Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:25 BW
In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)
Van de bepalingen van dit boek kan slechts worden afgeweken, voor zover dat uit de wet blijkt.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:25 BW (18)
Hoge Raad (4)
Uittreedvergoeding coöperatie vereist statutaire grondslag ex artikel 2:60 BW
“Artikel 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie, met behoud van de vrijheid van uittreding, voorwaarden kunnen worden verbonden aan die uittreding. Die voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Dit artikel maakt, dat vloeit ook uit de tekst voort, een begrenzing mogelijk van de vrijheid van vereniging, die ook vrijheid van uittreding inhoudt. Uit het artikel, dat op grond van artikel 2:25 BW van dwingend recht is, volgt dat zo’n begrenzing een statutaire grondslag moet hebben.”
r.o. 3.6Vesteda c.s./Rabobank
Aansprakelijkheid bij juridische splitsing: verbintenis niet contractueel ondeelbaar te maken (artikel 2:334t BW)
“[…] dat de wetgever in deze regeling met de begrippen ‘deelbare verbintenis’ en ‘ondeelbare verbintenis’ heeft willen aansluiten bij het begrip ‘ondeelbare prestatie’ in art. 6:6 lid 2 BW. Voor de beoordeling of een prestatie deelbaar of ondeelbaar is, is blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 6:6 lid 2 BW de aard van de prestatie beslissend. De regeling van art. 2:334t BW is ingevolge art. 2:25 BW van dwingend recht, zodat contractuele uitbreiding van het begrip ‘ondeelbare verbintenissen’ als bedoeld in eerstgenoemde bepaling niet mogelijk is. Voor de beoordeling of een verbintenis deelbaar of ondeelbaar is als bedoeld in art. 2:334t leden 2 en 3 BW is daarom uitsluitend beslissend de aard van de prestatie waartoe partijen op grond van de verbintenis verplicht dan wel gerechtigd zijn.”
r.o. 3.1.2Staalbankiers/Elko Management
Artikel 2:180 lid 2 BW: strekking en beperkende werking redelijkheid en billijkheid
“Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag dat de onderhavige bepaling, hoewel van dwingend recht (art. 2:25 BW), niet tevens van openbare orde is omdat zij niet strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast. Voor zover het onderdeel betoogt dat aard en strekking van art. 2:180 lid 2, aanhef en onder a, eraan in de weg staan dat zij op de genoemde grond buiten toepassing wordt gelaten, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het dus. Zoals ook in het Eindverslag I over art. 6:2 is opgemerkt, kunnen de redelijkheid en billijkheid een dwingende rechtsregel corrigeren (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 72-73). De omstandigheid dat wordt gederogeerd aan een regel van dwingend recht brengt overigens wel mee dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de motivering van het rechterlijk oordeel terzake.”
r.o. 3.8Referendumregeling vereniging en ontslag van bestuursleden door ledenvergadering
Een vereniging had een statutaire referendumregeling waarmee in beginsel elk besluit van de ledenvergadering, ook een ontslagbesluit over bestuurders, aan een referendum kon worden onderworpen. De Hoge Raad oordeelt dat dit past binnen artikel 2:39 lid 2 BW en niet strijdt met het dwingende artikel 2:37 lid 6 BW. Hangende het referendum is de uitvoering van het ontslagbesluit geschorst en behouden de bestuurders hun functie. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Conclusies van de A-G (12)
Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW
“Artikel 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie, met behoud van de vrijheid van uittreding, voorwaarden kunnen worden verbonden aan die uittreding. Die voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Dit artikel maakt, dat vloeit ook uit de tekst voort, een begrenzing mogelijk van de vrijheid van vereniging, die ook vrijheid van uittreding inhoudt. Uit het artikel, dat op grond van artikel 2:25 BW van dwingend recht is, volgt dat zo’n begrenzing een statutaire grondslag moet hebben.”
r.o. 3.6“[…] in de statuten van de coöperatie. Onder dit gesternte schijnt het tegendeel mij toe als juist: aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde komt naar geldend recht in beginsel géén werking toe. In uitzonderlijke gevallen is het dan voorstelbaar dat de regel van art. 2:60 BW dat een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling een statutaire grondslag vergt, welke regel gezien ook art. 2:25 BW in verbinding met art. 2:60 BW een dwingendrechtelijk karakter heeft, met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing kan worden gelaten zodat langs die weg in dat geval toch werking kan toekomen aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde (aangenomen, uiteraard, dat daarbij aan de overige eisen van art. 2:60 BW is voldaan). Die mogelijkheid biedt art. 2:8 lid 2 BW nu eenmaal en moet er ook zijn vanuit het oogpunt van evenwichtige rechtsbescherming en -bedeling, passend bij de redelijkheid en billijkheid als grondnorm (ook) van het rechtspersonenrecht. Voor een dergelijk uitzonderlijk geval zal evenwel de enkele omstandigheid dát sprake is van zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde ontoereikend (moeten) zijn. Want niet alleen is de drempel van art. 2:8 lid 2 BW een […]”
r.o. 3.31Conclusie: ondeelbaarheid bij rechtshandeling en aansprakelijkheid bij splitsing ex artikel 2:334t BW
“[…] op het volgende. 3.5.1 Klacht (i). Met rov. 5.7, eerste zin van het arrest geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 2:334t BW. Dat Rabobank de verbintenissen van de afsplitsende vennootschappen Mega Projecten/NPB Beheer zelf ondeelbaar heeft gemaakt, kan dat (rechts)oordeel niet dragen. Aard en strekking van de dwingende regeling van art. 2:334t BW in verbinding met art. 2:25 BW (bescherming van schuldeisers/derden bij deze bijzondere vorm van overdracht onder algemene titel) staan namelijk eraan in de weg dat deelbare betalingsverbintenissen (met daaraan hangende accessoire of afhankelijke verplichtingen tot het desgevraagd stellen van zekerheden) bij partijafspraak ondeelbaar worden gemaakt. De bepalingen uit de toepasselijke algemene bankvoorwaarden waarop het hof wijst in rov. 5.4 hebben derhalve een verboden strekking/oogmerk en zijn daarmee nietig, want strijdig met de openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW). Dit betreft een vorm van wetsontduiking. Megahome.nl Grond, Megahome.nl Beheer en Megahome.nl waren dan ook niet gebonden aan de (doorlopende) verplichtingen uit de financieringsovereenkomst van 2007. 3.5.2 Klacht (ii). In het verlengde van klacht […]”
r.o. 3.5“Klacht (i). Met rov. 5.7, eerste zin van het arrest geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 2:334t BW. Dat Rabobank de verbintenissen van de afsplitsende vennootschappen Mega Projecten/NPB Beheer zelf ondeelbaar heeft gemaakt, kan dat (rechts)oordeel niet dragen. Aard en strekking van de dwingende regeling van art. 2:334t BW in verbinding met art. 2:25 BW (bescherming van schuldeisers/derden bij deze bijzondere vorm van overdracht onder algemene titel) staan namelijk eraan in de weg dat deelbare betalingsverbintenissen (met daaraan hangende accessoire of afhankelijke verplichtingen tot het desgevraagd stellen van zekerheden) bij partijafspraak ondeelbaar worden gemaakt. De bepalingen uit de toepasselijke algemene bankvoorwaarden waarop het hof wijst in rov. 5.4 hebben derhalve een verboden strekking/oogmerk en zijn daarmee nietig, want strijdig met de openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW). Dit betreft een vorm van wetsontduiking. Megahome.nl Grond, Megahome.nl Beheer en Megahome.nl waren dan ook niet gebonden aan de (doorlopende) verplichtingen uit de financieringsovereenkomst van 2007.”
r.o. 3.5.1“Klacht (ii). In het verlengde van klacht (i): het hof schendt art. 25 Rv, omdat het verzuimt ambtshalve te constateren dat (ook) art. 2:334t BW ingevolge art. 2:25 BW van dwingend recht is en vervolgens nalaat zich de vraag te stellen of art. 2:334t BW (tevens) de openbare orde raakt (art. 3:40 lid 1 BW). Die laatste stap was hier ook op zijn plaats geweest, nu de wetgever in art. 2:334t BW uitdrukkelijke, afgewogen en exclusieve regels heeft opgenomen over de bescherming van schuldeisers/derden. Voor zover geen sprake is van een zuiver rechtsoordeel had het hof in rov. 5.7 bepaalde stellingen van Vesteda (kenbaar) moeten betrekken, waarmee diens oordeel zonder nadere motivering tevens onbegrijpelijk is.”
r.o. 3.5.2“Juridische fusie en splitsing zijn rechtspersonenrechtelijke rechtshandelingen van eigen aard, geregeld in Titel 7 van Boek 2 BW. Deze regeling kent een gelaagde opbouw met - per 1 september 2023 - de volgende afdelingen: Afdeling 1: Algemene bepaling (art. 2:308 BW) Afdeling 2 : Algemene bepalingen omtrent fusies (art. 2:309-323b BW) Afdeling 3: Bijzondere bepalingen voor fusies van naamloze en besloten vennootschappen (art. 2:324-333a BW) Afdeling 3A: Bijzondere bepalingen voor grensoverschrijdende fusies (art. 2:333b-333l BW) Afdeling 4: Algemene bepalingen omtrent splitsingen (art. 2:334a-334u BW) Afdeling 5: Bijzondere bepalingen voor splitsingen waarbij een naamloze of besloten vennootschap wordt gesplitst of wordt opgericht (art. 2:334v-334ii BW) Afdeling 6: Bijzondere bepalingen voor grensoverschrijdende splitsingen (art. 2:334jj-334yy BW) Ook hierop is van toepassing art. 2:25 BW, inzake het in beginsel (tenzij uit de wet anders blijkt) dwingendrechtelijke karakter van de regels die Boek 2 BW in het leven roept voor de daarin geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen.”
r.o. 3.10Conclusie: vernietiging statutenwijziging vereniging wegens strijd met redelijkheid en billijkheid; artikel 3:53 lid 2 BW
“Niet valt in te zien, en het subonderdeel zegt er ook niets over, dat en waarom het voorgaande geen toepassing zou vinden op een vereniging (zoals de VD), als een van de zes in Boek 2 BW geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen waarop art. 2:8 BW evenzeer dwingendrechtelijk (art. 2:25 BW) van toepassing is. Toegepast op zo’n vereniging volgt hieruit dat, anders dan het subonderdeel betoogt, art. 2:8 BW níet “slechts van toepassing is tussen een vereniging en zijn leden”. Dit is een te beperkte opvatting van de reikwijdte van art. 2:8 BW, nog daargelaten dat bijvoorbeeld de bestuurders van een vereniging – deze betrokkenen zijn er per definitie ook – in die hoedanigheid evenzeer onder dat bereik van art. 2:8 BW vallen. Dat individuele leden van een vereniging in die hoedanigheid onder dat bereik van art. 2:8 BW vallen, zoals de VD op zichzelf terecht aanvoert, maakt het omgekeerde (niet-leden vallen daar ‘dus’ buiten) nog niet tot een wetmatigheid. Zo eendimensionaal, zo binair steekt art. 2:8 BW bij een vereniging (zoals de VD) niet in elkaar. Dit een en ander brengt mee dat, anders dan de VD wil blijkens dit subonderdeel en subonderdeel 1.2 met de daarin bepleite categorische […]”
r.o. 3.14Beloning commissaris die tijdelijk bestuurstaken verricht: alleen de AVA is bevoegd
“In het Nederlandse vennootschapsrecht heeft de wetgever de rolverdeling tussen de organen van de vennootschap tot op zekere hoogte dwingendrechtelijk (vgl. artikel 2:25 BW) voorgeschreven. De hoofdregel is dat benoeming van bestuurders geschiedt door de AV. De bezoldiging van bestuurders wordt eveneens vastgesteld door de AV, tenzij bij de statuten een ander orgaan is aangewezen. In de onderhavige casus is van die statutaire afwijkingsmogelijkheid gebruikgemaakt door te bepalen dat de RvC de bezoldiging van bestuurders vaststelt. Commissarissen worden benoemd door de AV. De bezoldiging van commissarissen wordt eveneens vastgesteld door de AV. Tot 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 405) was het nog mogelijk in de statuten te bepalen dat een ander orgaan de bezoldiging van commissarissen vaststelt. De reden voor wijziging van de wet op dit punt is geweest dat door deze bevoegdheid dwingendrechtelijk bij de AV te beleggen, wordt uitgesloten dat de RvC zijn eigen beloning vaststelt (zie nr. 3.4 van deze conclusie). In de onderhavige casus is de bevoegdheid tot vaststelling van de bezoldiging van commissarissen ook aan de AV gegeven.”
r.o. 3.8Hoofdelijke bestuurdersaansprakelijkheid bij te late handelsregisterinschrijving bv; ratio artikel 2:180 lid 2 sub a BW
“[…] De wetgeschiedenis, teruggaande op de ontwerpen van het Wetboek van Koophandel van 1815, komt uitgebreid aan de orde in de s.t. zijdens [verweerder] c.s. onder 3.1 t/m 3.26. 13 Zie ook de noot van L. Timmerman onder Hof Amsterdam 18 mei 1995, TVVS 1995, p. 248-249. 14 Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 1 april 1977, NJ 1977, 544; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 65. 15 Zie art. 2:25 BW. 16 Ik beperk mij tot het materiële privaatrecht. In het IPR heeft de openbare orde een andere inhoud en functie. 17 Zie J.J. Vriesendorp, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, 1970, p. 170-171; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 135. 18 Aldus Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 177, p. 154. 19 J.B. Wezeman, a.w., 1998, p. 16; S.N. de Valk, a.w., 2009, p. 206. 20 Zie de noot van Maeijer onder het arrest. 21 Vgl. Rechtbank 's-Gravenhage 28 juli 2004, LJN: AR7332, JOR 2004, 319 m.nt. C.J. Groffen (afwijzing van de vordering van de curator ten aanzien van art. 2:180 lid 2 sub b BW inzake volstorting van aandelen op grond van art. 6:2 BW, omdat de rechtbank op grond van de vastgestelde feiten het verweer van de aangesproken […]”
r.o. 3.6Samenloop artikel 2:9, 7:661 en 6:162 BW bij aansprakelijkheid oud-bestuurder en werknemers
“[…] wordt ook dat in het geval van gedragingen die liggen in het domein van de bestuursvrijheid de rechterlijke toetsing slechts marginaal mag zijn en aansprakelijkheid pas mag worden aangenomen wanneer er sprake is van ernstig bestuurlijk tekortschieten.(21) De 'zware' bewijslast van ernstig verwijtbaar handelen in de zin van art. 2:9 BW rust op de rechtspersoon. Art. 2:9 BW is op grond van art. 2:25 BW van dwingend recht en de strenge toerekeningsmaatstaf in art. 2:9 BW kan dus niet door partijen worden uitgesloten of worden aangepast. Deze strenge maatstaf is alleen van toepassing op de rechtsverhouding tussen de bestuurder en de rechtspersoon, de externe aansprakelijkheid van de bestuurder wordt wel beheerst door art. 6:162 BW en de schuld-maatstaf in art. 6:162 lid 3 BW. Artikel 7:661 BW”
r.o. 2.11Groepsvrijstelling artikel 2:403 BW en jaarstukken bij beursgenoteerde obligaties concerndochter
“Titel 9 van boek 2 BW handelt over de jaarrekening en het jaarverslag. Het toepassingsgebied van deze titel wordt afgebakend in art. 2:360 BW, waarin onder meer is bepaald dat de bepalingen van deze titel mede zijn geschreven voor n.v.'s. Uit art. 2:25 BW volgt dat de bepalingen van deze titel voor de in artikel 2:360 BW genoemde rechtspersonen dwingend recht bevatten(36).”
r.o. 2.26Conclusie: OK mag zonder enquête geen wanbeleid vaststellen of voorzieningen treffen (Gucci/LVMH)
“De beleidsvrijheid van de OK gaat niet zover als deze in de bestreden beschikking verondersteld heeft. Dit blijkt daaruit dat, zoals hiervoor uiteengezet (' 5.2.2.1. en ' 5.2.2.2.), de bewoordingen van de wet het bevelen van maatregelen zonder een voorafgaande enquête niet toelaten, terwijl de regeling van het enquêterecht dwingend recht is (art. 2:25 BW). Dit laatste werd nog eens onderstreept bij de behandeling van de aanpassing van de wetgeving aan de vierde richtlijn van de Raad van de EG inzake vennootschapsrecht30: "Echter ook Titel 7 B het recht van enquête -, behelst dwingend recht, dat trouwens tot de invoering van Boek 2 tot het (dwingende) vennootschapsrecht behoorde. (...) De eenvoudigste oplossing is derhalve de regel omtrent het dwingend karakter van het rechtspersonenrecht als algemene bepaling in Titel 1 op te nemen."”
r.o. 5.2.9.3Ontslag bestuurder en intrekking emissie door aandeelhouder: hoorplicht en redelijkheid en billijkheid
“. Onderdeel 1 , dat geen klacht bevat, wijst er op dat uit art. 2:25 BW voortvloeit dat art. 2:227, lid 4, dwingend recht bevat. Onderdeel 2 betoogt dat het feit dat [verweerster 2] wel kon voorspellen wat het resultaat zou zijn van het horen van [eiser 6] geen goede grond was deze laatste niet in de gelegenheid te stellen een raadgevende stem uit te brengen. Bij schriftelijke toelichting (nr. 42) heeft de raadsman in cassatie van [eisers] hieraan toegevoegd dat ook als het hof gemeend heeft dat het horen van [eiser 6] niet tot andere resultaten had kunnen leiden, dit geen grond was om het horen van [eiser 6] achterwege te laten.”
r.o. 6.2.1Te vroeg begonnen aandeelhoudersvergadering: Wijsmuller-norm, vernietigbaarheid en geldigheid statutenwijziging bv
“[…] 2:219 BW, en bij (ii) op het oproepen voor de algemene vergadering in de zin van art. 2:223-225 BW. Bij (i) gaat het, kort gezegd, om het besluit een algemene vergadering te doen houden; bij (ii) om de oproepingsformaliteiten ter uitvoering van (i). 3.16.3 Art. 2:219 BW bepaalt wie bevoegd is tot het bijeenroepen van een algemene vergadering. Daartoe behoort, dwingendrechtelijk (zie ook art. 2:25 BW), het bestuur van de vennootschap. Op deze en verwante kwesties ligt de nadruk in de handboeken en commentaren bij de behandeling van art. 2:219 BW. Art. 2:223-225 BW betreft oproepingsformaliteiten waaronder vorm (art. 2:223 BW), inhoud (art. 2:224 BW) en termijn (art. 2:225 BW). Op deze en verwante kwesties ligt ook de nadruk in de handboeken en commentaren bij de behandeling van deze bepalingen. 3.16.4 Zoals uiteengezet onder 3.5.1-3.5.2 hiervoor, wijst het hof in rov. 3.7 op “de oproep” door [betrokkene 1] op 23 december 2017 van [eiser] voor een aandeelhoudersvergadering van Beheermaatschappij, te houden op 10 januari 2018. En doelt het hof ook op die oproep waar het verwijst naar “de uitnodiging” en naar de voor 10 januari 2018 “uitgeschreven” aandeelhoudersvergadering. […]”
r.o. 3.16“Art. 2:219 BW bepaalt wie bevoegd is tot het bijeenroepen van een algemene vergadering. Daartoe behoort, dwingendrechtelijk (zie ook art. 2:25 BW), het bestuur van de vennootschap. Op deze en verwante kwesties ligt de nadruk in de handboeken en commentaren bij de behandeling van art. 2:219 BW. Art. 2:223-225 BW betreft oproepingsformaliteiten waaronder vorm (art. 2:223 BW), inhoud (art. 2:224 BW) en termijn (art. 2:225 BW). Op deze en verwante kwesties ligt ook de nadruk in de handboeken en commentaren bij de behandeling van deze bepalingen.”
r.o. 3.16.3Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“De voorliggende materie van (ver)nietig(baar)heid van besluiten van organen van rechtspersonen is notoir weerbarstig. Voor een goed begrip, en gelet ook op de casus gedreven relevantie van diverse aspecten van B.V.-recht, zet ik het juridisch kader stapsgewijs en niet al te afgemeten uiteen. Mijn startpunt zijn de algemene regelingen van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW in Titel 1 van Boek 2 BW, die van dwingend recht zijn (art. 2:25 BW). In het onderhavige geval zijn in het bijzonder relevant art. 2:14 BW en art. 2:15 lid 1 en lid 2 BW. a. Tekst van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW”
r.o. 4.1“[…] van een vereniging – en daarmee tevens voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (art. 2:53a BW) – in de wet op te nemen. Zie nr. 4.34. Wat ik hierna opmerk inzake art. 2:227 lid 7 BW laat zich overeenkomstig toepassen op die andere bepalingen als zo-even aangestipt, toegespitst op de daar voorliggende context. Het gaat daarbij steeds om bepalingen van dwingend recht (art. 2:25 BW).”
r.o. 4.20Omzetting kerkgenootschap in stichting; analoge toepassing artikel 2:18 BW
“Artikel 2:2 lid 2, eerste volzin, BW bepaalt dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW volgt dat de artikelen 2:3 en 2:4 alsmede 2:6 tot en met 2:25 BW niet gelden voor kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd. Uit artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW volgt voorts dat overeenkomstige toepassing van die artikelen geoorloofd is voor zover deze te verenigen is met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.”
r.o. 4.3
Hoven en Ondernemingskamer (1)
OK gelast enquête en schorst COO; uitstotingsverzoek aangehouden
“De Ondernemingskamer stelt vast dat partijen niet een eigen statutaire of contractuele geschillenregeling zijn overeengekomen. Bij die stand van zaken en gelet op het bepaalde in artikel 2:25 BW blijft de uitsluiting van de wettelijke geschillenregeling in de aandeelhoudersovereenkomst zonder effect. De wettelijke geschillenregeling is dus van toepassing.”
r.o. 4.10
Rechtbanken (1)
Royement minderjarige leden handbalvereniging: eerst intern beroep vereist (artikel 2:35 BW)
“Het recht van vereniging is geregeld in de artikelen 26 tot en met 52 van Boek 2 BW. De bepalingen van Boek 2 BW zijn dwingendrechtelijk van aard, er kan slechts van worden afgeweken voor zover de wet dit toestaat (artikel 2:25 BW). In artikel 2:35 lid 4 BW staat dat de ontzetting, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, door het bestuur geschiedt, en dat het lid van het besluit zo spoedig mogelijk schriftelijk, met opgave van redenen, in kennis wordt gesteld. Verder bepaalt artikel 2:35 lid 4 BW dat, tenzij de statuten een andere regeling van beroep bevatten, aan het lid beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open staat binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit. De statuten van PSV bevatten in artikel 7, vierde lid van de statuten een bepaling waarin (in lijn met artikel 2:35 lid 4 BW) staat dat een lid van de vereniging aan wie een besluit tot royement / ontzetting uit het lidmaatschap is medegedeeld, het recht heeft om binnen een maand na ontvangst van dat besluit in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het ontzette lid […]”
r.o. 4.5