← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 4. De algemene vergadering

Artikel 2:107a BW

In deze vorm in werking sinds 1 juli 2010, laatst gewijzigd bij Stb. 2010, 250

1

Aan de goedkeuring van de algemene vergadering zijn onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming, waaronder in ieder geval:

a.overdracht van de onderneming of vrijwel de gehele onderneming aan een derde;

b.het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de vennootschap of een dochtermaatschappij met een andere rechtspersoon of vennootschap dan wel als volledig aansprakelijke vennote in een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de vennootschap;

c.het nemen of afstoten van een deelneming in het kapitaal van een vennootschap ter waarde van ten minste een derde van het bedrag van de activa volgens de balans met toelichting of, indien de vennootschap een geconsolideerde balans opstelt, volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de laatst vastgestelde jaarrekening van de vennootschap, door haar of een dochtermaatschappij.

2

Het ontbreken van de goedkeuring van de algemene vergadering op een besluit als bedoeld in lid 1 tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuur of bestuurders niet aan.

3

Indien de vennootschap krachtens wettelijke bepalingen een ondernemingsraad heeft ingesteld, wordt het verzoek om goedkeuring niet aan de algemene vergadering aangeboden, dan nadat de ondernemingsraad tijdig voor de datum van oproeping als bedoeld in artikel 114 in de gelegenheid is gesteld hierover een standpunt te bepalen. Het standpunt van de ondernemingsraad wordt gelijktijdig met het verzoek om goedkeuring aan de algemene vergadering aangeboden. De voorzitter of een door hem aangewezen lid van de ondernemingsraad kan het standpunt van de ondernemingsraad in de algemene vergadering toelichten. Het ontbreken van dat standpunt tast de besluitvorming over het verzoek om goedkeuring niet aan.

4

Voor de toepassing van lid 3 wordt onder de ondernemingsraad mede verstaan de ondernemingsraad van de onderneming van een dochtermaatschappij, mits de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam zijn. Is er meer dan één ondernemingsraad, dan wordt de bevoegdheid door deze raden gezamenlijk uitgeoefend. Is voor de betrokken onderneming of ondernemingen een centrale ondernemingsraad ingesteld, dan komt de bevoegdheid toe aan de centrale ondernemingsraad.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:107a BW (15)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (3)

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop zonder wettelijke of statutaire grondslag

    “[…] goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. Het verzoek is gebaseerd op de volgende gronden: (i) de verkoop van LaSalle is onrechtmatig jegens de aandeelhouders omdat daarmee bewust is getracht de kansen op een bod van het Consortium of andere partijen te frustreren dan wel in vergaande mate te bemoeilijken; (ii) voor het besluit tot verkoop van LaSalle is op grond van art. 2:107a BW goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders vereist; (iii) de verkoop van LaSalle heeft op roekeloze en overhaaste wijze plaatsgevonden en ten onrechte is nagelaten de aandeelhouders te informeren over deze radicale koerswijziging; (iv) de transactie inzake LaSalle is een ongeoorloofde beschermingsconstructie ("poison pill") en getuigt van slecht ondernemingsbeleid. 4. Beoordeling van de middelen in de principale beroepen en van het middel in de (voorwaardelijk) incidentele beroepen”

    r.o. 3.2

    “Nu uit het voorgaande blijkt dat de door de ondernemingskamer aangenomen verplichting van het bestuur van ABN AMRO Holding om de LaSalle-transactie ter goedkeuring voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders niet voortvloeit uit het ongeschreven recht, is nog de vraag te beantwoorden of art. 2:107a BW in dit geval deze verplichting meebrengt. In dit artikel is omschreven welke besluiten van het bestuur, in afwijking van de hiervoor in 4.3 vermelde hoofdregel, zijn onderworpen aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. In rov. 3.18 tot en met 3.24 is de ondernemingskamer terecht ervan uitgegaan dat het onderhavige geval niet binnen de reikwijdte van deze bepaling valt. Het besluit tot afsplitsing en verkoop van LaSalle kan immers niet worden aangemerkt als een besluit omtrent een "belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming" als bedoeld in art. 2:107a lid 1. Bij de totstandkoming van art. 2:107a kwam weliswaar aan de orde dat een rol voor de algemene vergadering van aandeelhouders ook is weggelegd bij besluiten die onder meer betrekking hebben op het beschikken over delen van de met de […]”

    r.o. 4.7 · lid 1

    “[…] derden. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de eisen van behoorlijk ondernemingsbestuur meebrengen dat het bestuur van ABN AMRO Holding de voorgenomen (afsplitsing en) verkoop van LaSalle aan de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten voorleggen, heeft een eventueel verzuim op dit punt geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de transactie. Mede gelet op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW heeft een eventueel gebrek in de besluitvorming inzake de LaSalle-transactie, immers geen externe werking. Uit het vorenstaande volgt dat de gevraagde onmiddellijke voorzieningen, die in elk geval voor de duur van het geding externe werking hebben voorzover daardoor de nakoming van die koopovereenkomst wordt belemmerd, zowel tegenover Bank of America als tegenover Barclays niet gerechtvaardigd zijn. Gelet op dit een en ander bestaat ook bij een billijke afweging van belangen geen ruimte voor een voorziening die verdere uitvoering van de LaSalle-transactie opschort of tijdelijk onmogelijk maakt. 5. Slotsom”

    r.o. 4.10 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2007:BA7970

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop, onmiddellijke voorziening vernietigd

    “[…] goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. Het verzoek is gebaseerd op de volgende gronden: (i) de verkoop van LaSalle is onrechtmatig jegens de aandeelhouders omdat daarmee bewust is getracht de kansen op een bod van het Consortium of andere partijen te frustreren dan wel in vergaande mate te bemoeilijken; (ii) voor het besluit tot verkoop van LaSalle is op grond van art. 2:107a BW goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders vereist; (iii) de verkoop van LaSalle heeft op roekeloze en overhaaste wijze plaatsgevonden en ten onrechte is nagelaten de aandeelhouders te informeren over deze radicale koerswijziging; (iv) de transactie inzake LaSalle is een ongeoorloofde beschermingsconstructie ("poison pill") en getuigt van slecht ondernemingsbeleid. 4. Beoordeling van de middelen in de principale beroepen en van het middel in de (voorwaardelijk) incidentele beroepen”

    r.o. 3.2

    “Nu uit het voorgaande blijkt dat de door de ondernemingskamer aangenomen verplichting van het bestuur van ABN AMRO Holding om de LaSalle-transactie ter goedkeuring voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders niet voortvloeit uit het ongeschreven recht, is nog de vraag te beantwoorden of art. 2:107a BW in dit geval deze verplichting meebrengt. In dit artikel is omschreven welke besluiten van het bestuur, in afwijking van de hiervoor in 4.3 vermelde hoofdregel, zijn onderworpen aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. In rov. 3.18 tot en met 3.24 is de ondernemingskamer terecht ervan uitgegaan dat het onderhavige geval niet binnen de reikwijdte van deze bepaling valt. Het besluit tot afsplitsing en verkoop van LaSalle kan immers niet worden aangemerkt als een besluit omtrent een "belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming" als bedoeld in art. 2:107a lid 1. Bij de totstandkoming van art. 2:107a kwam weliswaar aan de orde dat een rol voor de algemene vergadering van aandeelhouders ook is weggelegd bij besluiten die onder meer betrekking hebben op het beschikken over delen van de met de […]”

    r.o. 4.7 · lid 1

    “[…] derden. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de eisen van behoorlijk ondernemingsbestuur meebrengen dat het bestuur van ABN AMRO Holding de voorgenomen (afsplitsing en) verkoop van LaSalle aan de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten voorleggen, heeft een eventueel verzuim op dit punt geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de transactie. Mede gelet op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW heeft een eventueel gebrek in de besluitvorming inzake de LaSalle-transactie, immers geen externe werking. Uit het vorenstaande volgt dat de gevraagde onmiddellijke voorzieningen, die in elk geval voor de duur van het geding externe werking hebben voorzover daardoor de nakoming van die koopovereenkomst wordt belemmerd, zowel tegenover Bank of America als tegenover Barclays niet gerechtvaardigd zijn. Gelet op dit een en ander bestaat ook bij een billijke afweging van belangen geen ruimte voor een voorziening die verdere uitvoering van de LaSalle-transactie opschort of tijdelijk onmogelijk maakt. 5. Slotsom”

    r.o. 4.10 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2007:BA7971

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop bedrijfsonderdeel; onmiddellijke voorziening vernietigd

    “[…] goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. Het verzoek is gebaseerd op de volgende gronden: (i) de verkoop van LaSalle is onrechtmatig jegens de aandeelhouders omdat daarmee bewust is getracht de kansen op een bod van het Consortium of andere partijen te frustreren dan wel in vergaande mate te bemoeilijken; (ii) voor het besluit tot verkoop van LaSalle is op grond van art. 2:107a BW goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders vereist; (iii) de verkoop van LaSalle heeft op roekeloze en overhaaste wijze plaatsgevonden en ten onrechte is nagelaten de aandeelhouders te informeren over deze radicale koerswijziging; (iv) de transactie inzake LaSalle is een ongeoorloofde beschermingsconstructie ("poison pill") en getuigt van slecht ondernemingsbeleid. 4. Beoordeling van de middelen in de principale beroepen en van het middel in de (voorwaardelijk) incidentele beroepen”

    r.o. 3.2

    “Nu uit het voorgaande blijkt dat de door de ondernemingskamer aangenomen verplichting van het bestuur van ABN AMRO Holding om de LaSalle-transactie ter goedkeuring voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders niet voortvloeit uit het ongeschreven recht, is nog de vraag te beantwoorden of art. 2:107a BW in dit geval deze verplichting meebrengt. In dit artikel is omschreven welke besluiten van het bestuur, in afwijking van de hiervoor in 4.3 vermelde hoofdregel, zijn onderworpen aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. In rov. 3.18 tot en met 3.24 is de ondernemingskamer terecht ervan uitgegaan dat het onderhavige geval niet binnen de reikwijdte van deze bepaling valt. Het besluit tot afsplitsing en verkoop van LaSalle kan immers niet worden aangemerkt als een besluit omtrent een "belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming" als bedoeld in art. 2:107a lid 1. Bij de totstandkoming van art. 2:107a kwam weliswaar aan de orde dat een rol voor de algemene vergadering van aandeelhouders ook is weggelegd bij besluiten die onder meer betrekking hebben op het beschikken over delen van de met de […]”

    r.o. 4.7 · lid 1

    “[…] derden. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de eisen van behoorlijk ondernemingsbestuur meebrengen dat het bestuur van ABN AMRO Holding de voorgenomen (afsplitsing en) verkoop van LaSalle aan de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten voorleggen, heeft een eventueel verzuim op dit punt geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de transactie. Mede gelet op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW heeft een eventueel gebrek in de besluitvorming inzake de LaSalle-transactie, immers geen externe werking. Uit het vorenstaande volgt dat de gevraagde onmiddellijke voorzieningen, die in elk geval voor de duur van het geding externe werking hebben voorzover daardoor de nakoming van die koopovereenkomst wordt belemmerd, zowel tegenover Bank of America als tegenover Barclays niet gerechtvaardigd zijn. Gelet op dit een en ander bestaat ook bij een billijke afweging van belangen geen ruimte voor een voorziening die verdere uitvoering van de LaSalle-transactie opschort of tijdelijk onmogelijk maakt. 5. Slotsom”

    r.o. 4.10 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2007:BA7972

Conclusies van de A-G (9)

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 februari 2018

    Afsplitsing stichting naar NV: vermogensklem artikel 2:18 lid 6 BW niet omzeild

    “[…] betreft, heeft de minister van Financiën sinds de statutenwijziging van 2006 onder meer het recht de commissarissen te benoemen, heeft hij een bezwaarrecht ten aanzien van de benoeming van bestuurders en stelt hij het bezoldigingsbeleid vast, heeft hij een goedkeuringsrecht ten aanzien van in de statuten nader genoemde bestuursbesluiten (overeenkomend met de besluiten genoemd in artikel 2:107a BW) en besluiten van de raad van commissarissen tot statutenwijziging of ontbinding van de Stichting, kan hij aanwijzingen geven ten aanzien van de algemene lijnen van het financiële beleid, kan hij aanwijzingen geven in het kader van het opstellen van de begrotingen en stelt hij de jaarrekening vast.”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:PHR:2018:166

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW

    “Aan deze verzoeken is ten grondslag gelegd dat: (i) de bliksemverkoop van LaSalle onrechtmatig is jegens de aandeelhouders omdat daarmee bewust is getracht de kansen op een (beter) bod van het bankenconsortium of andere geïnteresseerde partijen te frustreren dan wel in vergaande mate te bemoeilijken; (ii) het besluit tot verkoop van LaSalle een besluit is in de zin van artikel 2:107a BW waarvoor goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders is vereist; (iii) de besluitvorming terzake van de verkoop van LaSalle op roekeloze en overhaaste wijze heeft plaatsgevonden en ten onrechte is nagelaten de aandeelhouders adequaat en tijdig te informeren over de radicale koerswijziging; en (iv) de transactie inzake LaSalle zodanig is ingericht en "getimed" dat deze als een (ongeoorloofde) beschermingsconstructie (een "poison pill") moet worden aangemerkt, hetgeen getuigt van slecht ondernemingsbeleid.”

    r.o. 2.2

    “[…] op het moment waarop de LaSalle-transactie aan de orde was ook bekend was dat er naast het door ABN AMRO Holding gesteunde bod van Barclays een andere serieuze gegadigde een aanmerkelijk hoger bod op het geheel van de onderneming van ABN AMRO wenste uit te brengen (r.ov. 3.22). In de rov. 3.23 en 3.24 komt de Ondernemingskamer tot de conclusie dat op grond van een analogische toepassing van art. 2:107a BW en op basis van art. 2:8 BW het bestuur van ABN AMRO voor de LaSalle-transactie aan haar aandeelhoudersvergadering goedkeuring had moeten vragen. Hiervan uitgaande legt de Ondernemingskamer ex art. 2: 349a BW een onmiddellijke voorziening op die ABN AMRO Bank verbiedt uitvoering te geven aan de LaSalle-transactie, voordat de aandeelhoudersvergadering van ABN AMRO Holding de betrokken transactie heeft goedgekeurd.”

    r.o. 2.7

    “Alvorens in te gaan op de cassatiemiddelen maak ik enige opmerkingen over: (i) de vraag in hoeverre het vervreemden van een deelneming door het bestuur van een vennootschap die het onderwerp is van een fusie of overname is geoorloofd in het recht van de Verenigde Staten, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk; (ii) de strekking van art. 2:107a BW en de wijze waarop de criteria voor besluiten die de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders behoeven dienen te worden verstaan; en (iii) de vraag in hoeverre art. 2:8 BW een grondslag kan bieden voor het aannemen van goedkeuringsbevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders. - De Verenigde Staten”

    r.o. 3.1

    “Bij de behandeling van art. 2:107a BW in het parlement - dat is het Nederlandse wetsartikel waarin de goedkeuringsbevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering wordt geregeld, ik kom in het vervolg nog uitgebreid op dit wetsartikel terug - is gevraagd of het niet beter was om, in onderdeel c van dat artikel dat onder andere de goedkeuringsplicht voor het afstoten van een deelneming, voor het bepalen van 1/3 van de waarde van de af te stoten deelneming niet alleen de waarde van het actief, maar ook de winstgevendheid en de omzet van een vennootschap als relevante criteria in aanmerking te nemen. Daarbij is verwezen naar de Listing Rules. Ook werd verzocht om een concretisering van de begrippen "vrijwel de gehele onderneming" en "ingrijpende betekenis". Deze begrippen komen voor in onderdeel a en b van lid 1 van art. 2:107a BW. Hierop werd van de kant van de minister van justitie als gereageerd: "Artikel 2:107a lid 1 onder a BW houdt een goedkeuringsrecht in voor de algemene vergadering voor het geval wordt besloten de onderneming van de vennootschap of vrijwel de gehele onderneming van de vennootschap over te dragen aan een derde. Een dergelijk besluit is zodanig ingrijpend voor de […]”

    r.o. 3.32 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7970

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO: onmiddellijke voorziening opschorting verkoop LaSalle; goedkeuringsrecht AVA

    “Onderdeel 1.2 werkt de vorige klacht nader uit door te wijzen op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW, art. 2:16 lid 2 BW, art. 2:130 lid 3, 2:164 lid 2 BW en art. 9 van de Eerste EG-richtlijn (68/151/EEG), die allen tot uitdrukking brengen dat interne bevoegdheidsbeperkingen in beginsel geen externe werking hebben.”

    r.o. 2.3 · lid 2

    “De onderdelen 1.3. en 1.4 voeren in de kern genomen aan dat de VEB c.s. ook niet hebben gesteld dat de Bank of America in dit geval in strijd met redelijkheid en billijkheid zou handelen indien Bank of America ABN AMRO aan de geldigheid van de overeenkomst zou houden.”

    r.o. 2.4

    “Het onderdeel correspondeert met de onderdelen 2.1 en 2.2 uit de zaak R07/102 en falen om dezelfde redenen als uiteengezet in deze zaak bij de bespreking van deze onderdelen. - Onderdeel 5 (ten onrechte analoge toepassing van art. 2:107a BW)”

    r.o. 2.20

    “Onderdeel 5.1 voert aan dat blijkens hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen in rov. 3.18 (slot) en rov. 3.23 (eerste zin), de Ondernemingskamer ten onrechte in het midden heeft gelaten op art. 2:107a BW op de onderhavige kwestie (rechtstreeks) van toepassing is.”

    r.o. 2.21

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7972

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2003

    Conclusie A-G: wanbeleid HBG, consultatieplicht algemene vergadering van aandeelhouders bij afwijzing bod

    “Naar aanleiding van het advies van de SER heeft het kabinet toegezegd de regeling voor bestuur en toezicht van grote naamloze en besloten vennootschappen in overeenstemming te brengen met het advies. Het wetsvoorstel "Wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de structuurregeling" strekt tot uitvoering van die toezegging(27). In dit wetsvoorstel van 8 januari 2002 is art. 2:107a BW opgenomen dat luidt als volgt(28): "1. Aan de goedkeuring van de algemene vergadering zijn onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent: a. overdracht van de onderneming of vrijwel de gehele onderneming aan een derde; b. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de vennootschap of een dochtermaatschappij met een andere rechtspersoon of vennootschap (...), indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de vennootschap; c. het nemen of afstoten van een deelneming in het kapitaal van een vennootschap ter waarde van ten minste een derde van het bedrag van de activa volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de laatst vastgestelde jaarrekening van de vennootschap, door haar of een dochtermaatschappij. 2. (...)"”

    r.o. 2.35

    “In de Nota naar aanleiding van het verslag komt overigens nog tot uitdrukking dat het goedkeuringsrecht ten aanzien van besluiten genoemd in art. 2:107a BW onverlet laat dat de eisen van een behoorlijk bestuur met zich kunnen brengen dat de algemene vergadering van aandeelhouders ook over andere besluiten geïnformeerd of geconsulteerd wordt(30).”

    r.o. 2.37

    “[…] HBG: de 'baggeroorlog', AA 51 (2002) 6, blz. 433- 441; L. Timmerman, Bescherming en de HBG-beschikking, Ondernemingsrecht 2002-12, blz. 375-376; M.P. Nieuwe Weme, Het recht van instemming en consultatie van de algemene vergadering van aandeelhouders; lessen uit HBG, JORplus, 2002, blz. 9-15. 34 Ik wijs wel op commentaren waarin de onderhavige casus wordt gelegd op het voorgestelde art. 2:107a BW: S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2002-2, blz. 63; M. Brink in zijn noot onder de bestreden beschikking in JOR 2002, blz. 232; M.W. Josephus Jitta, a.w., blz. 74. 35 Van Leeuwen, a.w., blz. 4. W.J. Slagter, Compendium ondernemingsrecht, 1996, blz. 110, rekent art. 2:8 BW tot de beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur. Zie ook de conclusie van A-G Bakels in de zaak VIBA/VEB (R02/035). 36 Asser-Maeijer 2-III (2000), nr. 534 waaronder OK 21 juni 1979, NJ 1980, 71 (Batco). Zie hierover met name: L. Timmerman, De concretisering van vage normen in het ondernemingsrecht, in: Van vennootschappelijk belang, 1988, blz. 337-347. 37 HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 rov. 7.3. m.nt. Ma. 38 HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 rov. 3.2-3.6 m.nt. Ma. 39 Zie Losbladige Rechtspersonen, deel 2, […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2003:AF1486

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    Conclusie A-G: ABN AMRO, onmiddellijke voorziening OK en goedkeuringsrecht AVA bij LaSalle-verkoop

    Een bank die een fusie met een andere bank voorbereidt, gaat in cassatie tegen een onmiddellijke voorziening van de OK die de uitvoering van de verkoop van een dochtermaatschappij opschort in afwachting van een enquête. De A-G concludeert tot verwerping. Volgens hem heeft de OK het goedkeuringsrecht van de AVA gebaseerd op artikel 2:8 BW en analoge toepassing van artikel 2:107a BW, en niet op artikel 2:349a BW zelf. De klachten over rechten van derden en vertegenwoordigingsbevoegdheid verwijst hij naar zijn conclusie in de hoofdzaak.

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7971

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 oktober 2020

    Onmiddellijke voorzieningen in enquête bij coöperatie met drie leden en patstelling

    “[…] derden. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de eisen van behoorlijk ondernemingsbestuur meebrengen dat het bestuur van ABN AMRO Holding de voorgenomen (afsplitsing en) verkoop van LaSalle aan de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten voorleggen, heeft een eventueel verzuim op dit punt geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de transactie. Mede gelet op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW heeft een eventueel gebrek in de besluitvorming inzake de LaSalle-transactie, immers geen externe werking. Uit het vorenstaande volgt dat de gevraagde onmiddellijke voorzieningen, die in elk geval voor de duur van het geding externe werking hebben voorzover daardoor de nakoming van die koopovereenkomst wordt belemmerd, zowel tegenover Bank of America als tegenover Barclays niet gerechtvaardigd zijn. Gelet op dit een en ander bestaat ook bij een billijke afweging van belangen geen ruimte voor een voorziening die verdere uitvoering van de LaSalle-transactie opschort of tijdelijk onmogelijk maakt.” Volgens de toelichting op het onderdeel is deze overweging niet per se beperkt tot overeenkomsten met derden. In die toelichting wordt voorts opgemerkt dat Aloysius als […]”

    r.o. 3.31 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2020:925

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 januari 2018

    Agenderingsrecht aandeelhouder: geen afdwingbaar stempunt over bestuursbevoegdheid (Boskalis/Fugro)

    “[…] Boskalis nog verwezen naar de volgende opmerking van de minister: “Voor de vraag of de ondernemingsraad voldoende tijd heeft om een standpunt in te nemen ten aanzien van de eerdergenoemde besluiten is het volgende van belang. De eerste categorie van besluiten waarop het wetsvoorstel spreekrecht ondernemingsraad ziet, is de goedkeuring van een belangrijk bestuursbesluit op grond van artikel 2:107a BW. Aan een dergelijk aandeelhoudersbesluit moet naar zijn aard een besluit van het bestuur ten grondslag liggen, bijvoorbeeld om een belangrijk onderdeel van de onderneming af te stoten. Zolang het bestuur niet voornemens is om een dergelijk besluit te nemen en voor te leggen aan de algemene vergadering, is het spreekrecht van de ondernemingsraad niet aan de orde. Zou het bestuur een dergelijk besluit nog niet hebben genomen en zou een aandeelhouder willen dat het bestuur daartoe overgaat, dan kan hij – mits hij een voldoende groot kapitaalbelang vertegenwoordigt – het onderwerp «afstoting van een bedrijfsonderdeel» wel laten agenderen. Het onderwerp is dan een bespreekpunt. Zo een meerderheid van de aandeelhouders het voorstel steunt, is het aan het bestuur om zich te beraden of […]”

    r.o. 4.79

    ECLI:NL:PHR:2018:14

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 juli 2010

    Enquête ASMI: strategie, corporate governance en gegronde redenen voor twijfel aan juist beleid

    “Für Geschäfte von grundlegender Bedeutung legen die Satzung oder der Aufsichtsrat Zustimmungsvorbehalte zugunsten des Aufsichtsrats fest. Hierzu gehören Entscheidungen oder Maßnahmen, die die Vermögens-, Finanz- oder Ertragslage des Unternehmens grundlegend verändern." "5.2 (...)Der Aufsichtsratsvorsitzende soll mit dem Vorstand, insbesondere mit dem Vorsitzenden bzw. Sprecher des Vorstands, regelmäßig Kontakt halten und mit ihm die Strategie, die Geschäftsentwicklung und das Risikomanagement des Unternehmens beraten." In het Holzmüller-arrest, zoals uitgewerkt in het Gelatine-arrest, heeft het Bundesgerichtshof bepaald dat bijzondere bestuursbesluiten zijn onderworpen aan de goedkeuring van de AVA.(29) Het betreft besluiten met een zwaarte die doet denken aan art. 2:107a BW. Het initiatief moet echter steeds van de Vorstand komen.”

    r.o. 3.3

    “[…] bijv. initieel verzoek Hermes c.s., nr. 4.1 - 4.16. 50 3e volzin van rov. 3.5, en 4e en 7e volzin van rov. 3.6. 51 Pleitnota [A] 6 mei 2009, nr. 3-10; pleitnota [A] 2 juli 2009, nr. 27. 52 Aanvullend verweerschrift ASMI, nr. 1.17. 53 Pleitnota ASMI 2 juli 2009, nr. 3.20, 3.21. 54 "Indien een serieus ondershands bod op een bedrijfsonderdeel of een deelneming waarvan de waarde de in ontwerpartikel 2:107a BW, eerste lid, onderdeel c genoemde grens overschrijdt in de openbaarheid is gebracht, deelt het bestuur van de vennootschap zo spoedig mogelijk zijn standpunt ten aanzien van het bod, alsmede de motivering van dit standpunt, openbaar mede." 55 A.G.Z. Kemna en E.L.H.M. van de Loo, Rol institutionele beleggers in relatie tot bestuur en commissarissen. Een driehoeksverkenning, 2009, p. 8. 56 T.a.p. 57 T.a.p. 58 A.w., p. 18-19. 59 Preambule 5. 60 B.F. Assink, Facetten van verantwoordelijkheid in hedendaags ondernemingsbestuur, preadvies Vereniging Handelsrecht 2009, p. 103, nt. 268. 61 HR 1 maart 2002, JOR 2002, 79 m.nt. I. 62 Noot onder deze beschikking (JOR 2009, 254, nr. 3). 63 Wetsvoorstel 31 763 ligt thans bij de Eerste Kamer. 64 Zie hierover TK 2008-2009, 31 763, nr. 6, p. 4 en […]”

    r.o. 3.9.3

    ECLI:NL:PHR:2010:BM0976

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 december 2007

    Loyaliteitsdividend DSM en onmiddellijke voorzieningen: cassatie in het belang der wet

    “In de Nederlandse vennootschapswetgeving zijn de laatste jaren de bevoegdheden van de aandeelhoudersvergadering uitgebreid. Ik wijs onder andere op de invoering van art. 2:107a BW (goedkeuring van belangrijke bestuursbesluiten), art. 2:135 BW (de bevoegdheid om het bezoldigingsbeleid voor het bestuur vast te stellen en het recht om aandelen- en optieregelingen voor het bestuur goed te keuren) en art. 2:161a BW (het recht van de aandeelhoudersvergadering van een structuurvennootschap om de raad van commissarissen naar huis te sturen). Ook heeft een aantal beursvennootschappen de bescherming tegen vijandelijke overnames onder invloed van gewijzigde maatschappelijke opvattingen minder effectief gemaakt. Zo hebben diverse Nederlandse beursvennootschappen hun beschermingspreferente aandelen of certificering van aandelen opgegeven. Ook daardoor is de invloed van kapitaalverschaffers in beursvennootschappen toegenomen.”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2007:BB3523

Hoven en Ondernemingskamer (3)

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 7 oktober 2026

    OK wijst enquêteverzoek bij OCI af na belangenafweging; voorzieningen eindigen 1 januari 2027

    “Op 11 december 2025 heeft OCI een bijzondere algemene vergadering bijeengeroepen, te houden op 22 januari 2026. Op de bijgevoegde agenda zijn als stempunten opgenomen, voor zover relevant, (1) een voorstel tot goedkeuring door de algemene vergadering van de voorgenomen transactie met Orascom op grond van artikel 2:107a BW en (2) een voorstel tot het verlenen van decharge aan de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders. Bij de vergaderstukken zijn (onder meer) de fairness opinie van Rothschild en explanatory notes gevoegd. De explanatory notes vermelden dat familielid 1 na de transactie tot enig uitvoerende bestuurder van Orascom zal worden benoemd.”

    r.o. 3.34

    “[…] voor de vergadering van aandeelhouders van 22 januari 2026 als hiervoor vermeld (3.34) in stemming te brengen. - Bij OCI zijn twee niet-uitvoerende bestuurders benoemd die in het bijzonder tot taak hebben om erop toe te zien dat het bestuur van OCI bij het voorbereiden en sluiten van de voorgenomen transactie met Orascom dan wel enige andere transactie met Orascom die op grond van artikel 2:107a BW aan de algemene vergadering van OCI ter goedkeuring moet worden voorgelegd, zijn verplichtingen nakomt jegens OCI en al degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, waaronder de minderheidsaandeelhouders. - Bepaald is dat deze twee niet-uitvoerende OK-bestuurders de enigen zijn die de goedkeuring van een transactie als zojuist bedoeld en een besluit tot decharge van de (uitvoerende en/of niet-uitvoerende) bestuurders opnieuw kunnen agenderen op een algemene vergadering van OCI.”

    r.o. 3.36

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2888

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 januari 2026

    OK treft onmiddellijke voorzieningen bij transactie beursvennootschap met zustervennootschap van meerderheidsaandeelhouder

    “Op 11 december 2025 heeft OCI een bijzondere algemene vergadering bijeengeroepen, te houden op 22 januari 2026. Op de bijgevoegde agenda zijn als stempunten opgenomen, voor zover relevant, (1) een voorstel tot goedkeuring door de algemene vergadering van de voorgenomen transactie met Orascom op grond van artikel 2:107a BW en (2) een voorstel tot het verlenen van decharge aan de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders. Bij de vergaderstukken zijn (onder meer) de fairness opinie van Rothschild en explanatory notes gevoegd. De explanatory notes vermelden dat familielid 1 na de transactie tot enig uitvoerende bestuurder van Orascom zal worden benoemd.”

    r.o. 3.30

    ECLI:NL:GHAMS:2026:118

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 22 december 2017

    Intergamma

    Enquête Intergamma: gebrekkige besluitvorming overname Van Neerbos Groep, geen onmiddellijke voorzieningen

    “[…] de bestuurder van Stichting Continuïteit die zal worden benoemd door de deelnemende franchisenemers (de vergadering van leden A van IG Coöp) mag tevens een franchisenemer zijn. De betreffende statuten zullen hierop worden aangepast; ten aanzien van een aantal besluiten van de ledenvergadering van IG Coöp (onder meer statutenwijziging en besluiten als bedoeld in artikel 2:107a BW) zal een twee derde meerderheid vereist zijn; twee van de vijf leden van de raad van commissarissen zullen bindend worden voorgedragen door een twee derde meerderheid van de deelnemende franchisenemers; het dividendbeleid zal zodanig worden vastgesteld dat na vijf jaar en indien de omstandigheden dit toelaten een dividend van tenminste € 15 miljoen wordt uitgekeerd.”

    r.o. 2.19

    ECLI:NL:GHAMS:2017:5354