Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 5. Het bestuur van de naamloze vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:135 BW
In deze vorm in werking sinds 22 februari 2023, laatst gewijzigd bij Stb. 2023, 57
De vennootschap heeft een beleid op het terrein van bezoldiging van het bestuur. Het beleid wordt vastgesteld door de algemene vergadering. In het bezoldigingsbeleid komen ten minste de in artikel 383c tot en met e omschreven onderwerpen aan de orde, voor zover deze het bestuur betreffen. In afwijking van de vorige zin komen in het bezoldigingsbeleid van een vennootschap waarvan aandelen of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, met uitzondering van beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal, de in artikel 135a lid 6 omschreven onderwerpen aan de orde.
Indien de vennootschap krachtens wettelijke bepalingen een ondernemingsraad heeft ingesteld, wordt het voorstel tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid niet aan de algemene vergadering aangeboden, dan nadat de ondernemingsraad tijdig voor de datum van oproeping als bedoeld in artikel 114 in de gelegenheid is gesteld hierover een standpunt te bepalen. Het standpunt van de ondernemingsraad wordt, gelijktijdig met het voorstel tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid, aan de algemene vergadering aangeboden. De voorzitter of een door hem aangewezen lid van de ondernemingsraad kan het standpunt van de ondernemingsraad in de algemene vergadering toelichten. Het ontbreken van dat standpunt tast de besluitvorming inzake het bezoldigingsbeleid niet aan.
Voor de toepassing van lid 2 wordt onder de ondernemingsraad mede verstaan de ondernemingsraad van de onderneming van een dochtermaatschappij, mits de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam zijn. Is er meer dan één ondernemingsraad, dan wordt de bevoegdheid door deze raden gezamenlijk uitgeoefend. Is voor de betrokken onderneming of ondernemingen een centrale ondernemingsraad ingesteld, dan komt de bevoegdheid toe aan de centrale ondernemingsraad.
De bezoldiging van bestuurders wordt met inachtneming van het beleid, bedoeld in lid 1, vastgesteld door de algemene vergadering, tenzij bij de statuten een ander orgaan is aangewezen.
Indien in de statuten is bepaald dat een ander orgaan dan de algemene vergadering de bezoldiging vaststelt, legt dat orgaan ten aanzien van regelingen in de vorm van aandelen of rechten tot het nemen van aandelen een voorstel ter goedkeuring voor aan de algemene vergadering. In het voorstel moet ten minste zijn bepaald hoeveel aandelen of rechten tot het nemen van aandelen aan het bestuur mogen worden toegekend en welke criteria gelden voor toekenning of wijziging. Het ontbreken van de goedkeuring van de algemene vergadering tast de vertegenwoordigingbevoegdheid van het orgaan niet aan.
Het orgaan bedoeld in lid 4 is bevoegd de hoogte van een bonus aan te passen tot een passende hoogte indien uitkering van de bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Onder een bonus wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan het niet vaste deel van de bezoldiging waarvan de toekenning geheel of gedeeltelijk afhankelijk is gesteld van het bereiken van bepaalde doelen of van het zich voordoen van bepaalde omstandigheden.
Vervallen.
De vennootschap is bevoegd een bonus geheel of gedeeltelijk terug te vorderen voor zover de uitkering heeft plaatsgevonden op basis van onjuiste informatie over het bereiken van de aan de bonus ten grondslag liggende doelen of over de omstandigheden waarvan de bonus afhankelijk was gesteld. De vordering kan namens de vennootschap ook worden ingesteld door de raad van commissarissen, de niet uitvoerende bestuurders indien toepassing is gegeven aan artikel 129a, of door een bijzondere vertegenwoordiger die is aangewezen door de algemene vergadering. Afdeling 2 van titel 4 van Boek 6 is van overeenkomstige toepassing.
Indien het beleid bedoeld in lid 1 niet wordt vastgesteld door de algemene vergadering, bezoldigt de vennootschap bestuurders overeenkomstig het bestaande beleid of de bestaande praktijk en legt zij aan de volgende algemene vergadering een herzien beleid voor ter vaststelling.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:135 BW (7)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (1)
Imeko Holding
Beloning commissaris voor bestuurswerkzaamheden: bevoegdheid AVA of raad van commissarissen
“[…] tijd daden van bestuur verrichten, maar zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan - in het geval van Imeko is dat ingevolge art. 18.1 van haar statuten de ava - maken zij geen deel uit van het bestuur. Indien de statuten van een naamloze vennootschap de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders aan de raad van commissarissen overlaten, zoals art. 2:135 BW toelaat en in art. 18.7 van de statuten van Imeko is geregeld, maakt dat die raad van commissarissen niet bevoegd om een bezoldiging aan zijn eigen leden toe te kennen ter vergoeding van door die leden verrichte werkzaamheden op bestuursniveau. De RvC kon derhalve, anders dan het hof oordeelde, aan art. 18.7 van de statuten niet de bevoegdheid ontlenen om een aanvullende managementvergoeding vast te stellen voor bestuurswerkzaamheden die zijn lid [verweerder 2] verrichtte. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 13 april 2010; verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het […]”
r.o. 3.4
Conclusies van de A-G (6)
Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager
“[…] (beschreven in de arbeidsovereenkomst statutair directeur) en de functie van [verweerder] als VM/patiëntbehandelaar (beschreven in de arbeidsovereenkomst VM).” In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de aldus vanaf november 2003 tot zijn ontslag aan [verweerder] in de functie van bestuurder (statutair directeur) betaalde bezoldiging door het bevoegde orgaan is vastgesteld: op grond van art. 2:135 lid 4 BW in verbinding met art. 13 lid 3 van de statuten is dat de RvC. Het hof heeft vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst statutair directeur namens Orthocenter, overeenkomstig art. 13 van de statuten, is getekend door [betrokkene 2] in zijn hoedanigheid van voorzitter van de RvC. De bezoldiging die aan [verweerder] is betaald in de functie van statutair directeur staat in deze procedure niet ter discussie. Hetzelfde geldt voor het loon dat aan [verweerder] is betaald in de functie van VM/patiëntbehandelaar van de vestiging Heerhugowaard op basis van de arbeidsovereenkomst VM, tot het moment dat deze overeenkomst door [verweerder] bij brief van 1 juni 2004 is beëindigd (zie onder 1.7). De onderhavige zaak spitst zich toe op de aanvullende vergoedingen - naast zijn bezoldiging als […]”
r.o. 3.13 · lid 4“[…] medeweten van [betrokkene 1] zijn verwerkt” (zie ook rov. 3.5, slotzin). Die vaststellingen worden in cassatie niet bestreden. In cassatie wordt erover geklaagd dat [betrokkene 1] niet bevoegd was afspraken te maken met [verweerder] over de aanvullende vergoedingen van zijn medebestuurder. Die bevoegdheid zou volgens Orthocenter, onder verwijzing naar het Imeko/ […]-arrest, op grond van art. 2:135 lid 4 BW in verbinding met art. 13 lid 3 van de statuten van de vennootschap toekomen aan de RvC. Niet is komen vast te staan dat de RvC deze vergoedingen heeft vastgesteld, aldus nog steeds Orthocenter.”
r.o. 3.14 · lid 4“[…] de vennootschap aangaan van een dergelijke afzonderlijke (arbeids)overeenkomst, met inbegrip van de door die persoon te ontvangen vergoeding voor de betreffende werkzaamheden, gelden dan in beginsel de gewone vertegenwoordigingsregels waarbij het bestuur de vennootschap (zoals hier, in geval van een N.V.) op grond van art. 2:130 BW vertegenwoordigt. De vennootschapsrechtelijke regel van art. 2:135 lid 4 BW in verbinding met de statuten van de vennootschap dat de RvC bevoegd is tot vaststelling van de bezoldiging van bestuurders is dan, zoals in de onderhavige zaak, niet van toepassing op het aangaan van deze (arbeids)overeenkomst, ook niet als die persoon tevens bestuurder is. De door een wezenlijk ander geval en andere problematiek ingegeven vennootschapsrechtelijke regel uit rov. 3.4 van het Imeko/ […]-arrest, als bedoeld onder 3.6 en 3.11, doorkruist dit een en ander niet. Het niettemin toepassen van deze vennootschapsrechtelijke regel, aldus dat de RvC hier (ook) bevoegd is tot vaststelling van de vergoeding voor die duidelijk van de bestuurstaak gesplitste werkzaamheden enkel omdat die persoon tevens bestuurder is, zou m.i. leiden tot een onwenselijke verabsolutering en […]”
r.o. 3.16 · lid 4“Subonderdeel 2.1 klaagt dat Orthocenter onbetwist heeft gesteld dat de RvC van Orthocenter krachtens art. 13 lid 3 van haar statuten het orgaan is dat de bezoldiging van de bestuurders van Orthocenter vaststelt in de zin van art. 2:135 (oud) BW. Ook indien [betrokkene 1] en/of [betrokkene 5] en/of [verweerder] bevoegd zou(den) zijn geweest te besluiten dat [verweerder] invalwerkzaamheden zou verrichten, waren zij niet bevoegd om te besluiten dat hij daarvoor aanvullende vergoedingen boven zijn directievergoeding zou ontvangen, bij gebreke aan vaststelling van die vergoedingen door de RvC. Dit zou het hof hebben miskend, waaraan het subonderdeel verdere consequenties verbindt in termen van nietigheid van enig besluit van Orthocenter ter zake en gevolgen daarvan. Het subonderdeel beroept zich op de regel uit het Imeko/ […]-arrest, dat de beloning van bestuurders en commissarissen dient te geschieden door de in wet en de statuten aangewezen organen, ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders […]”
r.o. 3.32Beloning commissaris die tijdelijk bestuurstaken verricht: alleen de AVA is bevoegd
“[…] tijd daden van bestuur verrichten, maar zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan - in het geval van Imeko is dat ingevolge art. 18.1 van haar statuten de ava - maken zij geen deel uit van het bestuur. Indien de statuten van een naamloze vennootschap de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders aan de raad van commissarissen overlaten, zoals art. 2:135 BW toelaat en in art. 18.7 van de statuten van Imeko is geregeld, maakt dat die raad van commissarissen niet bevoegd om een bezoldiging aan zijn eigen leden toe te kennen ter vergoeding van door die leden verrichte werkzaamheden op bestuursniveau. De RvC kon derhalve, anders dan het hof oordeelde, aan art. 18.7 van de statuten niet de bevoegdheid ontlenen om een aanvullende managementvergoeding vast te stellen voor bestuurswerkzaamheden die zijn lid [betrokkene 1] verrichtte.””
r.o. 3.2Beloning commissaris voor bestuurswerkzaamheden: bevoegdheid AVA of raad van commissarissen
“De bevoegdheidsverdeling betreffende de vaststelling van de aan de leden van het bestuur en de RvC toekomende bezoldiging is geregeld in resp. art. 2:135 lid 4 BW en art. 2:145 BW. Daarin is enerzijds bepaald dat de AvA, of een bij statuten aangewezen ander orgaan, bevoegd is de bezoldiging van het bestuur vast te stellen, terwijl anderzijds de AvA bevoegd is dat voor de RvC te doen. Hiermee overeenstemmende bepalingen zijn te vinden in resp. art. 18 lid 7 en art. 23 van de statuten van Imeko, waaruit volgt dat de bevoegdheid om de bezoldiging van de bestuurders vast te stellen aan de RvC is toebedeeld en de AvA de bezoldiging van de RvC vaststelt. Wat partijen verdeeld houdt, is of bij de vraag welk orgaan bevoegd is de bezoldiging van de RvC vast te stellen de aard van de door de RvC verrichte werkzaamheden van doorslaggevend belang is danwel de formele kwaliteit van RvC dat die werkzaamheden verricht. [Verweerder] c.s. verdedigen de eerste opvatting en het hof volgt hen daarin. Volgens Imeko is de tweede opvatting juist, hetgeen ook de rechtbank heeft aangenomen.”
r.o. 3.5 · lid 4Bestuurdersbezoldiging, AVA-bevoegdheid en gebondenheid vennootschap aan managementovereenkomst (Antilliaans recht)
De conclusie gaat over een vennootschap naar Antilliaans recht die een bestuurder terugbetaling vraagt van een hogere vergoeding dan de algemene vergadering had vastgesteld. De A-G acht de bevoegdheid om de bezoldiging vast te stellen exclusief aan de algemene vergadering toebedeeld, met externe werking naar Antilliaans recht, en vergelijkt dit met artikel 2:245 BW. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Agenderingsrecht aandeelhouder: geen afdwingbaar stempunt over bestuursbevoegdheid (Boskalis/Fugro)
“Nu uit artikel 2:109 BW volgt dat het bestuur en de rvc bevoegd zijn tot bijeenroeping, zijn zij daarmee ook bevoegd tot het vaststellen van de agenda. De verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de agenda ligt dus bij het bestuur en de rvc. Een aantal dwingendrechtelijke bepalingen van Boek 2 BW begrenst voor het bestuur en de rvc de vrijheid om de agenda naar eigen inzicht vast te stellen. Hierbij valt te denken aan de verplichte vaststelling van de jaarrekening (artikel 2:101 lid 3 BW) en de verplichte vaststelling van het bezoldigingsbeleid voor het bestuur (artikel 2:135 lid 1 BW). Voor alle duidelijkheid wijs ik erop dat de vaststelling van de agenda rechtsgevolg heeft, omdat daarmee de mogelijkheid voor de aandeelhoudersvergadering ontstaat om besluiten te nemen.”
r.o. 4.9 · lid 1Loyaliteitsdividend DSM en onmiddellijke voorzieningen: cassatie in het belang der wet
“In de Nederlandse vennootschapswetgeving zijn de laatste jaren de bevoegdheden van de aandeelhoudersvergadering uitgebreid. Ik wijs onder andere op de invoering van art. 2:107a BW (goedkeuring van belangrijke bestuursbesluiten), art. 2:135 BW (de bevoegdheid om het bezoldigingsbeleid voor het bestuur vast te stellen en het recht om aandelen- en optieregelingen voor het bestuur goed te keuren) en art. 2:161a BW (het recht van de aandeelhoudersvergadering van een structuurvennootschap om de raad van commissarissen naar huis te sturen). Ook heeft een aantal beursvennootschappen de bescherming tegen vijandelijke overnames onder invloed van gewijzigde maatschappelijke opvattingen minder effectief gemaakt. Zo hebben diverse Nederlandse beursvennootschappen hun beschermingspreferente aandelen of certificering van aandelen opgegeven. Ook daardoor is de invloed van kapitaalverschaffers in beursvennootschappen toegenomen.”
r.o. 3.5