Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 3. Het vermogen van de naamloze vennootschap
Artikel 2:105 BW
In deze vorm in werking sinds 1 oktober 2004, laatst gewijzigd bij Stb. 2004, 370
Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, komt de winst de aandeelhouders ten goede.
De naamloze vennootschap kan aan de aandeelhouders en andere gerechtigden tot de voor uitkering vatbare winst slechts uitkeringen doen voor zover haar eigen vermogen groter is dan het bedrag van het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden.
Uitkering van winst geschiedt na de vaststelling van de jaarrekening waaruit blijkt dat zij geoorloofd is.
De vennootschap mag tussentijds slechts uitkeringen doen, indien de statuten dit toelaten en aan het vereiste van het tweede lid is voldaan blijkens een tussentijdse vermogensopstelling. Deze heeft betrekking op de stand van het vermogen op ten vroegste de eerste dag van de derde maand voor de maand waarin het besluit tot uitkering bekend wordt gemaakt. Zij wordt opgemaakt met inachtneming van in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden. In de vermogensopstelling worden de krachtens de wet of de statuten te reserveren bedragen opgenomen. Zij wordt ondertekend door de bestuurders; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt. De vennootschap legt de vermogensopstelling ten kantore van het handelsregister neer binnen acht dagen na de dag waarop het besluit tot uitkering wordt bekend gemaakt.
Bij de berekening van de winstverdeling tellen de aandelen die de vennootschap in haar kapitaal houdt, mede, tenzij bij de statuten anders is bepaald.
Bij de berekening van het winstbedrag, dat op ieder aandeel zal worden uitgekeerd, komt slechts het bedrag van de verplichte stortingen op het nominale bedrag van de aandelen in aanmerking, tenzij bij de statuten anders is bepaald.
De statuten kunnen bepalen dat de vordering van een aandeelhouder niet door verloop van vijf jaren verjaart, doch eerst na een langere termijn vervalt. Een zodanige bepaling is alsdan van overeenkomstige toepassing op de vordering van een houder van een certificaat van een aandeel op de aandeelhouder.
Een uitkering in strijd met het tweede of vierde lid moet worden terugbetaald door de aandeelhouder of andere winstgerechtigde die wist of behoorde te weten dat de uitkering niet geoorloofd was.
Geen van de aandeelhouders kan geheel worden uitgesloten van het delen in de winst.
De statuten kunnen bepalen dat de winst waartoe houders van aandelen van een bepaalde soort gerechtigd zijn, geheel of gedeeltelijk te hunnen behoeve wordt gereserveerd.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:105 BW (6)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (1)
DSM
Loyaliteitsdividend DSM: artikel 2:92 BW en onmiddellijke voorziening in enquêteprocedure
“Het middel voert terecht aan dat deze oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 2:92 lid 1 BW. De daarin opgenomen hoofdregel dat aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen zijn verbonden, is van regelend recht, nu daarvan in de statuten kan worden afgeweken. Uit de tekst en de strekking van deze bepaling volgt niet dat een statutaire afwijking van deze hoofdregel slechts mogelijk is met betrekking tot aandelen van een bepaalde soort. In het bijzonder schrijft art. 2:92 lid 1, gelezen in verband met het bepaalde in art. 2:105 BW, niet dwingend voor dat aan aandelen van dezelfde soort altijd in omvang gelijke aanspraken op dividend moeten zijn verbonden. Art. 2:92 lid 1 verzet zich daarom niet tegen een regeling in de statuten waarbij aan geregistreerde aandeelhouders onder bepaalde voorwaarden een financiële uitkering, bijvoorbeeld in de vorm van een aanvullend dividend, wordt toegekend, mits deze regeling geen schending oplevert van het in art. 2:92 lid 2 BW neergelegde gelijkheidsbeginsel.”
r.o. 3.3
Conclusies van de A-G (5)
Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)
“In rov. 3.22-3.38 behandelt het hof de grieven II, IV, VI en VII waarin VEB c.s. betogen dat het reserveringsbesluit de toets van art. 2:15 lid 1 sub b jo. art. 2:8 BW niet kan doorstaan. Volgens VEB c.s. dient het uitgangspunt te zijn dat de winst aan de aandeelhouders proportioneel toekomt; KLM en AFKLM dienen niet alleen jegens de minderheidsaandeelhouders te handelen overeenkomstig hetgeen de redelijkheid en billijkheid vergen, maar hebben jegens hen ook een bijzondere zorgplicht. De minderheidsaandeelhouders hebben geen mogelijkheid om hun aandelen te verkopen omdat AFKLM weigert hen uit te kopen; zij zijn daarom geheel aangewezen op het dividend. Bovendien is volgens VEB c.s. de door KLM aangevoerde ratio net debt to equity ratio (NDER) een ondeugdelijke en achteraf bedachte ratio. KLM keert volgens VEB c.s. beduidend minder uit dan vergelijkbare luchtvaartmaatschappijen. KLM c.s. proberen de minderheidsaandeelhouders eenvoudigweg uit te roken, hetgeen strijdig is met hetgeen de redelijkheid en billijkheid vorderen, onrechtmatig en in strijd met art. 2:105 BW dat voor de minderheidsaandeelhouders een aanspraak op het gevorderde dividend waarborgt.”
r.o. 2.6“Het beroep van VEB c.s. op artikel 2:105 BW als grondslag voor de vorderingen gaat niet op, omdat aan die bepaling weliswaar het uitgangpunt kan worden ontleend dat de winst in beginsel aan de aandeelhouders toekomt, maar zulks onverlet laat de mogelijkheid dat statutair een afwijkende regeling toepassing vindt, zoals neergelegd in de statuten van KLM, die de uitkering van de winst afhankelijk stellen van besluiten van de vergadering van de houders van prioriteitsaandelen en de AVA over reservering van de winst.”
r.o. 3.35Loyaliteitsdividend DSM en onmiddellijke voorzieningen: cassatie in het belang der wet
“Men kan zich nog afvragen of dit soort bonussen wel dividend in de zin van de wet is en niet bij voorbeeld een bijzondere verplichting van de vennootschap in de zin van art. 2:94 BW. Ik ga op deze vraag niet in. Ik verwijs slechts naar het antwoord dat Guyon in zijn m.i. voortreffelijke artikel uit 1995 geeft voor Frankrijk waar dezelfde vraag is opgeworpen: "( ) l'avantage n'est pas particulier mais général puisque tout actionnaire a vocation à en bénéficier, sous la seule condition de mettre ses titres au nominatif et de les converser pendant le délai fixé par les statuts." (10) Er is in het geval van loyaliteitsdividend voor Nederland mijns inziens ook sprake van een dividend waarop alle wets- en statutaire bepalingen, zoals art. 2:92 en art. 2:105 BW, van toepassing zijn. Wetshistorie van art. 2:92 lid 1 BW”
r.o. 3.21“Ook art. 2:105 lid 6 BW eist voor het differentiëren van winstrechten m.i. niet meer dan een statutaire grondslag. Dit artikel houdt niet meer in dan dat, ingeval het dividend niet aan de verplichte stortingen wordt gerelateerd, daarvoor een statutaire bepaling is vereist.”
r.o. 3.27 · lid 6“Van Olffen lijkt het door mij verdedigde standpunt in te nemen. Hij neemt aan dat een statutaire bepaling in de opzet van art. 2:92 en 2:105 BW is toegelaten ook al leidt deze ertoe dat aan aandeelhouders die aan bepaalde voorwaarden voldoen een deel van de winst wordt uitgekeerd(14). Hetzelfde standpunt lijkt ook Van Solinge (sr) toegedaan. Hij merkt weliswaar op dat voor doorbreking van de gelijkheid van de aan de aandelen verbonden financiële rechten verschillende soorten aandelen moeten worden gecreëerd, dit overigens zonder motivering, maar hij schrijft ook dat het naar zijn overtuiging evenzeer op andere wijze geoorloofd is in de statuten de grondslag te leggen voor differentiatie in de winstverdeling. Hij doet daarbij een beroep op de toenemende behoefte aan een gevarieerd arsenaal financieringsinstrumenten waarbij mogelijkheden tot adequaat inspelen op de kapitaalmarktomstandigheden van essentieel belang zijn.(15) Ik verwijs tenslotte nog naar de noot van P. Storm in Ondernemingsrecht onder de DSM-beschikking waarin hij zich afvraagt waarom verschillende soorten aandelen moeten worden gecreëerd voor hetgeen DSM beoogt(16). Enige andere kanttekeningen bij de beschikking van […]”
r.o. 3.30Artikel 2:86d BW: belanghebbenden bij verzet tegen duplicaten van toonderaandeelbewijzen
“[…] beschikking. 2 Hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem 6 oktober 2009, LJN: BL1940, 200.021.644, rov. 4.6. 3 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 18 april 2011. 4 Kamerstukken II 1997-1998, 26 133, nr. 5, blz. 3. 5 Zie evt. nog wel GvEA NA 16 december 2009, LJN: BL0523, JOR 2010, 39 m.nt. Mr. drs. C.J. Groffen aangaande de uitleg van de Antilliaanse regeling in art. 2:105 lid 4 BW NA. Dat artikel bepaalde dat de aandeelhouder die ten genoege van de vennootschap aannemelijk maakt dat zijn toonderbewijs is verloren of teniet is gegaan, op zijn verzoek, tot het tegendeel blijkt, door de vennootschap als aandeelhouder op naam wordt aangemerkt en dat hij tegenover de vennootschap en derden is aansprakelijk voor alle als gevolg hiervan te lijden schade. 6 Zie Kamerstukken II 2010-2011, 32 608, nr. 2 (Een centraal aandeelhoudersregister voor besloten- en (niet-beursgenoteerde) naamloze vennootschappen; Initiatiefnota). Over de afschaffing van toonderaandelen wordt geschreven door bijv. C.AE. Uniken Venema, Over afschaffing van toondereffecten en over de beperkte dematerialisatie en enkele andere onderwerpen in het Wge-wijzigingsontwerp 2009, […]”
r.o. 3.52 · lid 4Enquête: ontvankelijkheid medeverzoeker na intrekking verzoek door andere verzoekster; kapitaaleis
“In verband met dit tweede geschil is ook geprocedeerd op de Antillen. Die procedure liep parallel met de enquêteprocedure in Nederland. [Betrokkene 1] stelde dat het aan hem toebehorende certificaat van zijn toonderaandelen in Rhodia was zoekgeraakt. Het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen (zittingsplaats Curaçao) heeft bij vonnis in kort geding van 16 december 2009 Rhodia veroordeeld om [betrokkene 1] op de voet van art. 2:105 lid 4 BW van de Nederlandse Antillen als aandeelhouder op naam aan te merken en als zodanig in het aandeelhoudersregister te registreren. Hiermee was de verhouding van aandelen Rhodia de volgende: [verzoeker] (40%), [betrokkene 1] (30%) en [betrokkene 2] (middellijk 30%). Dit is van belang, omdat hierdoor niet [verzoeker], maar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] samen een meerderheid in de aandeelhoudersvergadering bij Rhodia hebben.”
r.o. 2.6 · lid 4Aansprakelijkheid voormalige aandeelhoudster voor onttrekkingen na buy-out; feitelijk bestuurder; artikel 2:11 BW
“[…] in het risicodragend vermogen van de vennootschap die de onderneming na deze transactie in stand houdt. 14 Zie over art. 2:374: Asser-Maeijer III (1994) nr. 419; losbl. Rechtspersonen, ad art. 2:374 BW (Th.S. IJsselmuiden). 15 Dit zijn de zgn. gebonden reserves. Daarnaast bestaan vrije reserves. Zie verder: Asser- Maeijer III (1994) nr. 447 e.v.; losbl. Rechtspersonen, aant. 3 ad art. 2:105 BW (J.B. Huizink). Overigens maakt de curator een onderscheid tussen reserves die vennootschapsrechtelijk vrij zijn en reserves die bedrijfseconomisch vrij zijn: pleitnota in appèl blz. 10. 16 Art. 2:216 lid 2: De vennootschap kan aan de aandeelhouders (Y) slechts uitkeringen doen voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. Lid 4: De vennootschap mag tussentijds slechts uitkeringen doen, indien de statuten dit toelaten en aan het vereiste van het tweede lid is voldaan. 17 De curator bedoelt het resultaat over het lopende boekjaar (1988) tot dat moment. 18 Vgl. T & C BW (Huijgen), aant. 3 ad art. 2:216; Van Schilfgaarde, Van de BV en de NV […]”
r.o. 3.2