← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 3. Het vermogen van de naamloze vennootschap

Artikel 2:100 BW

In deze vorm in werking sinds 1 september 2017, laatst gewijzigd bij Stb. 2016, 290

1

De naamloze vennootschap legt de in artikel 99 lid 1 bedoelde besluiten neer ten kantore van het handelsregister en kondigt de nederlegging aan in een landelijk verspreid dagblad.

2

De vennootschap moet, op straffe van gegrondverklaring van een verzet als bedoeld in het volgende lid, voor iedere schuldeiser die dit verlangt zekerheid stellen of hem een andere waarborg geven voor de voldoening van zijn vordering. Dit geldt niet, indien de schuldeiser voldoende waarborgen heeft of de vermogenstoestand van de vennootschap voldoende zekerheid biedt dat de vordering zal worden voldaan.

3

Binnen twee maanden na de in het eerste lid vermelde aankondiging kan iedere schuldeiser door het indienen van een verzoek bij de rechtbank tegen het besluit tot kapitaalvermindering in verzet komen met vermelding van de waarborg die wordt verlangd. De rechter wijst het verzoek af, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de kapitaalvermindering twijfel omtrent de voldoening van zijn vordering gewettigd is en dat de vennootschap onvoldoende waarborgen heeft gegeven voor de voldoening van zijn vordering.

4

Voordat de rechter beslist, kan hij de vennootschap in de gelegenheid stellen binnen een door hem bepaalde termijn een door hem omschreven waarborg te geven. Op een ingesteld rechtsmiddel kan hij, indien het kapitaal al is verminderd, het stellen van een waarborg bevelen en daaraan een dwangsom verbinden.

5

Een besluit tot vermindering van het geplaatste kapitaal wordt niet van kracht zolang verzet kan worden gedaan. Indien tijdig verzet is gedaan, wordt het besluit eerst van kracht, zodra het verzet is ingetrokken of de opheffing van het verzet uitvoerbaar is. Een voor de vermindering van het kapitaal vereiste akte van statutenwijziging kan niet eerder worden verleden.

6

Indien de vennootschap haar kapitaal wegens geleden verliezen vermindert tot een bedrag dat niet lager is dan dat van haar eigen vermogen, behoeft zij geen waarborg te geven en wordt het besluit onmiddellijk van kracht.

7

Dit artikel is niet van toepassing, indien een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal wettig verkregen eigen aandelen intrekt.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:100 BW (5)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 31 maart 2017

    SNS/CRI

    Maatstaf verzet schuldeisers tegen beëindiging aansprakelijkheid na intrekking 403-verklaring

    “[…] overblijvende aansprakelijkheid vervangende zekerheid of een andere waarborg verlangen, indien het voornemen meebrengt dat zijn positie (niet alleen formeel, maar ook) materieel wordt verzwakt. De regeling van verzet in art. 2:404 BW is mede ontleend aan de regeling van verzet tegen kapitaalvermindering. (Kamerstukken II 1983-1984, 16 551, nr. 11, p. 15-16) In de memorie van toelichting op art. 2:100 BW, waarin de regeling van verzet tegen kapitaalvermindering bij de naamloze vennootschap is opgenomen, is het volgende vermeld. Is de vordering opeisbaar, dan zal de schuldeiser uiteraard betaling verlangen en, om verzet te voorkomen, krijgen, indien zijn vordering niet betwist is. Is de vordering wel betwist, dan wordt deze in feite pas inbaar na een rechterlijk vonnis of een schikking, die beide nog enige tijd op zich kunnen laten wachten. Het zou daarom onredelijk zijn de schuldeiser die een betwiste vordering heeft, een aanspraak op zekerheidstelling te onthouden, tenzij de rechter die over het verzet oordeelt de betwiste vordering bij voorbaat niet erkent. Het recht van verzet komt aan alle schuldeisers toe. (Kamerstukken II 1978-1979, 15 304, nr. 3, p. 46)”

    r.o. 5.1.4

    ECLI:NL:HR:2017:546

Conclusies van de A-G (3)

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 juli 2023

    Conclusie: uitkoop NIBC-minderheidsaandeelhouders, billijke prijs en peildatum bij openbaar bod

    “Op 16 februari 2021 heeft een kapitaalvermindering plaatsgevonden waarbij NIBC Holding de 1.025.834 (gewone) aandelen die zij in haar eigen kapitaal hield, heeft ingetrokken. Dit met inachtneming van de relevante kapitaalverminderingsprocedure van art. 2:99 en 2:100 BW. Daarmee zijn de eigen aandelen komen te vervallen. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure (3 maart 2021) bedroeg het geplaatste kapitaal van NIBC Holding € 2.929.750,70 en bestond het uit 146.487.535 (gewone) aandelen met een nominale waarde van € 0,02 per aandeel.”

    r.o. 1.25

    ECLI:NL:PHR:2023:667

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 december 2016

    Verzet schuldeisers tegen beëindiging overblijvende aansprakelijkheid na intrekking 403-verklaring: toetsingsmaatstaf

    “Voor het standpunt dat ook schuldeisers met een betwiste vordering verzet kunnen instellen, is ook in de parlementaire geschiedenis een aanwijzing te vinden. Uit de toelichting op lid 4 van art. 2:404 BW blijkt dat de regeling is ontleend aan de regeling van verzet tegen kapitaalsvermindering of van verzet tegen een voorstel tot fusie. In de toelichting op art. 2:100 BW (de verzetregeling in geval van kapitaalsvermindering bij de NV) valt het volgende lezen: “Er is geen goede reden om deze aanspraak te beperken tot schuldeisers wier vordering nog niet opeisbaar is. Is de vordering opeisbaar, dan zal de schuldeiser uiteraard betaling verlangen en, om verzet te voorkomen, krijgen, indien zijn vordering niet betwist is. Is de vordering wel betwist, dan wordt de vordering in feite pas inbaar na een rechterlijk vonnis of een schikking, die beide nog enige tijd op zich kunnen laten wachten. Het zou daarom onredelijk zijn de schuldeiser die een betwiste vordering heeft, een aanspraak op zekerheidstelling te onthouden, tenzij de rechter die over het verzet oordeelt de betwiste vordering bij voorbaat niet erkent. Ook het recht van verzet komt naar huidig recht en volgens dit wetsontwerp […]”

    r.o. 4.20

    “Het hanteren van een zodanige lichte toets is in lijn met de toelichting op art. 2:100 BW die hiervoor onder 4.20 is geciteerd en die inhoudt dat verzet in geval van een betwiste vordering mogelijk is “tenzij de rechter die over het verzet oordeelt de betwiste vordering bij voorbaat niet erkent.” In een beschikking van 14 oktober 1982 heeft de ondernemingskamer in een verzetprocedure als bedoeld in een verzet tegen kapitaalsvermindering zich hierbij aangesloten: “Grief I Deze grief van de Vennootschap richt zich tegen het oordeel van de Rb. dat A. is aan te merken als schuldeiser in de zin van art. 2:209 BW. De Ondernemingskamer verwerpt deze grief. Terecht heeft de Rb. op de daarvoor gebezigde gronden de door de Vennootschap in hoger beroep herhaalde stelling dat aan het begrip schuldeiser in voormeld voorschrift stringente eisen dienen te worden gesteld, verworpen. Ook een schuldeiser, wiens vordering wordt betwist, is als schuldeiser in voormelde zin aan te merken. Dit lijdt uitzondering indien de betwiste vordering aan de rechter die over het verzet oordeelt op voorhand ongegrond voorkomt.” (Curs. A-G)”

    r.o. 4.27

    ECLI:NL:PHR:2016:1326

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 april 2003

    Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal

    “[…] bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden, worden opgenomen in de prijscourant van een beurs, en d. waarvan de statuten bepalen dat de vennootschap een bmvk is. Voor een bmvk gelden niet de artikelen 2:96 (aandelenuitgifte) en 2:96a (voorkeursrecht); zie art. 2:96b BW. Ook vinden geen toepassing de bepalingen in artikel 2:98 leden 2-4 (inkoop eigen aandelen) en artikel 2:100 (intrekking van wettig verkregen aandelen); zie art. 2:98 lid 8 onderscheidenlijk 2:100 lid 7 BW. Het gaat derhalve om de wettelijke bepalingen betreffende kapitaalbescherming en kapitaalverhoging(34).”

    r.o. 2.9 · lid 7

    ECLI:NL:PHR:2003:AF2161

Rechtbanken (1)

  • Rechtbank Amsterdam · 11 juni 2026

    Verzet schuldeisers tegen juridische fusie ongegrond: vermogenstoestand in artikel 2:316 lid 2 BW

    Certificaathouders van een voormalige holding, onder wie een gesanctioneerde rechtspersoon, komen als gestelde schuldeisers in verzet tegen een juridische fusie op grond van artikel 2:316 lid 2 BW. De rechtbank beschouwt hen als schuldeisers, maar oordeelt dat met vermogenstoestand de financiële toestand wordt bedoeld en dat die geen reële twijfel geeft over voldoening van hun vorderingen. Zij maken niet aannemelijk dat verhaal feitelijk onmogelijk wordt; verlies van enquêtebevoegdheid en onmogelijke ongedaanmaking van een aandelenverkoop zijn geen beschermde belangen. Het verzet wordt opgeheven.

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5779