Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 5. Het bestuur van de naamloze vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:149 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 1992, laatst gewijzigd bij Stb. 1989, 541
Het bepaalde bij de artikelen 9, 131 en 138 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de taakvervulling door de raad van commissarissen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:149 BW (6)
Hoge Raad (1)
Versatel III
Enquête: onmiddellijke voorzieningen, tegenstrijdig belang commissarissen en code-Tabaksblat bij groepsmaatschappij
“[…] van het bestuur van een groepsmaatschappij van Tele2 AB tot commissaris bij Versatel worden benoemd, omdat het groepsbelang van Tele2 AB bij Versatel wordt geëffectueerd. Daaruit volgt nog niet dat de commissarissen het groepsbelang van Tele2 tot uitgangspunt zouden nemen dan wel doorslaggevend zouden achten. Met name niet nu ook deze commissarissen zich op grond van het bepaalde in de art. 2:8, 2:149 in verbinding met 2:9, en 2:140 lid 2 BW, alsmede van het bepaalde in III.6 van de code-Tabaksblat hebben te richten naar het vennootschappelijk belang van Versatel. Ook de omstandigheid dat Versatel de volledige naleving van het bepaalde in III.6.2 van de code-Tabaksblat niet langer zinvol acht, kan niet tot de conclusie leiden dat uitsluitend het belang van Tele2 Finance en Tele2 AB zo niet doorslaggevend dan toch zeker leidend is voor de commissarissen. (ii) Versatel heeft tevens voorgesteld naast de vier uit het bestuur van Tele 2 AB afkomstige commissarissen een commissaris die geen functie vervult binnen de Tele2 Groep, [betrokkene 12], in de raad van commissarissen te benoemen, waarmee het belang van de minderheidsaandeelhouders voldoende is gediend.”
r.o. 4.1
Conclusies van de A-G (5)
Commissarisaansprakelijkheid wegens onbehoorlijk toezicht bij onvoorwaardelijke scheepsbouwverplichting; ernstig verwijt en disculpatie
“[…] zover rov. 6.21, laatste alinea van het arrest zo moet worden gelezen dat het hof een oordeel geeft over de aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Dockwise, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Het hof heeft dan miskend dat art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:149 BW) betrekking heeft op de behoorlijke taakvervulling waartoe de commissarissen tegenover de rechtspersoon (in casu Fairstar) zijn gehouden en op de aansprakelijkheid van de commissarissen jegens de rechtspersoon, en dus niet op de taakvervulling en aansprakelijkheid jegens een (potentiële) aandeelhouder (in casu Dockwise). Bovendien heeft het hof dan ten onrechte de zaak van Dockwise jegens [de erven] in strijd met art. 24 Rv niet onderzocht en beslist op de grondslag van hetgeen Dockwise aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (kort gezegd: misleidende jaarrekening 2011, misleidende tussentijdse cijfers eerste kwartaal 2012, niet openbaar maken koersgevoelige informatie, althans onvoldoende toezicht op dat specifieke handelen/nalaten van het bestuur) en heeft het hof dus ten […]”
r.o. 3.4“[…] reëel was ook hier (net als in rov. 6.14) geen beantwoording behoeft, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen "zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel''. - Aldus stelt het hof mede de aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Fairstar uit hoofde van art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:149 BW) vast. Daarbij draait het m.i. om onbehoorlijk toezicht vanaf 22 mei 2012 op naleving door Fairstars bestuur van de niet voor misverstand vatbare voorwaarde (het rond zijn van de financiering) die de rvc zelf had verbonden aan toestemming voor de bouw van de FATHOM, dus voor het onvoorwaardelijk binden van Fairstar aan het Shipbuilding Contract, op welke datum de jaarrekening 2011 (vastgesteld op 12 april 2012, met een zorgwekkende goingconcernparagraaf van de accountant) er al geruime tijd lag. Daarbij speelt uiteraard mee dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] toen al met zijn handelen in strijd met Fairstars statuten bewust die voorwaarde in de wind had geslagen en zijn eigen koers was gaan varen, door onvoorwaardelijk verplichtingen aan te gaan inzake de FATHOM (zie ook rov. […]”
r.o. 3.6“[…] reëel was ook hier (net als in rov. 6.14) geen beantwoording behoeft, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen "zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel''. - Aldus stelt het hof mede de aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Fairstar uit hoofde van art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:149 BW) vast. Daarbij draait het m.i. om onbehoorlijk toezicht vanaf 22 mei 2012 op naleving door Fairstars bestuur van de niet voor misverstand vatbare voorwaarde (het rond zijn van de financiering) die de rvc zelf had verbonden aan toestemming voor de bouw van de FATHOM, dus voor het onvoorwaardelijk binden van Fairstar aan het Shipbuilding Contract, op welke datum de jaarrekening 2011 (vastgesteld op 12 april 2012, met een zorgwekkende goingconcernparagraaf van de accountant) er al geruime tijd lag. Daarbij speelt uiteraard mee dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] toen al met zijn handelen in strijd met Fairstars statuten bewust die voorwaarde in de wind had geslagen en zijn eigen koers was gaan varen, door onvoorwaardelijk verplichtingen aan te gaan inzake de FATHOM (zie ook rov. […]”
r.o. 3.6.5“Tot slot subonderdeel 2.2. 3.9.1 Zij strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het subonderdeel veronderstelt dat in rov. 6.21, laatste alinea, eerste zin sprake is van een verschrijving waar “Fairstar c.s.” staat en dat daarvoor moet worden gelezen “Fairstar”. Zie onder 3.6.5 hiervoor. Het subonderdeel treft hetzelfde lot voor zover zij veronderstelt dat volgens het hof “het oordeel (…) in de eerste twee alinea’s van rov. 6.21” leidt tot aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] “jegens Dockwise voor de door Fairstar c.s. geleden schade”. Ook dit oordeelt het hof niet. Zie onder 3.6.3-3.6.6 hiervoor. Evenmin baseert het hof de aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Dockwise op art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:149 BW). Ook in zoverre strandt het subonderdeel op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Zie wederom onder 3.6.3-3.6.6 hiervoor. Het slot van het subonderdeel loopt vast in het voetspoor van subonderdeel 2.1. Zie onder 3.8-3.8.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.”
r.o. 3.9Enquête tweede fase: geen wanbeleidsoordeel bij ontbreken te respecteren belang
In de tweede fase van een enquêteprocedure wees de OK de verzoeken van een minderheidsaandeelhouder tot vaststelling van wanbeleid en het treffen van voorzieningen af, omdat de gebreken bij een aandelenuitgifte en conversie onjuist beleid maar geen wanbeleid opleverden en een wanbeleidsoordeel geen te respecteren belang diende. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Hij acht het juist dat de OK een wanbeleidsoordeel kan weigeren als daarmee in de gegeven omstandigheden geen rechtens te respecteren belang is gediend, mede gelet op herstelmaatregelen van de vennootschap.
Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: geen klachtplicht artikel 6:89 BW, décharge, ernstig verwijt
“[…] 6:89 BW in ieder geval niet kan afdoen aan de vestiging van deze aansprakelijkheid van de bestuurder. 3.28.2 Daarbij zou kunnen worden betrokken de vordering uit art. 2:9 BW-commissarisaansprakelijkheid. Art. 2:9 BW is, bij schakelbepaling, van overeenkomstige toepassing op deze functionaris van de rechtspersoon (zie art. 2:50a lid 3, aanhef en sub b BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:149/259 BW en art. 2:300a lid 3, aanhef en sub b BW). Er bestaat geen grond hier anders te oordelen dan voor een bestuurder, al is de taak van een commissaris een andere (zie, uitgaande van de raad van commissarissen als orgaan, mede art. 2:47 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:140/250 BW en art. 2:292a BW). Onderdeel 3 (“Over de maatstaf van artikel 2:9 BW”)”
r.o. 3.28“Daarbij zou kunnen worden betrokken de vordering uit art. 2:9 BW-commissarisaansprakelijkheid. Art. 2:9 BW is, bij schakelbepaling, van overeenkomstige toepassing op deze functionaris van de rechtspersoon (zie art. 2:50a lid 3, aanhef en sub b BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:149/259 BW en art. 2:300a lid 3, aanhef en sub b BW). Er bestaat geen grond hier anders te oordelen dan voor een bestuurder, al is de taak van een commissaris een andere (zie, uitgaande van de raad van commissarissen als orgaan, mede art. 2:47 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:140/250 BW en art. 2:292a BW). Onderdeel 3 (“Over de maatstaf van artikel 2:9 BW”)”
r.o. 3.28.2Feitelijk bestuurder Arubaanse vennootschap aansprakelijk voor onbetaalde advocaatfacturen; toepasselijk recht in appel
“[…] d Rome II buiten het materiële toepassingsgebied van die verordening valt. Het onderdeel (onder c) klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft miskend dat het toepasselijke (Arubaanse) incorporatierecht slechts wijkt voor dwingendrechtelijke bepalingen van Nederlands recht, zoals art. 10:121 BW dat ingeval van faillissement art. 2:138 BW en art. 2:149 BW van toepassing verklaart, en dat deze bepaling niet analoog kan worden toegepast. Voort betoogt het onderdeel (onder d) dat het hof heeft miskend dat het Arubaanse incorporatierecht van toepassing is op de vraag of (i) [eiser] als aandeelhouder [A] kon vertegenwoordigen bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht tussen [A] en BDN, (ii) hij kon beslissen dat de facturen zouden worden voldaan, en (iii) hij bevoegd was [A] te laten ontbinden. Ten slotte klaagt het onderdeel (onder e) dat in het licht van de gedingstukken het oordeel van het hof onbegrijpelijk is dat [eiser] in hoger beroep – al dan niet impliciet – is uitgegaan van toepasselijkheid van Nederlands recht.”
r.o. 2.2Enquête: reikwijdte onmiddellijke voorziening OK en onafhankelijkheid commissarissen bij minderheidsaandeelhouders
“[…] de onderdelen - alleszins begrijpelijk en ook geoorloofd - zie III.2.2. sub f van de Code - dat leden van het bestuur van een groepsmaatschappij tot commissaris worden benoemd. Daaruit volgt nog niet dat de commissarissen het groepsbelang van Tele2 leidend zouden nemen dan wel doorslaggevend zouden achten. Met name niet nu ook deze commissarissen zich op grond van het bepaalde in de artt. 2:8, 2:149 jo. 2:9, en 2:140 lid 2 BW, alsmede het bepaalde in de Code in III.6 hebben te richten naar het vennootschappelijk belang.”
r.o. 3.4