← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 6. De raad van commissarissen bij de grote naamloze vennootschap

Artikel 2:164 BW

In deze vorm in werking sinds 3 januari 2018, laatst gewijzigd bij Stb. 2017, 512

1

Aan de goedkeuring van de raad van commissarissen zijn onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent:

a.uitgifte en verkrijging van aandelen in en schuldbrieven ten laste van de vennootschap of van schuldbrieven ten laste van een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma waarvan de vennootschap volledig aansprakelijke vennote is;

b.medewerking aan de uitgifte van certificaten van aandelen;

c.het aanvragen van toelating van de onder a en b bedoelde stukken tot de handel op een handelsplatform, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een handelsplatform vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is dan wel het aanvragen van een intrekking van zodanige toelating;

d.het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de vennootschap of een afhankelijke maatschappij met een andere rechtspersoon of vennootschap dan wel als volledig aansprakelijke vennote in een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de vennootschap;

e.het nemen van een deelneming ter waarde van ten minste een vierde van het bedrag van het geplaatste kapitaal met de reserves volgens de balans met toelichting van de vennootschap, door haar of een afhankelijke maatschappij in het kapitaal van een andere vennootschap, alsmede het ingrijpend vergroten of verminderen van zulk een deelneming;

f.investeringen welke een bedrag gelijk aan ten minste een vierde gedeelte van het geplaatste kapitaal met de reserves der vennootschap volgens haar balans met toelichting vereisen;

g.een voorstel tot wijziging van de statuten;

h.een voorstel tot ontbinding van de vennootschap;

i.aangifte van faillissement en aanvraag van surséance van betaling;

j.beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een aanmerkelijk aantal werknemers van de vennootschap of van een afhankelijke maatschappij tegelijkertijd of binnen een kort tijdsbestek;

k.ingrijpende wijziging in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers van de vennootschap of van een afhankelijke maatschappij;

l.een voorstel tot vermindering van het geplaatste kapitaal.

2

Het ontbreken van de goedkeuring van de raad van commissarissen op een besluit als bedoeld in lid 1 tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuur of bestuurders niet aan.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:164 BW (5)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 29 november 2002

    Schwandt/Berghuizer Papierfabriek

    Artikel 2:9 BW: ernstig verwijt bij handelen in strijd met statutaire goedkeuringseis

    “[…] art. 20 lid 1 onder d en e vereiste goedkeuring van de raad van commissarissen te hebben verkregen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat uitgegaan kan worden van de juistheid van de stelling van [eiser] dat geen toestemming van de raad van commissarissen vereist was voor het aangaan van de optieovereenkomst, omdat [verweerster] het standpunt van [eiser] "dat het aangaan van de overeenkomst geen 2:164 BW besluit is" niet langer heeft weersproken en heeft aangevoerd dat het verwijt dat zij [eiser] maakt niet primair is gelegen in de afstoting van de deelneming in Xeikon als zodanig als wel in de wijze waarop en de voorwaarden waaronder (rov. 5.2). De Rechtbank heeft vervolgens overwogen dat doorslaggevend is voor het slagen van de vordering van [verweerster] het antwoord op de vraag of [eiser] ter zake van de optieverlening een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur, dan wel onrechtmatig handelen jegens [verweerster]. De Rechtbank wenste daaromtrent een deskundigen-onderzoek te bevelen. [Verweerster] is van het (tussen)vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gegaan.”

    r.o. 3.2

    “[…] een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door de door [verweerster] gehouden aandelen Xeikon op te vatten als een deelneming (in de zin van art. 2:24c BW), daar [eiser] verspreid in de stukken van het geding op vele plaatsen heeft aangegeven dat voor het van de hand doen van de aandelen Xeikon geen toestemming van de raad van commissarissen nodig was, omdat het verlenen van de optie geen "art. 2:164 lid 1 BW besluit" was, het belang in Xeikon geen strategisch of commercieel belang was, [verweerster] geen papier produceerde dat nodig was voor de door Xeikon te ontwikkelen kleurendrukpers en de activiteiten van Xeikon niet aansloten op die van [verweerster]. Onderdeel 1.2 acht onbegrijpelijk dat het Hof deze essentiële stellingen van [eiser] heeft gepasseerd; de onderdelen 1.3 en 1.4 benadrukken zulks met betrekking tot de overweging van het Hof in rov. 4.4 dat geen rol speelt of de deelneming een strategisch/commercieel belang diende. Onderdeel 1.5 verwijt het Hof over het hoofd te hebben gezien dat [eiser] zich erop heeft beroepen dat de commissarissen impliciet toestemming hebben verleend tot de onderhavige desinvestering.”

    r.o. 3.4.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2002:AE7011

Conclusies van de A-G (4)

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW

    “[…] door de introductie van een goedkeuringsrecht voor bestuursbesluiten waarvan gezegd kan worden dat daardoor de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming sterk verandert. [curs. LT]"(40) "De door de SER genoemde lijst met besluiten komt deels overeen met de opsomming van bestuursbesluiten waarvoor goedkeuring van de raad van commissarissen is vereist krachtens artikel 2:164/2:274 lid 1 sub d, e en f BW. De toezichthoudende taak van de raad van commissarissen brengt mee dat hij nauw betrokken is bij de financiële huishouding van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Daartoe behoort ook het investeringsbeleid. Een en ander komt tot uitdrukking in de lijst met belangrijke bestuursbesluiten die goedkeuring van de raad van commissarissen vereisen (artikel 2:164 lid 1/274 lid 1 BW.) De rol van de algemene vergadering is een andere. De commissie vennootschapsrecht heeft opgemerkt dat het niet past indien de algemene vergadering het investeringsbeleid gaat bepalen. Daarbij sluiten wij ons aan. De aandeelhouder behoort te worden geraadpleegd als het door de raad van commissarissen goedgekeurde besluit zo ingrijpend is dat gezegd kan worden dat […]”

    r.o. 3.41 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7970

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO: onmiddellijke voorziening opschorting verkoop LaSalle; goedkeuringsrecht AVA

    “Onderdeel 1.2 werkt de vorige klacht nader uit door te wijzen op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW, art. 2:16 lid 2 BW, art. 2:130 lid 3, 2:164 lid 2 BW en art. 9 van de Eerste EG-richtlijn (68/151/EEG), die allen tot uitdrukking brengen dat interne bevoegdheidsbeperkingen in beginsel geen externe werking hebben.”

    r.o. 2.3 · lid 2

    “De onderdelen 1.3. en 1.4 voeren in de kern genomen aan dat de VEB c.s. ook niet hebben gesteld dat de Bank of America in dit geval in strijd met redelijkheid en billijkheid zou handelen indien Bank of America ABN AMRO aan de geldigheid van de overeenkomst zou houden.”

    r.o. 2.4

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7972

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2003

    Conclusie A-G: wanbeleid HBG, consultatieplicht algemene vergadering van aandeelhouders bij afwijzing bod

    “HBG heeft vrijwillig het volledige structuurregime aangenomen. Dit betekent dat de wijze van benoeming en ontslag van commissarissen en de taak en bevoegdheden van de Raad van Commissarissen overeenkomstig het structuurregime is geregeld (art. 2:157 BW). Ingevolge de structuurregeling zijn bepaalde besluiten van het bestuur onderworpen aan de goedkeuring van de Raad van Commissarissen, waaronder een besluit tot het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking indien dit van ingrijpende betekenis is voor de vennootschap, (art. 2:164 onder d BW)(22).”

    r.o. 2.31

    ECLI:NL:PHR:2003:AF1486

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 november 2002

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij ontbrekende RvC-goedkeuring voor afstoten deelneming; ernstig verwijt

    “Wat het tweede verwijt betreft, heeft [eiser] aangevoerd dat hij noch volgens de wet, noch volgens de statuten aan de raad van commissarissen goedkeuring behoefde te vragen. Daartoe heeft hij - kort gezegd - betoogd dat geen sprake was van een "art. 2:164 BW besluit", omdat (a) niet werd voldaan aan de 1/4 eis ([verweerster] had in totaal ƒ 1,8 miljoen in Xeikon geïnvesteerd op een balanstotaal van [verweerster] in 1993 van ƒ 226 miljoen), terwijl (b) de deelneming in Xeikon om de reeds hiervoor in 2.7 genoemde reden geen enkel strategisch belang van [verweerster] meer diende zodat het verbreken van de samenwerking niet van ingrijpende betekenis voor [verweerster] kon worden geacht (o.m. cva nr. 32; cvd nrs. 54-57).”

    r.o. 2.8

    “[Verweerster] heeft, naar het oordeel van de Rechtbank, bij pleidooi niet (langer) weersproken dat het aangaan van de overeenkomst, waarbij de optie werd verleend, "geen art. 2:164 BW besluit" is. Daarmee staat vast dat [eiser] voor het aangaan van de overeenkomst geen goedkeuring van de raad van commissarissen behoefde (rov. 5.2).”

    r.o. 2.11

    “In het licht van het voorafgaande kom ik niet toe aan de vraag wat in art. 2:24c BW is bedoeld met deelneming, noch ook aan de strekking van art. 2:164 lid 1 onder e BW waaraan met name [eiser] in deze procedure ampel aandacht heeft geschonken. Ten overvloede ga ik daarop nochtans in. Daarbij wordt eerst aandacht geschonken aan het juridische aspect van deze vraag. Onder 3.22 e.v. wordt het betoog toegestiptst op de onderhavige zaak.”

    r.o. 3.14 · lid 1

    “Op grond van art. 2:164 lid 1 BW heeft de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht ten aanzien van bepaalde bestuursbesluiten. Dit goedkeuringsrecht brengt mee dat de raad naast zijn normale toezichthoudende taak tevens een beperkte medebesturende taak heeft. Het gaat hier om dwingend recht.(15) Ratio hiervan is - kort gezegd - dat de in art. 2:164 lid 1 BW genoemde besluiten in de regel ingrijpende gebeurtenissen in het bestaan van de vennootschap betreffen. Door deze besluiten onder de controle van commissarissen te brengen, wordt een grotere waarborg geschapen voor een evenwichtige belangenafweging.(16)”

    r.o. 3.16 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2002:AE7011