Titel 4. Naamloze vennootschappen · Afdeling 5. Het bestuur van de naamloze vennootschap en het toezicht op het bestuur
Artikel 2:151 BW
Vervallen per 1 juli 2021 (Stb. 2020, 507)
Dit artikel is vervallen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:151 BW (4)
Hoge Raad (1)
Imeko Holding
Beloning commissaris voor bestuurswerkzaamheden: bevoegdheid AVA of raad van commissarissen
“[…] ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders en commissarissen te voorkomen, te geschieden door de in de wet en de statuten aangewezen organen. Commissarissen kunnen, zoals ook valt af te leiden uit art. 2:151 BW, voor zekere tijd daden van bestuur verrichten, maar zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan - in het geval van Imeko is dat ingevolge art. 18.1 van haar statuten de ava - maken zij geen deel uit van het bestuur. Indien de statuten van een naamloze vennootschap de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders aan de raad van commissarissen overlaten, zoals art. 2:135 BW toelaat en in art. 18.7 van de statuten van Imeko is geregeld, maakt dat die raad van commissarissen niet bevoegd om een bezoldiging aan zijn eigen leden toe te kennen ter vergoeding van door die leden verrichte werkzaamheden op bestuursniveau. De RvC kon derhalve, anders dan het hof oordeelde, aan art. 18.7 van de statuten niet de bevoegdheid ontlenen om een aanvullende […]”
r.o. 3.4
Conclusies van de A-G (3)
Beloning commissaris die tijdelijk bestuurstaken verricht: alleen de AVA is bevoegd
“Imeko is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. [eiser] heeft incidenteel appel ingesteld. Bij arrest van 23 mei 2017 heeft het hof Amsterdam [eiser] veroordeeld tot betaling aan Imeko van € 563.750,- vermeerderd met wettelijke rente. Het hof heeft de volgende overwegingen aan zijn beslissing ten grondslag gelegd: “3.5 De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Daarbij is uitgangspunt (zie ook de HR in de zaak van Imeko tegen [betrokkene 1] : ECLI:NL:HR:2012:BU6509) dat commissarissen op grond van art. 2:145 BW en art. 23 van de statuten van Imeko slechts aanspraak kunnen maken op een door de ava vastgestelde beloning, ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden. Verder geldt dat commissarissen, zoals ook valt af te leiden uit art. 2:151 BW en art. 18.6 van de statuten, voor zekere tijd daden van bestuur kunnen verrichten, maar zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan - in het geval van Imeko is dat ingevolge art. 18.1 van haar statuten de ava - maken zij geen deel uit van het bestuur. Vaststaat dat de ava [eiser] niet heeft benoemd tot bestuurder.”
r.o. 2.4“[…] ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders en commissarissen te voorkomen, te geschieden door de in de wet en de statuten aangewezen organen. Commissarissen kunnen, zoals ook valt af te leiden uit art. 2:151 BW, voor zekere tijd daden van bestuur verrichten, maar zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan - in het geval van Imeko is dat ingevolge art. 18.1 van haar statuten de ava - maken zij geen deel uit van het bestuur. Indien de statuten van een naamloze vennootschap de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders aan de raad van commissarissen overlaten, zoals art. 2:135 BW toelaat en in art. 18.7 van de statuten van Imeko is geregeld, maakt dat die raad van commissarissen niet bevoegd om een bezoldiging aan zijn eigen leden toe te kennen ter vergoeding van door die leden verrichte werkzaamheden op bestuursniveau. De RvC kon derhalve, anders dan het hof oordeelde, aan art. 18.7 van de statuten niet de bevoegdheid ontlenen om een aanvullende […]”
r.o. 3.2“[…] benoemd tot bestuurder” en rov. 3.7 waarin het hof onder meer overweegt dat in de periode tot 1 september 2003 “ [eiser] op de voet van art. 18.7 [bedoeld zal zijn 18.6, A-G] van de statuten was benoemd tot tijdelijk bestuurder”. Het subonderdeel verwart benoeming door de AV tot statutaire bestuurder met de “benoeming” tot tijdelijke bestuurder in de zin van artikel 2:134 lid 4 BW en artikel 2:151 BW in verbinding met artikel 18.6 van de statuten. Dat [eiser] niet is benoemd tot statutair bestuurder staat in cassatie vast. Dit volgt ook reeds uit de in cassatie niet bestreden feitelijke vaststelling dat [eiser] in de gehele periode van zijn benoeming tot commissaris in de AV van 27 juni 2002 tot zijn defungeren per 12 juni 2006 is aangebleven als commissaris. De dubbelrol commissaris en bestuurder is immers onverenigbaar in het Nederlandse dualistische bestuursmodel (zie nr. 3.13 hiervoor). Gedurende een gedeelte van de periode is [eiser] tijdelijk bestuurder geweest in de zin van artikel 2:134 lid 4 BW en artikel 2:151 BW in verbinding met artikel 18.6 van de statuten. Het zijn van tijdelijk bestuurder is wel verenigbaar met de functie van commissaris (zie nr. 3.14 […]”
r.o. 3.20“[…] voor de door hem als tijdelijke bestuurder gedeclareerde werkzaamheden wordt geacht in te sluiten. Het subonderdeel klaagt dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu de bedoelde bestuurstaken niet als zodanig en zonder meer behoren tot de advies- en toezichthoudende taak van de RvC. Het hof heeft volgens het subonderdeel miskend dat [eiser] op de voet van artikel 2:151 lid 1 BW krachtens het besluit van de AV van 27 juni 2002 voor door [eiser] verrichte daden van bestuur als “bestuurder” kan worden aangemerkt, voor welke daden van bestuur hem een afzonderlijke door de RvC als daartoe bevoegd orgaan vastgestelde “bestuursvergoeding” toekomt. Het subonderdeel klaagt voorts dat het onbegrijpelijk is dat het hof van oordeel is geweest dat de commissarissenvergoeding volgens het besluit van de AV van 27 juni 2002 geacht kan worden een vergoeding in te sluiten voor de in artikel 2:151 BW bedoelde “daden van bestuur” van [eiser] als tijdelijke bestuurder.”
r.o. 3.21Beloning commissaris voor bestuurswerkzaamheden: bevoegdheid AVA of raad van commissarissen
“Wanneer een commissaris in geval van ontstentenis of belet van het bestuur bestuurswerkzaamheden verricht, verliest hij zijn hoedanigheid van commissaris niet.(4) De commissaris die bestuurswerkzaamheden verricht geldt voor wat betreft zijn rechten en verplichtingen ten opzichte van de vennootschap en derden als bestuurder (art. 2:151 lid 1 BW).(5) Uit de tekst van art. 2:151 lid 1 BW blijkt dat de commissaris geen bestuurder wordt, ingeval hij bestuurswerkzaamheden verricht. Daarvoor is een benoemingsbesluit van de AvA vereist.(6) Het enkele overlaten van het bestuur van Imeko aan de RvC zoals dat is vastgelegd in de notulen van AvA van 27 juni 2002 leidt er niet toe dat een commissaris bestuurder wordt. Evenmin is [verweerder 2] door de RvC in overeenstemming met art. 18 lid 6 van de statuten benoemd tot tijdelijk bestuurder van Imeko. Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder 2] commissaris is gebleven in de periode dat hij eveneens bestuurswerkzaamheden ten behoeve van Imeko verrichtte.”
r.o. 3.4Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager
Een N.V. vorderde van haar voormalige statutair directeur terugbetaling van aanvullende vergoedingen voor invalwerkzaamheden in een andere, afzonderlijke functie. De A-G concludeert dat de Imeko-regel, dat de beloning van bestuurders door het wettelijk of statutair aangewezen orgaan moet worden vastgesteld, niet geldt voor een duidelijk van het bestuurderschap afgesplitste functie. Daarvoor gelden de gewone vertegenwoordigingsregels, zodat de medebestuurder bevoegd was. Het beroep op tegenstrijdig belang was onvoldoende geconcretiseerd. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.