Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 3. Het vermogen van de naamloze vennootschap
Artikel 2:98b BW
In werking getreden op 1 september 1981 (Stb. 1981, 332)
Indien een ander in eigen naam voor rekening van de naamloze vennootschap aandelen in haar kapitaal of certificaten daarvan verkrijgt, moet hij deze onverwijld tegen betaling aan de vennootschap overdragen. Indien deze aandelen op naam luiden, is het tweede lid van het vorige artikel van overeenkomstige toepassing.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:98b BW (3)
Hoge Raad (1)
Inkoop eigen aandelen NV: inkoopverplichting behoeft geen statutaire grondslag
“[…] in beginsel uit de statuten moet blijken. Deze overweging getuigt volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat niet is vereist dat een terugkoopverplichting volgt uit de statuten, maar deze ook kan volgen uit andere verklaringen of gedragingen jegens aandeelhouders. 3.3.2 Ter bescherming van schuldeisers is de verkrijging van eigen aandelen door de NV in de art. 2:98, 2:98a en 2:98b BW aan beperkingen onderworpen. Zo mag de NV aandelen in haar kapitaal in beginsel alleen dan anders dan om niet verkrijgen, indien en voor zover daartoe voldoende vrij uitkeerbare reserves aanwezig zijn en indien en voor zover de algemene vergadering het bestuur daartoe in overeenstemming met het bepaalde in art. 2:98 lid 4 BW heeft gemachtigd. Indien aandelen van de NV zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, zoals in het geval van Unilever, geldt deze machtiging voor ten hoogste achttien maanden. Weliswaar kunnen de statuten de verkrijging door de NV van eigen aandelen uitsluiten of beperken, maar de wet bepaalt niet dat een verplichting van de NV tot inkoop van aandelen (in beginsel) een statutaire grondslag behoeft. Evenmin vloeit dit uit de wet voort. Voor […]”
r.o. 3.1“Ter bescherming van schuldeisers is de verkrijging van eigen aandelen door de NV in de art. 2:98, 2:98a en 2:98b BW aan beperkingen onderworpen. Zo mag de NV aandelen in haar kapitaal in beginsel alleen dan anders dan om niet verkrijgen, indien en voor zover daartoe voldoende vrij uitkeerbare reserves aanwezig zijn en indien en voor zover de algemene vergadering het bestuur daartoe in overeenstemming met het bepaalde in art. 2:98 lid 4 BW heeft gemachtigd. Indien aandelen van de NV zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, zoals in het geval van Unilever, geldt deze machtiging voor ten hoogste achttien maanden. Weliswaar kunnen de statuten de verkrijging door de NV van eigen aandelen uitsluiten of beperken, maar de wet bepaalt niet dat een verplichting van de NV tot inkoop van aandelen (in beginsel) een statutaire grondslag behoeft. Evenmin vloeit dit uit de wet voort. Voor zover het onderdeel hierover klaagt, is het gegrond.”
r.o. 3.3.2“Het onderdeel kan evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 2.13–2.20 geoordeeld dat op Unilever, ook afgezien van het ontbreken van een daartoe strekkende statutaire bepaling, geen verplichting is komen te rusten tot inkoop van de preferente aandelen. De hiertegen gerichte klachten, alsook de overige klachten van het middel, worden vruchteloos voorgedragen. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”
r.o. 3.3.3
Conclusies van de A-G (2)
Inkoopverplichting eigen aandelen nv: statutaire grondslag niet vereist (artikel 2:98 BW)
“Dit betoog van onderdeel I.a is juist in zoverre dat er inderdaad geen grond bestaat om in algemene zin aan te nemen dat een verplichting van een vennootschap om over te gaan tot inkoop van aandelen, in beginsel uit de statuten van de vennootschap dient te blijken. De wetgever heeft met art. 2:98 t/m 2:98b BW voorzien in een wettelijke regeling omtrent de verkrijging van eigen aandelen. Op grond van art. 2:98 BW is voor verkrijging van volgestorte eigen aandelen onder meer vereist – kort gezegd – dat die verkrijging gezien de statuten mogelijk is en dat de algemene vergadering van aandeelhouders het bestuur tot die verkrijging heeft gemachtigd. De machtiging zou hiervoor ten hoogste achttien maanden gelden, en zou bovendien moeten bepalen hoeveel aandelen mogen worden verkregen, hoe de aandelen mogen worden verkregen en tussen welke grenzen de prijs moet liggen. Er is geen reden om, naast onder meer deze regeling van art. 2:98 e.v. BW, als algemene rechtsregel te hanteren dat een verplichting om over te gaan tot inkoop van aandelen in beginsel uit de statuten van de vennootschap dient te blijken. Ik merk nog op dat aan een aantal wettelijke Boek 2 BW-bepalingen weliswaar het […]”
r.o. 2.4“De klacht van onderdeel I.a kan wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof wel degelijk een juiste toetsingsnorm heeft toegepast (zie rov. 2.13 t/m 2.20). Zo stelt het hof in rov. 2.13 vast dat de aan de orde zijnde uitlatingen en gedragingen van de zijde van Unilever, ook wanneer deze tezamen beoordeeld worden, wat vorm en inhoud betreft onvoldoende zijn om een terugkoopverplichting te kunnen aannemen. In de nadere toelichting op dat oordeel overweegt het hof onder meer dat de betrokkenen uit de statuten en de door [eiser 2] en Clay Hill aangeduide schriftelijke uitlatingen en sheets, niet hebben kunnen afleiden dat Unilever zich tot terugkoop wilde verbinden; veeleer hadden zij daaruit moeten begrijpen dat Unilever niet een verplichting tot terugkoop wilde aangaan (zie rov. 2.16). Vervolgens oordeelt het hof dat de overige aan de orde zijnde uitlatingen en gedragingen van Unilever, gezien de betekenis die aan de statuten en de hiervoor bedoelde teksten moet worden toegekend, slechts dan reden kunnen vormen om aan te nemen dat Unilever zich tot terugkoop heeft verplicht, indien die uitlatingen en gedragingen omtrent terugkoop […]”
r.o. 2.5Conclusie: OK mag zonder enquête geen wanbeleid vaststellen of voorzieningen treffen (Gucci/LVMH)
“De OK heeft in een beschikking van 3 maart 1999 (ro. 3.2) als haar voorlopig oordeel gegeven, dat er enerzijds reden is te twijfelen aan een juist beleid van de Gucci Group N.V. Ook indien het Gucci Group N.V. vrijstaat maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat een haar onwelgevallige aandeelhouder een overwegende of belangrijke mate van zeggenschap verkrijgt, dan geldt niettemin dat het nemen van maatregelen die op gespannen voet staan met regels van (dwingend) recht (kunnen) wijzen op een onjuist beleid. De OK twijfelde met name over de verenigbaarheid van de emissie van aandelen aan de Stichting of Gucci Holdings B.V met de artikelen 2:98b en 2:98c BW.”
r.o. 3.3“Op zichzelf genomen was het volgens de OK geen wanbeleid van Gucci om zich te wapenen tegen invloed van LVMH38. Er is evenwel sprake van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid, gezien het feit dat, zoals de OK feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgestelt, de handelwijze van Gucci met betrekking tot het ESOP in strijd komt met de artikelen 2:98b en 2:98c van het BW terwijl LVMH hiermee haar invloed als houdster van een niet onbelangrijk pakket aandelen geneutraliseerd ziet. De OK onderbouwt een en ander in onderdeel B van de beschikking (ro. 3.13. e.v.).”
r.o. 5.4.3.2