Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 5. Het bestuur van de naamloze vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:136 BW
In werking getreden op 26 juli 1976 (Stb. 1976, 395)
Tenzij bij de statuten anders is bepaald, is het bestuur zonder opdracht der algemene vergadering niet bevoegd aangifte te doen tot faillietverklaring van de naamloze vennootschap.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:136 BW (2)
Conclusies van de A-G (1)
Eigen faillissementsaanvraag door bestuurder als kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW)
“[…] gedaan door een naamloze vennootschap (NV), een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BV), een coöperatieve vereniging of een buitenlandse rechtspersoon: (…)- de originele notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders waaruit blijkt van de opdracht van deze vergadering aan het bestuur tot het aanvragen van het faillissement van de vennootschap, als bedoeld in artikel 2:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor de NV en artikel 2:246 BW voor de BV; (…) [vetgedrukt in origineel, A-G]” Van Andel leest het Procesreglement zo dat niet alleen uittreksels, maar ook de opdracht van de AV aan het bestuur als bedoeld in art. 2:246 BW niet ouder mag zijn dan één maand voor de aanvraag van de eigen aangifte tot faillietverklaring. In casu heeft de AV de toestemming in de zin van art. 2:246 BW op 17 oktober 2011 verleend (zie nr. 1.5-1.6). De faillissementsaanvraag werd ruim twee maanden later, op 27 december 2011, ingediend door [eiser] (nr. 1.18), hetgeen voor Van Andel reden is om aan te nemen dat de rechtbank het faillissement niet had mogen uitspreken omdat de aanvraag niet voldeed aan het Procesreglement. De lezing van het Procesreglement van Van Andel komt […]”
r.o. 3.13
Rechtbanken (1)
Verzet schuldeisers tegen juridische fusie ongegrond: vermogenstoestand in artikel 2:316 lid 2 BW
“[…] dat geen belang dat artikel 2:316 BW beoogt te beschermen. Voor zover de procedure bij de Ondernemingskamer, zoals SBK c.s. heeft gesteld, zou dienen ter feitelijke onderbouwing van de vorderingen van SBK c.s. op Bidco in een bodemzaak, betoogt zij hiermee dat haar bewijspositie door de Fusie verslechtert. Zonder nadere toelichting door SBK c.s., ziet de rechtbank hierin geen belang dat artikel 2:136 BW beoogt te beschermen. Bovendien is het enquêterecht niet bedoeld voor de beslechting van geschillen van uitsluitend vermogensrechtelijke aard, noch voor het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. De onmogelijkheid tot het ongedaan maken van de Midco Sale”
r.o. 4.19