← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 2. De aandelen

Artikel 2:84 BW

In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)

De vereffenaar van een naamloze vennootschap en, in geval van faillissement, de curator zijn bevoegd tot uitschrijving en inning van alle nog niet gedane stortingen op de aandelen, onverschillig hetgeen bij de statuten daaromtrent is bepaald.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:84 BW (2)

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 17 oktober 2003

    De Rijk q.q./Van Roy

    Curator, volstorting aandelen en verjaring van de stortingsvordering

    “Onderdeel 1.A klaagt dat het hof, voorzover het bij het door [verweerder] gedane beroep op verjaring ervan uitgaat, dat de curator met de vordering tot veroordeling van [verweerder] tot nakoming van zijn verplichting tot volstorting van zijn aandelen in M.M.D. een rechtsvordering van de besloten vennootschap uitoefent en niet een eigen rechtsvordering, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt. Het subjectieve recht waarop art. 2:193 BW ziet, is het recht op volstorting van aandelen. De bij dit recht behorende rechtsvordering komt aan de vennootschap toe. Art. 2:193 verschaft aan de curator uitsluitend een (beschikkings)bevoegdheid met betrekking tot dit recht. Voor het uitoefenen van deze bevoegdheid in rechte behoeft de curator ingevolge art. 68 lid 2 F. de toestemming van de rechter-commissaris. Dit een en ander wordt bevestigd door de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.6 vermelde geschiedenis van de totstandkoming van de art. 2:84 en 2:193 BW, waaruit blijkt dat de wetgever kennelijk niet heeft willen afwijken van de gewone regels van faillissementsrecht.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:HR:2003:AI0308

Conclusies van de A-G (1)

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 oktober 2003

    Curator, artikel 2:193 BW en verjaring van stortingsplicht op aandelen

    “E.e.a. wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis. Art. 2:193 BW en het gelijkluidende art. 2:84 BW, stammen af van art. 38e(oud) K.(10) Dit artikel luidde: "In geval van faillissement der naamlooze vennootschap is de curator bevoegd alle nog niet gedane stortingen op de aandeelen uit te schrijven en te innen, onverschillig wat bij de akte van oprichting daaromtrent is bepaald." De Memorie van Toelichting bij art. 38e (oud) K, in het oorspronkelijk ontwerp genummerd 41d, vermeldt slechts: "Bij faillissement moet over het nog niet gestorte deel van het geplaatst kapitaal beschikt kunnen worden, zoodra de vereffening van den boedel dit eischt."(11) In het verslag van de Commissie van Voorbereiding staat: "Er is geen reden de bevoegdheid van den curator te dezen te binden aan een machtiging van den rechter-commissaris. De belangen van den boedel eischen dat niet. Natuurlijk laat dit voorschrift het bepaalde bij de artt. 68 vlg. der Faillissementswet in zijn geheel. Zoo zal de curator bv. wel de machtiging van den rechter-commissaris behoeven, alvorens tot inning langs gerechtelijken weg over te gaan."(12) Dat het ontwerp wilde aansluiten bij het bestaande faillissementsrecht blijkt ook […]”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:PHR:2003:AI0308