Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 5. Het bestuur van de naamloze vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:145 BW
In deze vorm in werking sinds 1 december 2019, laatst gewijzigd bij Stb. 2019, 423
De algemene vergadering kan aan de commissarissen een bezoldiging toekennen.
Indien aandelen van de vennootschap of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, zijn de artikelen 135a en 135b van overeenkomstige toepassing.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:145 BW (4)
Hoge Raad (1)
Imeko Holding
Beloning commissaris voor bestuurswerkzaamheden: bevoegdheid AVA of raad van commissarissen
“Onderdeel 1a van het middel klaagt dat de beslissing van het hof onjuist is, omdat commissarissen op grond van art. 2:145 BW en art. 23 van de statuten van Imeko slechts aanspraak kunnen maken op een door de ava vastgestelde bezoldiging. De klacht is gegrond. De beloning van bestuurders en commissarissen dient, ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders en commissarissen te voorkomen, te geschieden door de in de wet en de statuten aangewezen organen. Commissarissen kunnen, zoals ook valt af te leiden uit art. 2:151 BW, voor zekere tijd daden van bestuur verrichten, maar zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan - in het geval van Imeko is dat ingevolge art. 18.1 van haar statuten de ava - maken zij geen deel uit van het bestuur. Indien de statuten van een naamloze vennootschap de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders aan de raad van commissarissen overlaten, zoals art. 2:135 BW toelaat en in art. 18.7 van de statuten van Imeko is geregeld, […]”
r.o. 3.4
Conclusies van de A-G (3)
Beloning commissaris die tijdelijk bestuurstaken verricht: alleen de AVA is bevoegd
“Imeko is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. [eiser] heeft incidenteel appel ingesteld. Bij arrest van 23 mei 2017 heeft het hof Amsterdam [eiser] veroordeeld tot betaling aan Imeko van € 563.750,- vermeerderd met wettelijke rente. Het hof heeft de volgende overwegingen aan zijn beslissing ten grondslag gelegd: “3.5 De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Daarbij is uitgangspunt (zie ook de HR in de zaak van Imeko tegen [betrokkene 1] : ECLI:NL:HR:2012:BU6509) dat commissarissen op grond van art. 2:145 BW en art. 23 van de statuten van Imeko slechts aanspraak kunnen maken op een door de ava vastgestelde beloning, ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden. Verder geldt dat commissarissen, zoals ook valt af te leiden uit art. 2:151 BW en art. 18.6 van de statuten, voor zekere tijd daden van bestuur kunnen verrichten, maar zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan - in het geval van Imeko is dat ingevolge art. 18.1 van haar statuten de ava - maken zij geen deel uit van het bestuur. Vaststaat dat de ava [eiser] niet heeft benoemd tot bestuurder.”
r.o. 2.4“Ter onderbouwing van dit standpunt van de wetgever verwees ik in de conclusie voor HR 6 januari 2012 naar een amendement waarin het nadien aangenomen artikel 2:145 BW (en art. 2:255 BW) als volgt wordt toegelicht: “De huidige artikelen 145 en 255 van boek 2 BW kennen de mogelijkheid om in de statuten te bepalen dat een ander orgaan dan de algemene vergadering de bezoldiging van commissarissen vaststelt. Vanuit het oogpunt van een evenwichtige verdeling van bevoegdheden is het van belang dat de algemene vergadering deze bevoegdheid niet statutair of anderszins overlaat aan een ander orgaan. Hiermee wordt uitgesloten dat de Raad van Commissarissen [zijn] eigen bezoldiging vaststelt [curs. A-G].””
r.o. 3.4Beloning commissaris voor bestuurswerkzaamheden: bevoegdheid AVA of raad van commissarissen
“Onderdeel 1 verdedigt dat [verweerder 2] alleen recht heeft op de door de AvA vastgestelde bezoldiging, hetgeen uitgewerkt wordt in de klachten geformuleerd in subonderdeel 1a-c. In subonderdeel 1a wordt aangevoerd dat het hof art. 2:145 BW en/of art. 23 van de statuten heeft miskend. Toepassing van die bepalingen is niet afhankelijk van het soort werkzaamheden dat een commissaris verricht, aldus het subonderdeel. Subonderdeel 1b is voorgesteld, voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op art. 18 lid 7 van de statuten. Aangevoerd wordt dat art. 18 lid 7 niet van toepassing is, aangezien die bepaling alleen ziet op de bezoldiging van statutaire bestuurders. Daarnaast is een op grond van art. 18 lid 7 van de statuten door de RvC vastgesteld bezoldigingsbesluit in strijd met art. 2:145 BW, aldus nog steeds het subonderdeel. Ten slotte wordt in subonderdeel 1c geklaagd dat het hof niet kon besluiten tot toekenning van een aanvullende managementvergoeding vanwege het tegenstrijdig belang van de RvC daarbij, althans het hof had niet zonder afdoende motivering aan het beroep van Imeko op het bestaan van dit tegenstrijdig belang voorbij mogen gaan.”
r.o. 3.2“De bevoegdheidsverdeling betreffende de vaststelling van de aan de leden van het bestuur en de RvC toekomende bezoldiging is geregeld in resp. art. 2:135 lid 4 BW en art. 2:145 BW. Daarin is enerzijds bepaald dat de AvA, of een bij statuten aangewezen ander orgaan, bevoegd is de bezoldiging van het bestuur vast te stellen, terwijl anderzijds de AvA bevoegd is dat voor de RvC te doen. Hiermee overeenstemmende bepalingen zijn te vinden in resp. art. 18 lid 7 en art. 23 van de statuten van Imeko, waaruit volgt dat de bevoegdheid om de bezoldiging van de bestuurders vast te stellen aan de RvC is toebedeeld en de AvA de bezoldiging van de RvC vaststelt. Wat partijen verdeeld houdt, is of bij de vraag welk orgaan bevoegd is de bezoldiging van de RvC vast te stellen de aard van de door de RvC verrichte werkzaamheden van doorslaggevend belang is danwel de formele kwaliteit van RvC dat die werkzaamheden verricht. [Verweerder] c.s. verdedigen de eerste opvatting en het hof volgt hen daarin. Volgens Imeko is de tweede opvatting juist, hetgeen ook de rechtbank heeft aangenomen.”
r.o. 3.5“De andersluidende opvatting is bij voorbeeld in strijd met de rechtszekerheid die juist bij vragen van bevoegdheidsverdeling van groot gewicht is. Er zal gemakkelijk meningsverschil kunnen rijzen over de aard van de door de commissaris verrichte werkzaamheden. Uit de tekst van het huidige art. 2:145 BW blijkt dat de wetgever het niet wenst dat een ander orgaan dan de AvA over de bezoldiging van de commissarissen beslist.(7) Dit strenge uitgangpunt wordt ondergraven, wanneer op grond van de aard van de werkzaamheden de commissarissen zelf hun beloning in ieder geval ten dele mogen vaststellen.”
r.o. 3.7Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager
Een N.V. vorderde van haar voormalige statutair directeur terugbetaling van aanvullende vergoedingen voor invalwerkzaamheden in een andere, afzonderlijke functie. De A-G concludeert dat de Imeko-regel, dat de beloning van bestuurders door het wettelijk of statutair aangewezen orgaan moet worden vastgesteld, niet geldt voor een duidelijk van het bestuurderschap afgesplitste functie. Daarvoor gelden de gewone vertegenwoordigingsregels, zodat de medebestuurder bevoegd was. Het beroep op tegenstrijdig belang was onvoldoende geconcretiseerd. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.