← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 3. Het vermogen van de naamloze vennootschap

Artikel 2:98c BW

In deze vorm in werking sinds 11 juni 2008, laatst gewijzigd bij Stb. 2008, 195

1

De vennootschap mag niet, met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal of van certificaten daarvan, zekerheid stellen, een koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdelijk of anderszins naast of voor anderen verbinden. Dit verbod geldt ook voor haar dochtermaatschappijen.

2

De vennootschap en haar dochtermaatschappijen mogen niet, met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in het kapitaal van de vennootschap of van certificaten daarvan, leningen verstrekken, tenzij het bestuur daartoe besluit en er is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.het verstrekken van de lening, met inbegrip van de rente die de vennootschap ontvangt en de zekerheden die aan de vennootschap worden verstrekt, geschiedt tegen billijke marktvoorwaarden;

b.het eigen vermogen, verminderd met het bedrag van de lening, is niet kleiner dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal, vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden;

c.de kredietwaardigheid van de derde of, wanneer het meerpartijentransacties betreft, van iedere erbij betrokken tegenpartij is nauwgezet onderzocht;

d.indien de lening wordt verstrekt met het oog op het nemen van aandelen in het kader van een verhoging van het geplaatste kapitaal van de vennootschap of met het oog op het verkrijgen van aandelen die de vennootschap in haar kapitaal houdt, is de prijs waarvoor de aandelen worden genomen of verkregen billijk.

3

Voor het vereiste in lid 2, onderdeel b, is bepalend de grootte van het eigen vermogen volgens de laatst vastgestelde balans, verminderd met de verkrijgingsprijs voor aandelen in het kapitaal van de vennootschap en uitkeringen uit winst of reserves aan anderen die zij en haar dochtermaatschappijen na de balansdatum verschuldigd werden. Is een boekjaar meer dan zes maanden verstreken zonder dat de jaarrekening is vastgesteld, dan is een transactie als bedoeld in lid 2 niet toegestaan.

4

De vennootschap houdt een niet-uitkeerbare reserve aan ter grootte van het bedrag van de in lid 2 bedoelde leningen.

5

Een besluit van het bestuur tot het verstrekken van een lening als bedoeld in lid 2 is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering. Het besluit tot goedkeuring wordt genomen met een meerderheid van ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen, indien minder dan de helft van het geplaatste kapitaal ter vergadering is vertegenwoordigd. In afwijking van de vorige volzin wordt in het geval aandelen of certificaten van aandelen van de vennootschap zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht dan wel op een multilaterale handelsfaciliteit als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht het besluit tot goedkeuring genomen met ten minste 95 procent van de uitgebrachte stemmen.

6

Wanneer aan de algemene vergadering de in lid 5 bedoelde goedkeuring wordt gevraagd, wordt zulks bij de oproeping tot de algemene vergadering vermeld. Gelijktijdig met de oproeping wordt ten kantore van de vennootschap een rapport ter inzage van de aandeelhouders en de houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van haar aandelen gelegd waarin melding wordt gemaakt van de redenen voor het verstrekken van de lening, het voor de vennootschap daaraan verbonden belang, de voorwaarden waartegen de lening zal worden verstrekt, de koers waartegen de aandelen door de derde zullen worden genomen of verkregen en de aan de lening verbonden risico’s voor de liquiditeit en de solvabiliteit van de vennootschap.

7

De vennootschap legt binnen acht dagen na de in lid 5 bedoelde goedkeuring het in lid 6 bedoelde rapport of een afschrift daarvan neer ten kantore van het handelsregister.

8

De leden 1 tot en met 7 gelden niet, indien aandelen of certificaten van aandelen worden genomen of verkregen door of voor werknemers in dienst van de vennootschap of van een groepsmaatschappij.

9

De leden 1 tot en met 7 gelden niet voor een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, voor zover zij handelt in de gewone uitoefening van haar bedrijf.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:98c BW (7)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (2)

  • Hoge Raad · 7 mei 2004

    Muller/Rabobank

    Reikwijdte zekerheidsverbod artikel 2:207c BW bij doorleenconstructie

    “Art. 2:207c is ingevoerd bij de Wet van 12 december 1985, houdende nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap, Stb. 1985, 656. De oorspronkelijk voor dit artikel voorgestelde tekst is gelijk aan art. 2:98c lid 1 en 3 BW, zoals dit op 1 september 1981 in werking is getreden. Laatstgenoemd artikel is ingevoerd ter uitvoering van (art. 23 van) de Tweede Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976, PB nr. L 026, 31 januari 1977, welke richtlijn alleen regelen geeft voor de naamloze vennootschap en derhalve niet van toepassing is op de besloten vennootschap; genoemd artikel 23 verbiedt, ter voorkoming van het ontgaan van de wettelijke beperkingen inzake de inkoop van eigen aandelen, een naamloze vennootschap geldelijke steun te verlenen met het oog op verkrijging van haar aandelen door derden. Ingevolge de oorspronkelijk voor art. 2:207c BW voorgestelde tekst mocht ook een besloten vennootschap niet "met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal of van certificaten daarvan, leningen verstrekken, zekerheid stellen, een koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdelijk of anderszins naast of voor […]”

    r.o. 3.4.2 · leden 1, 3

    ECLI:NL:HR:2004:AO1962

  • Hoge Raad · 28 juni 1996

    Ontvanger ontvankelijk in onrechtmatige-daadvordering tegen kopers van leeggehaalde kasgeldvennootschappen

    “[…] aandeelhouders wordt door de M-groep bij de aankoop van een vennootschap direct verrekend met de koopprijs. Na de aankoop van een vennootschap worden de liquide middelen uit de vennootschap gehaald en door de M-groep schuldig gebleven. De M-groep betaalt de koopprijs van aandelen aan de verkoper met het geld dat zij uit de vennootschap heeft gehaald. Aldus handelt de M-groep in strijd met art. 2:98c en 2:207c BW. (iii) Het voornemen van de M-groep is erop gericht de gekochte vennootschap binnen zeer korte tijd met grote winst door te verkopen aan een vaste afnemer. De M-groep zorgt ervoor dat de vennootschap gedurende de periode dat zij aandeelhouder is, geen belastingschulden van enige omvang behoeft te betalen.De afnemer van de M-groep betaalt de koopprijs voor de aankoop van de aandelen door, wederom in weerwil van art. 2:98c en 2:207c, de rekening-courantschuld van de M-groep aan de verkochte vennootschap over te nemen. Aangezien de koper geen enkel verhaal biedt, is de verkochte vennootschap na deze transactie niet meer in staat haar belastingschulden te betalen en/of vervangende bedrijfsmiddelen aan te schaffen. (iv) de M-groep heeft in de jaren 1988 tot en met 1990 ten […]”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:HR:1996:ZC2120

Conclusies van de A-G (5)

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 mei 2014

    Inkoopverplichting eigen aandelen nv: statutaire grondslag niet vereist (artikel 2:98 BW)

    “Onderdelen VI.1 t/m VI.1.c richten zich tegen de overweging (in rov. 2.17) dat indien in de aan de orde zijnde teksten wél de primair aan de vordering van eisers ten grondslag gelegde prijs van € 6,58 zou zijn genoemd (als de bij inkoop van de preferente aandelen te hanteren prijs), dat in strijd zou komen met de strekking van het uit art. 2:98c BW volgende verbod om een koersgarantie te verstrekken.”

    r.o. 2.30

    “De klachten van onderdelen VI.1 t/m VI.1.c. falen reeds wegens gebrek aan belang. Het hof heeft in rov. 2.17 namelijk vastgesteld dat uit de aldaar aan de orde zijnde teksten niets blijkt van een bij een inkoop van de preferente aandelen te hanteren prijs. De overweging dat indien wél een prijs van € 6,58 zou zijn genoemd (als de bij inkoop te hanteren prijs) dat in strijd zou komen met de strekking van het verbod om een koersgarantie te verstrekken, is dan ook ten overvloede gegeven. Ook het in rov. 2.19 gegeven oordeel steunt kennelijk niet op de hier bestreden overweging van rov. 2.17.”

    r.o. 2.31

    “De klachten van onderdelen VI.1 t/m VI.1.c zijn overigens inhoudelijk ook ongegrond. Het hof heeft geoordeeld dat indien Unilever zich bij de uitgifte van de preferente aandelen een voor inkoop van die aandelen te hanteren prijs van € 6,58 per aandeel zou hebben genoemd (voor inkoop van de aandelen vijf jaar na uitgifte), dat in strijd zou komen met de strekking van het uit art. 2:98c BW volgende verbod op verstrekking van een koersgarantie (zie rov. 2.17). Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De door de onderdelen naar voren gebrachte stellingen zijn overigens niet van dien aard dat zij hier nadere bespreking behoeven. Onderdeel VII”

    r.o. 2.32

    ECLI:NL:PHR:2014:421

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 mei 2004

    Uitspraak Parket bij de Hoge Raad

    “Ten aanzien van de voorwaarde in het tweede lid dat het verstrekken van een lening slechts mogelijk is voor zover de statuten dit toestaan, merkt verweerder in cassatie op dat daartoe toereikend is dat de statuten de verstrekking van de lening niet verbieden. Dit valt af te leiden uit de bewoordingen 'voor zover'. Bij een strikte benadering had 'indien' voor de hand gelegen. Artikel 2:207c BW, artikel 2:98c BW en de Tweede Vennootschapsrichtlijn (77/91/EEG)”

    r.o. 3.5

    “Het artikel is, vanuit de visie dat wat kapitaalbescherming betreft een BV niet wezenlijk verschilt van een NV(5), ontleend aan artikel 2:98c BW. Deze bepaling vloeit op haar beurt voort uit artikel 23 van de Tweede Vennootschapsrichtlijn(6) (die slechts een verplichting stelt voor regeling van het NV-regime). Voor de NV geldt een ongeclausuleerd verbod op het stellen van zekerheid, het geven van een koersgarantie en het toestaan of verstrekken van leningen alsmede het zich op elke andere wijze sterk maken of hoofdelijk of anderszins voor of naast anderen verbinden(7).”

    r.o. 3.7

    “[…] worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea EG, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken; PB L 026, 31 januari 1977, p. 1. 7 Zie artikel 2:98c BW. 8 Ontwerp van wet, TK 1980-1981, 16551, no.2, p. 9. Stb. 656, 1985. 9 Ministerie van SZW, november 1981. 10 MvA, TK 1981-1982, 16 551, no. 6, p. 16. Stb. 656, 1985. 11 Rapport 'Werknemerszelfbestuur, mogelijkheden en beperkingen', Ministerie van SZW, november 1981, p. 30. 12 Vgl. Dortmond en Brood-Grapperhaus, losbladige Rechstpersonen, artikel 2:207c, aant. 1, met verwijzing naar Huizink, losbladige Rechstpersonen, artikel 2:98c, aant. 1. 13 Vgl. MvA, TK 1981-1982, 16 551, no. 6, p. 16. Stb. 656, 1985. 14 Stb. 1986, 3. Slechts de artikelen 2:207 en 2:207d zijn in werking getreden per 1 januari 1988; Stb. 1987, 567. 15 Vgl. HvJEG C-130/95, Giloy, Jur. EG 1997, p. I-04291 en C-28/95, Leur-Bloem, Jur. EG 1997, p. I-04161. 16 Vgl. HvJEG C-346/93, Kleinwort Benson, Jur. EG 1995, p. […]”

    r.o. 3.36

    ECLI:NL:PHR:2004:AO1962

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 september 2000

    Conclusie: OK mag zonder enquête geen wanbeleid vaststellen of voorzieningen treffen (Gucci/LVMH)

    “De OK heeft in een beschikking van 3 maart 1999 (ro. 3.2) als haar voorlopig oordeel gegeven, dat er enerzijds reden is te twijfelen aan een juist beleid van de Gucci Group N.V. Ook indien het Gucci Group N.V. vrijstaat maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat een haar onwelgevallige aandeelhouder een overwegende of belangrijke mate van zeggenschap verkrijgt, dan geldt niettemin dat het nemen van maatregelen die op gespannen voet staan met regels van (dwingend) recht (kunnen) wijzen op een onjuist beleid. De OK twijfelde met name over de verenigbaarheid van de emissie van aandelen aan de Stichting of Gucci Holdings B.V met de artikelen 2:98b en 2:98c BW.”

    r.o. 3.3

    “Op zichzelf genomen was het volgens de OK geen wanbeleid van Gucci om zich te wapenen tegen invloed van LVMH38. Er is evenwel sprake van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid, gezien het feit dat, zoals de OK feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgestelt, de handelwijze van Gucci met betrekking tot het ESOP in strijd komt met de artikelen 2:98b en 2:98c van het BW terwijl LVMH hiermee haar invloed als houdster van een niet onbelangrijk pakket aandelen geneutraliseerd ziet. De OK onderbouwt een en ander in onderdeel B van de beschikking (ro. 3.13. e.v.).”

    r.o. 5.4.3.2

    ECLI:NL:PHR:2000:AA7245

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2024

    Conclusie A-G: wanbeleid bij LBO en fusie kinderopvangbedrijf, publiek belang en tegenstrijdig belang

    “[…] Catalpa toe tot de SFA als “Additional Borrower” en als “Additional Guarantor”. In hoedanigheid van “Additional Borrower” trad zij toe als hoofdelijk schuldenaar van de Capex Facility en de RFC. In hoedanigheid van “Additional Guarantor” stelde Catalpa zich borg voor alle verplichtingen van NCC uit hoofde van de SFA, behoudens indien en voor zover dit strijdig zou zijn met het bepaalde in art. 2:98c/207c BW (hierna: de ‘carve out’). Van de Bankfinanciering is Facility A en een groot gedeelte van Facility B aangewend om de koopprijs te financieren. Een klein deel van Facility B is gebruikt om bestaande schulden te herfinancieren. Als gevolg van de ‘carve out’ zag de borgstelling van Catalpa dan ook slechts op dat laatste deel van Facility B.”

    r.o. 14.5

    “Ter uitvoering van het bestuursbesluit hebben [verweerster 3] en [verweerster 2] namens Catalpa op 16 augustus 2010 een “Accession Deed” getekend. Daarmee trad Catalpa toe tot de SFA als “Additional Borrower” en als “Additional Guarantor”. In hoedanigheid van “Additional Borrower” trad zij toe als hoofdelijk schuldenaar van de Capex Facility en de RFC. In hoedanigheid van “Additional Guarantor” stelde Catalpa zich borg voor alle verplichtingen van NCC uit hoofde van de SFA, behoudens indien en voor zover dit strijdig zou zijn met het bepaalde in art. 2:98c/207c BW (hierna: de ‘carve out’). Van de Bankfinanciering is Facility A en een groot gedeelte van Facility B aangewend om de koopprijs te financieren. Een klein deel van Facility B is gebruikt om bestaande schulden te herfinancieren. Als gevolg van de ‘carve out’ zag de borgstelling van Catalpa dan ook slechts op dat laatste deel van Facility B.”

    r.o. 1.29.6

    “Tot zekerheid van de nakoming van alle verplichtingen uit hoofde van de SFA (zie onder 1.29.6 hiervoor) zijn op 14 oktober 2010 de volgende zekerheidsrechten gevestigd ten gunste van ING die in de SFA is aangewezen als “Security Agent”: - door Catalpa: een pandrecht op de door haar gehouden aandelen in Astrid Lindgren Kinderopvang B.V., Catalpa Kinderopvang B.V, Catalpa Nanny Gastouderbureau B.V., Elan Kinderopvang Beheer B.V., Kidswell B.V., Kinderdagverblijf De Muzikantjes B.V., Kinderopvang Koetjeboe B.V., Octopus B.V. en Unieke Kinderopvang B.V.; - door Kidswell B.V.: een pandrecht op de door haar gehouden aandelen in B4Kids B.V.; - door Catalpa, Octopus B.V., Kinderopvang Compagnie B.V., Kidswell B.V., Catalpa Kinderopvang B.V., Unieke Kinderopvang B.V. en B4Kids B.V.: een openbaar pandrecht op de rechten uit hoofde van door hen in Nederland aangehouden bankrekeningen; - door Catalpa en B4Kids B.V.: een recht van hypotheek op onroerende zaken in Hengelo, Diemen en Sassenheim. De verschillende documenten bepalen dat geen zekerheden worden gevestigd, voor zover dit in strijd zou zijn met het bepaalde in art. 2:98c/207c BW.”

    r.o. 1.38

    ECLI:NL:PHR:2024:385

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Uitstoting minderheid via driehoeksfusie en uitkoop; artikel 1 Eerste Protocol

    “De onderdelen voeren aan dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de voorgenomen wijze van uitstoting door Tele2 van de minderheidsaandeelhouders, zoals uiteengezet in het biedingsbericht na gestanddoening van het bod indien minder dan 95% van het geplaatste kapitaal is aangeboden - zie hetgeen de Ondernemingskamer daarover heeft vastgesteld (26)- onrechtmatig is jegens de minderheidsaandeelhouders. Door deze voorgenomen rechtshandelingen aan het bod te koppelen, komt dat bod volgens Centaurus c.s. in strijd met de inhoud en de strekking van de kapitaalsbeschermingsregel van art. 2:98c BW, met de uitkoopregeling (art. 2:92a BW dan wel met art. 2:201a BW), de regeling met betrekking tot juridische fusie (art. 2:309 en volgende BW), de noteringsovereenkomst tussen Versatel en Euronext, het Fondsenreglement en de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW).”

    r.o. 4.3

    “De onderdelen betogen dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de meerderheidsaandeelhouder die minder dan 95% van het geplaatste aandelenkapitaal heeft verworven, mede gelet op de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) en de gelijkheid van aandeelhouders (art. 2:92 dan wel art. 2: 201 BW) een bijzondere zorgvuldigheid in acht dient te nemen jegens de minderheidsaandeelhouders(27) en met de gerechtvaardigde belangen van de minderheidsaandeelhouders bij zijn handelen en bepaling van het beleid rekening heeft te houden, alsmede tot uitgangspunt heeft te nemen de aanwezigheid van de minderheidsaandeelhouders te respecteren en te aanvaarden. De wens van Tele2 om niet bij voortduring belast te blijven met de aanwezigheid van de minderheid is dan ook op zichzelf niet legitiem, aldus het middel. De wetgever heeft alleen de meerderheidsaandeelhouder met ten minste een 95% belang het recht gegeven minderheidsaandeelhouders uit te kopen. Het kunstmatig beneden de 5% grens manoeuvreren van een belang, gevolgd door uitstoting van het minderheidsbelang door middel van de uitkoopprocedure moet in het algemeen - en ook hier - onrechtmatig worden geacht, mede in het licht […]”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4117