Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 3. Het vermogen van de naamloze vennootschap
Artikel 2:95 BW
In werking getreden op 1 september 1981 (Stb. 1981, 332)
De naamloze vennootschap mag geen eigen aandelen nemen.
Aandelen die de vennootschap in strijd met het vorige lid heeft genomen, gaan op het tijdstip van het nemen over op de gezamenlijke bestuurders. Iedere bestuurder is hoofdelijk aansprakelijk voor de volstorting van deze aandelen met de wettelijke rente van dat tijdstip af. Zijn de aandelen bij de oprichting geplaatst, dan is dit lid van overeenkomstige toepassing op de gezamenlijke oprichters.
Neemt een ander een aandeel in eigen naam maar voor rekening van de vennootschap, dan wordt hij geacht het voor eigen rekening te nemen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:95 BW (0)
Er zijn nog geen uitspraken over dit artikel opgenomen.