← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 3. Het vermogen van de naamloze vennootschap

Artikel 2:99 BW

In deze vorm in werking sinds 26 maart 2008, laatst gewijzigd bij Stb. 2008, 85

1

De algemene vergadering kan besluiten tot vermindering van het geplaatste kapitaal door intrekking van aandelen of door het bedrag van aandelen bij statutenwijziging te verminderen. In dit besluit moeten de aandelen waarop het besluit betrekking heeft, worden aangewezen en moet de uitvoering van het besluit zijn geregeld.

2

Een besluit tot intrekking kan slechts betreffen aandelen die de vennootschap zelf houdt of waarvan zij de certificaten houdt, dan wel alle aandelen van een soort waarvan voor de uitgifte in de statuten is bepaald dat zij kunnen worden ingetrokken met terugbetaling, of wel de uitgelote aandelen van een soort waarvan voor de uitgifte in de statuten is bepaald dat zij kunnen worden uitgeloot met terugbetaling.

3

Vermindering van het bedrag van aandelen zonder terugbetaling en zonder ontheffing van de verplichting tot storting moet naar evenredigheid op alle aandelen van een zelfde soort geschieden. Van het vereiste van evenredigheid mag worden afgeweken met instemming van alle betrokken aandeelhouders.

4

Gedeeltelijke terugbetaling op aandelen of ontheffing van de verplichting tot storting is slechts mogelijk ter uitvoering van een besluit tot vermindering van het bedrag van de aandelen. Zulk een terugbetaling of ontheffing moet naar evenredigheid op alle aandelen geschieden, tenzij voor de uitgifte van een bepaalde soort aandelen in de statuten is bepaald dat terugbetaling of ontheffing kan geschieden uitsluitend op die aandelen; voor die aandelen geldt de eis van evenredigheid. Van het vereiste van evenredigheid mag worden afgeweken met instemming van alle betrokken aandeelhouders.

5

Zijn er verschillende soorten aandelen, dan is voor een besluit tot kapitaalvermindering een voorafgaand of gelijktijdig goedkeurend besluit vereist van elke groep houders van aandelen van een zelfde soort aan wier rechten afbreuk wordt gedaan.

6

Voor een besluit tot kapitaalvermindering is een meerderheid van ten minste twee derden der uitgebrachte stemmen vereist, indien minder dan de helft van het geplaatste kapitaal in de vergadering is vertegenwoordigd. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op een besluit als bedoeld in het vijfde lid.

7

De oproeping tot een vergadering waarin een in dit artikel genoemd besluit wordt genomen, vermeldt het doel van de kapitaalvermindering en de wijze van uitvoering. Het tweede, derde en vierde lid van artikel 123 zijn van overeenkomstige toepassing.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:99 BW (4)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 30 juni 2006

    Intrekking preferente aandelen Unilever: geen afbreuk aan rechten ex artikel 2:99 lid 5 BW

    “[…] houders van tiencentscumprefs (of beter: de vergadering van houders van tiencentscumprefs) in de gelegenheid worden gesteld om met inachtneming van de wettelijke vereisten voorafgaand aan, of gelijktijdig met, de stemming van de algemene vergadering over de voorgestelde intrekking, separaat hun goedkeuring te verlenen aan meergenoemde intrekking, een en ander met inachtneming van de in artikel 2:99 lid 5 en 6 BW vervatte vereisten en dat zulks ook zal worden gepubliceerd via bovengenoemde media." (xv) Bij brief gedateerd 25 april 2005 heeft de advocaat van Unilever namens deze geantwoord dat Unilever niet aan voormeld verzoek tegemoet zal komen. (xvi) Verzoeker tot cassatie sub 1 houdt geen aandelen in het kapitaal van Unilever. Volgens de ter terechtzitting van de ondernemingskamer van 4 mei 2005 door de advocaat van Mellon c.s. gegeven toelichting is zij "general partner c.q. adviser" van de overige verzoekers, een positie "vergelijkbaar met die van beherend vennoot".”

    r.o. 3.1 · leden 5, 6

    “Mellon c.s. hebben bij de ondernemingskamer de hiervoor onder 1 vermelde verzoeken ingediend, samengevat strekkende primair tot voeging van Mellon c.s. als verzoeker of als belanghebbende in de hoofdzaak, en subsidiair tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Unilever zoals dit in de hoofdzaak gaande is, een en ander met als onmiddellijke voorziening voor de duur van de hoofdzaak een verbod aan Unilever de preferente aandelen te (doen) intrekken danwel de intrekking daarvan aan de algemene vergadering van aandeelhouders ter stemming voor te leggen zonder dat de preferente aandeelhouders gelijktijdig of voorafgaand daaraan (op basis van een deugdelijke agendering) een goedkeurend besluit hebben genomen in de zin van art. 2:99 lid 5 BW. Unilever heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.”

    r.o. 3.2.1 · lid 5

    “[…] De ondernemingskamer heeft ten aanzien van de beantwoording van voormelde vraag onder meer het volgende overwogen. "3.4. Mellon c.s. doet haar betoog dat het besluit tot intrekking van de preferente aandelen de (voorafgaande) goedkeuring behoeft van de preferente aandeelhouders steunen op de gedachte dat met de intrekking afbreuk wordt gedaan aan de rechten van die houders als bedoeld in artikel 2:99 lid 5 BW. Aan hun rechten zou afbreuk worden gedaan doordat de preferente aandeelhouders als gevolg van de intrekking geen nakoming meer zou kunnen vorderen van de "putoptie" die zij - aldus nog steeds Mellon c.s. - "in feite" bij uitgifte jegens Unilever hebben verkregen. Zij mochten er volgens Mellon c.s. immers op vertrouwen dat Unilever preferente aandelen tegen betaling van € 6,58 zou inkopen. Daarnaast zou afbreuk aan die rechten plaatsvinden doordat als gevolg van de intrekking de beursnotering zal eindigen, waarmee ook het voordeel van de verhandelbaarheid van de preferente aandelen wegvalt. Subsidiair heeft Mellon c.s. nog gesteld dat elke intrekking van preferente aandelen een afbreuk aan de rechten doet van de houders van die aandelen.”

    r.o. 3.2.2 · lid 5

    “[…] voornemen tot conversie gevolgd door intrekking (ruimschoots) had bekendgemaakt. Een eventueel rechtens te honoreren vertrouwen was dat in ieder geval ten aanzien van Mellon c.s. reeds weggenomen. Evenmin valt in te zien op grond van welke gedragingen van Unilever Mellon c.s. vervolgens nog een in rechte te honoreren vertrouwen zou kunnen ontlenen dat Unilever enkel met inachtneming van artikel 2:99 lid 5 BW de preferente aandelen zou intrekken.”

    r.o. 3.7 · lid 5

    ECLI:NL:HR:2006:AX6622

Conclusies van de A-G (2)

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 juli 2023

    Conclusie: uitkoop NIBC-minderheidsaandeelhouders, billijke prijs en peildatum bij openbaar bod

    “Op 16 februari 2021 heeft een kapitaalvermindering plaatsgevonden waarbij NIBC Holding de 1.025.834 (gewone) aandelen die zij in haar eigen kapitaal hield, heeft ingetrokken. Dit met inachtneming van de relevante kapitaalverminderingsprocedure van art. 2:99 en 2:100 BW. Daarmee zijn de eigen aandelen komen te vervallen. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure (3 maart 2021) bedroeg het geplaatste kapitaal van NIBC Holding € 2.929.750,70 en bestond het uit 146.487.535 (gewone) aandelen met een nominale waarde van € 0,02 per aandeel.”

    r.o. 1.25

    ECLI:NL:PHR:2023:667

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 juni 2006

    Conclusie: intrekking preferente aandelen Unilever en voeging in enquêteprocedure

    “Bij brief gedateerd 21 april 2005 hebben mr. Corten en mr. Berendsen namens, naar later zou blijken, ''Mellon HBV Alternatieve Strategies UK Ltd'', verzocht om dit punt van de agenda te schrappen, althans om dit punt zodanig te wijzigen dat hierin tot uitdrukking wordt gebracht dat: ''de houders van tiencentscumprefs (of beter: de vergadering van houders van tiencentscumprefs) in de gelegenheid worden gesteld om met inachtneming van de wettelijke vereisten voorafgaand aan, of gelijktijdig met, de stemming van de algemene vergadering over de voorgestelde intrekking, separaat hun goedkeuring te verlenen aan meergenoemde intrekking een en ander met inachtneming van de in artikel 2:99 lid 5 en 6 BW vervatte vereisten en dat zulks ook zal worden gepubliceerd via bovengenoemde media''.”

    r.o. 1.9 · leden 5, 6

    “[…] Unilever te verbieden om de preferente aandelen te (doen) intrekken, althans Unilever te verbieden de intrekking van preferente aandelen aan de algemene vergadering van aandeelhouders ter stemming voor te leggen zonder dat de preferente aandeelhouders gelijktijdig of voorafgaand daaraan - op basis van een deugdelijke agendering - een goedkeurend besluit hebben genomen in de zin van artikel 2:99 lid 5 BW, althans enige andere door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen voorziening te treffen; 2) subsidiair: een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Unilever ter zake van de voorgenomen intrekking van de preferente aandelen in de periode van maart 2004 tot de dag van indiening van het verzoekschrift en daartoe dezelfde onderzoekers te benoemen als in de hoofdzaak tot het doen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Unilever zoals dit in de hoofdzaak gaande is alsmede voor de duur van het geding de hiervoor in 1) genoemde onmiddellijke voorzieningen te treffen; 3) Unilever te veroordelen in de kosten van het geding.”

    r.o. 2.1 · lid 5

    “Het onderdeel voert aan dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. In het algemeen (onderdeel 1.1), althans in dit geval (onderdeel 1.2), geldt dat bij intrekking van een soort aandelen, sprake is van afbreuk van rechten als bedoeld in art. 2:99 lid 5 BW. Dit artikel vereist de goedkeuring van de betreffende groep van aandeelhouders. Dit heeft de ondernemingskamer miskent, aldus het onderdeel.”

    r.o. 3.3 · lid 5

    “Art. 2:99 lid 1 BW bepaalt dat de algemene vergadering van aandeelhouders kan besluiten tot verminderen van het geplaatste kapitaal door (i) intrekking van aandelen, of door (ii) "het bedrag van aandelen bij statutenwijziging te verminderen".”

    r.o. 3.4 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2006:AX6622

Rechtbanken (1)

  • Rechtbank Amsterdam · 9 juli 2026

    Artikel 2:299 BW niet bedoeld om zittende stichtingsbestuurder te vervangen

    “[verweerder 1] en [verweerder 2] voeren daartoe – kort gezegd – aan dat NTF niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 2:299 BW en onvoldoende belang heeft bij het verzoek. Daarnaast stellen zij dat [naam 5] rechtsgeldig tot bestuurder van [verweerder 1] is benoemd en dat hij voldoet aan de in artikel 4 lid 3 van de statuten opgenomen kwaliteitseis. Volgens hen beschikt [verweerder 1] thans over een rechtsgeldig bestuur en doet zich geen situatie voor als bedoeld in artikel 2:299 BW. Zij wijst erop dat artikel 2:99 BW er niet voor is bedoeld om een bestuurder te vervangen die je niet zint en ook niet om een vermogensrechtelijk geschil op te lossen.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:RBAMS:2026:7461