Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:22 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2002, laatst gewijzigd bij Stb. 2001, 581
De rechter voor wie een verzoek tot ontbinding van de rechtspersoon aanhangig is, kan de goederen van die rechtspersoon desverlangd onder bewind stellen; de beschikking vermeldt het tijdstip waarop zij in werking treedt.
De rechter benoemt bij zijn beschikking een of meer bewindvoerders, en regelt hun bevoegdheden en hun beloning.
Voor zover de rechter niet anders bepaalt, kunnen de organen van de rechtspersoon zonder voorafgaande goedkeuring van de bewindvoerder geen besluiten nemen en kunnen vertegenwoordigers van de rechtspersoon zonder diens medewerking geen rechtshandelingen verrichten.
De beschikking kan te allen tijde door de rechter worden gewijzigd of ingetrokken; het bewind eindigt in ieder geval, zodra de uitspraak op het verzoek tot ontbinding in kracht van gewijsde gaat.
De bewindvoerder doet aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, opgaaf van de beschikking en van de gegevens over zichzelf die omtrent een bestuurder worden verlangd.
Een rechtshandeling die de rechtspersoon ondanks zijn uit het bewind voortvloeiende onbevoegdheid vóór de inschrijving heeft verricht, is niettemin geldig, indien de wederpartij het bewind kende noch behoorde te kennen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:22 BW (2)
Hoge Raad (1)
Bevoegdheden van door de rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting
“Bij de beoordeling van onderdeel 1 is, in cassatie onbestreden, uitgangspunt dat een op de voet van art. 2:298 lid 2 BW door de rechter te treffen voorlopige voorziening kan inhouden dat een tijdelijke bestuurder van de stichting wordt benoemd. Bij de uitleg van deze bepaling kan aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in art. 2:22 BW en de regeling van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW dan wel die van de voorzieningen van art. 2:356 BW in verbinding met art. 2:357 lid 2 en 3 BW.”
r.o. 3.5.1
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Verbod en ontbinding stichting Hells Angels-clubhuis: vermoeden openbare orde weerlegd
Het openbaar ministerie verzocht een stichting die haar clubhuis en bankrekening ter beschikking stelde aan een afdeling van de Hells Angels en daarvoor strafrechtelijk was veroordeeld, te verbieden en te ontbinden op grond van artikel 2:20 BW. Het hof oordeelt dat het bewijsvermoeden van artikel 2:20 lid 3 BW al geldt als de werkzaamheid heeft geleid tot geweld, ook als dat in het verleden ligt. De stichting heeft dat vermoeden echter weerlegd, onder meer door jarenlange inactiviteit en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor voortgezette betrokkenheid. Gelet op de terughoudendheid vanwege de vrijheid van vereniging is een verbod niet noodzakelijk en wordt de afwijzing bekrachtigd.