BW in samenhang met art. 2:8 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de bestuurder moet worden gehoord voordat hij wordt ontslagen. [eiseres] Holding heeft dit besluit dan ook bij brief van 11 augustus 2017 (verzonden per e-mail) op diezelfde dag vernietigd. Aan de vorderingen onder II en III heeft [eiseres] Holding ten grondslag gelegd dat de opzegging van de managementovereenkomst niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De managementovereenkomst kan niet eerder eindigen dan nadat het formele ontslagbesluit is genomen, hetgeen niet rechtsgeldig is gebeurd. Voorts heeft zij gesteld dat uit […]”
r.o. 2.2 · lid 7“Het hof stelt voorop dat artikel 16 lid 4 van de statuten de aandeelhoudersvergadering van [verweerster] Beheer de bevoegdheid geeft om tot het ontslag van de statutair bestuurder te besluiten. Vast staat in dit geval dat voorafgaand aan de aandeelhoudersvergadering, zo daartoe een oproeping is verstuurd, niet de oproepingstermijn van veertien dagen in acht is genomen (artikel 23 lid 2 van de statuten van [verweerster] Beheer) en dat evenmin de te behandelen onderwerpen zijn vermeld (artikel 22 lid 4 van de statuten van [verweerster] Beheer). Volgens artikel 2:227 lid 7 BW heeft de bestuurder het recht om zijn raadgevende stem in de aandeelhoudersvergadering te geven en vast staat dat dit niet is gebeurd (artikel 2:227 lid 7 BW). Dit laatste voorschrift stemt overeen met artikel 23 lid 5 van de statuten van [verweerster] Beheer.”
r.o. 6.17 · lid 7“[eiseres] Holding heeft gesteld dat het ontslag van [eiseres] Holding als statutaire bestuurder zowel in strijd is met de statuten als met de wet en heeft daarmee (kennelijk) het oog op de artikelen 23 lid 2, 22 lid 4 en 23 lid 5 van de statuten van [verweerster] Beheer en artikel 2:227 lid 7 BW.”
r.o. 6.18 · lid 7“[…] op de ST-M en de Repliek-M komt dit erop neer dat die sanctie van nietigheid in de zin van art. 2:14 lid 2 BW (en niet die van vernietigbaarheid in de zin van art. 2:15 lid 1 (onder a) BW) een (ontslag)besluit van de algemene vergadering treft, indien de bestuurder niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld om als zodanig ter aandeelhoudersvergadering zijn raadgevende stem in de zin van art. 2:227 lid 7 BW (althans een daarmee overeenstemmende statutaire bepaling) te gebruiken, doordat de algemene vergadering dat besluit “achter de rug van de bestuurder om” heeft genomen en hij die raadgevende stem daardoor “überhaupt niet heeft kunnen uitoefenen”. Daarbij merkt [eiseres] Holding op dat uit de statuten van [verweerster] Beheer blijkt “dat [eiseres] Holding (als bestuurder) het recht heeft om besluiten van de aandeelhoudersvergadering te beïnvloeden: zij dient tijdig te worden opgeroepen, een agenda met lijst van te behandelen onderwerpen te ontvangen, en haar raadgevende stem tijdens de vergadering te (kunnen) laten horen (art. 23 lid 4 en 5).” [eiseres] Holding voert verder aan dat het hof in rov. 6.17 heeft vastgesteld dat dit alles niet is gebeurd vóór het ontslagbesluit, […]”
r.o. 3.2 · lid 7Faillissementspauliana: aandelen keren zonder teruglevering terug in boedel; stemrecht curator
“[…] Bij brief van 4 september 2014 heeft de curator de aandelenoverdracht en alle daarmee samenhangende rechtshandelingen op grond van art. 42 Fw vernietigd. 1.1.5. Bij brief van 23 oktober 2014 heeft de curator een op 27 oktober 2014 te houden buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van [B] aangekondigd, met de vermelding dat de directie van [eiseres] haar raadgevende stem ex art. 2:227 lid 7 BW zou kunnen uitbrengen, met aankondiging van de te bespreken agendapunten en opgave van de redenen voor die punten. 1.1.6. Op de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van 27 oktober 2014 is de directie van [eiseres] niet verschenen. Met algemene stemmen is besloten [eiseres] met onmiddellijke ingang te schorsen als bestuurder van [B]. 1.1.7. Op 11 november 2014 is ook [B] failliet verklaard, met benoeming van dezelfde mr. Dekker tot curator.”
r.o. 1.1 · lid 7“Bij brief van 23 oktober 2014 heeft de curator een op 27 oktober 2014 te houden buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van [B] aangekondigd, met de vermelding dat de directie van [eiseres] haar raadgevende stem ex art. 2:227 lid 7 BW zou kunnen uitbrengen, met aankondiging van de te bespreken agendapunten en opgave van de redenen voor die punten.”
r.o. 1.1.5 · lid 7Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)
“[…] kan daarom geen argument vormen voor het slagen van het middel. Ik meen dat het onderdeel ook overigens niet kan slagen; voor een geval als het onderhavige vallen aan art. 2:8 BW m.i. geen voorschriften te ontlenen met betrekking tot de aard van dat overleg. Een andere opvatting zou n.m.m. te zeer afbreuk doen aan de eisen van rechtszekerheid. Ik wijs daarbij op art. 2:117 lid 4 en art. 2:227 lid 7 BW waarin is bepaald dat bestuurders en commissarissen in de algemene vergadering een raadgevende stem hebben. Het slagen van de klacht zou de vraag opwerpen of, en zo ja in welke gevallen en in welke mate aan deze raadgevende stem aanvullende eisen kunnen worden gesteld. Gelet op het erga omnes-karakter van een besluit en het belang van de rechtszekerheid gaat het mij te ver, ook in een geval als het onderhavige, om te eisen dat het voorafgaand overleg deugdelijk moet zijn. Het onderdeel faalt.”
r.o. 4.3 · lid 7Vernietigbaarheid ontslagbesluit bestuurder buiten vergadering: raadgevende stem artikel 2:227 lid 4 BW
“Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of artikel 2:227 lid 4 BW ook van toepassing is op besluiten die buiten vergadering om worden genomen. Met de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag bevestigend (HR 10 maart 1995, NJ'95; 595): ook met betrekking tot besluiten die buiten de algemene vergadering om worden genomen hebben de bestuurders (en de commissarissen) een raadgevende stem.”
r.o. 3.5 · lid 4“Ingevolge artikel 2:15 BW kan indien in strijd met artikel 2:227 BW een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot stand is gekomen, dit leiden tot vernietiging van dat besluit.”
r.o. 3.6“Thans dient te worden nagegaan of de bestuurders van HGIH, onder wie [verweerder], met betrekking tot de ten processe bedoelde besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van HGIH in de gelegenheid gesteld hadden moeten worden van de hen ingevolge artikel 2:227 lid 4 BW toekomende bevoegdheid gebruik te maken en zo ja, daartoe ook in de gelegenheid gesteld zijn.”
r.o. 3.7 · lid 4“Partijen verschillen daarover van mening. HGIH is van mening dat de ten processe bedoelde besluiten met inachtneming van artikel 2:227 BW tot stand zijn gekomen; [verweerder] neemt daarentegen het standpunt in dat aan hem de mogelijkheid is ontnomen de hem in artikel 2:227 lid 4 BW gegeven bevoegdheid uit te oefenen en betwist voorts de juistheid van de door HGIH in het geding gebrachte verklaringen van de overige bestuurders, volgens welke verklaringen elke bestuurder, met uitzondering van [betrokkene 5], het besluit tot ontslag van [verweerder] als bestuurder en de schorsing van de overige bestuurders, heeft ondersteund (memorie van grieven, pag. 11 onder vii). Ter onderbouwing van haar mening heeft HGIH de volgende stellingen betrokken: 1. het besluit tot ontslag van [verweerder] is vooraf gegaan aan het besluit tot schorsing van de overige bestuurders; 2. met betrekking tot het besluit tot ontslag van [verweerder] zijn alle bestuurders in de gelegenheid gesteld een raadgevende stem uit te brengen. Van die mogelijkheid hebben [betrokkene 5] en [verweerder] geen gebruik gemaakt. Gedurende de vergadering van de Ownership Board van 6 december 2003 heeft [betrokkene 2] [verweerder] […]”
r.o. 3.8 · lid 4Ontslag bestuurder en intrekking emissie door aandeelhouder: hoorplicht en redelijkheid en billijkheid
“Het derde middel, dat uit vier onderdelen bestaat, is gericht tegen ro. 4.9.4. Die rechtsoverweging had betrekking op het ontslag van [eiser 6] als vennootschappelijk bestuurder. Het hof verwierp aldaar een beroep van [eisers] op art. 2:227, lid 4, BW, waarin (o.a.) bestuurders in een b.v. een raadgevende stem in de a.v.a. wordt toegekend. Het hof meende dat [verweerder 1] "terecht kon aannemen dat het horen van [eiser 6] ( ... ) er slechts toe zou leiden dat [eiser 6] alsnog zijnerzijds zou trachten de statutenwijziging en de emissie te effectueren ( ... )".”
r.o. 6.1 · lid 4“[…] 1.1. bedoelde Stichting was. Daaruit heeft de president geen vernietigbaarheid in de zin van art. 3:44, maar onrechtmatigheid op grond van strijd met art. 2:8 io 2: 15 BW afgeleid. Hij heeft wel overwogen dat de op instigatie van [verweerder 1] genomen besluiten voor vernietiging vatbaar waren, maar daarmee heeft hij (uitdrukkelijk) gedoeld op de veronachtzaming van de al genoemde regel van art. 2:227 BW.”
r.o. 7.2.2Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: geen klachtplicht artikel 6:89 BW, décharge, ernstig verwijt
“Ik wijs ook op Kroeze, Timmerman & Wezeman. Zij formuleren het, kort maar krachtig, zo: “Een bestuurder bekleedt als gevolg van zijn benoeming tot bestuurder een vennootschapsrechtelijke positie. Hij maakt als functionaris deel uit van de wettelijk vastgelegde, juridische structuur van de vennootschap. Uit deze vennootschapsrechtelijke rechtsverhouding tussen bestuurder en bv vloeien over en weer bepaalde rechten en verplichtingen voort. Zo is de bestuurder gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak op grond van art. 2:9 BW, dient een bij de vennootschap betrokkene zich jegens de bestuurder (en de bestuurder jegens hem) overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW te gedragen en heeft de bestuurder een raadgevende stem in de aandeelhoudersvergadering op grond van art. 2:227 lid 7 BW. Naast deze door het vennootschapsrecht gekleurde rechtsverhouding tussen de bv en de bestuurder geldt tussen hen ook een contractuele rechtsverhouding. Als de bestuurder een natuurlijke persoon is die loon ontvangt, zal deze contractuele verhouding in de regel een arbeidsovereenkomst zijn.””
r.o. 3.27.24 · lid 7Einde enquêteprocedure en niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen onmiddellijke voorzieningen (e-Traction)
“[verweerder 4] en DEM hebben ter terechtzitting bevestigd dat een op de voet van artikel 2:227 lid 2 BW nog te verrichten balans- en uitkeringstoets onderdeel is van de uitvoering van de VSO en dat artikel 3.1 sub (i) van de VSO (zie hierboven onder 2.2 [onder 1.2 hiervoor, A-G]) is geformuleerd en bedoeld als een opschortende voorwaarde. Blijkt de uitkomst van de balans- en uitkeringstoets negatief te zijn, dan is er geen VSO tot stand gekomen. Het is aan [verweerder 2] als bestuurder om, in het kader van de uitvoering van de VSO, voorafgaand aan de overdracht van de door [verweerder 4] gehouden aandelen deze in artikel 2:207 lid 2 BW voorgeschreven balans- en uitkeringstoets te verrichten. Dit artikellid bepaalt dat de vennootschap geen volgestorte eigen aandelen mag verkrijgen indien het eigen vermogen, verminderd met de verkrijgingsprijs, kleiner is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden of indien het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. In het kader van deze toets kan [verweerder 2] naar het oordeel van de […]”
r.o. 3.10 · lid 2Enquêtebevoegdheid van middellijk aandeelhouder via buitenlandse tussenholding; gelijkstelling met aandeelhouder
“[…] medewerking heeft verleend aan de uitgifte niet juist acht. Wat daarvan zij, de wetgever heeft er kennelijk bewust voor gekozen de toegang tot het enquêterecht voor certificaathouders niet te beperken tot, in de NV-terminologie, certificaten die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven, of, in de huidige BV-terminologie, waaraan bij de statuten vergaderrecht is verbonden (vgl. art. 2:227 lid 2 BW).”
r.o. 3.7 · lid 2Ontslagneming statutair directeur beëindigt in beginsel ook de arbeidsovereenkomst
“[…] blijven uitoefenen. (...) Daaruit blijkt ondubbelzinnig dat hij zijn arbeidsovereenkomst niet wenste te beëindigen. Vervolgens is een opzegging van de arbeidsovereenkomst door Corporate gevolgd bij brief van 27 januari 2004 met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn per 1 maart 2004. Daarvan is door [eiser] bij brief van 28 januari 2004 de nietigheid ingeroepen wegens schending van art. 2:227 lid 4 BW, en bij brief van 17 maart 2004(11) wegens het ontbreken van toestemming uit hoofde van het BBA. Het hof overweegt dat voor het ontslag van [eiser] als statutair directeur deze toestemming niet was vereist op grond van de ontheffing van het bepaalde in art. 6 BBA ingevolge het Besluit van de Minister van Sociale Zaken van 21 november 1972, Stcrt. 234. Ook voor de daarmee samenhangende en in de visie van het hof onlosmakelijk daarmee verbonden functie van commercieel directeur was aldus die toestemming niet vereist, zodat Corporate met inachtneming van de arbeidsrechtelijke bepalingen de arbeidsovereenkomst met [eiser] rechtsgeldig kon opzeggen bij brief van 27 januari 2004 tegen 1 maart 2004. (...)(12)"”
r.o. 1.9 · lid 4
Hoven en Ondernemingskamer (2)
Ontslag statutair bestuurder structuurvennootschap door RvC niet nietig of vernietigbaar
“Op grond van artikel 2:227 lid 7 BW hebben bestuurders als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering. Dat geldt ook indien het ontslag van de bestuurder op de agenda staat en ook in een algemene vergadering waar het gaat over een voorgenomen ontslag waarover de raad van commissarissen bevoegd is te besluiten (na het horen van de algemene vergadering). Indien de bestuurder niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn raadgevende stem uit te oefenen, is het besluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Uit de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW vloeit voort dat een bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdedigen tegen zijn voorgenomen ontslag, tegenover het tot ontslag bevoegde orgaan. Dit wordt wel aangeduid als het hoorrecht. Schending van het hoorrecht leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW.”
r.o. 3.19 · lid 7Enquête: niet-ontvankelijkheid verzoek geschorste bestuurder en tegenverzoek bij ontbrekend belang
“Verzoeksters wijzen in het kader van hun betwisting van dit ontvankelijkheidsverweer er nog op dat de gang van zaken rondom de schorsing van [Bestuurder] en benoeming van Bogojević op 9 december 2025 onzorgvuldig is verlopen doordat [Bestuurder] niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a en b, BW in verbinding met art. 2:227 lid 7 BW) en dat hij niet is gehoord (art. 2:8 BW). Ook is de besluitvorming in de algemene vergadering van 23 december 2025 volgens [Bestuurder] onzorgvuldig verlopen doordat hij in verband met zijn ziekmeldingen onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen en gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord. In het midden kan blijven of dit betoog gegrond is – dit staat ter beoordeling van de civiele rechter. Indien gegrond zijn de besluiten tijdens de algemene vergaderingen van 9 en 23 december 2025 ten hoogste vernietigbaar en niet nietig. Voor de toepassing van het enquêterecht moet daarom ervan worden uitgegaan dat de besluiten de daarmee beoogde rechtsgevolgen hebben gehad zo lang zij niet zijn vernietigd. Dit brengt mee dat dit betoog niet kan leiden […]”
r.o. 4.8 · lid 7
Rechtbanken (4)
Vernietiging ontslagbesluit statutair bestuurder wegens schending hoorplicht afgewezen
“Als een bestuurder met een beroep op artikel 2:15 BW opkomt tegen een besluit van een aandeelhoudersvergadering tot ontslag van die bestuurder, geldt het volgende: Uitgangspunt is dat de aandeelhoudersvergadering het orgaan is dat het uiteindelijk voor het zeggen heeft. Artikel 2:244 BW bepaalt dat iedere bestuurder te allen tijde kan worden geschorst en ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming, en dat is hier de aandeelhoudersvergadering. De bepaling van artikel 2:227 lid 7 BW dat de bestuurders een raadgevende stem hebben geldt ook voor bestuurders wiens ontslag op de agenda staat. De bestuurder moet in de gelegenheid worden gesteld advies te geven over het voorgenomen besluit. Het uitbrengen van dit advies is geen formaliteit, maar moet kunnen bijdragen aan de inhoud van de besluitvorming.”
r.o. 3.4 · lid 7“[eiser] heeft meerdere omstandigheden aangedragen waardoor het besluit vernietigbaar zou zijn. Zo stelt [eiser] onder meer dat zij niet is gehoord, waarbij zij kennelijk bedoelt dat zij in strijd met de wettelijke verplichting van artikel 2:227 lid 7 BW geen raadgevende stem heeft kunnen geven, en zij niet conform artikel 13.4 van de statuten is gehoord. Daarnaast voert zij aan dat zij voor een fait accompli is geplaatst, omdat het besluit op voorhand al vaststond. De rechtbank volgt het standpunt van [eiser] niet. Dat zal hierna worden toegelicht.”
r.o. 3.6 · lid 7“[…] dit niet louter een formaliteit mag zijn (zie hiervoor onder 3.4). Daarbij moet wel worden bedacht dat het een praktisch gegeven is dat een aandeelhouder meestal niet meer afstapt van het voorgenomen besluit. En dat staat de aandeelhouder vrij. Alleen als het uitbrengen van de raadgevende stem overduidelijk een wassen neus is, is er sprake van schending van de wettelijke verplichting van artikel 2:227 lid 7 BW. Dat was bijvoorbeeld aan de orde in een uitspraak van de rechtbank Limburg. Daarin werd intern en extern al gecommuniceerd dat de bestuurder de vennootschap had verlaten en wie zijn opvolger was, nog voordat de AVA plaatsvond waarop hij gehoord zou moeten worden. Het was ook aan de orde in een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, waarin de bestuurder voorafgaand aan de AVA al verplicht werd zijn laptop, leaseauto en andere bedrijfseigendommen in te leveren, en een uitspraak van de rechtbank Den Haag, waar de bestuurder voorafgaand aan de AVA al als bestuurder was geschrapt in het handelsregister. Deze zaken zijn echter niet vergelijkbaar met deze situatie. [eiser] wijst er slechts op dat de aandeelhouder haar – nadat de uitnodiging voor de AVA was verstuurd en nog […]”
r.o. 3.10 · lid 7Ontslag statutair bestuurder: schending raadgevende stem, voldongen feit, billijke vergoeding
“[…] zin is onderworpen aan de eisen die daaraan worden gesteld in boek 2 BW. Artikel 2:15 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat een besluit van een orgaan van een vennootschap vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Artikel 2:227 lid 7 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat bestuurders in de algemene vergadering van aandeelhouders een raadgevende stem hebben. Die raadgevende stem heeft de bestuurder ook in de algemene vergadering van aandeelhouders waar het gaat over zijn ontslag als bestuurder. Daarbij wordt algemeen aangenomen dat het uitbrengen van die raadgevende stem ook zin moet hebben. Onder “zinvol” verstaat de rechtbank in dit verband dat de bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld om zijn advies zodanig te motiveren dat van een gefundeerd advies sprake is. Daarnaast moet het advies nog reëel kunnen bijdragen tot de inhoud van het te nemen besluit. Het advies mag dus niet enkel nog voor de vorm worden uitgebracht, wat wel het geval is als het niets meer kan bijdragen aan de besluitvorming.”
r.o. 5.7 · lid 7“De conclusie uit het voorgaande is dan ook dat [verzoeker] voor een voldongen feit is geplaatst en dat zijn advies, als hij dat tijdens de aandeelhoudersvergadering van 29 januari 2026 had uitgebracht, geen enkele invloed zou hebben gehad op de beslissing van de aandeelhouders. Die beslissing stond voor [verweerder], zo blijkt uit haar handelen, al vast. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat [verweerder] inbreuk heeft gemaakt op het adviesrecht van de bestuurder op grond van artikel 2:227 lid 7 BW. Daarmee staat ook vast dat het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit is genomen in strijd met een wettelijke bepaling zodat dit besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW.”
r.o. 5.10 · lid 7Kort geding loonvordering: ontslagen statutair bestuurder, benoeming en vernietigbaarheid ontslagbesluit
“[eiseres] heeft aangevoerd dat het ontslagbesluit van 24 oktober 2025 vernietigbaar is vanwege schending van artikel 2:227 lid 7 en artikel 2:8 BW omdat [eiseres] geen gebruik heeft kunnen maken van haar raadgevende stem respectievelijk niet is gehoord. [eiseres] heeft zich in de middag van 23 oktober 2025 ziek gemeld. De stelling van [eiseres] dat zij aantoonbaar ziek was en daardoor niet in staat was om fysiek of digitaal deel te nemen aan de BAVA, heeft [eiseres] niet onderbouwd terwijl Inntinn deze stellingen heeft weersproken. Anders dan [eiseres] stelt, had zij deze stelling wel kunnen onderbouwen of tenminste een begin van onderbouwing kunnen leveren door bijvoorbeeld een foto te overleggen van medicatie die zij volgens haarzelf op 24 oktober 2025 voorgeschreven heeft gekregen van haar huisarts. Op deze medicatie zou de datum van uitgifte staan en uit de aard van de medicatie zou kunnen volgen dat deelname aan de BAVA voor [eiseres] onmogelijk was. Dat het voor de aandeelhouder en commissarissen duidelijk was dat [eiseres] niet naar de BAVA kon komen en zij om uitstel heeft gevraagd, zoals [eiseres] heeft gesteld, heeft zij ook niet onderbouwd met stukken en Inntinn heeft […]”
r.o. 4.10 · lid 7“Het voorgaande heeft tot gevolg dat het in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is dat een bodemrechter in een bodemprocedure op grond van deze feiten en omstandigheden tot het oordeel zou komen dat het ontslagbesluit van 24 oktober 2025 vernietigbaar is vanwege schending van artikel 2:227 lid 7 en artikel 2:8 BW. Geen onzorgvuldig besluit”
r.o. 4.12 · lid 7Rechtsgeldigheid ontslagbesluit bestuurder B.V.: oproeping, agenda, raadgevende stem en hoorplicht
“[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] is niet conform de wet uitgenodigd voor de algemene vergadering van 2 april 2025. Hij is pas op 30 maart 2025 uitgenodigd, terwijl artikel 2:225 BW een termijn van acht dagen voorschrijft. Bovendien staat in de agenda voor de vergadering slechts vermeld: “Samenstelling bestuur (inclusief benoeming en ontslag)”. Het was daarom niet duidelijk dat het ontslag van [eiser] aan de orde zou zijn. Omdat [eiser] niet aanwezig was bij de vergadering, is [eiser] dus ontslagen zonder kennisneming van zijn raadgevende stem (artikel 2:227 lid 7 BW). Het ontslagbesluit is ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW), omdat uit de notulen van de algemene vergadering blijkt dat [eiser] is ontslagen op grond van een aantal punten waarop hij niet heeft kunnen reageren.”
r.o. 3.2 · lid 7