← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 3. Het vermogen van de naamloze vennootschap

Artikel 2:94a BW

In deze vorm in werking sinds 1 juli 2016, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 505

1

Indien bij de oprichting inbreng op aandelen anders dan in geld wordt overeengekomen, maken de oprichters een beschrijving op van hetgeen wordt ingebracht, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de toegepaste waarderingsmethoden. Deze methoden moeten voldoen aan normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. De beschrijving heeft betrekking op de toestand van hetgeen wordt ingebracht op een dag die niet eerder dan zes maanden voor de oprichting ligt. De beschrijving wordt door alle oprichters ondertekend en aan de akte van oprichting gehecht.

2

Over de beschrijving van hetgeen wordt ingebracht moet een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid een verklaring afleggen, die aan de akte van oprichting moet worden gehecht. Hierin verklaart hij dat de waarde van hetgeen wordt ingebracht, bij toepassing van in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden, ten minste beloopt het bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan. Indien bekend is dat de waarde na de beschrijving aanzienlijk is gedaald, is een tweede verklaring vereist.

3

De beschrijving en de accountantsverklaring zijn niet vereist, indien zulks in de akte van oprichting is bepaald ten aanzien van:

a.inbreng van effecten of geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, mits die effecten of geldmarktinstrumenten worden gewaardeerd tegen de gewogen gemiddelde koers waartegen zij gedurende drie maanden voorafgaande aan de dag van de inbreng op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zijn verhandeld;

b.inbreng anders dan in geld, niet zijnde effecten of instrumenten als bedoeld in onderdeel a, die is gewaardeerd door een onafhankelijke persoon die blijkens zijn opleiding en werkzaamheid deskundig is in het uitvoeren van waarderingen, mits de deskundigenwaardering geschiedt met toepassing van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden en de waarde van hetgeen wordt ingebracht wordt bepaald op een dag die niet eerder dan zes maanden voor de dag van de inbreng ligt;

c.inbreng anders dan in geld, niet zijnde effecten of geldmarktinstrumenten als bedoeld in onderdeel a, waarvan de waarde wordt afgeleid uit een jaarrekening die is vastgesteld over het laatste boekjaar dat aan de inbreng voorafgaat en overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEG L 157) aan een accountantscontrole is onderworpen.

4

Indien voor de oprichting bekend is dat de koers is beïnvloed door uitzonderlijke omstandigheden die ertoe leiden dat de waarde van effecten of instrumenten als bedoeld in lid 3, onderdeel a, op de dag van de inbreng aanzienlijk zal zijn gewijzigd of indien voor de oprichting bekend is dat de waarde van inbreng als bedoeld in lid 3, onderdeel b of c, op de dag van de inbreng als gevolg van nieuwe bijzondere omstandigheden aanzienlijk zal zijn gewijzigd, zijn de oprichters verplicht om alsnog een beschrijving op te maken die door alle oprichters wordt ondertekend en waarover een accountantsverklaring als bedoeld in lid 2 wordt afgelegd. De beschrijving en de accountantsverklaring worden aan de akte van oprichting gehecht. Geschiedt de inbreng na de oprichting en is in de periode tussen de oprichting en de inbreng bekend geworden dat zich omstandigheden als bedoeld in de eerste zin hebben voorgedaan, dan is het bestuur verplicht om alsnog een beschrijving op te maken waarover een accountantsverklaring als bedoeld in lid 2 wordt afgelegd.

5

Indien bij de oprichting inbreng op aandelen anders dan in geld wordt overeengekomen onder toepassing van lid 3, legt de vennootschap binnen een maand na de dag van de inbreng ten kantore van het handelsregister een verklaring van de oprichters neer waarin de inbreng wordt beschreven, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en de toegepaste waarderingsmethoden. In de verklaring wordt tevens vermeld of de toegekende waarde ten minste beloopt het bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan en wordt voorts vermeld dat zich in de periode tussen de waardering en de inbreng geen nieuwe bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan. De oprichters ondertekenen de verklaring; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt.

6

De beschrijving en accountantsverklaring zijn niet vereist, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.alle oprichters hebben besloten af te zien van de opstelling van de deskundigenverklaring;

b.een of meer rechtspersonen op wier jaarrekening titel 9 van toepassing is, of die krachtens de toepasselijke wet voldoen aan de eisen van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182), nemen alle uit te geven aandelen tegen inbreng anders dan in geld;

c.elke inbrengende rechtspersoon beschikt ten tijde van de inbreng over niet uitkeerbare reserves, voor zover nodig door het bestuur hiertoe afgezonderd uit de uitkeerbare reserves, ter grootte van het nominale bedrag der door de rechtspersoon genomen aandelen;

d.elke inbrengende rechtspersoon verklaart dat hij een bedrag van ten minste de nominale waarde der door hem genomen aandelen ter beschikking zal stellen voor de voldoening van schulden van de vennootschap aan derden, die ontstaan in het tijdvak tussen de plaatsing van de aandelen en een jaar nadat de vastgestelde jaarrekening van de vennootschap over het boekjaar van de inbreng is gedeponeerd bij het handelsregister, voor zover de vennootschap deze niet kan voldoen en de schuldeisers hun vordering binnen twee jaren na deze deponering schriftelijk aan een van de inbrengende rechtspersonen hebben opgegeven;

e.elke inbrengende rechtspersoon heeft zijn laatste vastgestelde balans met toelichting, met de accountantsverklaring daarbij, gedeponeerd bij het handelsregister en sedert de balansdatum zijn nog geen achttien maanden verstreken;

f.elke inbrengende rechtspersoon zondert een reserve af ter grootte van het nominale bedrag der door hem genomen aandelen en kan dit doen uit reserves waarvan de aard dit niet belet;

g.de vennootschap doet ten kantore van het handelsregister opgave van het onder a bedoelde besluit en elke inbrengende rechtspersoon doet aan hetzelfde kantoor opgave van zijn onder d vermelde verklaring.

7

Indien het vorige lid is toegepast, mag een inbrengende rechtspersoon zijn tegen de inbreng genomen aandelen niet vervreemden in het tijdvak, genoemd in dat lid onder d, en moet hij de reserve, genoemd in dat lid onder f aanhouden tot twee jaar na dat tijdvak. Nadien moet de reserve worden aangehouden tot het bedrag van de nog openstaande opgegeven vorderingen als bedoeld in het vorige lid onder d. De oorspronkelijke reserve wordt verminderd met betalingen op de opgegeven vorderingen.

8

De inbrengende rechtspersoon en alle in lid 6 onder d bedoelde schuldeisers kunnen de kantonrechter van de woonplaats van de vennootschap verzoeken, een bewind over de vorderingen in te stellen, strekkende tot hun voldoening daarvan uit de krachtens lid 6 onder d ter beschikking gestelde bedragen. Voor zover nodig, zijn de bepalingen van de Faillissementswet omtrent de verificatie van vorderingen en de vereffening van overeenkomstige toepassing. Een schuldeiser kan zijn vordering niet met een schuld aan een inbrengende rechtspersoon verrekenen. Over de vorderingen kan slechts onder de last van het bewind worden beschikt en zij kunnen slechts onder die last worden uitgewonnen, behalve voor schulden die voortspruiten uit handelingen welke door de bewindvoerder in zijn hoedanigheid zijn verricht. De kantonrechter regelt de bevoegdheden en de beloning van de bewindvoerder; hij kan zijn beschikking te allen tijde wijzigen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:94a BW (2)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 6 december 2002

    Goedèl/Arts q.q. (Internationale Boomen Heestercentrum)

    Accountantsverklaring inbreng in natura bij oprichting bv; goodwill buiten beschrijving

    De curator in het faillissement van een bv vordert schadevergoeding van de accountant die bij de oprichting een verklaring afgaf over de waarde van een inbreng in natura, terwijl het ingebrachte onroerend goed veel minder waard bleek. De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling van de verklaring alleen de in de beschrijving genoemde goederen meetellen en dat niet-beschreven goodwill buiten beschouwing blijft. Het cassatieberoep van de accountant wordt verworpen.

    ECLI:NL:HR:2002:AE8457

Conclusies van de A-G (1)

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 december 2002

    Aansprakelijkheid accountant voor inbrengverklaring bij inbreng in natura; goodwill en schade

    “[…] de waarde van hetgeen wordt ingebracht, bij toepassing van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden, ten minste beloopt het in de verklaring genoemde bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan. (...) Art. 2:204a BW volgt de (nagenoeg) gelijkluidende bepaling ten aanzien van de naamloze vennootschap in art. 2:94a BW.(8) In het wetsvoorstel tot aanpassing van de wetgeving aan de tweede richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht(9) luidde de bepaling ten aanzien van de naamloze vennootschap, toen opgenomen als art. 94, tweede en derde lid, aanvankelijk als volgt: "2. Indien op aandelen op andere wijze dan in Nederlands geld wordt gestort, maken de oprichters een beschrijving van de in te brengen goederen op met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de toegepaste waarderingsmethoden, die moeten voldoen aan normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. (...) 3. Over de beschrijving van de in te brengen goederen moet een deskundige als bedoeld in art. 102 van dit boek(10) een verklaring afleggen, die aan de akte […]”

    r.o. 2.3

    “[…] inschakeling van een accountant beoogt de wet nu juist dat de door de oprichters aan de inbreng toegekende waarde wordt gecontroleerd. Naar heersende opvatting is de accountant óók vrij van de in de beschrijving gehanteerde waarderingsmethoden af te wijken. Daarbij moet intussen wel worden aangetekend dat de geschiedenis van totstandkoming van (het voor de naamloze vennootschap geldende) art. 2:94a lid 2 BW erop zou kunnen wijzen dat de accountant in zijn verklaring van een afwijking moet laten blijken: "In het geval dat de door de oprichters gekozen waarderingsmethoden niet aanvaardbaar zijn, is het van belang dat de accountant de waarde van de inbreng ook volgens een andere, wel aanvaardbare methode mag vaststellen. Daarom moet ook de accountant de waarderingsmethoden vermelden, waarvoor hij in de regel kan verwijzen naar de methoden die de oprichters hebben toegepast."(16)”

    r.o. 2.7 · lid 2

    “[…] om winst te behalen, tot de baten der gemeenschap moeten worden gerekend" en van "vorenbedoelde, aan een bedrijf een boven die van de afzonderlijke daartoe behorende zaken uitgaande waarde gevende mogelijkheid om winst te behalen", daarmee een zekere zelfstandigheid van de goodwill ten opzichte van de in het bedrijf gebruikte zaken suggererend. Ook bij de parlementaire behandeling van art. 2:94a BW is goodwill, alhoewel de inbreng daarvan veelal samenhangt met de inbreng van de onderneming waarin hij aanwezig is, opgevat als een waarde, vatbaar voor inbreng.(23) Die opvatting laat naar mijn mening géén ruimte om niet in de (beschrijving van de) inbreng betrokken goodwill desalniettemin als waarderingsfactor bij de waardering van de inbreng te betrekken. In verband met de betekenis van goodwill als waarderingsfactor kan er volledigheidshalve nog op worden gewezen, dat in verband met de waarborgfunctie van de verklaring van art. 2:204a lid 2 BW in de literatuur wel op terughoudendheid ten aanzien van op toekomstverwachtingen gebaseerde waarderingsmethoden wordt aangedrongen. Franken en Luchtman stellen zich zelfs (in zoverre van afwijking van hetgeen uit de wetsgeschiedenis […]”

    r.o. 2.13

    “[…] makelaar, een taxateur-onteigeningsadviseur en een makelaar-taxateur als deskundigen voorgesteld. 6 Dit moet zijn: 30 juni 1988. 7 De prognoses zijn overgelegd als prod. 2 bij de conclusie van dupliek van [eiser]. 8 Art. 2:204a BW is ingevoerd bij de Wet van 12 december 1985, houdende nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap, Stb. 1985, 656. Zie voor het verband met art. 2:94a BW Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16 551, nr. 3, p. 7. 9 Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15 304, nr. 2, p. 5. 10 Thans art. 2:393 BW. 11 Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15 304, nr. 5, p. 12. 12 Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15 304, nr. 6 p. 16. Ook in de literatuur wordt algemeen aangenomen dat goodwill vatbaar is voor inbreng. Zie over de inbreng in natura: Losbl. Rechtspersonen, aantekeningen bij art. 2:94a BW (NV) en bij art. 2:204a BW (BV); Asser/Maeijer 2-III, Vertegenwoordiging en rechtspersoon. De naamloze en de besloten vennootschap (2000), nr. 120-135; F.K. Buijn, De oprichting van de NV en de BV (1984), p. 165-175; W.J. Slagter, Ondernemingsrecht (1996), p. 160-165; Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap (1992), p. […]”

    r.o. 2.25

    ECLI:NL:PHR:2002:AE8457