← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 4. De algemene vergadering

Artikel 2:108a BW

In deze vorm in werking sinds 26 maart 2008, laatst gewijzigd bij Stb. 2008, 85

Binnen drie maanden nadat het voor het bestuur aannemelijk is dat het eigen vermogen van de naamloze vennootschap is gedaald tot een bedrag gelijk aan of lager dan de helft van het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal, wordt een algemene vergadering gehouden ter bespreking van zo nodig te nemen maatregelen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:108a BW (3)

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 4 februari 2005

    Landis Group

    Enquêterecht: bevoegdheidsdoorbraak voor aandeelhouders moeder bij enquête naar 100%-dochters

    “[…] voor een bedrag van € 3,8 miljoen aan Datatec hebben verkocht. De uitlating van [verzoeker 1] moet dan ook voorshands minst genomen als onzorgvuldig worden aangemerkt, onder meer jegens - potentiële - kapitaalverstrekkers (rov. 3.12 - 3.14); d. gegeven de op 12 april 2002 gepubliceerde voorlopige jaarcijfers over 2001 moet ten minste worden betwijfeld of Landis zich wel aan het bepaalde in art. 2:108a BW heeft gehouden (rov. 3.15); e. Landis moet al ruimschoots voor de publicatie op 12 april 2002 van de voorlopige jaarcijfers over 2001, waarbij een verlies van € 1,06 per aandeel werd gepresenteerd, hebben geweten dat de resultaatsverwachting, die op 21 maart 2002 nog luidde dat de winst per aandeel lager zou uitkomen dan € 0,40 per aandeel, dramatisch was verslechterd. Het laat zich dan ook aanzien dat Landis art. 28h van het Fondsenreglement heeft geschonden (rov. 3.16). Aan het vorenstaande heeft de ondernemingskamer ten slotte nog het volgende toegevoegd: "3.18 VEB c.s. hebben verzocht het onderzoek ook betrekking te laten hebben op de 100% dochtervennootschappen van Landis: Landis Group B.V., Landis Group International B.V. en Detron Group B.V. Nadat [verzoeker] c.s. in hun […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:2005:AR8899

Conclusies van de A-G (2)

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 februari 2005

    Concernenquête: enquêteverzoek van aandeelhouders van moeder tegen dochtervennootschappen

    “VEB c.s. hebben voorts gewezen op - een mogelijke schending van - artikel 2:108a BW. Volgens hen moet op basis van de voorlopige jaarcijfers over het boekjaar 2001 (gepubliceerd op 12 april 2002) aangenomen worden dat ultimo 2001 het eigen vermogen van Landis minder bedroeg dan de helft van haar kapitaal in de zin van genoemd wetsartikel. Ook in dit verband hebben [verzoeker] c.s. zich verweerd met de stelling dat Landis er in januari 2002 van uit kon gaan dat de verkoop van de distributieactiviteiten een bedrag van rond € 135 miljoen zou opbrengen - waarmee dan het verlies over het tweede halfjaar van 2001 zou worden gecompenseerd -, althans zo begrijpt de Ondernemingskamer het gestelde in het verweerschrift in nummer 82 en verder. VEB c.s hebben hierop ter gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting terecht aangevoerd dat de enkele "hoop" op voldoende opbrengsten uit een verkoop aan Datatec Landis niet buiten het bereik van de bewuste bepaling brengt. Waar [verzoeker] c.s. overigens de desbetreffende stelling van VEB c.s. niet gemotiveerd hebben betwist, moet tenminste worden betwijfeld of Landis zich wel aan het bepaalde in artikel 2:108a BW heeft gehouden.”

    r.o. 3.15

    “Het onderdeel stelt voorop dat de Ondernemingskamer het in art. 2:350 lid 1 BW opgenomen criterium "gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen" heeft miskend omdat alle omstandigheden zijn gebaseerd op hetzij voorlopige oordelen hetzij twijfel of Landis heeft voldaan aan de boekhoudplicht en het bepaalde in art. 2:108a BW, en deze omstandigheden, ook wannneer deze in onderling verband en samenhang worden bezien, weliswaar aanleiding geven te twijfelen aan een juist beleid van Landis, maar geen gegronde redenen opleveren om aan een juist beleid te twijfelen. Althans heeft de Ondernemingskamer bij het antwoord op de vraag of gegronde redenen zijn om aan aan een juist beleid van Landis te twijfelen ten onrechte niet, laat staan kenbaar en controleerbaar voor partijen en de (hogere) rechter, onderzocht of de door haar in aanmerking genomen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zij tezamen een behoorlijke kans inhouden dat bij nader onderzoek blijkt van een onjuist beleid. Deze klacht wordt in een aantal klachten uitgewerkt.”

    r.o. 2.21

    ECLI:NL:PHR:2005:AR8899

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 april 2003

    Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal

    “Op zichzelf is het juist dat het bestuur in beginsel is belast met het besturen van een vennootschap (d.w.z. met de beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling en beleidsuitvoering). Ten aanzien van zeer belangrijke besluiten die de structuur en de interne organisatie van een vennootschap betreffen, wordt echter algemeen aangenomen dat deze besluiten - in beginsel - aan de ava moeten toevallen in plaats van aan het bestuur(99). Overleg tussen het bestuur en de raad van commissarissen van een naamloze vennootschap en de aandeelhouders kan alleen plaatsvinden op een algemene vergadering van aandeelhouders. Soms kan het bestuur verplicht zijn de aandeelhoudersvergadering in de gelegenheid te stellen om te overleggen over onderwerpen waarover de vergadering behoort te beslissen, te adviseren of waarover goedkeuring moet worden verkregen, zoals bijvoorbeeld in artikel 2:108a BW waar wordt voorgeschreven dat een bijzondere ava dient te worden gehouden in geval van een zeer verslechterde vermogenstoestand van de vennootschap ("ter bespreking van zo nodig te nemen maatregelen")(100).”

    r.o. 3.29

    ECLI:NL:PHR:2003:AF2161