← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:64 BW

In deze vorm in werking sinds 1 juli 2011, laatst gewijzigd bij Stb. 2010, 280

1

De naamloze vennootschap is een rechtspersoon met een in overdraagbare aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal. Een aandeelhouder is niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en is niet gehouden boven het bedrag dat op zijn aandeel behoort te worden gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen. Ten minste één aandeel wordt gehouden door een ander dan en anders dan voor rekening van de vennootschap of een van haar dochtermaatschappijen.

2

De vennootschap wordt door een of meer personen opgericht bij notariële akte. De akte wordt getekend door iedere oprichter en door ieder die blijkens deze akte een of meer aandelen neemt.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:64 BW (4)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Conclusies van de A-G (4)

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 juni 2024

    Vereenzelviging van staatsoliebedrijf en dochters met Staat Venezuela; cassatie ongegrond

    “[…] van exclusieve aansprakelijkheid niet opzij kan worden geschoven in àlle gevallen waarin van misbruik kan worden gesproken. Er moet naar mijn mening sprake zijn van een zeer krasse vorm van misbruik. In minder extreme gevallen zal een indirecte doorbraak, in het bijzonder door een actie uit onrechtmatige daad, m.i. de voorkeur verdienen, niet alleen omdat dan de belangrijke regel van de artt. 2:64 lid 1 en 2:175 lid 1 BW wordt gerespecteerd, maar ook omdat daarmee een genuanceerder resultaat kan worden bereikt.” Kort na dat arrest schreef Timmerman, daarbij vereenzelviging “zwaar geschut” noemend: “Ik vind overigens de door de Hoge Raad voorgestane terughoudendheid bij de toepassing van vereenzelviging juist. Ruime toepassing ervan kan tot willekeur leiden, omdat de criteria op basis waarvan vereenzelvigd dient te worden onduidelijk zijn. Recht dient willekeur nu juist te bestrijden. Met het probleem wordt niet alleen in Nederland, maar ook in buitenlandse rechtssystemen geworsteld. Vereenzelviging dient slechts in een beperkt aantal gevallen een gelegenheidsoplossing, een noodventiel te zijn. De deur naar de vereenzelviging staat (…) slechts op een kier. Cardozo merkte in […]”

    r.o. 3.7 · leden 1, 2

    “[…] van exclusieve aansprakelijkheid niet opzij kan worden geschoven in àlle gevallen waarin van misbruik kan worden gesproken. Er moet naar mijn mening sprake zijn van een zeer krasse vorm van misbruik. In minder extreme gevallen zal een indirecte doorbraak, in het bijzonder door een actie uit onrechtmatige daad, m.i. de voorkeur verdienen, niet alleen omdat dan de belangrijke regel van de artt. 2:64 lid 1 en 2:175 lid 1 BW wordt gerespecteerd, maar ook omdat daarmee een genuanceerder resultaat kan worden bereikt.” Kort na dat arrest schreef Timmerman, daarbij vereenzelviging “zwaar geschut” noemend: “Ik vind overigens de door de Hoge Raad voorgestane terughoudendheid bij de toepassing van vereenzelviging juist. Ruime toepassing ervan kan tot willekeur leiden, omdat de criteria op basis waarvan vereenzelvigd dient te worden onduidelijk zijn. Recht dient willekeur nu juist te bestrijden. Met het probleem wordt niet alleen in Nederland, maar ook in buitenlandse rechtssystemen geworsteld. Vereenzelviging dient slechts in een beperkt aantal gevallen een gelegenheidsoplossing, een noodventiel te zijn. De deur naar de vereenzelviging staat (…) slechts op een kier. Cardozo merkte in […]”

    r.o. 3.7.6 · leden 1, 2

    ECLI:NL:PHR:2024:645

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2000

    Conclusie: vereenzelviging van twee vennootschappen bij beslag door belastingontvanger

    “[…] Bij vereenzelviging gaat het om inbreuken op de regel dat een rechtspersoon wat het ver-mo-gensrecht betreft met een natuurlijke persoon gelijk staat (art. 2:5 BW). Doorbraak van aan-sprakelijkheid bestaat uit (andere) uitzonderingen op de, uit de eerste regel voortvloeiende, regel dat de aandeelhouder van een vennootschap niet aansprakelijk is voor verplichtin-gen van de vennootschap (artt. 2:64 en 2:175 BW). De terminologie is echter niet vast. Ik zou vereenzelviging willen zien als een grond tot doorbraak van aansprakelijkheid, met de aantekening dat vereenzelviging ook buiten de context-doorbraak betekenis heeft (...)". Ik verwijs ik naar de aldaar genoemde rechtspreek literatuur. Voorts citeer ik uit genoemde conclusie12: "Ik zou menen dat er aanleiding kan zijn tot vereenzelviging van een rechtspersoon met een andere rechtspersoon of met een natuurlijk persoon, indien misbruik gemaakt is van het identiteitsverschil en met name dan wanneer de betrokkenen zich zodanig gedragen hebben dat derden zijn benadeeld doordat zij met betrekking tot het identiteitsverschil, en de con-se-quenties daarvan, in verwarring zijn gebracht. Met dat laatste doel ik op gevallen waarin de […]”

    r.o. 2.3.2

    ECLI:NL:PHR:2000:AA7480

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2020

    Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig

    “[…] vervuld, of anders gezegd: dan is de oprichtingshandeling nietig. Tot 1 juli 2011 behoorde ook de verklaring van geen bezwaar tot de essentiële vereisten, waarvan het ontbreken in art. 2:4 BW met nietigheid bedreigd was. Ontbrak die verklaring, of was op het moment van oprichting een termijn verstreken van drie maanden na dagtekening van die verklaring en was deze termijn niet verlengd (zie art. 2:64/175 lid 3 BW (oud)), dan ontstond de rechtspersoon niet. Met ingang van 1 juli 2011 is dat tweede essentiële vereiste dus komen te vervallen, waardoor de nietigheidsgrond van art. 2:4 lid 1 BW is versmald tot nog maar één essentieel vereiste en niet-naleving daarvan: het ontbreken van de in art. 2:4 lid 1 BW bedoelde notariële akte. De problematiek van de ‘nietige rechtspersoon’ speelt hierdoor in de praktijk nauwelijks tot niet. - Herziening tegenstrijdigbelangregeling. Tot 1 januari 2013 kende het N.V.- en B.V.-recht met art. 2:146/256 BW (oud) een wettelijke regeling inzake tegenstrijdig belang van een bestuurder die, in verbinding met art. 2:130/240 BW, was ingebed in het leerstuk van (on)bevoegde vertegenwoordiging. Verrichtte een bestuurder namens de vennootschap een […]”

    r.o. 4.40

    ECLI:NL:PHR:2020:111

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 april 2003

    Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal

    “Volgens artikel 2:64 lid 1 BW is de naamloze vennootschap een rechtspersoon met een maatschappelijk kapitaal dat is verdeeld in - in beginsel - vrij overdraagbare aandelen. Deze aandelen kunnen op naam of aan toonder luiden (art. 2:82). Bij de statuten kan de overdraagbaarheid van aandelen op naam worden beperkt aan de hand van een, in een blokkeringsregeling voorgeschreven, goedkeurings- of aanbiedingsregeling welke beperking evenwel niet zodanig mag zijn dat zij de overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt (art. 2:87).”

    r.o. 2.3 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2003:AF2161