Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 2. De aandelen
Artikel 2:92 BW
In deze vorm in werking sinds 1 september 2001, laatst gewijzigd bij Stb. 2000, 283
Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, zijn aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen verbonden.
De naamloze vennootschap moet de aandeelhouders onderscheidenlijk certificaathouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden, op dezelfde wijze behandelen.
De statuten kunnen bepalen dat aan aandelen van een bepaalde soort bijzondere rechten als in de statuten omschreven inzake de zeggenschap in de vennootschap zijn verbonden.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:92 BW (6)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (2)
DSM
Loyaliteitsdividend DSM: artikel 2:92 BW en onmiddellijke voorziening in enquêteprocedure
“Middel 1 is gericht tegen hetgeen de ondernemingskamer in rov. 3.11 en 3.12 van haar beschikking heeft overwogen. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.11 vooropgesteld dat art. 2:92 lid 1 BW inhoudt dat in de statuten van een naamloze vennootschap bepalingen kunnen worden opgenomen die ertoe leiden dat de vennootschap verschillende soorten aandelen kent en dat per soort verschillende rechten aan het aandeel kunnen worden verbonden, onder meer wat betreft winstverdeling, en dat slechts door bij de statuten objectief aan het aandeel te verbinden eigenschappen in de aan aandelen toekomende rechten diversificatie kan worden aangebracht, welke diversificatie niet kan voortvloeien uit het treden door de aandeelhouder in een nadere, door een reglement beheerste verhouding tot de vennootschap. Vervolgens heeft de ondernemingskamer in rov. 3.12 het volgende overwogen. (a) Het bepaalde in art. 2:92 lid 1 BW dient aldus te worden verstaan dat binnen dezelfde soort aan elk aandeel van die soort gelijke rechten zijn verbonden, ongeacht in wiens handen zich dit aandeel bevindt. (b) Het gaat hier om een fundamentele en dwingende regel van het Nederlandse vennootschapsrecht. (c) De voorgenomen […]”
r.o. 3.2 · lid 1“Het middel voert terecht aan dat deze oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 2:92 lid 1 BW. De daarin opgenomen hoofdregel dat aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen zijn verbonden, is van regelend recht, nu daarvan in de statuten kan worden afgeweken. Uit de tekst en de strekking van deze bepaling volgt niet dat een statutaire afwijking van deze hoofdregel slechts mogelijk is met betrekking tot aandelen van een bepaalde soort. In het bijzonder schrijft art. 2:92 lid 1, gelezen in verband met het bepaalde in art. 2:105 BW, niet dwingend voor dat aan aandelen van dezelfde soort altijd in omvang gelijke aanspraken op dividend moeten zijn verbonden. Art. 2:92 lid 1 verzet zich daarom niet tegen een regeling in de statuten waarbij aan geregistreerde aandeelhouders onder bepaalde voorwaarden een financiële uitkering, bijvoorbeeld in de vorm van een aanvullend dividend, wordt toegekend, mits deze regeling geen schending oplevert van het in art. 2:92 lid 2 BW neergelegde gelijkheidsbeginsel.”
r.o. 3.3 · leden 1, 2Versatel I
Uitstoting minderheidsaandeelhouders via driehoeksfusie en uitkoop na openbaar bod
“Het middel klaagt dat de ondernemingskamer in de rechtsoverwegingen 3.16, 3.17, 3.20, 3.21 en 3.24 van haar beschikking de art. 2:8, 2:92, 2:92a, 2:201 en 2:201a BW, alsmede art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 14 EVRM heeft geschonden door toe te staan dat minderheidsaandeelhouders, nadat een openbaar bod is uitgebracht en het belang van de minderheidsaandeelhouders vervolgens met behulp van een juridische fusie tot onder de uitkoopgrens van 5% is gebracht, met toepassing van de uitkoopregeling worden uitgestoten.”
r.o. 4.1
Conclusies van de A-G (3)
Loyaliteitsdividend DSM en onmiddellijke voorzieningen: cassatie in het belang der wet
“Bij brief van 14 maart 2007 hebben Franklin c.s. een brief gezonden aan het bestuur van DSM. Daarin zijn de bezwaren van Franklin c.s. onder de aandacht van DSM gebracht. De conclusie was dat Franklin c.s. de introductie van het loyaliteitsdividend ongewenst achten en - zonder wettelijke grondslag - in strijd met (onder meer) de artikelen 2:8 en 2:92 BW. Franklin c.s. hebben erop aangedrongen dat het desbetreffende voorstel van de agenda van de algemene vergadering van aandeelhouders van 28 maart 2007 zou worden afgevoerd. 2. Procesverloop”
r.o. 1.20“De Ondernemingskamer heeft in de DSM-beschikking het recht geschonden, in het bijzonder art. 2:92 lid 1 BW, door in de rov. 3.11 en 3.12 te oordelen dat de in het geding zijnde statutenwijziging tot introductie van het loyaliteitsdividend in strijd is met het bepaalde in artikel 2:92 lid 1 BW, dit ten onrechte omdat de Ondernemingskamer daarmee naar mijn oordeel blijk geeft van een onjuiste uitleg van art. 2:92 lid 1 BW. Ik licht het middel als volgt toe: De kern van de door DSM voorgestelde regeling”
r.o. 3.2 · lid 1“Ik benadruk dat het in deze cassatievordering gaat om de juiste uitleg van art. 2:92 lid 1 BW. Alleen op dit wetsartikel heeft de Ondernemingskamer haar beslissing gebaseerd dat bij DSM geen loyaliteitsdividend mag worden ingevoerd. Ik acht het geven van een goede uitleg van art. 2:92 lid 1 BW van belang, omdat bij de door mij voorgestane uitleg discussie kan plaatsvinden over het voor en tegen van het bij bepaalde beursvennootschappen invoeren van een loyaliteitsdividend op de door DSM beoogde wijze. Of het bij die vennootschappen uiteindelijk tot invoering van een loyaliteitsdividend dient te komen, is een aangelegenheid die niet te mijner beoordeling staat. Het is niet uitgesloten dat bij de nadere discussie over de invoering van het loyaliteitsdividend andere rechtsvragen opkomen die twijfel doen ontstaan aan de geoorloofdheid van het loyaliteitsdividend dan de vragen die met de uitleg van art. 2:92 lid 1 BW te maken hebben. Die vragen zullen te zijner tijd al dan niet na inschakeling van de rechter dienen te worden beantwoord. In deze cassatievordering staat dan ook niet ter discussie de vraag of de DSM-regeling in alle opzichten goed en sluitend is(2) en of deze in het […]”
r.o. 3.4 · lid 1“Men kan zich nog afvragen of dit soort bonussen wel dividend in de zin van de wet is en niet bij voorbeeld een bijzondere verplichting van de vennootschap in de zin van art. 2:94 BW. Ik ga op deze vraag niet in. Ik verwijs slechts naar het antwoord dat Guyon in zijn m.i. voortreffelijke artikel uit 1995 geeft voor Frankrijk waar dezelfde vraag is opgeworpen: "( ) l'avantage n'est pas particulier mais général puisque tout actionnaire a vocation à en bénéficier, sous la seule condition de mettre ses titres au nominatif et de les converser pendant le délai fixé par les statuts." (10) Er is in het geval van loyaliteitsdividend voor Nederland mijns inziens ook sprake van een dividend waarop alle wets- en statutaire bepalingen, zoals art. 2:92 en art. 2:105 BW, van toepassing zijn. Wetshistorie van art. 2:92 lid 1 BW”
r.o. 3.21 · lid 1Uitstoting minderheid via driehoeksfusie en uitkoop; artikel 1 Eerste Protocol
“Het middel keert zich tegen de rechtsoverwegingen 3.16, 3.17, 3.20, 3.21 en 3.24 van de beschikking van de Ondernemingskamer. Deze overwegingen getuigen van een schending van het recht en/of verzuim van vormen, in het bijzonder van de artt. 2:8, 2:92, 2:92a, 2:201 en 2:201a BW, alsmede art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 14 EVRM, aldus het middel.”
r.o. 4.1“Het middel bevat een uitwerking in een viertal onderdelen. De onderdelen 1, 2.1 tot en met 2.3 en onderdeel 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De onderdelen richten zich tegen rov. 3.16 en 3.17 van de bestreden beschikking. Ik citeer de bestreden rechtsoverwegingen gezamenlijk met de ermee verband houdende rechtsoverwegingen 3.14 en rov. 3.15: "3.14. De door Centaurus c.s. aan de orde gestelde kwestie van de (eventueel) voorgenomen juridische driehoek betreft, kort gezegd, de vraag of Tele2 Finance, na gestanddoening van het openbare bod, andere juridische instrumenten - waaronder fusie, splitsing, liquidatie of verkoop van activa - dan de uitkoopregeling mag benutten om zich de volledige zeggenschap over (en eigendom van de aandelen van) Versatel te verschaffen en Versatel ''van de beurs te halen''.”
r.o. 4.2“De onderdelen betogen dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de meerderheidsaandeelhouder die minder dan 95% van het geplaatste aandelenkapitaal heeft verworven, mede gelet op de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) en de gelijkheid van aandeelhouders (art. 2:92 dan wel art. 2: 201 BW) een bijzondere zorgvuldigheid in acht dient te nemen jegens de minderheidsaandeelhouders(27) en met de gerechtvaardigde belangen van de minderheidsaandeelhouders bij zijn handelen en bepaling van het beleid rekening heeft te houden, alsmede tot uitgangspunt heeft te nemen de aanwezigheid van de minderheidsaandeelhouders te respecteren en te aanvaarden. De wens van Tele2 om niet bij voortduring belast te blijven met de aanwezigheid van de minderheid is dan ook op zichzelf niet legitiem, aldus het middel. De wetgever heeft alleen de meerderheidsaandeelhouder met ten minste een 95% belang het recht gegeven minderheidsaandeelhouders uit te kopen. Het kunstmatig beneden de 5% grens manoeuvreren van een belang, gevolgd door uitstoting van het minderheidsbelang door middel van de uitkoopprocedure moet in het algemeen - en ook hier - onrechtmatig worden geacht, mede in het licht […]”
r.o. 4.4Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal
“[…] zonder daaraan enige ruchtbaarheid te geven. Ook de Stichting zelf heeft dit niet naar buiten gebracht. De VEB is van oordeel dat een dergelijke handelwijze wanbeleid oplevert. In de eerste plaats omdat, zoals onderzoekers schrijven, RNA geen aandeelhouders behoort te financieren die tegen een mede-aandeelhouder willen procederen. Dit levert strijd op met het gelijkheidsbeginsel van art. 2:92 BW. In de tweede plaats omdat RNA mede de illusie in stand heeft gehouden dat SBBR een onafhankelijke positie innam ten opzichte van zowel RNA als Westfield. Dat van een onafhankelijke positie sprake was, valt nauwelijks vol te houden nu de Stichting grotendeels gefinancierd werd door RNA zelf. Ook voor dit geval geldt het adagium: "wiens brood men eet, diens woord men spreekt"."”
r.o. 3.53“[…] van stemvolmachten door het bestuur van een vennootschap, "proxy solicitation", op zichzelf is toegelaten (art. 2:119 BW) en niet valt in te zien waarom deze verwerving niet zou kunnen worden overgelaten aan een, van RNA en haar bestuur onafhankelijke, derde zoals SBBR (zie de onderdelen 10.3 tot en met 10.7). Verder wordt aangevoerd dat de ondernemingskamer heeft miskend dat de artikelen 2:8 en 2:92 lid 2 BW niet (kunnen) zijn geschonden nu SBBR niet optrad in haar hoedanigheid van aandeelhouder van RNA waardoor niet gezegd kan worden dat RNA financiële steun heeft verleend aan een aandeelhouder maar aan een onafhankelijke belangenvereniging zoals VEB (zie onderdeel 10.8). Subsidiair wordt hieraan toegevoegd (zie onderdeel 10.9) dat vanwege de zeggenschap van Westfield in het voorliggende geval géén sprake was van - groepen van - aandeelhouders die zich in gelijke omstandigheden bevonden, althans "voor de ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging" kon worden aangewezen als bedoeld in HR 31 december 1993, NJ 1994, 436 m.nt. Ma (Verenigde Bootlieden). Ten slotte wordt in het middel betoogd dat geen sprake kan zijn geweest van wanbeleid omdat hier hoogstens […]”
r.o. 3.55 · lid 2“SBBR heeft, op haar beurt, bij verweerschrift van 22 februari 2002 over de financiële steun van RNA gesteld (onder 2.5): "(...) SBBR ontkent niet dat zij steun van RNA heeft ontvangen. RNA is één van haar grootste sponsoren geweest. SBBR heeft van vele aandeelhouders financiële steun gekregen maar is tegelijkertijd volstrekt onafhankelijk. Daarover zijn ook afspraken met RNA gemaakt. Het bestuur van SBBR heeft geen enkele band met RNA. SBBR heeft zelfstandig en na toepassing van hoor en wederhoor, haar positie bepaald. SBBR treedt niet slechts op voor bepaalde aandeelhouders, doch in beginsel voor álle aandeelhouders. SBBR heeft met name de functie van communicatiekanaal voor kleine aandeelhouders. (...) Strijd met artikel 2:92 BW is niet aan de orde, aangezien SBBR een onafhankelijke stichting is. Overigens was duidelijk dat Westfield een aandeelhouder was, die zich bepaald niet "in gelijke omstandigheden" bevond als alle andere aandeelhouders. (...)"(120)”
r.o. 3.58“Zie ik het goed, dan wordt in cassatie door RNA c.s. - terecht - niet bestreden dat op grond van de artikelen 2:8 en 2:92 lid 2 BW de regel geldt dat een (naamloze) vennootschap (groepen van) aandeelhouders "neutraal en gelijk" behoort te behandelen. Ook is onbestreden gelaten dat schending van deze regel met zich kan brengen dat in strijd wordt gehandeld met elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Algemeen wordt aangenomen dat uit hoofde van de artikelen 2:8 en 2:92 lid 2 het verbod van willekeur als één van de beginselen van behoorlijk ondernemerschap heeft te gelden(132).”
r.o. 3.73 · lid 2
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Enquêteverzoeken tegen Philips afgewezen: concernleiding en interne systemen na terugroepactie
“De Ondernemingskamer volgt verzoekers daarom niet in hun betoog. Maatstaf voor toewijzing van een enquêteverzoek is of gegronde redenen aanwezig zijn voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Die maatstaf als zodanig is niet afhankelijk van de informatieverstrekking aan aandeelhouders. Daarbij moet worden bedacht dat aandeelhouders van een beursgenoteerde vennootschap buiten de algemene vergadering geen recht hebben op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie (ECLI:NL:HR:2010:BM0976-ASMI). Binnen de grenzen van het gelijkheidsbeginsel (artikel 2:92 lid 2 BW) is het bestuur van een beursgenoteerde vennootschap dan ook geheel vrij om informatieverzoeken buiten de algemene vergadering al dan niet (gedeeltelijk) te honoreren. Reeds op deze grond en gelet op de wijze waarop KPNV is omgegaan met informatieverzoeken kan niet worden aangenomen dat in dit geval een lagere drempel voor toewijzing van een enquêteverzoek heeft te gelden. Slotsom en kosten”
r.o. 5.90 · lid 2