← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 2. De aandelen

Artikel 2:92a BW

In deze vorm in werking sinds 1 september 2017, laatst gewijzigd bij Stb. 2016, 290

(Bijna) gelijk aan art. 2:250 BWC (Curaçao)

1

Hij die als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de naamloze vennootschap verschaft, kan tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering instellen tot overdracht van hun aandelen aan de eiser. Hetzelfde geldt, indien twee of meer groepsmaatschappijen dit deel van het geplaatste kapitaal samen verschaffen en samen de vordering instellen tot overdracht aan een hunner.

2

Over de vordering oordeelt in eerste aanleg de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Van de uitspraak staat uitsluitend beroep in cassatie open.

3

Indien tegen een of meer verweerders verstek is verleend, moet de rechter ambtshalve onderzoeken of de eiser of eisers de vereisten van lid 1 vervullen.

4

De rechter wijst de vordering tegen alle verweerders af, indien een verweerder ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht, een verweerder houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden of een eiser jegens een verweerder afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen.

5

Indien de rechter oordeelt dat de leden 1 en 4 de toewijzing van de vordering niet beletten, kan hij bevelen dat een of drie deskundigen zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen. De eerste drie zinnen van artikel 350 lid 3 en de artikelen 351 en 352 zijn van toepassing. De rechter stelt de prijs vast die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. Zo lang en voor zover de prijs niet is betaald, wordt hij verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente, van die dag af tot de overdracht; uitkeringen op de aandelen die in dit tijdvak betaalbaar worden gesteld, strekken op de dag van betaalbaarstelling tot gedeeltelijke betaling van de prijs.

6

De rechter die de vordering toewijst, veroordeelt de overnemer aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren de vastgestelde prijs met rente te betalen tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen. De rechter geeft omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als hij meent dat behoort. Een verweerder die geen verweer heeft gevoerd, wordt niet verwezen in de kosten.

7

Staat het bevel tot overdracht bij gerechtelijk gewijsde vast, dan deelt de overnemer de dag en plaats van betaalbaarstelling en de prijs schriftelijk mee aan de houders van de over te nemen aandelen van wie hij het adres kent. Hij kondigt deze ook aan in een landelijk verspreid dagblad, tenzij hij van allen het adres kent.

8

De overnemer kan zich altijd van zijn verplichtingen ingevolge de leden 6 en 7 bevrijden door de vastgestelde prijs met rente voor alle nog niet overgenomen aandelen te consigneren, onder mededeling van hem bekende rechten van pand en vruchtgebruik en de hem bekende beslagen. Door deze mededeling gaat beslag over van de aandelen op het recht op uitkering. Door het consigneren gaat het recht op de aandelen onbezwaard op hem over en gaan rechten van pand of vruchtgebruik over op het recht op uitkering. Aan aandeel- en dividendbewijzen waarop na de overgang uitkeringen betaalbaar zijn gesteld, kan nadien geen recht jegens de vennootschap meer worden ontleend. De overnemer maakt het consigneren en de prijs per aandeel op dat tijdstip bekend op de wijze van lid 7.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:92a BW (21)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (6)

  • Hoge Raad · 21 april 2023

    Schadeloosstelling onteigening SNS Reaal; werking 403-verklaring en achterstelling

    “De incidentele beroepen zijn gericht tegen de beslissing van de ondernemingskamer over de door belanghebbenden gemaakte kosten. Zij hebben betrekking op art. 6:11 lid 4 Wft, dat onder meer inhoudt dat de ondernemingskamer omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak geeft als zij meent dat behoort. Blijkens de toelichting is het vierde lid ontleend aan art. 2:92a lid 6 BW en art. 2:359c lid 7 BW. 4.2.1 In zijn uitspraak van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de eerste tussenbeschikking van de ondernemingskamer over de kosten overwogen: “4.40 Kosten van deskundigen als de onderhavige kunnen (…) niet worden aangemerkt als schade in de zin van art. 6:8 Wft. Wel kunnen zij op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft voor vergoeding in aanmerking komen als kosten van het geding. Daarbij verdient opmerking dat de ondernemingskamer bij de vaststelling van een proceskostenveroordeling in zaken als de onderhavige een grote mate van vrijheid heeft, zoals ook volgt uit de bewoordingen van art. 6:11 lid 4 Wft. Uit die bewoordingen vloeit ook voort dat zij in belangrijke mate is ontheven van haar motiveringsplicht. Wat betreft de kosten van door partijen ingeschakelde […]”

    r.o. 4.1 · lid 6

    ECLI:NL:HR:2023:649

  • Hoge Raad · 1 oktober 2021

    Uitkoop: verzettermijn buitenlandse aandeelhouders en oproeping bij processueel ondeelbare rechtsverhouding

    “[…] in Het Financieele Dagblad een aankondiging van consignatie bekendgemaakt en heeft daarbij de prijs, met rente, van € 7,94 per aandeel betaalbaar gesteld per 16 november 2018. De advertentie bevat de aanzegging dat de prijs met rente voor alle aandelen in Fortuna die niet uiterlijk op 16 november 2018 aan Fortbet zijn overgedragen op 19 november 2018 zal worden geconsigneerd overeenkomstig art. 2:92a lid 8 BW. (vi) Op 7 november 2018 is een uittreksel van het hiervoor in (iv) genoemde exploot bekendgemaakt in de Staatscourant, met vermelding waar afschriften van het exploot en het arrest kunnen worden verkregen. Hierin staat dezelfde aanzegging van consignatie als hiervoor in (v) is vermeld. (vii) Op 19 november 2018 hield Fortbet 50.222.636 van de 52.000.000 aandelen in het geplaatste kapitaal van Fortuna. Op die datum heeft Fortbet een bedrag van € 14.112.270,16 gestort in de consignatiekas. (viii) Op 9 januari 2019 is in opdracht van [verweerders] een rapport uitgebracht met een indicatieve waardering van Fortuna per 9 maart 2018 en 20 juni 2018. In dit rapport wordt de waarde van een aandeel Fortuna per 9 maart 2018 berekend op een bedrag tussen € 11,26 en € 14,08.”

    r.o. 2.1 · lid 8

    “Deze klachten falen. Een vordering als bedoeld in art. 2:92a BW kan slechts worden ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders (art. 2:92a lid 1 BW). Een dergelijke vordering dient tegen alle verweerders te worden afgewezen, indien zich ten aanzien van een van hen een situatie als bedoeld in lid 4 van dat artikel voordoet. Hieruit volgt dat de wetgever het rechtens noodzakelijk heeft geacht dat een beslissing over een vordering op grond van art. 2:92a BW in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen. Dit geldt eveneens voor de vaststelling van de prijs van de over te nemen aandelen, nu deze vaststelling deel uitmaakt van de beslissing van de rechter op de hiervoor bedoelde, uitsluitend tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders in te stellen vordering. De ondernemingskamer heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen de uitkoper en de uit te kopen aandeelhouders processueel ondeelbaar is.”

    r.o. 3.2.2 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2021:1407

  • Hoge Raad · 14 september 2007

    Versatel I

    Uitstoting minderheidsaandeelhouders via driehoeksfusie en uitkoop na openbaar bod

    “Het middel klaagt dat de ondernemingskamer in de rechtsoverwegingen 3.16, 3.17, 3.20, 3.21 en 3.24 van haar beschikking de art. 2:8, 2:92, 2:92a, 2:201 en 2:201a BW, alsmede art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 14 EVRM heeft geschonden door toe te staan dat minderheidsaandeelhouders, nadat een openbaar bod is uitgebracht en het belang van de minderheidsaandeelhouders vervolgens met behulp van een juridische fusie tot onder de uitkoopgrens van 5% is gebracht, met toepassing van de uitkoopregeling worden uitgestoten.”

    r.o. 4.1

    “Bij de beoordeling van het middel dient uitgangspunt te zijn dat de wetgever in art. 2:92a en 2:201a BW een regeling heeft getroffen waardoor het aan de in het eerste lid van deze bepalingen bedoelde grootaandeelhouder mogelijk wordt gemaakt in een eenvoudige procedure de andere aandeelhouder(s) uit te kopen en daardoor de overige aandelen te verwerven. De ondernemingskamer kan de vordering tot overdracht van de aandelen slechts afwijzen op een van de in het vierde lid van art. 2:92a en van art. 2:201a (limitatief) opgesomde gronden. Gelet op de aard en de strekking van deze regeling moeten deze afwijzingsgronden beperkt worden uitgelegd. In het bijzonder bieden zij de rechter in beginsel ook geen ruimte voor een belangenafweging (vgl. HR 16 januari 2004, C02/210, NJ 2004, 184). De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat de meerderheidsaandeelhouder die minder dan 95% van het geplaatste kapitaal houdt, nimmer door een constructie als de onderhavige de toepasselijkheid van de uitkoopregeling mag bewerkstelligen, vindt geen steun in het recht. Of het zich bedienen van een zodanige constructie jegens de minderheidsaandeelhouder(s) onrechtmatig is, hangt af van de […]”

    r.o. 4.2 · lid 4

    “De regeling van art. 2:92a en 2:201a BW, die voorziet in een eenvoudige procedure om minderheidsaandeelhouders uit te kopen is, naar ook in het middel wordt erkend, niet in strijd met het bepaalde in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en in art. 14 EVRM. Het feit dat van een constructie als de driehoeksfusie gebruik wordt gemaakt die leidt tot toepassing van de uitkoopregeling, rechtvaardigt deze conclusie evenmin, nu deze fusie ook andere belangen dan de toepassing van de uitkoopregeling dient en die regeling met wettelijke waarborgen ter bescherming van de belangen van minderheidsaandeelhouders is omgeven. 5. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt Centaurus c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak - aan de zijde van Versatel begroot op € 362,34 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris; - aan de zijde van Tele2 Finance begroot op € 362,34 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 […]”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:HR:2007:BA4117

  • Hoge Raad · 16 januari 2004

    Goglio

    Uitkoop artikel 2:201a BW: eenstemmigheidsvereiste is geen bijzonder recht inzake zeggenschap

    “[…] in het algemeen moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders krachtens de statuten slechts met eenparigheid van stemmen kunnen worden genomen, met zich meebrengt dat aan ieder aandeel in het geplaatste kapitaal van de vennootschap een bijzonder recht inzake de zeggenschap is verbonden, zodat de uitkoopvordering die is gebaseerd op art. 2:92a of op art. 2: 201a, moet worden afgewezen, geldt zulks in ieder geval hier (rov. 3.3). (c) De verdeling van het directe en indirecte aandelenbezit tussen [betrokkene 1] en [verweerder] en de in de statuten neergelegde eis van eenstemmigheid vallen immers niet los te zien van de bijzondere omstandigheden van dit geval. Deze komen erop neer dat deze (familie)vennootschappelijke structuur aansluit bij de door partijen beoogde - en door de emissie van vijf aandelen in de vennootschap bewerkstelligde - gelijkheid van het economisch belang van ieder der neven in de [A] Groep waartoe de vennootschap behoort, en de beoogde en - door art. 17 van de statuten - bewerkstelligde gelijke bevoegdheid van ieder der neven met betrekking tot het beleid in een van de dochtervennootschappen van de […]”

    r.o. 3.2

    “Het middel bestrijdt de hiervoor in 3.2 weergegeven overwegingen van de Ondernemingskamer met een aantal rechts- en motiveringsklachten. Deze klachten komen erop neer dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat de statuten van de vennootschap aan de vijf aandelen in de vennootschap waarvan [verweerder] houder is, een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden onjuist, althans onbegrijpelijk, is.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:HR:2004:AO1777

  • Hoge Raad · 11 september 1996

    Uitkoop artikel 2:92a BW: maatstaf prijsvaststelling aandelen en cassatie na verstek

    “In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: ING is ontstaan uit de (aandelen)fusie van INV (tot 15 januari 1992 genaamd: Nationale Nederlanden N.V., hierna: Nat.N) en NMB Postbank. Ter gelegenheid van die fusie is aan de houders van (certificaten van) de door de fusiepartners uitgegeven (certificaten van) aandelen en warrants op 28 januari 1991 een openbaar omwisselingsaanbod gedaan om de door hen gehouden stukken om te wisselen in door ING uitgegeven stukken. Het bod is aanvaardbaar gebleken voor de overgrote meerderheid van de houders van (certificaten van) aandelen Nat.N. Op 14 augustus 1992 bedroeg het geplaatste kapitaal van INV ƒ 384.709.395,- bestaande uit 153.883.758 aandelen van elk ƒ 2,50 nominaal. ING was op die datum houdster van 153.789.676 (99,94%) van die aandelen. ING heeft de gezamenlijke resterende aandeelhouders van INV, onder wie [eisers], gedagvaard op grond van art. 2:92a BW, de zogenoemde uitkoopregeling. De Ondernemingskamer heeft de vordering toegewezen en de prijs van elk der over te dragen aandelen gesteld op ƒ 98,32 per 1 december 1994.”

    r.o. 4.1

    “Voor zover het middel strijdigheid constateert tussen de uitkoopregeling met de daarbij behorende prijsvaststelling en art. 14 van de Grondwet, miskent het dat de rechter, derhalve ook de Hoge Raad, niet kan treden in de grondwettigheid van een wet in formele zin zoals de regeling van art. 2:92a BW.”

    r.o. 4.5

    “Het middel betoogt daarnaast dat op grond van het bepaalde in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM de uit te kopen aandeelhouders aanspraak kunnen maken op een uitkoopprijs, die is vastgesteld volgens de gunstigste berekeningswijze van de waarde.”

    r.o. 4.6

    “Tenslotte betoogt het middel dat de Ondernemingskamer ING in de kosten had moeten veroordelen. Gezien het bepaalde in art. 2:92a lid 6 BW heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid te beslissen omtrent de kosten. De uitspraak van de Ondernemingskamer noch de stukken van het geding wijzen uit dat de Ondernemingskamer op een rechtens onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid, zodat het middel ook op dit onderdeel faalt. 5. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt eisers tot cassatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerder in cassatie begroot op ƒ 570,- aan verschotten en ƒ 3.000,- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Stoffer op 11 september 1996 .”

    r.o. 4.7 · lid 6

    ECLI:NL:HR:1996:ZC2131

  • Hoge Raad · 14 mei 1997

    Uitkoop aandelen: vaststelling aandelenprijs naar openbaar bod

    Een houdstermaatschappij kocht op grond van de uitkoopregeling in artikel 2:92a BW de aandelen van de minderheidsaandeelhouders van een hypotheekbank uit. De OK stelde de prijs vast op basis van de prijs van een eerder openbaar bod. De Hoge Raad vindt die motivering niet onbegrijpelijk en verwerpt het cassatieberoep.

    ECLI:NL:HR:1997:ZC2369

Conclusies van de A-G (14)

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 juli 2023

    Conclusie: uitkoop NIBC-minderheidsaandeelhouders, billijke prijs en peildatum bij openbaar bod

    “[…] en de gezamenlijke andere houders van aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding (met [A] hierna: gedaagden) gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de OK van 6 april 2021. Flora c.s. heeft daarbij gevorderd - zakelijk weergegeven - om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. gedaagden, primair op grond van art. 2:359c BW en subsidiair op grond van art. 2:92a BW, te veroordelen het onbezwaarde recht op de door hen gehouden (gewone) aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding over te dragen aan Flora Acquisition; b. primair de prijs voor de over te dragen (gewone) aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding vast te stellen op € 7,-- per aandeel per 30 december 2020, dan wel subsidiair een andere door de OK in goede justitie te bepalen prijs per een door de OK te bepalen datum, in alle gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum tot aan de datum van overdacht of consignatie; c. te bepalen dat uitkeringen die in het sub b hiervoor bedoelde tijdvak op de (gewone) aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding betaalbaar worden gesteld, strekken tot gedeeltelijke betaling van de prijs op de dag van […]”

    r.o. 2.1

    “In het Unit4-arrest uit 2015 - een uitkoopprocedure op basis van art. 2:92a BW - kwam de OK tot een koerswijziging, in het bijzonder omdat het onder 3.5.1 hiervoor bedoelde uitgangspunt leidt tot bepaalde complicaties die de afdoening van uitkoopprocedures binnen redelijke termijn en redelijke kosten voor partijen bemoeilijken en de ratio van dit uitgangspunt relativering verdient. Onderdeel van deze koerswijziging is dat in het vervolg in uitkoopprocedures die volgen op een openbaar bod bij het bepalen van de peildatum aansluiting wordt gezocht bij het bod. Meer precies zal in die gevallen als uitgangspunt worden gehanteerd dat de peildatum gelijk is aan de datum van de betaalbaarstelling onder het bod, mits de bieder dan ten minste 95% van het geplaatste kapitaal (en ten minste 95% van de stemrechten) van de doelvennootschap houdt.Naar het oordeel van de OK doet dit nieuwe uitgangspunt recht aan de belangen van zowel eisers als gedaagden in uitkoopprocedures en draagt hantering ervan bij aan de rechtszekerheid en het terugdringen van de doorlooptijden, doordat de gesignaleerde complicaties zich niet of in mindere mate zullen voordoen.In zijn algemeenheid, dus los van de […]”

    r.o. 3.5.2

    “[…] moet zijn (“reasonably related”). Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever voor de vaststelling van de prijs van aandelen in een uitkoopprocedure anderszins een bepaald waardebegrip of een bepaalde wijze van waardevaststelling voor ogen heeft gestaan. De rechter komt bij de keuze voor een waardebegrip of een wijze van waardevaststelling vrijheid toe. (…)” In het kader van art. 2:92a BW in 1996 het volgende: “Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot wetsontwerp 18 904, (totstandkoming van de uitkoopregeling) blijkt wel dat de wetgever ervan uitging dat aan de uitgekochte aandeelhouder een reële en redelijke vergoeding zou worden toegekend, maar niet dat de wetgever voor de vaststelling van de waarde van aandelen in een uitkoopprocedure een bepaald waardebegrip of een bepaalde wijze van waardevaststelling voor ogen heeft gestaan. (…) Overigens is de Ondernemingskamer vrij om in redelijkheid het tijdstip te bepalen waarop de prijs zal worden vastgesteld. (…) Uitgekochte aandeelhouders hebben aanspraak op een reële prijs voor hun aandelen. Uit voornoemde bepaling [art. 1 EP EVRM, A-G] is niet af te leiden dat die prijs een andere dan deze prijs zou moeten zijn, […]”

    r.o. 3.5.3

    “[…] En dat de gedachte dat de peildatum in beginsel niet veel eerder kan liggen dan het tijdstip waarop de verplichting tot overdracht van de aandelen ontstaat, verder gaat dan op grond van art. 1 EP EVRM is vereist. Ik lees in genoemd Hoge Raad-arrest uit 2020 niets wat hieraan in de weg staat. Ook dit een en ander laat zich doortrekken naar het kader van art. 2:359c BW (net als dat van art. 2:92a BW). Toegespitst op het Unit4-arrest voeg ik daaraan nog toe dat, waar de OK daarin dit nieuwe uitgangspunt formuleert, zij geen twijfel erover laat bestaan dat dát is wat zij doet: het markeren van een nieuw vertrekpunt in de analyse, geen eindpunt. De OK betrekt daarbij niet voor niets met zoveel woorden dat met dit nieuwe uitgangspunt gepaard gaat de mogelijkheid dat zich in enige zaak omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat een andere datum dan de datum van betaalbaarstelling onder het bod als peildatum wordt gekozen, wat dus ook een datum kan zijn die ligt na de datum van betaalbaarstelling onder het bod. Zij vult deze mogelijkheid niet op voorhand in met een uitputtende lijst aan mogelijke omstandigheden, of een hoge drempel, maar kiest voor open bewoordingen en geeft […]”

    r.o. 3.5.4

    ECLI:NL:PHR:2023:667

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 februari 2021

    Uitkoop artikel 2:92a BW: consignatie, verzettermijn en processueel ondeelbare rechtsverhouding

    “Bij tussenarrest van 2 oktober 2018 heeft de OK overwogen dat Fortbet voldoet aan de eis van art. 2:92a lid 1 BW dat zij als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van Fortuna verschaft (rov. 3.4) en aan de eis dat Fortbet de vordering heeft ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders van Fortuna (rov. 3.5), en dat geen sprake is van een afwijzingsgrond ex art. 2:92a lid 4 BW (rov. 3.6), zodat de vaststelling resteert van de door Fortbet te betalen prijs voor de over te dragen aandelen (rov. 3.7). In dat kader heeft de OK overwogen dat de primaire vordering van Fortbet dat de prijs per aandeel wordt vastgesteld op € 7,17, op grond van de thans beschikbare informatie niet zonder benoeming van een waardedeskundige kan worden toegewezen (rov. 3.11). Wat betreft de subsidiaire vordering heeft de OK overwogen dat zonder deskundigenbericht kan worden vastgesteld dat € 7,83 een billijke prijs is per 9 maart 2018 als peildatum (rov. 3.12). De OK heeft Fortbet de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de vraag of zij de voorkeur heeft voor een deskundigenbericht wat betreft de primaire vordering dan wel de toewijzing van de subsidiaire […]”

    r.o. 2.3 · leden 1, 4

    “[…] in het geplaatste kapitaal van Fortuna aan Fortbet over te dragen; (ii) de prijs van de over te dragen aandelen vastgesteld per 9 maart 2018 en wel op € 7,83 per aandeel; (iii) bepaald dat die prijs, zolang en voor zover deze niet is betaald, wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2018 tot de dag van de overdracht of de dag van consignatie van de prijs met rente overeenkomstig art. 2:92a BW; (iv) bepaald dat uitkeringen, in laatstbedoeld tijdvak op de gewone aandelen betaalbaar gesteld, tot gedeeltelijke betaling van de prijs op de dag van betaalbaarstelling strekken; (v) Fortbet veroordeeld de vastgestelde prijs, met rente zoals vermeld, te betalen aan gedaagden of aan degene(n) aan wie de aandelen zal (zullen) toebehoren tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen; en (vi) het meer of anders gevorderde afgewezen.”

    r.o. 2.4

    “[…] van het verstekarrest in persoon of het plegen een daad van bekendheid − heeft voorgedaan. (ii) In art. 143 lid 3 Rv is bepaald dat buiten de in het tweede lid bedoelde gevallen de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan, aanvangt op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. (iii) De wijze van tenuitvoerlegging van een uitkooparrest als hier aan de orde is geregeld in art. 2:92a leden 7 en 8 BW. In lid 8 van dit artikel is bepaald dat de overnemer altijd de mogelijkheid heeft de vastgestelde prijs met rente voor alle nog niet overgenomen aandelen te consigneren. Door het consigneren gaat het recht op de aandelen onbezwaard over op de overnemer. Consignatie moet worden aanmerkt als tenuitvoerlegging van de veroordeling tot overdracht van de aandelen. (iv) Art. 430 lid 3 Rv is van toepassing op de tenuitvoerlegging van het uitkooparrest, zodat consignatie met het beoogde rechtsgevolg niet kan plaatsvinden dan na voorafgaande betekening als in deze bepaling bedoeld. (v) Fortbet heeft hieraan voldaan door het verstekarrest op 2 november 2018 te doen betekenen aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag conform het […]”

    r.o. 4.3 · leden 7, 8

    “De subonderdelen 1.1 en 1.2 betogen, samengevat, dat rechtens geen vereiste geldt voor de aanvang van de verzettermijn ex art. 143 lid 3 Rv dat aan de uit te kopen aandeelhouders een redelijke termijn wordt gegund om vrijwillig te voldoen aan de veroordeling tot levering van de aandelen. Een dergelijk eis volgt ook niet uit art. 430 lid 3 Rv. Art. 2:92a BW stelt ook niet de eis dat de overnemer (in de regel) een redelijke termijn voor vrijwillige nakoming gunt alvorens over te gaan tot consignatie. Art. 2:92a lid 8 BW bepaalt juist dat de overnemer zich altijd door consignatie van de koopprijs mag bevrijden van zijn verplichtingen op grond van lid 6 en 7, waaronder dus ook de verplichting om de dag en plaats van betaalbaarstelling schriftelijk mee te delen respectievelijk aan de tot kondigen in een landelijk verspreid dagblad. Daarom bestaat er geen wettelijke grondslag voor inachtneming van een redelijke termijn in het geval van consignatie en evenmin voor een daarmee corresponderende uitleg van het dictum van het verstekarrest. Subonderdeel 1.3 voegt hieraan toe dat er onvoldoende grond is om de eis te stellen dat in de regel een redelijke termijn voor vrijwillige nakoming wordt […]”

    r.o. 4.6 · lid 8

    ECLI:NL:PHR:2021:149

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2020

    Uitkoop: prijsvaststelling en correctie voor 'tunneltjes graven' door uitkopende meerderheidsaandeelhouder

    “[…] eind van de tunnel en wordt daarmee bevoordeeld, ten nadele van de vennootschap en de andere aandeelhouder. Met deze nadruk op ‘tunneltjes graven’ leg ik een iets ander accent op de onderhavige zaak dan in sommige commentaren in de literatuur. In de onderhavige zaak wordt art. 2:201a BW toegepast. Deze bepaling is opgenomen in Titel 5 van Boek 2 BW, welke titel van toepassing is op de B.V. Art. 2:92a BW bevat een pendant voor de N.V. De beide bepalingen zijn in werking getreden op 1 mei 1988. Tussen art. 2:92a BW en art. 2:201a BW bestaan kleine verschillen. Zo geldt op grond van art. 2:92a BW niet het vereiste dat ook ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering kan worden uitgeoefend, omdat het N.V.-recht, anders dan het B.V.-recht, geen stemrechtloze aandelen kent. Art. 2:92a BW laat ik verder rusten, omdat het onderhavige geval over een B.V. gaat. Daarnaast kent de wet in art. 2:359c BW een specifieke uitkoopfaciliteit voor hij die een openbaar bod heeft uitgebracht. Deze bepaling is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2004/25/EG betreffende het openbaar overnamebod. Deze bepaling laat ik hier verder eveneens buiten beschouwing, omdat deze specifieke […]”

    r.o. 3.2

    “[…] thans een verzoekschriftprocedure, was ten tijde van de invoering van de uitkoopregeling ook een dagvaardingsprocedure, gelijk een uitkoopprocedure. Ook in dagvaardingsprocedures is een rechtsgang met één feitelijke instantie, met de mogelijkheid van cassatieberoep, niet in strijd met art. 6 EVRM. De Hoge Raad heeft voorts in algemene zin overwogen dat “[d]e regeling van art. 2:92a en 2:201a BW, die voorziet in een eenvoudige procedure om minderheidsaandeelhouders uit te kopen, naar ook in het middel wordt erkend, niet in strijd [is] met het bepaalde in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en in art. 14 EVRM.” Het EVRM vereist weliswaar voor ontneming van eigendom (wat in een uitkoopprocedure bij uitstek aan de orde is) een procedure die met voldoende processuele waarborgen is omkleed, maar dit vergt niet een procedure in twee feitelijke instanties. Dat de geschillenregeling wel een rechtsgang met twee feitelijke instanties kent (in eerste aanleg bij de rechtbank, met een mogelijkheid tot hoger beroep bij de OK), acht ik in zoverre (dus) geen essentieel verschil tussen de uitkoopregeling en de geschillenregeling. Ik merk in dit verband op dat de […]”

    r.o. 3.21

    “[…] gezocht bij (de datum van de betaalbaarstelling onder) het bod; in gevallen met bijvoorbeeld een aanzienlijk tijdsverloop tussen de betaalbaarstelling onder het bod en de dag van de dagvaarding, en “ook indien aan een uitkoopprocedure geen openbaar bod is voorafgegaan, kan als peildatum worden gekozen de datum van een tussenarrest waarin de Ondernemingskamer, in de bewoordingen van artikel 2:92a/201a lid 5 BW, vaststelt dat de leden 1 en 4 van die bepaling de toewijzing van de vordering niet beletten en waarin een deskundigenbericht wordt gelast.” De OK spreekt sindsdien van “de vaste jurisprudentie”, waarin voor gevallen waarbij aan de uitkoopprocedure geen openbaar bod is voorafgegaan de peildatum wordt vastgesteld op de datum van het tussenarrest. De hierboven weergegeven formulering van de OK – “kan als peildatum worden gekozen” – biedt overigens nog ruimte voor uitzonderingen. Zo blijkt uit de rechtspraak dat in afwijking van “de vaste jurisprudentie” in gevallen waarin aan de uitkoopprocedure geen openbaar bod is voorafgegaan ook gekozen wordt voor een andere peildatum dan de datum van het tussenarrest, zoals de datum van afsluiting van het boekjaar waarover de meest […]”

    r.o. 3.26

    “[…] 2:195 BW bij de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht, heeft een B.V. overigens niet meer per definitie een ‘besloten’ karakter. In art. 2:335 lid 1 BW is er geen rekening mee gehouden dat in de statuten geregeld kan zijn dat sprake is van een ‘open’ B.V., waarbij geen beperkingen gelden voor de overdraagbaarheid van de aandelen. De uitkoopregeling is van toepassing op alle NV’s (art. 2:92a BW) en BV’s (art. 2:201a BW), ongeacht of sprake is van een ‘open’ of ‘besloten’ karakter. Een procedureel verschil is dat een uitstotings- of uittredingsvordering op basis van de geschillenregeling normaaltypisch een procedure kent met twee feitelijke instanties (art. 2:336 lid 3 jo. 2:343 lid 2 BW), met de mogelijkheid van cassatieberoep, terwijl de uitkoopregeling van art. 2:201a BW (idem die van art. 2:92a BW en trouwens ook die van art. 2:359c BW) slechts één feitelijke instantie kent, eveneens met de mogelijkheid van cassatieberoep. De geschillenregeling biedt overigens wel de mogelijkheid (art. 2:337 lid 2 BW voor de uitstotingsvordering en art. 2:343 lid 2 jo. 2:337 lid 2 BW voor de uittredingsvordering) om in een overeenkomst of de statuten de OK als enige feitelijke […]”

    r.o. 3.28

    ECLI:NL:PHR:2020:450

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 maart 2019

    Enquête: oproeping niet-verschenen bestuurder en verbetering beschikking wanbeleid

    “Met ingang van 19 maart 2014 zijn de aandelen van [verweerster 2] niet langer genoteerd aan Euronext Amsterdam . [N] ( [P] ) en [verweerster 2] hebben bij dagvaarding van 6 juni 2014 op de voet van art. 2:92a BW een vordering tot uitkoop van de minderheidsaandeelhouders van [verweerster 2] ingesteld.”

    r.o. 1.54

    “[…] onderzoeksperiode in rechte aan te spreken tot vergoeding van schade ligt in het verlengde van een van de doeleinden van het enquêterecht: het verkrijgen van opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid.” Ik merk op dat de ondernemingskamer in haar uitspraak van 18 december 2018 in de in nr. 1.54 bedoelde uitkoopprocedure ex art. 2:92a BW prejudicieert op een aansprakelijkheidsoordeel. In deze uitkoopprocedure houdt de ondernemingskamer rekening met het vastgestelde wanbeleid en de daarvoor aangewezen verantwoordelijke personen in de beschikking van 6 februari 2018, zoals verbeterd in de beschikking van 6 april 2018. In de uitspraak van 21 februari 2017 heeft de ondernemingskamer iedere verdere beslissing in de uitkoopprocedure aangehouden, totdat uitspraak is gedaan in de tweede fase van de enquêteprocedure. In de uitspraak van 18 december 2018 in de uitkoopprocedure heeft de ondernemingskamer, onder verwijzing naar overwegingen uit de wanbeleidbeschikking van 6 februari 2018, zoals verbeterd in de beschikking van 6 april 2018, geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat [verweerster 2] als gevolg van de […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:PHR:2019:364

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2013

    Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)

    “Aandeelhouders die een overname afwijzen, bijvoorbeeld omdat zij menen dat de waarde van de onderneming onvoldoende tot uitdrukking komt in de hoogte van het bod, kunnen na het slagen in een ongemakkelijke positie komen.(5) Het risico bestaat dat zij alsnog kunnen worden uitgekocht (vgl. art. 2:359d en 2:92a BW), al dan niet na een (driehoeks)fusie. Zij dienen volgens de Hoge Raad rekening te houden met de mogelijkheid dat de vennootschap door fusie, splitsing of omzetting een gedaantewisseling kan ondergaan die tot gevolg heeft dat het belang van de minderheidsaandeelhouders tot onder de uitkoopgrens van 5% daalt, wanneer zij tot de aankoop van een minderheidspakket overgaan of een minderheidsbelang aanhouden.(6) Is de overnemer niet in staat of bereid om de minderheidsaandeelhouders uit te kopen, dan duurt de lastige positie van minderheidsaandeelhouders voort: in de regel zullen zij in de AVA geen doorslaggevende stem hebben en daarom verstoken blijven van betekenisvolle invloed. Het zal bovendien niet altijd eenvoudig zijn hun belang alsnog te vervreemden tegen een goede prijs: in de wetenschap dat het gaat om een minderheidspakket zullen externe partijen vaak weinig interesse […]”

    r.o. 3.3

    “[…] schrijffout; zie s.t. namens KLM c.s., noot 25 en onderdeel 4.1. 4 HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Ma, JOR 2007, 178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO), rov. 4.5 en 4.6. 5 Hierover P.J. van der Korst, Minderheidsaandeelhouders na een geslaagd bod, in: M.P. Nieuwe Weme e.a. (red.), Handboek Openbaar Bod (2008), p. 853 e.v. 6 HR 14 september 2007, LJN BA4117, NJ 2007, 610 (Versatel). 7 Art. 2:92a, 2:336 en 2:359c BW zijn geschreven voor de bieder/grootaandeelhouder. In dit verband is art. 5:79 Wft nog van belang op grond waarvan de bieder een jaar na het biedingsbericht geen effecten mag verwerven tegen voor de rechthebbende van die effecten gunstiger voorwaarden dan volgens het openbaar bod. Op grond van art. 56b Vrijstellingsregeling Wft worden vrijgesteld van art. 5:79 Wft bieders voor zover zij hun effecten verwerven volgens 2:92a of 2:336 BW; kennelijk is over het hoofd gezien art. 2:359c en 2:359d BW onder de vrijstelling te brengen. 8 Vgl. het biedingsbericht dat vermeldt: "The absence of an active trading market could reduce the liquidity and market value of your KLM common shares." 9 B. Bier, Uitkeringen aan aandeelhouders, 2003, p. 68. 10 HR 1 maart 2002, LJN […]”

    r.o. 4.20

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ9145

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 januari 2012

    Uittreding: vergoeding ter hoogte van wettelijke rente en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:343 BW)

    “Ook zie ik geen grond om te veronderstellen dat de Ondernemingskamer de toewijzing van de wettelijke rente in verband met het tijdsverloop heeft gebaseerd op analoge toepassing van art. 2:92a/2:201a BW. [Verweerder] verwijst in zijn schriftelijke toelichting naar deze artikelen en Bulten vraagt zich, met de nodige twijfel, in haar JOR-noot bij de bestreden beschikking af of de Ondernemingskamer daarbij heeft willen aansluiten. Nog daargelaten dat het bestreden arrest voor die uitleg m.i. onvoldoende aanknopingspunten biedt, meen ik dat analoge toepassing niet op zijn plaats zou zijn. De wetgever lijkt er ook van uit te gaan dat analoge toepassing van art. 2:92a/2:201a lid 5 BW niet de bedoeling is. In de huidige geschillenregeling is vergoeding van de wettelijke rente bewust niet geregeld. De wetgever heeft daarover opgemerkt: "Een nadere regeling, bijvoorbeeld voor wat betreft de wettelijke rente en de aftrek van uitgekeerde dividenden, lijkt mij niet nodig. In tegenstelling tot de uitkoopregeling, waarin rekening moet worden gehouden met onvindbare uit te kopen aandeelhouders, kan dit bij de geschillenregeling op de gebruikelijke wijze worden afgewikkeld."(15) De […]”

    r.o. 5.10

    “Bovendien sluit de beslissing van de Ondernemingskamer in het bestreden arrest niet aan op art. 2:92a/2:201a lid 5 BW. Die artikelen zien op het tijdsverloop tussen enerzijds de peildatum en anderzijds de betaling en overdracht. Opvallend is daarbij overigens dat de bewoordingen van art. 2:92a/2:201a lid 5 BW lijken te veronderstellen dat betaling en overdracht (min of meer) samenvallen. De wettekst luidt, voor zover hier van belang: "(...) De rechter stelt de prijs vast die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. Zo lang en voor zover de prijs niet is betaald, wordt hij verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente, van die dag af tot de overdracht (...) [onderstreping A-G]". In de onderhavige zaak draait het juist om het tijdsverloop tussen de overdracht en de restbetaling.”

    r.o. 5.11

    ECLI:NL:PHR:2012:BU4970

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Uitstoting minderheid via driehoeksfusie en uitkoop; artikel 1 Eerste Protocol

    “De klacht dat op grond van het bepaalde in art. 1 van het Eerste Protocol de uitkoopregeling zodanig dient te worden verstaan dat aandeelhouders recht hebben op een uitkoopprijs die is vastgesteld volgens de gunstigste berekeningswijze van de waarde is verworpen in HR 11 september 1996, RvdW 1996, 167, JOR 1996, 113: "4.5. Voor zover het middel strijdigheid constateert tussen de uitkoopregeling met de daarbij behorende prijsvaststelling en art. 14 van de Grondwet, miskent het dat de rechter, derhalve ook de Hoge Raad, niet kan treden in de grondwettigheid van een wet in formele zin zoals de regeling van art. 2:92a BW.”

    r.o. 3.15

    “Het middel beoogt daarnaast dat op grond van het bepaalde in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM de uit te kopen aandeelhouders aanspraak kunnen maken op een uitkoopprijs, die is vastgesteld volgens de gunstigste berekeningswijze van de waarde.”

    r.o. 4.6

    “Het middel keert zich tegen de rechtsoverwegingen 3.16, 3.17, 3.20, 3.21 en 3.24 van de beschikking van de Ondernemingskamer. Deze overwegingen getuigen van een schending van het recht en/of verzuim van vormen, in het bijzonder van de artt. 2:8, 2:92, 2:92a, 2:201 en 2:201a BW, alsmede art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 14 EVRM, aldus het middel.”

    r.o. 4.1

    “Het middel bevat een uitwerking in een viertal onderdelen. De onderdelen 1, 2.1 tot en met 2.3 en onderdeel 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De onderdelen richten zich tegen rov. 3.16 en 3.17 van de bestreden beschikking. Ik citeer de bestreden rechtsoverwegingen gezamenlijk met de ermee verband houdende rechtsoverwegingen 3.14 en rov. 3.15: "3.14. De door Centaurus c.s. aan de orde gestelde kwestie van de (eventueel) voorgenomen juridische driehoek betreft, kort gezegd, de vraag of Tele2 Finance, na gestanddoening van het openbare bod, andere juridische instrumenten - waaronder fusie, splitsing, liquidatie of verkoop van activa - dan de uitkoopregeling mag benutten om zich de volledige zeggenschap over (en eigendom van de aandelen van) Versatel te verschaffen en Versatel ''van de beurs te halen''.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4117

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 januari 2004

    Uitkoop: statutair unanimiteitsvereiste is geen bijzonder zeggenschapsrecht in de zin van artikel 2:201a lid 4 BW

    “[…] "Zo niet reeds in het algemeen moet worden geoordeeld dat de omstandigheid dat besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders krachtens de statuten slechts met eenparigheid van stemmen kunnen worden genomen reeds met zich brengt dat aan ieder aandeel in het geplaatste kapitaal van de vennootschap een bijzonder recht inzake de zeggenschap is verbonden, met gevolg dat de op artikel 2:92a BW dan wel op artikel 2:201a BW gebaseerde zogeheten uitkoopvordering dient te worden afgewezen, geldt zulks in ieder geval in het onderhavige geval. Te dezen doet zich immers het geval voor dat het directe en indirecte aandelenbezit van [betrokkene 1] en [verweerder], zoals dat tussen hen in verdeeld, en de in de statuten van de vennootschap neergelegde eis van eenstemmigheid niet los valt te zien van de - onder de feiten weergegeven - bijzondere omstandigheden van het geval, deze mede in onderling verband en samenhang bezien, kort samengevat erop neerkomende dat deze (familie) vennootschapsrechtelijke structuur aansluit bij de door partijen beoogde en - door de in 2.5 vermelde emissie van vijf aandelen in de vennootschap - bewerkstelligde gelijkheid van het economische belang van […]”

    r.o. 2.1

    ECLI:NL:PHR:2004:AO1777

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 januari 1997

    Uitkoopprijs minderheidsaandelen: waarde voor de uitkoper en eerder openbaar bod als maatstaf

    “NNH heeft op 11 oktober 1990 in totaal 105 bekende gedaagden alsmede de overige houders van aandelen en van certificaten aan toonder van aandelen WUH gedagvaard voor de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam. Zij heeft gevorderd de gezamenlijke andere aandeelhouders te veroordelen hun aandelen WUH overeenkomstig art. 2:92a BW aan NNH over te dragen tegen een door de ondernemingskamer vast te stellen prijs, verhoogd met wettelijke rente, terwijl eventueel in de tussentijd betaalbaar gestelde uitkeringen geacht moesten tot gedeeltelijke betaling van de prijs te strekken. De certificaathouders moesten worden veroordeeld de veroordeling van de juridische eigenaren van de betrokken aandelen te gehengen en gedogen.”

    r.o. 2.1

    “[…] niet op zulk een bod ingaan bij uitkoop te straffen met een veel lagere prijs. Deze visie komt in de buurt van het standpunt "dat de uitgekochte aandeelhouder een prijs krijgt, die overeenkomst met de reële waarde op het moment van de overdracht. Dat laatste lijkt mij iets te absoluut, mede gezien de wettelijke regel volgens welke de rechter de dag bepaalt waarop hij de waarde vaststelt (art. 2:92a, lid 5, BW). Ik teken aan dat de door de ondernemingskamer vastgestelde prijs lager is dan het destijds gedane bod, aangezien om redenen van rentederving en inflatie f 50,- in 1993 nu eenmaal minder is dan f 50,- in 1986. 3.4.7. Men kan lange betogen houden over de waardering van uit te kopen aandelen. Dat is m.n. in de zaak ING/Offerhaus (zie noot 5) ook gedaan en daarop is in de schriftelijke toelichting van de raadsman van NNH in de onderhavige zaak, o.m. met citaten, gewezen. In de onderhavige zaak komt het er echter op aan of de ondernemingskamer zich, bij het bepalen van de uitkoopprijs mag laten leiden door de waarde die de aandelen voor uitkoper hebben. Daargelaten dat het middel de keuze van dit uitgangspunt als zodanig niet bestrijdt, meen ik dat de ondernemingskamer dit […]”

    r.o. 3.3 · lid 5

    “[…] niet op zulk een bod ingaan bij uitkoop te straffen met een veel lagere prijs. Deze visie komt in de buurt van het standpunt "dat de uitgekochte aandeelhouder een prijs krijgt, die overeenkomst met de reële waarde op het moment van de overdracht. Dat laatste lijkt mij iets te absoluut, mede gezien de wettelijke regel volgens welke de rechter de dag bepaalt waarop hij de waarde vaststelt (art. 2:92a, lid 5, BW). Ik teken aan dat de door de ondernemingskamer vastgestelde prijs lager is dan het destijds gedane bod, aangezien om redenen van rentederving en inflatie f 50,- in 1993 nu eenmaal minder is dan f 50,- in 1986.”

    r.o. 3.4.5 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:1997:44

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 1996

    Uitkoop artikel 2:92a BW: prijsvaststelling aan de hand van eerder openbaar bod

    “Eind augustus 1992 heeft ING de resterende andere aandeelhouders van INV, waaronder eisers van cassatie, hierna — tenzij uit het verband anders blijkt — gezamenlijk aan te duiden als: [eisers], gedagvaard op grond van art. 2:92a BW. Zij heeft gevorderd dat de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam deze aandeelhouders zou veroordelen hun (certificaten van) aandelen aan ING over te dragen tegen een bij het arrest te bepalen prijs op een bij het arrest te bepalen datum. Op de dagvaarding is alleen [eiseres 1] verschenen. Tegen de overige gedaagden, waaronder [eiser 2], is verstek verleend. [eiseres 1] heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van ING, zij heeft echter de door ING verdedigde hoogte van de koopprijs bestreden.”

    r.o. 1.3

    “In zijn arrest Van Wassenaer/ABN AMRO heeft de Hoge Raad beslist dat art. 2:92a, lid 2, BW, o.m. inhoudend dat tegen de uitspraak van de ondernemingskamer in uitkoopzaken uitsluitend beroep in cassatie openstaat, niet in de weg staat aan de mogelijkheid van verzet.”

    r.o. 2.1 · lid 2

    “Art. 2:92a BW bepaalt (voor n.v.'s), voor zover hier van belang: ‘’5. Indien de rechter oordeelt dat de leden 1 en 4 de toewijzing van de vordering niet beletten, kan hij bevelen dat een of drie deskundigen zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen. (…) De rechter stelt de prijs vast die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. (…)’’ In deze procedure heeft de ondernemingskamer geen deskundigenbericht bevolen, maar rechtstreeks zelf de prijs van de certificaten vastgesteld.”

    r.o. 3.1

    “[…] later tegen aanzienlijk gunstiger condities aan de betrokken vennootschap kunnen overdoen. Art. 12 van de Fusiegedragsregels van de SER verbiedt een overnemende n.v. uitdrukkelijk, binnen een termijn van drie jaar, aandelen van de soort waarop het bod betrekking had, tegen gunstiger condities dan volgens het openbare bod te verwerven. Weliswaar geldt die bepaling niet voor uitkoop volgens art. 2:92a BW, maar dat neemt niet weg dat de ratio van de bepaling ook daarbij van betekenis zal zijn. Dat zal zijn degenen die op het bod zijn ingegaan geen spijtgevoelens te bezorgen, aangezien zulke gevoelens, en de daarmee gepaard gaande publiciteit, een gevaar voor toekomstige overnames en fusies zouden opleveren. Dat gevaar zou nog worden vergroot doordat degenen die verwachten dat aandelen van een vennootschap die wordt overgenomen, of van fuserende vennootschappen, later tegen een hogere prijs dan volgens het (op de beurskoers gebaseerde) bod kunnen worden verkocht, zulke aandelen met het oog daarop, gedurende de looptijd van het bod, ter beurze kunnen (bij)kopen. 4. Bespreking van het cassatiemiddel”

    r.o. 3.7.3

    ECLI:NL:PHR:1996:25

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 maart 2019

    Enquête: wanbeleid bij transacties met controlerende aandeelhouder; gevolgen van vernietiging OK-beschikking

    “Met ingang van 19 maart 2014 zijn de aandelen van [verweerster 1] niet langer genoteerd aan Euronext Amsterdam. [verweerster 3] ( [N] ) en [verweerster 1] hebben bij dagvaarding van 6 juni 2014 op de voet van art. 2:92a BW een vordering tot uitkoop van de minderheidsaandeelhouders van [verweerster 1] ingesteld.”

    r.o. 1.54

    “Ik wijs nog op de samenloop van de onderhavige enquêteprocedure met andere procedures. Het gaat met name om de vordering die [N] op de voet van art. 2:92a BW heeft ingesteld tot uitkoop van minderheidsaandeelhouders van [verweerster 1] (nr. 1.54 hiervoor). De ondernemingskamer heeft in die uitkoopprocedure bij beschikking van 18 december 2018 geoordeeld dat de inhoud van de wanbeleidbeschikking van 6 februari 2018, zoals verbeterd bij beschikking van 6 april 2018, betrokken dient te worden bij de vaststelling van de uitkoopprijs. Volgens de ondernemingskamer is het op grond van de wanbeleidbeschikking voldoende aannemelijk geworden dat op de te hanteren peildatum voor de uitkoop van 31 januari 2014 tot het vermogen van [verweerster 1] vorderingen behoorden op de derden, onder wie (voormalige) bestuurders, tot vergoeding van schade. De ondernemingskamer schat de waarde van de vorderingen op (ten minste) € 30 miljoen. De ondernemingskamer draagt de door haar te benoemend deskundige op bij de waardering van de aandelen uit te gaan van het bestaan van dergelijke vorderingen ter waarde van € 30 miljoen (rov. 2.28). De ondernemingskamer prejudicieert in de uitkoopprocedure op een […]”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:PHR:2019:365

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 juni 2016

    Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders ondanks niet meer voldoen aan kapitaalseis

    “Zowel door de Staat c.s. als door SNS Reaal c.s. in de parallelzaak zijn voorbeelden genoemd. Zoals: hoe lang mag de periode tussen het verlies van het aandeelhouderschap en het indienen van het enquêteverzoek duren? Kan de benadering van de ondernemingskamer ook toepassing vinden in een situatie waarin de voormalig aandeel- of certificaathouder op grond van een rechterlijk oordeel (bijvoorbeeld op grond van art. 2:92a/201a BW, art. 2:359c BW of art. 2:336 BW) zijn belang heeft moeten overdragen? Denk verder aan het geval dat een aandeelhouder op zijn aandelen in de vennootschap een pandrecht heeft gevestigd ten gunste van de bank, tot zekerheid voor een lening die de bank aan de vennootschap verstrekt. Als gevolg van wanbeleid komt de vennootschap in financiële problemen. De bank gaat tot uitwinning van het pandrecht over, zodat de aandeelhouder zijn aandeelhouderschap verliest. Is de voormalige aandeelhouder nog enquêtebevoegd? Of denk aan het geval dat een aandeelhouder, in reactie op in zijn ogen misleidende mededelingen van de vennootschap, zijn aandelen heeft verkocht.”

    r.o. 4.33

    ECLI:NL:PHR:2016:536

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 juni 2016

    Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders na Interventiewet; conclusie strekt tot verwerping

    “Zowel door SNS Reaal c.s. als door de Staat c.s. in de parallelzaak zijn voorbeelden genoemd. Zoals: hoe lang mag de periode tussen het verlies van het aandeelhouderschap en het indienen van het enquêteverzoek duren? Kan de benadering van de ondernemingskamer ook toepassing vinden in een situatie waarin de voormalig aandeel- of certificaathouder op grond van een rechterlijk oordeel (bijvoorbeeld op grond van art. 2:92a/201a BW, art. 2:359c BW of art. 2:336 BW) zijn belang heeft moeten overdragen? Denk verder aan het geval dat een aandeelhouder op zijn aandelen in de vennootschap een pandrecht heeft gevestigd ten gunste van de bank, tot zekerheid voor een lening die de bank aan de vennootschap verstrekt. Als gevolg van wanbeleid komt de vennootschap in financiële problemen. De bank gaat tot uitwinning van het pandrecht over, zodat de aandeelhouder zijn aandeelhouderschap verliest. Is de voormalige aandeelhouder nog enquêtebevoegd? Of denk aan het geval dat een aandeelhouder, in reactie op in zijn ogen misleidende mededelingen van de vennootschap, zijn aandelen heeft verkocht.”

    r.o. 4.30

    ECLI:NL:PHR:2016:537

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 januari 2005

    Geschillenregeling: deskundigenbenoeming bij prijsvaststelling aandelen A mag achterwege blijven

    “De Ondernemingskamer overweegt in dit verband nog dat het oordeel waartoe zij hiervoor is gekomen, in overeenstemming is met de rechtspraak inzake overdracht van aandelen ingevolge de artikelen 2:92a en 2:201a BW en ingevolge Afdeling 1 van Titel 8 van Boek 2 BW, van de strekking dat de prijs van de aandelen waarom het telkens gaat dient te worden vastgesteld op pro rata basis en dat de omstandigheid dat aan een (meerderheids)pakket - feitelijke - zeggenschapsrechten zijn verbonden - derhalve - geen prijsverhogende invloed heeft, net zo min als dat de omstandigheid dat sprake is van een minderheidspakket een depreciërende invloed op de prijs van de aandelen heeft."”

    r.o. 4.17

    ECLI:NL:PHR:2005:AR6028

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 16 juni 2026

    Uitkoop: prijs aandelen vastgesteld op € 1 wegens negatieve waarde

    In een uitkoopprocedure op grond van artikel 2:92a BW stelt de OK de prijs vast voor de aandelen van een minderheidsaandeelhouder in een houdstermaatschappij. De waarde hangt af van de verwachtingswaarde van een mogelijke claim uit een investeringsverdrag op de Oekraïense staat vanwege onteigening. De OK komt met een eigen berekening op een netto verwachtingswaarde die lager is dan de schulden van de vennootschap. De aandelen hebben daarom geen waarde en de prijs wordt vastgesteld op € 1, te voldoen door consignatie.

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1692