Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 3. Het vermogen van de vennootschap
Artikel 2:207c BW
Vervallen per 1 oktober 2012 (Stb. 2012, 299)
Dit artikel is vervallen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:207c BW (13)
Hoge Raad (5)
FSM Europe
Faillissement: bestuurdersaansprakelijkheid, maatstaf boekhoudplicht artikel 2:10 BW, onbehandelde grondslag
“De curator vordert in dit geding een verklaring voor recht dat [verweerders] hoofdelijk aansprakelijk zijn uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid als bedoeld in art. 2:248 BW. Voorts vordert de curator [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het faillissementstekort. Aan deze vorderingen heeft hij ten grondslag gelegd dat de bestuurders van FSM niet voldaan hebben aan de boekhoudverplichtingen van art. 2:10 BW en dat de bestuurders gehandeld hebben in strijd met art. 2:207c (oud) BW. In hoger beroep heeft de curator tevens schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad gevorderd.”
r.o. 3.2Artikel 2:248 BW: lening in strijd met artikel 2:207c lid 2 BW, stelplicht en causaal verband
“[…] de curator). 3.2.1 De curator heeft in dit geding de volgende, samengevat weergegeven, vorderingen ingesteld. Primair vorderde hij hoofdelijke veroordeling van Sansto en [eiser 2] tot betaling aan hem van het tekort in de boedel van Magista ten belope van € 550.000,--. Daartoe stelde hij dat de lening van Magista aan Sansto van € 500.000,-- nietig, dan wel vernietigbaar is op grond van art. 2:207c lid 2 BW. Tevens was de liquiditeitspositie van Magista door de verstrekking van deze lening zodanig verslechterd dat daardoor het faillissement van Magista uiteindelijk onafwendbaar was. Daarom is sprake van onbehoorlijk bestuur en zijn Sansto en [eiser 2] op grond van art. 2:248 BW hoofdelijk aansprakelijk voor het volledige tekort in het faillissement van Magista. Subsidiair vorderde de curator dat Sansto zou worden veroordeeld tot terugbetaling van de lening van € 500.000,--, vermeerderd met wettelijke rente en zonder verrekening van mogelijk door Magista aan Sansto verschuldigde managementfees. De managementovereenkomsten op basis waarvan deze fees zijn voldaan zijn immers als paulianeus te beschouwen. Zou dit niet het geval zijn, dan zijn de betalingen van de managementfees […]”
r.o. 3.1“De curator heeft in dit geding de volgende, samengevat weergegeven, vorderingen ingesteld. Primair vorderde hij hoofdelijke veroordeling van Sansto en [eiser 2] tot betaling aan hem van het tekort in de boedel van Magista ten belope van € 550.000,--. Daartoe stelde hij dat de lening van Magista aan Sansto van € 500.000,-- nietig, dan wel vernietigbaar is op grond van art. 2:207c lid 2 BW. Tevens was de liquiditeitspositie van Magista door de verstrekking van deze lening zodanig verslechterd dat daardoor het faillissement van Magista uiteindelijk onafwendbaar was. Daarom is sprake van onbehoorlijk bestuur en zijn Sansto en [eiser 2] op grond van art. 2:248 BW hoofdelijk aansprakelijk voor het volledige tekort in het faillissement van Magista. Subsidiair vorderde de curator dat Sansto zou worden veroordeeld tot terugbetaling van de lening van € 500.000,--, vermeerderd met wettelijke rente en zonder verrekening van mogelijk door Magista aan Sansto verschuldigde managementfees. De managementovereenkomsten op basis waarvan deze fees zijn voldaan zijn immers als paulianeus te beschouwen. Zou dit niet het geval zijn, dan zijn de betalingen van de managementfees als onrechtmatige […]”
r.o. 3.2.1“[…] dat de kern van het geschil de vraag is of Sansto als bestuurder van Magista haar taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van Magista. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, dienen verschillende deelvragen aan de orde te worden gesteld. De eerste vraag is of het Magista, gelet op art. 2:207c BW, was toegestaan de lening van € 500.000,-- aan Sansto te verstrekken voor de koop van de aandelen-Magista (rov. 32). Art. 2:207c BW is in het onderhavige geval van toepassing, in aanmerking genomen dat Sansto niet mede geldnemer is ter zake van het door Rabobank verstrekte krediet (rov. 35). Nu de accountantsverklaring van 12 april 2005 is gebaseerd op door Sansto en [eiser 2] verstrekte incomplete gegevens (de twee dagen later met Rabobank gesloten lening van € 1.150.000,-- werd niet vermeld), kan daaraan niet de betekenis worden gegeven die Sansto en [eiser 2] wensen. Die lening wel meenemend, komen de relevante reserves op 12 april 2005 uit op een negatief bedrag van € 629.000,-- (rov. 38). In dit licht dient het handelen van Sansto en [eiser 2] als onbehoorlijk bestuur te […]”
r.o. 3.2.4“Onderdeel 1.1 komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 38 dat Sansto bewust in strijd heeft gehandeld met art. 2:207c lid 2 BW door met Magista een lening aan te gaan van € 500.000,-- ten behoeve van de aankoop van de aandelen Magista, en tegen het oordeel dat Magista’s vrije reserves in werkelijkheid € 629.000,-- negatief waren.”
r.o. 4.1Muller/Rabobank
Reikwijdte zekerheidsverbod artikel 2:207c BW bij doorleenconstructie
“Aan zijn hiervoor onder 1 vermelde vorderingen heeft de curator, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de met de bank gesloten financieringsovereenkomsten nietig zijn wegens strijd met art. 2:207c lid 2 BW omdat de financiering ertoe strekte de lening voor de aankoop van de aandelen in [A] mogelijk te maken; de met die financieringsovereenkomsten gepaard gaande zekerheidsovereenkomsten zijn nietig wegens strijd met art. 2:207c lid 1 BW. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op de grond dat de curator niet heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot de, door de bank ontkennend beantwoorde, vraag of de vorderingen en de zekerheden van de bank op de datum van de surséance nog verband hielden met de lening uit 1989.”
r.o. 3.2“In hoger beroep heeft het hof de grief van de curator verworpen. De daartoe leidende overwegingen van het hof, dat in het midden liet of in strijd met art. 2:207c BW aangegane overeenkomsten met nietigheid dan wel vernietigbaarheid worden bedreigd alsook of de door de bank uitgewonnen zekerheden nog te herleiden zijn op de in 1989 aangegane overeenkomsten van geldlening, kunnen als volgt worden samengevat. Het standpunt van de curator, dat art. 2:207c lid 1 BW en met name de daarin voorkomende woorden "met het oog op" ruim moeten worden uitgelegd en dat genoemde bepaling, nu [A] het geld dat zij van de bank heeft geleend geheel of ten dele heeft doorgeleend aan Beheer, van toepassing is op de overeenkomst tussen [A] en de bank, moet worden verworpen (rov. 7). De zekerheden zijn verstrekt voor een eigen schuld van [A] en derhalve niet "met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal" als bedoeld in art. 2:207c lid 1 BW (rov. 7.1). Het doorlenen aan Beheer teneinde haar in staat te stellen de aandelen in [A] te verkrijgen, betreft niet een door art. 2:207c lid 1, maar een door de leden 2 en 3 van dit artikel beheerste kwestie (rov. 7.2). Ingevolge […]”
r.o. 3.3“Art. 2:207c is ingevoerd bij de Wet van 12 december 1985, houdende nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap, Stb. 1985, 656. De oorspronkelijk voor dit artikel voorgestelde tekst is gelijk aan art. 2:98c lid 1 en 3 BW, zoals dit op 1 september 1981 in werking is getreden. Laatstgenoemd artikel is ingevoerd ter uitvoering van (art. 23 van) de Tweede Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976, PB nr. L 026, 31 januari 1977, welke richtlijn alleen regelen geeft voor de naamloze vennootschap en derhalve niet van toepassing is op de besloten vennootschap; genoemd artikel 23 verbiedt, ter voorkoming van het ontgaan van de wettelijke beperkingen inzake de inkoop van eigen aandelen, een naamloze vennootschap geldelijke steun te verlenen met het oog op verkrijging van haar aandelen door derden. Ingevolge de oorspronkelijk voor art. 2:207c BW voorgestelde tekst mocht ook een besloten vennootschap niet "met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal of van certificaten daarvan, leningen verstrekken, zekerheid stellen, een koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdelijk of anderszins naast of voor […]”
r.o. 3.4.2Artikel 2:207c BW en bewijslast bij waardering B.V.-aandelen op basis van bod
“[…] in rov. 2 verbeterd weergeeft): “1. De partijen zijn het eens over toebedeling van de aandelen in Ribru B.V. aan de man. 2. De man heeft bestreden dat voor de waarde van die aandelen mag worden aangeknoopt bij een bod van de zonen van de partijen, aanvoerende dat dezen blijkens een overgelegd financieringsvoorstel hun bod slechts kunnen financieren in strijd met de wet, namelijk met artikel 2:207c BW. Het hof zal bij de beoordeling mede betrekken een verklaring van de vestiging Oud-Beijerland van de ING-bank van 24 september 1997 die in het geding is gebracht, volgens welke een eventueel te vragen bedrijfsfinanciering tot ƒ 250.000,-- mogelijk is, uitgaande van de financiële positie van de B.V. zoals blijkt uit de jaarcijfers over 1996 (die het hof niet kent). Uit het genoemde financieringsvoorstel blijkt dat de B.V. eind 1996 een hypothecaire schuld had van ongeveer ƒ 118.000,--. De ING-bank was dus bereid ƒ 18.000,-- meer te financieren dan de Rabobank. In deze omstandig-heden, mede gelet op hetgeen overigens over de financiële positie van Ribru B.V. naar voren is gekomen (onder meer een stille reserve in het onroerende goed), had de man niet mogen volstaan met een beroep […]”
r.o. 3.1“[…] de aandelen te betalen en daarvoor de nodige financiering konden verkrijgen. De bewijslast voor deze stelling rustte - bij voldoende gemotiveerde betwisting door de man - op de vrouw. De man heeft bestreden dat dit bod een goede basis vormde voor de waardebepaling, zulks op de grond dat dit bod afhankelijk was van een bankfinanciering die niet verkregen kon worden zonder dat in strijd met art. 2:207c lid 1 BW zou worden gehandeld. Het Hof heeft dit verweer kennelijk voorshands gegrond geoordeeld. ’s Hofs oordeel dat niettemin aan het verweer voorbijgegaan moet worden aangezien de man niet tevens heeft gesteld dat en waarom financiering van het bod van de zonen niet kan geschieden door middel van een lening van de vennootschap binnen de grenzen van lid 2 van artikel 2:207c, miskent dat het - naar uit het hiervoor overwogene volgt - aan de vrouw was om, indien daarvoor gronden waren, te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de zonen bereid en in staat waren om het bod met een andere, wel toegestane financiering gestand te doen. De hierop gerichte klacht van onderdeel 3.2 slaagt derhalve. Onderdeel 3.1 behoeft geen behandeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking […]”
r.o. 3.2Ontvanger ontvankelijk in onrechtmatige-daadvordering tegen kopers van leeggehaalde kasgeldvennootschappen
“[…] wordt door de M-groep bij de aankoop van een vennootschap direct verrekend met de koopprijs. Na de aankoop van een vennootschap worden de liquide middelen uit de vennootschap gehaald en door de M-groep schuldig gebleven. De M-groep betaalt de koopprijs van aandelen aan de verkoper met het geld dat zij uit de vennootschap heeft gehaald. Aldus handelt de M-groep in strijd met art. 2:98c en 2:207c BW. (iii) Het voornemen van de M-groep is erop gericht de gekochte vennootschap binnen zeer korte tijd met grote winst door te verkopen aan een vaste afnemer. De M-groep zorgt ervoor dat de vennootschap gedurende de periode dat zij aandeelhouder is, geen belastingschulden van enige omvang behoeft te betalen.De afnemer van de M-groep betaalt de koopprijs voor de aankoop van de aandelen door, wederom in weerwil van art. 2:98c en 2:207c, de rekening-courantschuld van de M-groep aan de verkochte vennootschap over te nemen. Aangezien de koper geen enkel verhaal biedt, is de verkochte vennootschap na deze transactie niet meer in staat haar belastingschulden te betalen en/of vervangende bedrijfsmiddelen aan te schaffen. (iv) de M-groep heeft in de jaren 1988 tot en met 1990 ten minste 86 […]”
r.o. 3.1
Conclusies van de A-G (8)
Conclusie A-G: bestuurdersaansprakelijkheid, boekhoudplicht en onbehoorlijk bestuur bij management buy out
“De curator heeft [verweerders] op 30 juli 2009 gedagvaard voor de Rechtbank Maastricht. Daarbij heeft de curator gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [verweerders] hoofdelijk aansprakelijk zijn uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:248 BW. Daarnaast heeft hij gevorderd dat [verweerders] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van het faillissementstekort (€ 11.247.993,14 + p.m.), nader op te maken bij staat. Aan deze vorderingen heeft de curator ten grondslag gelegd dat de bestuurders van FSM niet voldaan hebben aan de verplichtingen uit art. 2:10 BW en dat de bestuurders gehandeld hebben in strijd met art. 2:207c (oud) BW (zie rov. 4.3).”
r.o. 2.1“De curator heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof ’s-Hertogenbosch. In hoger beroep heeft de curator zijn vordering aldus gewijzigd dat hij tevens vordert dat [verweerders] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 678.647,02 en een bedrag van € 2.453.356,97, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2003. De curator heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de schending van art. 2:207c (oud) BW tevens een onrechtmatige daad oplevert van [verweerders] (in hun hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder en feitelijk beleidsbepaler) jegens de gezamenlijke crediteuren van FSM (zie rov. 4.5).”
r.o. 2.3“[…] onderdeel vermeldt, onder meer aangevoerd dat voor de lening aan MPE geen zekerheden werden verkregen en dat het verstrekken van de lening gelet op de liquiditeitspositie van FSM en gelet op de toekomstverwachtingen voor FSM, onverantwoord was. Het onderdeel wijst er terecht op dat het hof weliswaar beoordeeld heeft of de door FSM verstrekte lening in strijd was met het destijds geldende art. 2:207c (oud) BW, maar dat het hof niet is ingegaan op het verwijt van de curator dat [verweerders], door FSM in de genoemde omstandigheden en onder de genoemde voorwaarden een lening te doen verstrekken aan MPE, zich schuldig hebben gemaakt aan onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW en aan onrechtmatig handelen jegens FSM (zie in dit verband met name rov. 4.17 t/m 4.18.10 en 4.18(ii)). Het oordeel van het hof is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat de klacht van onderdeel 1.1 slaagt.”
r.o. 3.4“Onderdeel 1.2 richt zich tegen het oordeel (in rov. 4.12 t/m 4.14) dat de door de curator gestelde schending van art. 2:207c (oud) BW, vanwege het vervallen van deze bepaling per 1 oktober 2012, als zodanig niet meer als grondslag kan dienen voor de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW en art. 6:162 BW. Het onderdeel klaagt dat het hof met dit oordeel miskent dat de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht niet tot gevolg heeft dat vermogensrechten die vóór de inwerkingtreding van die wet zijn ontstaan, komen te vervallen. Indien [verweerders] destijds op grond van art. 2:9, art. 2:248 en/of art. 6:162 BW aansprakelijk zijn geworden wegens schending van art. 2:207c (oud) BW, dan is die aansprakelijkheid – aldus het onderdeel – door de inwerkingtreding van de genoemde wet dus niet komen te vervallen. Indien het hof dit niet heeft miskend, dan is het oordeel volgens het onderdeel in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.”
r.o. 3.6Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW; steunverbod artikel 2:207c BW; causaal verband en pauliana
“[…] Magista. (…) 61. De vraag of het handelen van Sansto en in het verlengde daarvan van [eiser 2] als onbehoorlijk bestuur moet worden bestempeld beantwoordt het hof bevestigend. Daarbij zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Door met Magista een lening te sluiten van € 500.000,- ten behoeve van de aankoop van de aandelen Magista heeft Sansto bewust gehandeld in strijd met artikel 2:207c lid 2 BW. Het verweer van Sansto en [eiser 2] dat er sprake was van een packagedeal en dat Rabobank geen lening van € 650.000,- aan Magista zou hebben verstrekt, wanneer de lening van € 500.000,- ten behoeve van de overdracht van de aandelen niet zou hebben plaatsgevonden (punt 43 e.v. memorie van antwoord), slaagt niet. Zij hebben deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat Rabobank niet bereid zou zijn geweest enkel de lening van € 650.000,- aan Magista te verstrekken, gezien ook het feit dat het bedrijfspand van Magista tot dat moment nog niet met hypotheek was belast. Zou Magista geen lening zijn aangegaan voor de aankoop van de aandelen dan zou de schuldenpositie van Magista € 500.000,- gunstiger zijn geweest. Zou Magista […]”
r.o. 3.2“Het onderdeel komt op tegen het oordeel van het hof dat Sansto bewust in strijd heeft gehandeld met art. 2:207c lid 2 BW door met Magista een lening aan te gaan van € 500.000,- ten behoeve van de aankoop van de aandelen Magista (subonderdeel 1.1), alsmede tegen het oordeel dat Magista’s vrije reserves in werkelijkheid € 629.000,- negatief waren (subonderdeel 1.2). Het hof ziet er volgens het onderdeel aan voorbij dat de lening van Rabobank aan Magista van in totaal € 1.150.000,- geldt als vreemd vermogen (of schuld in de zin van art. 2:364 lid 4 en 2:375 BW) van Magista. Noch het aangaan van die lening noch de wijze waarop het door die lening verkregen vermogen binnen de onderneming wordt aangewend heeft (daarom) (op zichzelf) invloed op de omvang van het eigen vermogen van de onderneming die de lening aangaat (Magista) en is (dus) evenmin (zonder meer) van (negatieve) invloed op de omvang van (de in gevolge art. 2:373 sub f en g BW van het eigen vermogen onderdeel uitmakende) overige (vrij uitkeerbare) reserves. Het feit dat het aangetrokken vreemd vermogen wordt aangewend ten behoeve van een lening aan een derde (Sansto) (en het geleende bedrag direct aan de verantwoordelijk […]”
r.o. 3.3“De door de Rabobank verstrekte hypothecaire lening en het krediet in rekening-courant zijn aan te merken als vreemd vermogen; het aangaan en besteden van die leningen heeft op de balans inderdaad geen effect op het eigen vermogen. Het direct aftrekken van het bedrag van de twee leningen van het eigen vermogen, zoals het hof in r.o. 38 heeft gedaan, is onjuist. Het oordeel van het hof dat art. 2:207c BW is geschonden, is daarom onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.”
r.o. 3.7Uitspraak Parket bij de Hoge Raad
“Bij dagvaarding van 24 september 1996 heeft de curator de bank opgeroepen voor de rechtbank 's-Gravenhage te verschijnen. De curator vordert in eerste aanleg op grond van ongerechtvaardigde verrijking (voor zover hier van belang): I veroordeling van de bank tot betaling van, primair, fl. 645.614,17 en subsidiair fl. 340.000,- alles vermeerderd met de wettelijke rente; II nietigverklaring, althans vernietiging van de tussen [A] enerzijds en de bank anderzijds gesloten financierings- en zekerheidsovereenkomsten. Hij voert daartoe aan dat de financieringsovereenkomsten nietig zijn wegens strijd met artikel 2:207c lid 2 BW omdat de financiering erop gericht was de lening voor de aankoop van aandelen van [A] te financieren. Daarnaast zijn de zekerheidsovereenkomsten nietig wegens strijd met artikel 2:207c lid 1 BW.”
r.o. 2.1“Mocht al sprake zijn van overtreding van artikel 2:207c BW, dan kan dit volgens de bank slechts leiden tot vernietigbaarheid en niet tot nietigheid.”
r.o. 2.4“De rechtbank heeft de vordering van de curator afgewezen, wegens het niet genoegzaam voldaan hebben aan de stelplicht. Aan overwegingen met betrekking tot artikel 2:207c BW kwam de rechtbank niet toe.”
r.o. 2.5“De curator is van het vonnis in beroep gekomen bij appeldagvaarding van 10 februari 1999 en legt het geschil, onder nadere uiteenzetting van de gronden, in volle omvang voor aan het hof. De enkele grief van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de vorderingen en zekerheden van de bank op de surséancedatum nog verband hielden met de financieringsfaciliteit door de bank aan [A]. Bovendien had de rechtbank niet voorbij mogen gaan aan de kernproblematiek van artikel 2:207c BW.”
r.o. 2.6Aansprakelijkheid voormalige aandeelhoudster voor onttrekkingen na buy-out; feitelijk bestuurder; artikel 2:11 BW
“De casus vertoont kenmerken van een management buy-out13. Een overname van een onderneming door het personeel wordt veelal bemoeilijkt doordat het personeel niet over voldoende financiële middelen beschikt. Pogingen om de overname te financieren met leningen van of zekerheidstellingen door de over te nemen vennootschap komen al spoedig in strijd met het verbod van art. 2:207c BW. Uitkering van de vrije reserves van de over te nemen vennootschap is dan één van de mogelijkheden om aan geld te komen. Naast de beperkingen die de wet (in het bijzonder art. 2:216 BW) en de statuten stellen aan het doen van winstuitkeringen, is in het reeds aangehaalde Nimox-arrest (NJ 1992, 174) uitgemaakt dat het stemgedrag van een groot-aandeelhouder in de algemene vergadering van aandeelhouders van de dochtermaatschappij, waarin besloten wordt tot een winstuitkering, in beginsel onrechtmatig kan zijn. De feitenrechter had in die zaak aangenomen dat op grond van de zich toen voordoende omstandigheden sprake was van onrechtmatig stemgedrag; wie wil weten wat die omstandigheden inhielden, zij verwezen naar rov. 3.1.3 van het Nimox-arrest. In de onderhavige casus kan de leer van het Nimox-arrest niet […]”
r.o. 2.3Conclusie: volstortingsplicht en kasrondje bij bankverklaring oprichting B.V.
“Ook het bestaan van art. 2:207c BW wijst er op dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de financiering door de b.v. van de eigen aandelen tegen te gaan. De bepaling brengt beperkingen aan in de mogelijkheden voor een b.v. om leningen te verstrekken aan derden die deze gelden zouden besteden aan de inkoop van aandelen in diezelfde B.V.15”
r.o. 3.2.3.6Conclusie A-G: geen geldige volstorting minimumkapitaal met middelen van B.V. in oprichting
De curator van een failliete B.V. vordert van de oprichter-aandeelhouder volstorting van de aandelen en spreekt hem aan als bestuurder op grond van artikel 2:180 BW. De A-G concludeert dat het minimumkapitaal niet geldig is gestort met geld dat afkomstig is van de vennootschap in oprichting zelf. Volgens hem moet een storting reëel en onbezwaard zijn en mag de vennootschap haar eigen kapitaalstorting niet financieren. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Artikel 2:207c BW en aandelenwaardering bij verdeling huwelijksgemeenschap
In een zaak over de verdeling van een huwelijksgemeenschap gaat het om de waardering van aandelen in een besloten vennootschap op basis van een bod van derden. De man betoogde dat het bod in strijd was met het verbod op financiële assistentie van artikel 2:207c BW. De A-G oordeelt dat dit kapitaalbeschermingsvoorschrift losstaat van de waardering, omdat een reëel bod als waarde in het economisch verkeer kan dienen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“[…] wetgevingsoperatie is de accentverschuiving van de sanctie van nietigheid (vernietiging) naar de sanctie van aansprakelijkheid, die met name zichtbaar is in het kader van regels van kapitaalbescherming. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in het vervallen van art. 2:204c BW (oud) (‘Nachgründung’), in de wijziging van art. 2:207 BW (oud) (inkoop van eigen aandelen), in het vervallen van art. 2:207c BW (oud) (financiële steunverlening) en in de wijziging van art. 2:216 BW (oud) (uitkeringen aan aandeelhouders).”
r.o. 4.40