← Alle artikelen

Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 5. Het bestuur van de naamloze vennootschap en het toezicht op het bestuur

Artikel 2:140 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2013, laatst gewijzigd bij Stb. 2011, 275

1

Tenzij toepassing is gegeven aan artikel 129a kan bij de statuten worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. De raad bestaat uit een of meer natuurlijke personen.

2

De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Hij staat het bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.

3

De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad en van zijn leden bevatten.

4

De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide commissaris meer dan één stem wordt toegekend. Een commissaris kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere commissarissen tezamen.

5

Een commissaris neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 2. Wanneer de raad van commissarissen hierdoor geen besluit kan nemen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:140 BW (15)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (3)

  • Hoge Raad · 30 januari 2026

    Aansprakelijkheid commissarissen jegens vennootschap en derde: onvoldoende motivering ernstig verwijt jegens derde

    “In dit geding, voor zover in cassatie nog van belang, vorderen Fairstar en Dockwise onder meer veroordeling van [de erven] tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat. Hieraan heeft Fairstar, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [erflater en eiser 2] zijn tekortgeschoten in de vervulling van hun toezichthoudende taak op grond van art. 2:140 BW door niet in te grijpen toen [bestuurders] namens Fairstar onvoorwaardelijke verplichtingen aangingen inzake de FATHOM, en dat [erflater en eiser 2] van dit onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt valt te maken. Dockwise heeft aan haar vordering, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [erflater en eiser 2] jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld door onvoldoende toezicht te houden op [bestuurders] bij het verspreiden door hen van misleidende informatie over de toestand van Fairstar, in het bijzonder inzake de verplichtingen rond de FATHOM.”

    r.o. 2.2

    “[…] financiële verplichting, die erop neerkomt dat Fairstar mogelijk USD 37,5 miljoen moet betalen terwijl daar geen tegenprestatie van GSI tegenover staat, op zijn minst aanleiding had moeten zijn tot het doen van nader onderzoek inzake de stand van zaken met betrekking tot de FATHOM bijvoorbeeld door navraag te doen bij CSTC/GSI. [erflater en eiser 2] hebben dat nagelaten. Ingevolge artikel 2:140 BW in verbinding met artikel 2:9 BW is [erflater en eiser 2] van dit onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt te maken. Feiten en omstandigheden die hen kunnen disculperen, zijn niet (voldoende) gesteld of gebleken. De vraag of de financiering reëel was behoeft ook hier geen beantwoording, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen “zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel”. Het voorgaande leidt tot aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] voor de door Fairstar c.s. geleden schade. [bestuurders] stellen dat Fairstar c.s. geen schade hebben geleden, omdat “Fairstar (lees: Dockwise) de FATHOM gewoon heeft afgenomen” en dat zij dus bij hun vorderingen geen belang in de zin van […]”

    r.o. 6.21

    ECLI:NL:HR:2026:128

  • Hoge Raad · 9 juli 2010

    ASMI

    Enquête ASMI: strategie, taak RvC, informatierecht aandeelhouders en beschermingsstichting

    “De RvC is belast met het toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en staat het bestuur met raad en daad terzijde (art. 2:140 lid 2 BW). Deze wettelijke taakopdracht brengt niet mee dat de RvC de verplichting heeft een bemiddelende rol te vervullen bij conflicten tussen bestuur en aandeelhouders. De RvC is dienaangaande aan de aandeelhouders ook geen verantwoording verschuldigd. Best Practice bepaling III.1.6(f) Code Tabaksblat 2008 die inhoudt dat het toezicht van de RvC op het bestuur onder meer de verhouding tussen bestuur en aandeelhouders omvat, en de uit art. 2:8 lid 1 BW voortvloeiende, door de vennootschap met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders te betrachten zorgvuldigheid, geven geen aanleiding tot een ander oordeel.”

    r.o. 4.5.1 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2010:BM0976

  • Hoge Raad · 14 september 2007

    Versatel III

    Enquête: onmiddellijke voorzieningen, tegenstrijdig belang commissarissen en code-Tabaksblat bij groepsmaatschappij

    “[…] van Tele2 AB tot commissaris bij Versatel worden benoemd, omdat het groepsbelang van Tele2 AB bij Versatel wordt geëffectueerd. Daaruit volgt nog niet dat de commissarissen het groepsbelang van Tele2 tot uitgangspunt zouden nemen dan wel doorslaggevend zouden achten. Met name niet nu ook deze commissarissen zich op grond van het bepaalde in de art. 2:8, 2:149 in verbinding met 2:9, en 2:140 lid 2 BW, alsmede van het bepaalde in III.6 van de code-Tabaksblat hebben te richten naar het vennootschappelijk belang van Versatel. Ook de omstandigheid dat Versatel de volledige naleving van het bepaalde in III.6.2 van de code-Tabaksblat niet langer zinvol acht, kan niet tot de conclusie leiden dat uitsluitend het belang van Tele2 Finance en Tele2 AB zo niet doorslaggevend dan toch zeker leidend is voor de commissarissen. (ii) Versatel heeft tevens voorgesteld naast de vier uit het bestuur van Tele 2 AB afkomstige commissarissen een commissaris die geen functie vervult binnen de Tele2 Groep, [betrokkene 12], in de raad van commissarissen te benoemen, waarmee het belang van de minderheidsaandeelhouders voldoende is gediend.”

    r.o. 4.1 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2007:BA4887

Conclusies van de A-G (12)

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 juli 2025

    Commissarisaansprakelijkheid wegens onbehoorlijk toezicht bij onvoorwaardelijke scheepsbouwverplichting; ernstig verwijt en disculpatie

    “[…] financiële verplichting, die erop neerkomt dat Fairstar mogelijk USD 37,5 miljoen moet betalen terwijl daar geen tegenprestatie van GSI tegenover staat, op zijn minst aanleiding had moeten zijn tot het doen van nader onderzoek inzake de stand van zaken met betrekking tot de FATHOM bijvoorbeeld door navraag te doen bij CSTC/GSI. [erflater en eiser 2] hebben dat nagelaten. Ingevolge artikel 2:140 BW in verbinding met artikel 2:9 BW is [erflater en eiser 2] van dit onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt te maken. Feiten en omstandigheden die hen kunnen disculperen, zijn niet (voldoende) gesteld of gebleken. De vraag of de financiering reëel was behoeft ook hier geen beantwoording, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen "zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel''. Het voorgaande leidt tot aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] voor de door Fairstar c.s. geleden schade. [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] stellen dat Fairstar c.s. geen schade hebben geleden, omdat "Fairstar (lees: Dockwise) de FATHOM gewoon heeft afgenomen" en dat zij dus bij hun vorderingen geen belang […]”

    r.o. 6.21

    “[…] - zie nader het citaat onder 2.24 hiervoor - voor [erflater en eiser 2] vanaf 22 mei 2012 op zijn minst aanleiding bestond tot het doen van nader onderzoek naar de stand van zaken met betrekking tot de FATHOM (bijvoorbeeld door navraag te doen bij CSTC/GSI), wat [erflater en eiser 2] heeft nagelaten. - In rov. 6.21, tweede alinea verbindt het hof daaraan de conclusie dat ingevolge art. 2:140 BW in verbinding met art. 2:9 BW [erflater en eiser 2] van dit onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt te maken valt. Daarbij betrekt het hof dat feiten en omstandigheden die [erflater en eiser 2] kunnen disculperen, niet (voldoende) zijn gesteld of gebleken. En dat de vraag of de financiering reëel was ook hier (net als in rov. 6.14) geen beantwoording behoeft, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen "zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel''. - Aldus stelt het hof mede de aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Fairstar uit hoofde van art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:149 BW) vast. Daarbij draait het m.i. om onbehoorlijk toezicht vanaf 22 mei 2012 op naleving […]”

    r.o. 3.6

    “[…] - zie nader het citaat onder 2.24 hiervoor - voor [erflater en eiser 2] vanaf 22 mei 2012 op zijn minst aanleiding bestond tot het doen van nader onderzoek naar de stand van zaken met betrekking tot de FATHOM (bijvoorbeeld door navraag te doen bij CSTC/GSI), wat [erflater en eiser 2] heeft nagelaten. - In rov. 6.21, tweede alinea verbindt het hof daaraan de conclusie dat ingevolge art. 2:140 BW in verbinding met art. 2:9 BW [erflater en eiser 2] van dit onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt te maken valt. Daarbij betrekt het hof dat feiten en omstandigheden die [erflater en eiser 2] kunnen disculperen, niet (voldoende) zijn gesteld of gebleken. En dat de vraag of de financiering reëel was ook hier (net als in rov. 6.14) geen beantwoording behoeft, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen "zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel''. - Aldus stelt het hof mede de aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Fairstar uit hoofde van art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:149 BW) vast. Daarbij draait het m.i. om onbehoorlijk toezicht vanaf 22 mei 2012 op naleving […]”

    r.o. 3.6.5

    “[…] in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij uit hoofde van art. 2:9 BW jegens Fairstar aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van die tekortkoming lijdt (oftewel: dat hem een ernstig verwijt treft). Kort en goed: - vanaf 22 mei 2012 bestond er voor [erflater en eiser 2] om diverse redenen concrete aanleiding tot intensivering van het in art. 2:140 lid 2 BW bedoelde toezicht vanuit de rvc op naleving door Fairstars bestuur van de niet voor misverstand vatbare voorwaarde (het rond zijn van de financiering) die de rvc zelf had verbonden aan toestemming voor de bouw van de FATHOM, dus voor het onvoorwaardelijk binden van Fairstar aan het Shipbuilding Contract, - op welke datum de jaarrekening 2011, vastgesteld op 12 april 2012 met een zorgwekkende goingconcernparagraaf van de accountant, er al geruime tijd lag, - maar [erflater en eiser 2] heeft dat nagelaten en de zaak hier vanaf 22 mei 2012 op zijn beloop gelaten. Daarbij speelt uiteraard mee dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] toen al met zijn handelen in strijd met Fairstars statuten bewust die voorwaarde in de wind had geslagen en zijn eigen koers was gaan varen, door […]”

    r.o. 3.24 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2025:755

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 februari 2019

    Prospectusaansprakelijkheid: persoonlijk ernstig verwijt middellijk bestuurder vastgoedfonds en stichtingsvoorzitter

    “[…] Op pagina 17 van het prospectus is vermeld dat de stichting onder andere toeziet op de naleving van de obligatievoorwaarden. Het hof is niet gebleken dat de stichting een verdergaande toezichthoudende taak is toebedeeld, met name niet ten aanzien van de operationele gang van zaken binnen het fonds (vergelijkbaar met die van een Raad van Commissarissen bij een vennootschap, zie artikel 2:140 lid 2 BW). Dat [de Voorzitter] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard toezicht te hebben gehouden maakt het voorgaande niet anders, evenmin als het gegeven dat hij door zijn prominente rol bij de verkoop van de obligaties in combinatie met zijn publieke bekendheid mogelijk bij beleggers verwachtingen heeft gewekt inzake de betrouwbaarheid van het fonds.” 4.47.2 In rov. 5.3.11 geeft het hof weer welke verwijten de Claimstichting de Voorzitter, naast de bij onderdeel 3 besproken informatieverzuimen, nog meer maakt: “5.3.11 De Claimstichting heeft in grief III van het incidenteel appel betoogd dat [de Voorzitter] ook anderszins als bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld, namelijk door: a. na te laten te controleren of alle panden door Bouw State V waren verkregen; b. geen […]”

    r.o. 4.46 · lid 2

    “[…] Op pagina 17 van het prospectus is vermeld dat de stichting onder andere toeziet op de naleving van de obligatievoorwaarden. Het hof is niet gebleken dat de stichting een verdergaande toezichthoudende taak is toebedeeld, met name niet ten aanzien van de operationele gang van zaken binnen het fonds (vergelijkbaar met die van een Raad van Commissarissen bij een vennootschap, zie artikel 2:140 lid 2 BW). Dat [de Voorzitter] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard toezicht te hebben gehouden maakt het voorgaande niet anders, evenmin als het gegeven dat hij door zijn prominente rol bij de verkoop van de obligaties in combinatie met zijn publieke bekendheid mogelijk bij beleggers verwachtingen heeft gewekt inzake de betrouwbaarheid van het fonds.””

    r.o. 4.47.1 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2019:116

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 januari 2012

    Beloning commissaris voor bestuurswerkzaamheden: bevoegdheid AVA of raad van commissarissen

    “Bij de behandeling van het onderdeel staat het volgende voorop. De taak van de RvC bestaat uit het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken binnen de vennootschap, zie art. 2:140 lid 2 BW. De taak van de RvC kan in de statuten worden uitgebreid (art. 2:140 lid 3 BW), waardoor de RvC ook werkzaamheden van andere aard kan verrichten. Denk daarbij aan het geval van ontstentenis of belet van bestuurders als bedoeld in art. 2:134 lid 4 BW. In overeenstemming hiermee bepaalt art. 18 lid 6 van de statuten dat in geval van belet of ontstentenis van het enige lid van de directie de RvC tijdelijk met het bestuur van de vennootschap belast is en bevoegd is een of meer tijdelijke bestuurders aan te wijzen.”

    r.o. 3.3 · leden 2, 3

    ECLI:NL:PHR:2012:BU6509

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 april 2005

    Enquête Laurus: ontvankelijkheid wanbeleidverzoek, toezicht commissarissen en nader onderzoek

    “[…] van commissarissen door dit nalaten elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap zou hebben geschonden of in ernstige mate tekort is geschoten in enige verplichting of dat er sprake is van een ernstig tekortschieten in ander opzicht, wordt niet vastgesteld. Uit de aangevallen overwegingen volgt niet dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de raad van commissarissen de in art. 2:140 lid 2 BW omschreven taak niet zou hebben vervuld of zou hebben verwaarloosd; zij oordeelt slechts dat dit toezicht uiterlijk per eind maart 2001 "scherper" had moeten zijn, aldus het onderdeel.”

    r.o. 3.36 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2005:AS5010

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 augustus 2021

    Bestuurders-, commissaris- en aandeelhoudersaansprakelijkheid na dividenduitkeringen ondanks bodemverontreinigingsclaim

    Een curator spreekt de bestuurder, de feitelijk beleidsbepaler en commissaris en de enig aandeelhouder van een gefailleerde vennootschap aan, omdat zij jarenlang de volledige winst als dividend lieten uitkeren terwijl een grote schuldeiserclaim dreigde. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: de bewijslast van artikel 2:248 lid 1 BW (kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en belangrijke oorzaak van het faillissement) rust op de curator, en het hof heeft de aansprakelijkheid uit artikel 2:248, 2:259 en 6:162 BW begrijpelijk gemotiveerd.

    ECLI:NL:PHR:2021:739

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 december 2025

    Enquête: tegenstrijdig belang bestuurder en vermogensrechtelijk geschil; A-G concludeert tot verwerping

    “[…] belang (dus in de zin van art. 2:239 lid 6 BW) zélf is om die beslissing te nemen, zo nodig - als hij twijfelt - met ‘hulp’ (‘advies’) van zijn medebestuurder(s). Strik zegt het zo, wat zich tevens laat toepassen op bestuurders en art. 2:239 lid 6 BW: Ondanks het ontbreken van zo’n meldplicht [van “(potentieel) tegenstrijdige belangen”, A-G] in de tekst van artikel 2:129 lid 6 respectievelijk 2:140 lid 5 BW, gaat de wetgever er blijkens de wetsgeschiedenis wel vanuit dat een bestuurder een tegenstrijdig belang meldt aan zijn medebestuurders en dat een commissaris een tegenstrijdig belang meldt aan zijn medecommissarissen. Bovendien doet een commissaris er volgens de wetgever ‘goed aan’ een mogelijk tegenstrijdig belang te melden, voordat het desbetreffende agendapunt inhoudelijk wordt besproken.De achtergrond van een meldplicht is dat de daartoe krachtens wet en statuten bevoegden de nodige maatregelen kunnen nemen, waaronder in de eerste plaats ervoor zorgen dat de betrokken functionaris met het tegenstrijdige belang niet zal deelnemen aan de besluitvorming. De wetsgeschiedenis vermeldt als reden voor het doen van een melding dat op deze manier leden van de raad van […]”

    r.o. 3.7 · lid 5

    “[…] belang (dus in de zin van art. 2:239 lid 6 BW) zélf is om die beslissing te nemen, zo nodig - als hij twijfelt - met ‘hulp’ (‘advies’) van zijn medebestuurder(s). Strik zegt het zo, wat zich tevens laat toepassen op bestuurders en art. 2:239 lid 6 BW: Ondanks het ontbreken van zo’n meldplicht [van “(potentieel) tegenstrijdige belangen”, A-G] in de tekst van artikel 2:129 lid 6 respectievelijk 2:140 lid 5 BW, gaat de wetgever er blijkens de wetsgeschiedenis wel vanuit dat een bestuurder een tegenstrijdig belang meldt aan zijn medebestuurders en dat een commissaris een tegenstrijdig belang meldt aan zijn medecommissarissen. Bovendien doet een commissaris er volgens de wetgever ‘goed aan’ een mogelijk tegenstrijdig belang te melden, voordat het desbetreffende agendapunt inhoudelijk wordt besproken.De achtergrond van een meldplicht is dat de daartoe krachtens wet en statuten bevoegden de nodige maatregelen kunnen nemen, waaronder in de eerste plaats ervoor zorgen dat de betrokken functionaris met het tegenstrijdige belang niet zal deelnemen aan de besluitvorming. De wetsgeschiedenis vermeldt als reden voor het doen van een melding dat op deze manier leden van de raad van […]”

    r.o. 3.7.16 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:2025:1334

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 februari 2024

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: geen klachtplicht artikel 6:89 BW, décharge, ernstig verwijt

    “[…] van de rechtspersoon (zie art. 2:50a lid 3, aanhef en sub b BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:149/259 BW en art. 2:300a lid 3, aanhef en sub b BW). Er bestaat geen grond hier anders te oordelen dan voor een bestuurder, al is de taak van een commissaris een andere (zie, uitgaande van de raad van commissarissen als orgaan, mede art. 2:47 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:140/250 BW en art. 2:292a BW). Onderdeel 3 (“Over de maatstaf van artikel 2:9 BW”)”

    r.o. 3.28

    “Daarbij zou kunnen worden betrokken de vordering uit art. 2:9 BW-commissarisaansprakelijkheid. Art. 2:9 BW is, bij schakelbepaling, van overeenkomstige toepassing op deze functionaris van de rechtspersoon (zie art. 2:50a lid 3, aanhef en sub b BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:149/259 BW en art. 2:300a lid 3, aanhef en sub b BW). Er bestaat geen grond hier anders te oordelen dan voor een bestuurder, al is de taak van een commissaris een andere (zie, uitgaande van de raad van commissarissen als orgaan, mede art. 2:47 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:140/250 BW en art. 2:292a BW). Onderdeel 3 (“Over de maatstaf van artikel 2:9 BW”)”

    r.o. 3.28.2

    ECLI:NL:PHR:2024:185

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 maart 2020

    Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager

    “[…] te vertegenwoordigen. De algemene vergadering van aandeelhouders is echter steeds bevoegd in geval van tegenstrijdig belang een persoon aan te wijzen die de vennootschap vertegenwoordigt.” Deze bepaling is in overeenstemming met art. 2:146 (oud) BW, welke bepaling per 1 januari 2013 is komen te vervallen en is vervangen door de tegenstrijdig belang-regeling van art. 2:129 lid 6 BW (en art. 2:140 lid 5 BW voor commissarissen), die in de sleutel staat van besluitvorming. Art. 2:146 (oud) BW luidde als volgt: “Tenzij bij de statuten anders is bepaald, wordt de naamloze vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd door commissarissen. De algemene vergadering is steeds bevoegd een of meer andere personen daartoe aan te wijzen.” Van de mogelijkheid die de eerste zin van art. 2:146 BW (oud) bood om het tegenstrijdig belang in de statuten ‘weg te schrijven’ is dus kennelijk bij Orthocenter geen gebruik gemaakt. Wanneer sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang van [betrokkene 1] , zou dus niet hij ter zake vertegenwoordigingsbevoegd zijn, maar de commissarissen van Orthocenter (tenzij door de algemene […]”

    r.o. 3.17 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:2020:290

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2020

    Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig

    “[…] BW (oud), aldus dat de vennootschap de daaruit voortvloeiende vertegenwoordigingsonbevoegdheid van de bestuurder aan derden kon tegenwerpen indien de daarin bedoelde tegenstrijdigheid ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling aan de derde bekend was of had behoren te zijn, is per 1 januari 2013 deze tegenstrijdigbelangregeling vervangen door een andere (art. 2:129/239 lid 6 BW en art. 2:140/250 lid 5 BW). Deze nieuwe regeling is niet langer ingebed in het leerstuk van (on)bevoegde vertegenwoordiging, maar bevat een regel voor besluitvorming door het bestuur respectievelijk de raad van commissarissen, waarbij de sanctie in geval van niet-naleving in beginsel gezocht moet worden in art. 2:15 lid 1 onder a BW (dus in vernietigbaarheid), niet langer in (relatieve) nietigheid. Deze nieuwe regeling is daarmee primair een interne aangelegenheid geworden (‘binnen de vennootschap’). Ik wijs er nog op dat het in nr. 4.34 genoemde wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen een vergelijkbare besluitvormingsregel bevat voor verenigingsvormen (een voorgesteld art. 2:44 lid 4 BW en art. 2:47 lid 5 BW), waar thans nog een vertegenwoordigingsregel geldt (art. 2:47 BW en art. […]”

    r.o. 4.40

    ECLI:NL:PHR:2020:111

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 november 2018

    Einde en afwikkeling vof; firmant aansprakelijk voor rekening-courantschuld; verjaring artikel 6:140 BW

    “[…] met zichzelf) in de zin van art. 3:68 BW en art. 7:416 BW, het dienen van twee heren in de zin van art. 7:417 BW en andere belangentegenstellingen in de zin van art. 7:418 BW. Ik meen dat de strekking van deze bepalingen dezelfde is als die van de tegenstrijdig belangregeling die voor respectievelijk bestuurders en commissarissen van NV en BV geldt op grond van art. 2:129/239 lid 6 en art. 2:140/250 lid 5 BW. Deze strekking is mijns inziens gelegen in het voorkomen van ongeoorloofde belangenverstrengeling. Een verschil met de regelingen bij volmacht in Boek 3 BW en lastgeving in Boek 7 BW is dat art. 2:129/239 lid 6 BW en art. 2:140/250 lid 5 BW (anders dan de vervallen tegenstrijdig belangregeling van art. 2:146/256 BW) niet in de sleutel van vertegenwoordiging (extern werkend), maar in de sleutel van besluitvorming (intern werkend) zijn geplaatst. De vraag naar mogelijke doorwerking van art. 2:239 lid 6 BW op [betrokkene 1] als procuratiehouder van Gravene kan overigens buiten beschouwing blijven. De cassatieklachten zijn in de sleutel geplaatst van (onbevoegde) vertegenwoordiging.”

    r.o. 3.4

    “De klachten doen een beroep op art. 7:417 BW jo. 7:424 BW. Voor zover het hof op basis van deze bepalingen al tot het oordeel van onbevoegdelijk dienen van twee heren had moeten komen (vgl. nr. 3.3 hiervoor en nr. 3.6 hierna), leidt dat, anders dan het onderdeel stelt, niet tot onbevoegde vertegenwoordiging. De sanctie op het onbevoegdelijk dienen van twee heren is dat de lasthebber zijn recht op loon verliest en gehouden is tot vergoeding van de door de lastgever geleden schade die is ontstaan als gevolg van het onbevoegdelijk dienen van twee heren. Die sanctie is dwingendrechtelijk geregeld in art. 7:417 lid 3 BW. De overeenkomst die de lasthebber namens beide partijen sluit, blijft geldig. Dit volgt uit het gebruik van de wettelijke formulering met ‘mag’ in art. 7:417 lid 1 BW (in plaats van ‘kan’ in bijv. art. 7:416 lid 1 BW) en blijkt ook uit de wetgeschiedenis.”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2018:1408

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 juli 2010

    Enquête ASMI: strategie, corporate governance en gegronde redenen voor twijfel aan juist beleid

    “[…] bestuur en (groot-)aandeelhouders en vervolgens de klachten behandelen die betrekking hebben op rov. 3.12 - 3.15. De RvC heeft van oudsher een tweeledige taak: hij is belast met het houden van toezicht op het bestuur en staat het bestuur met raad terzijde. Bij de uitoefening van zijn taak richten commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (art. 2:140 BW). De taak van de commissaris heeft de laatste jaren veel veranderingen ondergaan. De Code 2003 heeft veel nieuwe verplichtingen voor commissarissen in het leven geroepen. Vooral de toezichthoudende taken zijn zwaarder geworden. De 'klankbordfunctie' van commissarissen is hierdoor onder druk komen te staan, aldus Kemna/Van de Loo in een onderzoek naar de rol van institutionele beleggers in relatie tot het bestuur en commissarissen.(55) Uit hun rapport blijkt dat door de snelle veranderingen nog niet volledig is uitgekristalliseerd hoe commissarissen zich moeten opstellen tegenover bestuur en institutionele beleggers: "Ten eerste heeft de RvC met de code Tabaksblat in de hand meer ruimte om echt toezicht te houden op het bestuur, waardoor de RvC een meer gelijkwaardige speler kan […]”

    r.o. 3.5.1

    “[…] verhoudingen. De literatuur is bovendien niet eenduidig. Zo is Hermans een uitgesproken tegenstander van een verplichte bemiddelende rol voor commissarissen:(62) "Het is mij een raadsel waar de OK haar (rechts)oordeel dat de raad van commissarissen een bemiddelende rol tussen aandeelhouders en het bestuur is toebedacht op baseert. Een wettelijke basis voor dit (rechts)oordeel ontbreekt. Art. 2:140 lid 2 BW bepaalt dat de raad van commissarissen tot taak heeft toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Voorts bepaalt het artikellid dat hij het bestuur met raad ter zijde staat. Het oordeel kan ook niet worden gebaseerd op algemeen aanvaarde regels omtrent corporate governance. Principe III.1 van de Nederlandse Corporate Governance Code herhaalt het bepaalde in art. 2:240 lid 2 BW met een in dit verband niet ter zake doende aanvulling. Ook in de best practice bepalingen komt een verwijzing naar een bemiddelende rol van de raad van commissarissen niet voor. Best practice bepaling III.1.6 bepaalt niet meer dan dat het toezicht van de raad van commissarissen op het bestuur onder andere […]”

    r.o. 3.5.8 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2010:BM0976

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Enquête: reikwijdte onmiddellijke voorziening OK en onafhankelijkheid commissarissen bij minderheidsaandeelhouders

    “[…] alleszins begrijpelijk en ook geoorloofd - zie III.2.2. sub f van de Code - dat leden van het bestuur van een groepsmaatschappij tot commissaris worden benoemd. Daaruit volgt nog niet dat de commissarissen het groepsbelang van Tele2 leidend zouden nemen dan wel doorslaggevend zouden achten. Met name niet nu ook deze commissarissen zich op grond van het bepaalde in de artt. 2:8, 2:149 jo. 2:9, en 2:140 lid 2 BW, alsmede het bepaalde in de Code in III.6 hebben te richten naar het vennootschappelijk belang.”

    r.o. 3.4 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4887