Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 5. Het bestuur van de naamloze vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:129 BW
In deze vorm in werking sinds 1 mei 2021, laatst gewijzigd bij Stb. 2021, 185
Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap. Voor een vennootschap waarvan de aandelen of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, is daaronder in ieder geval begrepen het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap.
De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen.
Besluiten van het bestuur kunnen bij of krachtens de statuten slechts worden onderworpen aan de goedkeuring van een orgaan van de vennootschap.
De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een orgaan van de vennootschap die de algemene lijnen van het te voeren beleid op nader in de statuten aangegeven terreinen betreffen.
Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:129 BW (15)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (14)
Conclusie A-G: ernstig persoonlijk verwijt indirect bestuurder bij afwikkeling vennootschap, Ontvanger/Roelofsen
“Voor zover de klachten aansluiten bij de wettelijke regeling van tegenstrijdig belang (zie bijvoorbeeld art. 2:129 lid 6 BW en art. 2:239 lid 6 BW voor bestuurders van een naamloze respectievelijk besloten vennootschap), slagen zij niet. In deze zaak is immers niet de vraag aan de orde of [eiser 2] had mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming in verband met een persoonlijk belang dat al dan niet tegenstrijdig is aan het belang van de vennootschap(pen) waarvan hij bestuurder was, maar de vraag of [eiser 2] in verband met zijn handelen jegens de Bank als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarbij gaat het om de toepassing van de hiervoor 3.3 e.v. geschetste normen, die uiteindelijk een invulling vormen van de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW. De wettelijke regeling van tegenstrijdig belang speelt daarbij geen rol. Voor zover het subonderdeel zou willen betogen dat van een bestuurder nooit kan worden verwacht dat hij verschillende belangen gescheiden houdt, dat hij dat zorgvuldig doet en daarbij openheid betracht, tenzij sprake is van een tegenstrijdig belang in de zin van de wettelijke regeling, vindt dat geen steun in het recht.”
r.o. 3.82 · lid 6“[…] Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk omdat het hof dan deze essentiële stelling van [eisers] heeft gepasseerd. 3.102 De klacht faalt. Kennelijk heeft de steller van het middel hier wederom het oog op de verhouding tussen [eiser 2] en de vennootschap(pen) waarvan hij bestuurder was, in het bijzonder de regeling van tegenstrijdig belang van art. 2:129 lid 5 BW. In deze zaak heeft het hof die regeling echter niet toegepast (vergelijk 3.82). Het gaat immers om de verhouding van [eiser 2] tegenover de Bank als schuldeiser van FPA, waarbij de van [eiser 2] te verwachten zorgvuldigheid kan meebrengen dat hij ten opzichte van die schuldeiser een informatieplicht heeft (hiervoor 3.109). De verwijzing van het hof naar de Bank als aandeelhouder, moet mede worden gezien in het licht van het verweer van [eisers] dat de Bank in haar positie van aandeelhouder van FPA de nodige kennis had over (de financiële positie van) FPA en de weerlegging daarvan door de Bank (hiervoor 3.25). Verder nog: de klacht steekt in vanuit de regeling van tegenstrijdig belang van art. 2:129 lid 5 BW. Die regeling is door het hof niet toegepast. Die regeling […]”
r.o. 5.37 · lid 5Conclusie A-G: wanbeleid bij LBO en fusie kinderopvangbedrijf, publiek belang en tegenstrijdig belang
“[…] en commissarissen, samengevat, niet hebben voldaan aan de mede in verband met een tegenstrijdig belang op hen rustende (verhoogde) zorgvuldigheid. 3.34.1 Het subonderdeel klaagt ten eerste dat voor zover de OK met de verwijzing in rov. 3.13.6 naar de aldaar genoemde rechtspraak een minder terughoudend toetsingskader heeft gehanteerd, gebaseerd op de tegenstrijdigbelangregeling in art. 2:129/239 lid 6 BW, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting nu dit toetsingskader niet gold in 2010. 3.34.2 Het subonderdeel klaagt ten tweede dat het oordeel van de OK getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is, omdat zonder nadere toelichting - die ontbreekt - evenmin valt in te zien dat door Catalpa’s bestuurders en commissarissen niet is voldaan aan de geldende regels bij tegenstrijdig belang. Want, kort gezegd, aan de dan toepasselijke “enquêterechtelijke zorgvuldigheidsregel ontwikkeld in onder andere de […] / […]-beschikking” is in dit geval voldoende invulling gegeven. Catalpa’s bestuurders hebben zorgvuldig de belangen uit elkaar gehouden en dit gewaarborgd door openheid te betrachten. Alle partijen betrokken bij […]”
r.o. 3.34“Het subonderdeel klaagt ten eerste dat voor zover de OK met de verwijzing in rov. 3.13.6 naar de aldaar genoemde rechtspraak een minder terughoudend toetsingskader heeft gehanteerd, gebaseerd op de tegenstrijdigbelangregeling in art. 2:129/239 lid 6 BW, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting nu dit toetsingskader niet gold in 2010.”
r.o. 3.34.1“Het subonderdeel klaagt ten tweede dat het oordeel van de OK getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is, omdat zonder nadere toelichting - die ontbreekt - evenmin valt in te zien dat door Catalpa’s bestuurders en commissarissen niet is voldaan aan de geldende regels bij tegenstrijdig belang. Want, kort gezegd, aan de dan toepasselijke “enquêterechtelijke zorgvuldigheidsregel ontwikkeld in onder andere de […] / […]-beschikking” is in dit geval voldoende invulling gegeven. Catalpa’s bestuurders hebben zorgvuldig de belangen uit elkaar gehouden en dit gewaarborgd door openheid te betrachten. Alle partijen betrokken bij de transactie en Catalpa waren bekend met de posities van de bestuurders en commissarissen bij Bencis, Catalpa en Providence. De bestuurders hebben tevens onafhankelijke derden ingeschakeld die hebben aangegeven dat alle onderdelen van de transactie, van financiering tot juridische fusie, marktconform waren. Daarnaast is ook de destijds geldende wettelijke regeling nageleefd. Behandeling”
r.o. 3.34.2“Te beginnen met de eerste klacht. 3.36.1 Deze strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de tweedefasebeschikking. Nergens in die beschikking brengt de OK tot uitdrukking een minder terughoudend toetsingskader te hanteren op basis van art. 2:129/239 lid 6 BW, welke bepaling eerst gold per 1 januari 2013. Dit wordt niet anders door rov. 3.13.6. Met de daarin vervatte verwijzing naar eigen rechtspraak en een conclusie van A-G Hartlief, die ook put uit parlementaire geschiedenis inzake aanpassing van het recht van enquête, doelt de OK op het - al decennia in haar enquêterechtelijke jurisprudentie gehanteerde - beginsel dat de rechter gedragingen van bestuurders en commissarissen verdergaand toetst als sprake was van een tegenstrijdig belang.”
r.o. 3.36Enquêteverzoek aandeelhouder afgewezen; maatstaf gegronde redenen en niet op redelijke grond gedaan
“[…] en het belang van de Vennootschap heimelijk hun controlerende zeggenschap te formaliseren en/of vergroten met AII.” Dit nr. 9.6 luidt als volgt: “9.6. De in randnr. 9.3 genoemde omstandigheden leiden tot in ieder geval de volgende juridische conclusies: (i) Tegenstrijdige belang: er is een tegenstrijdig belang bij de CEO, die daarmee handelt in strijd met het belang van de Vennootschap ex art. 2:129 lid 6 BW (en art. 2:8 BW); (ii) Veronachtzamen belangen minderheidsaandeelhouders: Er wordt geen acht geslagen op de belangen van Olympus (als minderheidsaandeelhouder), betracht de Vennootschap niet de vereiste zorgvuldigheid met betrekking tot de belangen van haar aandeelhouders; en (iii) Op elkaar afgestemde stemgedragingen: een groep (Italiaanse) aandeelhouders onder leiding van de CEO heeft zich kennelijk verenigd in All en stemt zijn gedragingen onderling af ten detrimente van de Vennootschap en minderheidsaandeelhouders en oefent een controle uit voor meer dan 30%, aldus handelend in strijd met art. 13 van de Statuten en art. 2:8 BW. Olympus zal deze gronden hierna uitwerken. Uit de feiten zoals die hiervoor in het verweerschrift zijn uiteengezet [zie in het bijzonder […]”
r.o. 3.8 · lid 6Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager
“[…] zoals in dat arrest voorlag, maar (hooguit) dat een orgaan de vergoeding vaststelt voor werkzaamheden die een persoon, die ook lid is van dat orgaan, in een duidelijk te onderscheiden andere functie verricht en die duidelijk te onderscheiden zijn van het bestuurderschap. Voor zover dáárbij een belangenconflict zou kunnen opspelen, voorziet de wet sinds 1 januari 2013 met onder meer art. 2:129 lid 5-6 BW (voordien art. 2:146 (oud) BW) in een specifieke regeling ter zake, nog daargelaten gedragsnormerende bepalingen als art. 2:8 en 2:9 BW. Het hof is in het arrest, zie in het bijzonder rov. 3.4 t/m 3.6 en rov. 3.10, dan ook terecht van deze bevoegdheidsverdeling uitgegaan. Ik wijs er nog op dat Orthocenter bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst VM met [verweerder] kennelijk eveneens ervan uitging dat [betrokkene 1] als de algemeen statutair directeur bevoegd was ter zake Orthocenter te vertegenwoordigen. Het hof heeft in rov. 3.4 weliswaar vastgesteld dat [betrokkene 2] de arbeidsovereenkomst VM heeft meegetekend “voor akkoord” waar [betrokkene 1] “namens Orthocenter” tekende als haar algemeen statutair directeur (te onderscheiden van de arbeidsovereenkomst statutair […]”
r.o. 3.16 · leden 5, 6“[…] bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. De algemene vergadering van aandeelhouders is echter steeds bevoegd in geval van tegenstrijdig belang een persoon aan te wijzen die de vennootschap vertegenwoordigt.” Deze bepaling is in overeenstemming met art. 2:146 (oud) BW, welke bepaling per 1 januari 2013 is komen te vervallen en is vervangen door de tegenstrijdig belang-regeling van art. 2:129 lid 6 BW (en art. 2:140 lid 5 BW voor commissarissen), die in de sleutel staat van besluitvorming. Art. 2:146 (oud) BW luidde als volgt: “Tenzij bij de statuten anders is bepaald, wordt de naamloze vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd door commissarissen. De algemene vergadering is steeds bevoegd een of meer andere personen daartoe aan te wijzen.” Van de mogelijkheid die de eerste zin van art. 2:146 BW (oud) bood om het tegenstrijdig belang in de statuten ‘weg te schrijven’ is dus kennelijk bij Orthocenter geen gebruik gemaakt. Wanneer sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang van [betrokkene 1] , zou dus niet hij ter zake vertegenwoordigingsbevoegd zijn, maar de commissarissen van Orthocenter […]”
r.o. 3.17 · lid 6Trustkantoor als bestuurder aansprakelijk jegens Ontvanger wegens verhaalsfrustratie; conclusie strekt tot vernietiging
“Wat de bestuurstaak zelf betreft, bepalen de art. 2:129 en 239 BW in algemene bewoordingen dat het bestuur van de vennootschap, behoudens beperkingen volgens de statuten, met het besturen van de vennootschap is belast. De bestuurstaak moet in ruime zin worden opgevat: het bestuur heeft de leiding over de dagelijkse gang van zaken en is het orgaan via hetwelk de vennootschap op doelmatige en effectieve wijze aan het rechtsverkeer kan deelnemen. Daarnaast omvat het bestuur de verantwoordelijkheid voor de beleidsvoorbereiding, beleidsvaststelling en uitvoering(39).”
r.o. 2.20Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW: uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit bij financier-bestuurder
“Uit de Nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de wetgever niet voornemens is om het tegenstrijdig belang-begrip, zoals dat in Bruil Kombex(13) is gedefinieerd, te wijzigen.(14) De minister schrijft over dit begrip onder andere het volgende: "Bestuurders en commissarissen van NV's en BV's moeten zich richten naar het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming (artikel 2:129/239 lid 5 en 140/250 lid 2 BW). Zij moeten het vennootschappelijke belang dienen. Indien een bestuurder of commissaris een privébelang heeft bij een transactie, bestaat het risico dat hij zijn eigen belang laat prevaleren. Daarom moet worden nagegaan of sprake is van een persoonlijk belang dat strijdig is met het vennootschappelijke belang. Loopt het persoonlijke belang parallel aan het belang van de vennootschap, dan is er geen reden om de bestuurder uit te sluiten van de besluitvorming. Is het persoonlijke belang tegenstrijdig met het vennootschappelijke belang, dan mag de desbetreffende bestuurder niet betrokken zijn bij de besluitvorming. Een persoonlijk belang kan een financieel belang betreffen, maar kan ook samenhangen met een persoonlijke relatie tussen de bestuurder en een […]”
r.o. 4.3Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal
“Ingevolge het huidige artikel 2:129 lid 1 BW is het bestuur belast met het besturen van de naamloze vennootschap, behoudens beperkingen volgens de statuten. Daarbij valt onder het bestuur ook beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling en beleidsuitvoering(29). Het bestuur heeft in beginsel dus de leiding van de gang van zaken binnen de vennootschap.”
r.o. 2.5 · lid 1“[…] Westfield. 98 Zie ook Maeijer in zijn noot onder HR 31 mei 2000, NJ 2000, 555: "Het verslag van de onderzoekers is slechts aanknopingspunt voor het door de OK zelfstandig te geven oordeel of er sprake is van wanbeleid." 99 Zie mijn inleidende opmerkingen onder 2.5 en 2.7. Zie ook het SER-advies van 19 januari 2001 (TK 2000-2001, 25 732, nr. 17, blz. 55-56). M.i.v. 1 september 2001 bepaalt art. 2:129 BW in een nieuw vierde lid dat de statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een orgaan van de vennootschap die de algemene lijnen van het te voeren beleid op nader in de statuten aangegeven terreinen betreffen. Het kan gaan om bepaalde beleidsterreinen zoals het financiële, sociale, economische, milieu- of personeelsbeleid dat dan in de statuten moet worden omschreven (MvT, TK 1998-1999, 26 277, nr. 3, blz. 11). De mogelijkheid van art. 2:129 lid 4 BW speelt in deze zaak niet. Vergelijk noot 28. 100 Zie over het overleg tussen het bestuur en de aandeelhoudersvergadering B.H.A. van Leeuwen, Beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur, diss. UM 1990, blz. 113 e.v. (par. 5.3) en vrij recent M. Koelemeijer, Redelijkheid en billijkheid in […]”
r.o. 4.11 · lid 4Conclusie A-G: wanbeleid HBG, consultatieplicht algemene vergadering van aandeelhouders bij afwijzing bod
“Art. 2:129 lid 1 BW bepaalt dat het bestuur is belast met het besturen van de vennootschap, behoudens beperkingen volgens de statuten. Daarbij valt onder bestuur ook beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling en beleidsuitvoering(21). Het bestuur heeft dus de leiding van de gang van zaken binnen de vennootschap. Aan de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) behoort ingevolge art. 2:107 lid 1 BW, binnen de door de wet en de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid, die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend. Het bestuur en de raad van commissarissen verschaffen de algemene vergadering van aandeelhouders alle verlangde inlichtingen, tenzij een zwaarwichtig belang der vennootschap zich daartegen verzet (lid 2).”
r.o. 2.30 · lid 1Externe werking van AVA-besluit dat bestuursbevoegdheid NV beperkt; goede trouw derde
In deze conclusie naar Antilliaans recht gaat het om de vraag of een naamloze vennootschap zich tegenover een koper kan beroepen op een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders dat de bevoegdheid van het bestuur beperkt. De A-G meent van niet: een beperking met externe werking kan alleen uit de wet of de statuten voortvloeien. Kennis van de beperking maakt de koper nog niet te kwader trouw. Hij concludeert tot vernietiging van het vonnis en tot verwijzing.
Enquête: tegenstrijdig belang bestuurder en vermogensrechtelijk geschil; A-G concludeert tot verwerping
“[…] afzijdig houdt van de besluitvorming. Uiteraard is het toegestaan om in de statuten te bepalen dat de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht heeft ten aanzien van de vraag of een tegenstrijdig belang bestaat. Zouden overigens alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, dan zou besluitvorming niet mogelijk zijn en moet worden teruggevallen op de twee laatste volzinnen van artikel 2:129/239 lid 6 BW, die het besluit dan neerleggen bij een ander orgaan van de vennootschap. Hieruit wordt in de literatuur afgeleid: Art. 2:129/2:239 BW bevat geen nadere regeling inzake de melding en vaststelling van tegenstrijdig belang. Blijkens de parlementaire geschiedenis ligt het op de weg van de bestuurder met het mogelijk tegenstrijdig belang om hiervan melding te doen aan zijn medebestuurders. De beoordeling of er sprake is van tegenstrijdig belang wordt hiermee in eerste instantie aan hen overgelaten [dus aan die “medebestuurders”, A-G]. 3.7.14 De onder 3.7.12 hiervoor geschetste lijn zou trouwens ook passen bij het belang dat in de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak wordt gehecht aan collegiaal bestuurlijk toezicht bij rechtspersonen, een vorm van intern toezicht […]”
r.o. 3.7“[…] afzijdig houdt van de besluitvorming. Uiteraard is het toegestaan om in de statuten te bepalen dat de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht heeft ten aanzien van de vraag of een tegenstrijdig belang bestaat. Zouden overigens alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, dan zou besluitvorming niet mogelijk zijn en moet worden teruggevallen op de twee laatste volzinnen van artikel 2:129/239 lid 6 BW, die het besluit dan neerleggen bij een ander orgaan van de vennootschap. Hieruit wordt in de literatuur afgeleid: Art. 2:129/2:239 BW bevat geen nadere regeling inzake de melding en vaststelling van tegenstrijdig belang. Blijkens de parlementaire geschiedenis ligt het op de weg van de bestuurder met het mogelijk tegenstrijdig belang om hiervan melding te doen aan zijn medebestuurders. De beoordeling of er sprake is van tegenstrijdig belang wordt hiermee in eerste instantie aan hen overgelaten [dus aan die “medebestuurders”, A-G].”
r.o. 3.7.13“[…] is van een tegenstrijdig belang (dus in de zin van art. 2:239 lid 6 BW) zélf is om die beslissing te nemen, zo nodig - als hij twijfelt - met ‘hulp’ (‘advies’) van zijn medebestuurder(s). Strik zegt het zo, wat zich tevens laat toepassen op bestuurders en art. 2:239 lid 6 BW: Ondanks het ontbreken van zo’n meldplicht [van “(potentieel) tegenstrijdige belangen”, A-G] in de tekst van artikel 2:129 lid 6 respectievelijk 2:140 lid 5 BW, gaat de wetgever er blijkens de wetsgeschiedenis wel vanuit dat een bestuurder een tegenstrijdig belang meldt aan zijn medebestuurders en dat een commissaris een tegenstrijdig belang meldt aan zijn medecommissarissen. Bovendien doet een commissaris er volgens de wetgever ‘goed aan’ een mogelijk tegenstrijdig belang te melden, voordat het desbetreffende agendapunt inhoudelijk wordt besproken.De achtergrond van een meldplicht is dat de daartoe krachtens wet en statuten bevoegden de nodige maatregelen kunnen nemen, waaronder in de eerste plaats ervoor zorgen dat de betrokken functionaris met het tegenstrijdige belang niet zal deelnemen aan de besluitvorming. De wetsgeschiedenis vermeldt als reden voor het doen van een melding dat op deze manier […]”
r.o. 3.7.16 · lid 6Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: geen klachtplicht artikel 6:89 BW, décharge, ernstig verwijt
“[…] door de statuten, reglementen en besluiten van de rechtspersoon. Of korter gezegd: door het rechtspersonenrecht, dat ook eisen stelt aan de taakvervulling door de bestuurder jegens de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:9 BW. Welke taak in generieke zin ziet op het besturen van de rechtspersoon (zie, uitgaande van het bestuur als orgaan, mede art. 2:44 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:129/239 BW en art. 2:291 BW). Daarbij geldt: “Over de inhoud van de taak van de bestuurder zegt art. 2:9 BW niets. De rechtsplicht om de taak behoorlijk te vervullen zou ook zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling gelden.De norm dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak richt zich primair tot bestuurders. Het is een tot hen gerichte gedragsnorm.(…)Wat behoorlijke taakvervulling is in een concreet geval is niet altijd eenduidig. Veel factoren spelen een rol. Aan het bestuur en bestuurders komt beleidsvrijheid toe. Ontwikkelingen kunnen anders lopen dan gedacht.” 3.27.3 Kroeze schrijft over het besturen van de rechtspersoon onder meer: “Het begrip besturen is niet eenvoudig te omschrijven. Uitwerking van dit begrip in een […]”
r.o. 3.27“[…] door de statuten, reglementen en besluiten van de rechtspersoon. Of korter gezegd: door het rechtspersonenrecht, dat ook eisen stelt aan de taakvervulling door de bestuurder jegens de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:9 BW. Welke taak in generieke zin ziet op het besturen van de rechtspersoon (zie, uitgaande van het bestuur als orgaan, mede art. 2:44 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:129/239 BW en art. 2:291 BW). Daarbij geldt: “Over de inhoud van de taak van de bestuurder zegt art. 2:9 BW niets. De rechtsplicht om de taak behoorlijk te vervullen zou ook zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling gelden.De norm dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak richt zich primair tot bestuurders. Het is een tot hen gerichte gedragsnorm.(…)Wat behoorlijke taakvervulling is in een concreet geval is niet altijd eenduidig. Veel factoren spelen een rol. Aan het bestuur en bestuurders komt beleidsvrijheid toe. Ontwikkelingen kunnen anders lopen dan gedacht.””
r.o. 3.27.2Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“[…] werking van art. 2:146/256 BW (oud), aldus dat de vennootschap de daaruit voortvloeiende vertegenwoordigingsonbevoegdheid van de bestuurder aan derden kon tegenwerpen indien de daarin bedoelde tegenstrijdigheid ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling aan de derde bekend was of had behoren te zijn, is per 1 januari 2013 deze tegenstrijdigbelangregeling vervangen door een andere (art. 2:129/239 lid 6 BW en art. 2:140/250 lid 5 BW). Deze nieuwe regeling is niet langer ingebed in het leerstuk van (on)bevoegde vertegenwoordiging, maar bevat een regel voor besluitvorming door het bestuur respectievelijk de raad van commissarissen, waarbij de sanctie in geval van niet-naleving in beginsel gezocht moet worden in art. 2:15 lid 1 onder a BW (dus in vernietigbaarheid), niet langer in (relatieve) nietigheid. Deze nieuwe regeling is daarmee primair een interne aangelegenheid geworden (‘binnen de vennootschap’). Ik wijs er nog op dat het in nr. 4.34 genoemde wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen een vergelijkbare besluitvormingsregel bevat voor verenigingsvormen (een voorgesteld art. 2:44 lid 4 BW en art. 2:47 lid 5 BW), waar thans nog een vertegenwoordigingsregel […]”
r.o. 4.40Einde en afwikkeling vof; firmant aansprakelijk voor rekening-courantschuld; verjaring artikel 6:140 BW
“[…] (de agent contracteert met zichzelf) in de zin van art. 3:68 BW en art. 7:416 BW, het dienen van twee heren in de zin van art. 7:417 BW en andere belangentegenstellingen in de zin van art. 7:418 BW. Ik meen dat de strekking van deze bepalingen dezelfde is als die van de tegenstrijdig belangregeling die voor respectievelijk bestuurders en commissarissen van NV en BV geldt op grond van art. 2:129/239 lid 6 en art. 2:140/250 lid 5 BW. Deze strekking is mijns inziens gelegen in het voorkomen van ongeoorloofde belangenverstrengeling. Een verschil met de regelingen bij volmacht in Boek 3 BW en lastgeving in Boek 7 BW is dat art. 2:129/239 lid 6 BW en art. 2:140/250 lid 5 BW (anders dan de vervallen tegenstrijdig belangregeling van art. 2:146/256 BW) niet in de sleutel van vertegenwoordiging (extern werkend), maar in de sleutel van besluitvorming (intern werkend) zijn geplaatst. De vraag naar mogelijke doorwerking van art. 2:239 lid 6 BW op [betrokkene 1] als procuratiehouder van Gravene kan overigens buiten beschouwing blijven. De cassatieklachten zijn in de sleutel geplaatst van (onbevoegde) vertegenwoordiging.”
r.o. 3.4“De klachten doen een beroep op art. 7:417 BW jo. 7:424 BW. Voor zover het hof op basis van deze bepalingen al tot het oordeel van onbevoegdelijk dienen van twee heren had moeten komen (vgl. nr. 3.3 hiervoor en nr. 3.6 hierna), leidt dat, anders dan het onderdeel stelt, niet tot onbevoegde vertegenwoordiging. De sanctie op het onbevoegdelijk dienen van twee heren is dat de lasthebber zijn recht op loon verliest en gehouden is tot vergoeding van de door de lastgever geleden schade die is ontstaan als gevolg van het onbevoegdelijk dienen van twee heren. Die sanctie is dwingendrechtelijk geregeld in art. 7:417 lid 3 BW. De overeenkomst die de lasthebber namens beide partijen sluit, blijft geldig. Dit volgt uit het gebruik van de wettelijke formulering met ‘mag’ in art. 7:417 lid 1 BW (in plaats van ‘kan’ in bijv. art. 7:416 lid 1 BW) en blijkt ook uit de wetgeschiedenis.”
r.o. 3.5ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW
“Uitgangspunt in de organisatie van de rechtspersoon is een bevoegdheidsverdeling over organen van de rechtspersoon die is vastgelegd in de wet en in de statuten. Voor de N.V. bepaalt art. 2:107 lid 1 BW: "Aan de algemene vergadering van aandeelhouders behoort, binnen de wet en statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend." Art. 2:129 lid 1 BW luidt: "Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap." De wet vereist daarmee een statutaire grondslag voor beperkingen van de bestuursbevoegdheid. De statuten hebben een belangrijke functie in de organisatie van de rechtspersoon: "De statuten bepalen voor een goed deel het eigen niet-contractuele rechtsregime van de rechtspersoon, (...), waaraan de oprichters, de later toetredende personen en ook de rechtspersoon zelf zijn gebonden. In zoverre hebben de statuten een zeker objectiefrechtelijk karakter. (...) Aan de rechter die over de feiten oordeelt, is de uitleg van statuten voorbehouden. (...) Bij de interpretatie van statuten gaat het niet in de eerste plaats om het achterhalen van de gezamenlijke bedoeling van degenen die de […]”
r.o. 3.45 · lid 1
Hoven en Ondernemingskamer (1)
OK treft onmiddellijke voorzieningen bij transactie beursvennootschap met zustervennootschap van meerderheidsaandeelhouder
“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (artikel 2:129 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in artikel 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad (vgl. o.m. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, Cancun). In de Corporate Governance Code 2022 en 2025 is, in het verlengde van deze normen uit de jurisprudentie, bepaald dat bestuurlijk handelen gericht moet zijn op duurzame lange-termijn-waardecreatie. Het bestuur moet […]”
r.o. 4.11 · lid 5“Een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:129 lid 6 BW doet zich voor indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich […]”
r.o. 4.14 · lid 6