Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid · Afdeling 7. Evenwichtige verdeling van de zetels over vrouwen en mannen
Artikel 2:276 BW
In werking getreden op 1 januari 2022 (Stb. 2021, 495)
Dit artikel is van toepassing op een vennootschap die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, niet heeft voldaan aan ten minste twee van de vereisten, bedoeld in artikel 397 leden 1 en 2.
De vennootschap stelt passende en ambitieuze doelen in de vorm van een streefcijfer vast om de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur ende raad van commissarissen, alsmede bij nader door de vennootschap te bepalen categorieën werknemers in leidinggevende functies, evenwichtiger te maken. Indien het bestuur en de raad van commissarissen bestaan uitéén persoon, kan een streefcijfer worden vastgesteld voor beide organen gezamenlijk. Indien artikel 142b lid 2 of 3 van toepassing is, behoeft voor de raad van commissarissen dan wel de niet-uitvoerende bestuurders geen streefcijfer te worden vastgesteld.
De vennootschap stelt een plan op om de in het vorige lid gestelde doelen te bereiken.
Jaarlijks binnen tien maanden na afloop van het boekjaar, rapporteert de vennootschap aan de Sociaal economische Raad over het aantal mannen en vrouwen dat aan het eind van het boekjaar deel uitmaakt van het bestuur en de raad van commissarissen, alsmede van de nader door de vennootschap te bepalen categorieën werknemers in leidinggevende functies, de doelen in de vorm van een streefcijfer, het plan om deze doelen te bereiken en als één of meer doelen niet zijn bereikt, de redenen daarvoor.
Een tot een groep behorende vennootschap behoeft niet te voldoen aan de leden 2 tot en met 4, mits de vennootschap die aan het hoofd staat van de groep in plaats van de groepsmaatschappij aan de uit deze leden voortvloeiende verplichtingen uitvoering geeft, al dan niet voor de betreffende groepsmaatschappijen gezamenlijk.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:276 BW (2)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (2)
Caribisch enquêterecht: afwijzing enquêteverzoek OM na jarenlange aanhouding, belangenafweging
“In rov. 3.1-3.8 van Beschikking I overweegt het Hof als volgt: “3. De beoordeling3.1 Op grond van artikel 2:271 BW kan het Hof een of meer onderzoekers benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij een rechtspersoon en daarmee nauw verbonden rechtspersonen. Artikel 2:272 lid 2 BW bepaalt onder meer dat het openbaar ministerie steeds bevoegd is een dergelijk verzoek te doen om redenen van openbaar belang. Ingevolge artikel 2:272 lid 3 BW kan het openbaar ministerie voorafgaand aan een in te dienen verzoek inlichtingen doen inwinnen bij de betreffende rechtspersoon over het beleid en de gang van zaken en is die rechtspersoon verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en inzage te verlenen. Artikel 2:276 lid 1 BW bepaalt dat het Hof in iedere stand van het geding waarin een onderzoek wordt verzocht voorlopige voorzieningen kan treffen als bedoeld in het derde lid van die bepaling.”
r.o. 2.5 · lid 1“[…] in maatschappelijke opvattingen tussen Nederland en Sint Maarten dat zich daartegen zou verzetten. - In rov. 3.1 van Beschikking I wijst het Hof onder meer op art. 2:271 BW-SM (op grond daarvan “kan het Hof een of meer onderzoekers benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij een rechtspersoon en daarmee nauw verbonden rechtspersonen”) en art. 2:276 leden 1 en 3 BW-SM (dit artikel “bepaalt dat het Hof in iedere stand van het geding waarin een onderzoek wordt verzocht voorlopige voorzieningen kan treffen als bedoeld in het derde lid van die bepaling”). Zie onder 2.5 hiervoor. Art. 2:274 lid 1 BW-SM bepaalt dat het Hof het verzoek behandelt met de meeste spoed en dat het Hof het verzoek slechts toewijst wanneer blijkt van de daar bedoelde “gegronde redenen”, etc. Uit art. 2:279 lid 1 BW-SM volgt onder meer dat de onderzoekers hun bevindingen vastleggen in een door hen ondertekend verslag dat ter griffie van het Hof wordt neergelegd. Uit art. 2:282-283 BW-SM volgt onder meer dat het Hof eerst bevoegd is tot het treffen van voorzieningen als daarin bedoeld voor zover uit dat ter griffie neergelegde onderzoeksverslag blijkt dat er […]”
r.o. 3.8.1 · leden 1, 3“Dit wettelijke stelsel van het Sint Maartense enquêterecht kende tussen 1 april 2014 en 20 november 2019 geen regeling die vergelijkbaar is met het per 1 januari 2013 ingevoerde art. 2:349a lid 3 BW. Bij de invoering van dit wettelijke stelsel in 2014 is gekozen voor een art. 2:276 BW-SM inzake “voorlopige voorzieningen” dat “is geïnspireerd op artikel 2:349a, tweede lid, NedBW”. Art. 2:349a lid 2 BW heeft nimmer een regeling gekend die vergelijkbaar is met dat art. 2:349a lid 3 BW. Uit de relevante parlementaire geschiedenis kan ik evenwel niet opmaken dat de Sint Maartense wetgever een met art. 2:349a lid 3 BW vergelijkbare regeling, althans een daarmee strokende ongeschreven gehoudenheid van het Hof, geen onderdeel heeft willen laten uitmaken van dit wettelijke stelsel bij de invoering ervan in 2014, dus welbewust een daartoe strekkende keuze heeft gemaakt. Het heeft er veeleer de schijn van dat de Sint Maartense wetgever zich destijds eenvoudigweg heeft gericht op het in de wet (Boek 2 BW) vastgelegde stelsel van het Nederlandse enquêterecht voorafgaand aan de wijziging daarvan per 1 januari 2013, zonder nog weer stil te staan bij art. 2:349a lid 3 BW of een daarmee strokende […]”
r.o. 3.8.2“Tot slot nog dit. Ik citeerde onder 3.8.2 hiervoor uit de parlementaire geschiedenis van de wijziging van art. 2:276 BW-SM per 20 november 2019. Daar valt onder meer te lezen dat het verzoek om een voorlopige voorziening ex art. 2:276 BW-SM te treffen in iedere stand van het geding kan worden gedaan, dus ook dadelijk bij de indiening van het verzoek tot enquête. En dat de aard van het verzoek meebrengt “dat soms spoed geboden is”. Soms, niet altijd. Geen wet van Meden en Perzen derhalve.Terug naar subonderdelen 1.1 en 1.2”
r.o. 3.8.3SPF Curaçao: oprichtersrechten, zeggenschap en bestuurswissel door Zuid-Afrikaanse curatoren
“Ten aanzien van de vordering tot vervanging van het bestuur van RSA heeft het hof overwogen dat de kortgedingrechter niet de bevoegdheid heeft om op grond van art. 2:55 jo. 2:276 lid 3 BW-C een bestuurder te ontslaan. Volgens het hof kan de kortgedingrechter echter wel een voorziening treffen die inhoudt dat een gedaagde moet gehengen en gedogen dat eiser een hem toekomende bevoegdheid uitoefent. Het treffen van een dergelijke voorziening ligt volgens het hof in de vordering van Curatoren besloten. Aangezien [betrokkene 1] een zodanige zeggenschap heeft over (het vermogen van) RSA , moet hij ook worden geacht (contractueel) recht te hebben op vervanging van het bestuur van RSA . Door het faillissement van [betrokkene 1] is dit recht op de Curatoren overgegaan. Het hof kan RSA c.s. daarom bevelen te gehengen en gedogen dat de Curatoren het bestuur van RSA vervangen (rov. 2.44). Cassatie”
r.o. 2.12 · lid 3“Onderdeel VII richt klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 2.44 dat RSA c.s. moeten gehengen en gedogen dat de Curatoren het bestuur van RSA overnemen: “2.44 Art. 2:55 jo. 2:276 lid 3 BW kunnen slechts worden toegepast in een procedure waarin (in een bodemzaak, in een procedure die met een beschikking eindigt) een verzoek als bedoeld in art. 2:55 lid 1 BW is gedaan. Deze artikelen geven dus geen bevoegdheden aan de kortgedingrechter. Laatstgenoemde kan echter wel een voorziening treffen die inhoudt dat een gedaagde moet gehengen en gedogen dat eiser een hem toekomende bevoegdheid uitoefent. Op analoge gronden als hiervoor in rov. 2.14-2.18 zijn genoemd, moet geoordeeld worden dat [betrokkene 1] een zodanige zeggenschap over RSA en over het vermogen van RSA heeft verkregen, dat hij ook geacht moet worden (contractueel) recht te hebben op vervanging van het bestuur van RSA . Zijn faillissement brengt mee dat de curatoren dat recht hebben verkregen. Dat valt onder hun bevoegdheid beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot het vermogen van [betrokkene 1] . Het Hof kan RSA c.s. dus bevelen te gehengen en gedogen dat de curatoren het bestuur van RSA […]”
r.o. 4.62 · lid 3