Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:3 BW
In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)
Verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten rechtspersoonlijkheid.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:3 BW (9)
Hoge Raad (1)
Omzetting kerkgenootschap in stichting en omgekeerd: overeenkomstige toepassing artikel 2:18 BW
“[…] BW bepaalt dat een rechtspersoon zich kan omzetten in een andere rechtsvorm. Na een dergelijke omzetting bestaat de rechtspersoon voort in die andere rechtsvorm. Voor omzetting moet worden voldaan aan de vereisten van art. 2:18 BW. Art. 2:18 BW maakt deel uit van Titel 1 (Algemene bepalingen) van Boek 2 BW en is als zodanig van toepassing op privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW. Kerkgenootschappen behoren niet tot deze categorie rechtspersonen. Art. 2:18 BW is daarom niet rechtstreeks van toepassing bij omzetting van of in een kerkgenootschap (vgl. ook art. 2:2 lid 2 BW). 3.3.2 Art. 2:2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid bezitten en dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van art. 2:2 BW en art. 2:5 BW, gelden de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW niet voor kerkgenootschappen. Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt evenwel dat overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen. Zie in dit verband ook de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:2 BW, zoals weergegeven in de […]”
r.o. 3.2“Art. 2:18 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon zich kan omzetten in een andere rechtsvorm. Na een dergelijke omzetting bestaat de rechtspersoon voort in die andere rechtsvorm. Voor omzetting moet worden voldaan aan de vereisten van art. 2:18 BW. Art. 2:18 BW maakt deel uit van Titel 1 (Algemene bepalingen) van Boek 2 BW en is als zodanig van toepassing op privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW. Kerkgenootschappen behoren niet tot deze categorie rechtspersonen. Art. 2:18 BW is daarom niet rechtstreeks van toepassing bij omzetting van of in een kerkgenootschap (vgl. ook art. 2:2 lid 2 BW).”
r.o. 3.3.1
Conclusies van de A-G (7)
Maagdenhuis: zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap of civiele stichting?
“[…] tussen kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen enerzijds en stichtingen naar burgerlijk recht (‘civiele stichtingen’) anderzijds. (rov. 3.3-3.25) - In dat verband stelt het hof voorop dat voor rechtspersonen in de zin van art. 2:2 BW (waaronder zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap) als uitgangspunt geldt dat zij, in tegenstelling tot rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW (zoals stichtingen in de zin van art. 2:285 lid 1 BW), niet worden geregeerd door het burgerlijk recht, maar door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. (rov. 3.3) - Het hof overweegt dat wat in een concreet geval behoort tot het statuut van (een zelfstandig onderdeel van) een kerkgenootschap afhangt van de omstandigheden van het geval, en dat, naar tussen partijen niet in geschil is, bij een zelfstandig onderdeel daartoe in elk geval de statuten behoren. (rov. 3.4) - Het hof overweegt dat niet ter discussie staat dat het R.K. Kerkgenootschap een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW is en formuleert als volgt waar deze zaak over gaat: (rov. 3.5) “De in deze zaak te beantwoorden vraag luidt of het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het […]”
r.o. 2.14“Volledigheidshalve citeer ik hier alvast het bepaalde in art. 2:2 BW: “1. Kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten rechtspersoonlijkheid. 2. Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van artikel 5 gelden de volgende artikelen van deze titel niet voor hen; overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.” en art. 2:3 BW: “Verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten rechtspersoonlijkheid.” a. Aanloop: Meijers en het preadvies van Duynstee”
r.o. 3.2“In ander verband is het onderscheid tussen een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW en een civiele rechtspersoon als bedoeld in art. 2:3 BW (zoals de stichting, zie ook art. 2:285 lid 1 BW) nog verschillende keren aan de orde geweest. Ik wijs op de volgende passage uit de Nota naar aanleiding van het eindverslag bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de bejaardenoorden in verband met directe financiering en beheersing van de kosten, waarin de toenmalige minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Brinkman opmerkt: “Slechts daar, waar een bejaardenoord een direct onderdeel uitmaakt van een kerkgenootschap, zullen bedoelde democratiseringsregelen niet dwingend van toepassing kunnen zijn. Kerkgenootschappen zijn rechtspersonen met een geheel eigen aard, waarvoor ten dele ook geheel eigen regels gelden. Wordt echter een bejaardenoord in stand gehouden door een stichting - ook al is dat een zogenaamde kerkelijke stichting - dan zijn de daarvoor gestelde regels op dat oord van toepassing. Daarmee acht ik tevens de vraag van de leden van de S.G.P.-fractie beantwoord naar de rechtsgevolgen van interkerkelijke samenwerking, met het […]”
r.o. 3.11“De eerste categorie van criteria van Van Kooten betreft criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of de desbetreffende organisatie rechtspersoonlijkheid bezit. Het gaat dan volgens Van Kooten om het kunnen beschikken over een eigen vermogen, het hebben van een vorm van organisatie en het beschikken over een bepaalde mate van autonomie (onder een eigen naam naar buiten toe optreden). Dat het Maagdenhuis (civiele) rechtspersoonlijkheid bezit, staat als zodanig niet ter discussie tussen partijen in de onderhavige zaak. Wat partijen naar de kern genomen wel verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of deze rechtspersoonlijkheid van het Maagdenhuis kan worden ontleend aan art. 2:2 lid 1 BW (als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, een kerkelijke rechtspersoon), zoals het Bisdom voorstaat, of aan art. 2:3 BW (als stichting in de zin van art. 2:285 lid 1 BW, een civiele rechtspersoon), zoals het Maagdenhuis c.s. voorstaat (zie ook rov. 3.7 en 3.8 van het arrest). De criteria van de eerste categorie kan ik in deze zaak daarom verder laten rusten.”
r.o. 3.13Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW
“Het thans geldende art. 2:20 lid 1 BW luidt als volgt: “Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.” In cassatie staat vast dat Satudarah een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid als bedoeld in art. 2:26 lid 1 jo. 2:30 lid 1 BW is (zie ook onder 1.1). Een dergelijke zogenoemde ‘informele vereniging’ bezit rechtspersoonlijkheid (zie ook art. 2:3 BW) en valt in zoverre onder de reikwijdte van art. 2:20 lid 1 BW.”
r.o. 2.2Verbod Bandidos: corporatiebegrip, informele vereniging en reikwijdte verbod ten aanzien van chapters
“De Nederlandse wet kent een gesloten stelsel van rechtspersonen. Art. 2:3 BW vermeldt een aantal privaatrechtelijke rechtsvormen die rechtspersoonlijkheid bezitten, waaronder verenigingen. Een rechtspersoon is zelfstandig rechtssubject en drager van rechten en verplichtingen (vgl. art. 2:5 BW). Onder de rechtsvorm van de vereniging valt ook de informele vereniging, waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte (art. 2:30 lid 1 BW). Een informele vereniging heeft rechtspersoonlijkheid, maar haar rechtsbevoegdheid is beperkt: zij kan geen registergoederen verkrijgen en evenmin erfgenaam zijn (art. 2:30 lid 1 BW). Bij de vraag of een rechtspersoon is ontstaan, dient de rechtszekerheid voorop te staan. Voor de meeste privaatrechtelijke rechtspersonen is het bestaan eenvoudig vast te stellen, omdat zij bij notariële akte zijn opgericht, terwijl bovendien hun bestaan zal blijken uit een inschrijving in het handelsregister, hoewel dit laatste geen constitutief vereiste is. Daarentegen wordt een informele vereniging niet bij notariële akte opgericht. Het is uiteindelijk aan de rechter om vast te stellen dat sprake is van een informele vereniging. De vraag welke maatstaf de […]”
r.o. 2.4“[…] van de chapters tot BMC Holland. Indien moet worden aangenomen dat de chapters eigen rechtspersoonlijkheid bezitten, en in die zin ‘zelfstandig’ zijn, vallen zij om die reden, ongeacht de ‘onzelfstandigheid’ in de zin van de afdelingsverhouding, niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van BMC Holland. Art. 2:20 lid 1 BW knoopt nu eenmaal aan bij de rechtspersonen in de zin van art. 2:3 BW. Subonderdeel B1 faalt om die reden.”
r.o. 3.44Omzetting kerkgenootschap in stichting; analoge toepassing artikel 2:18 BW
“Artikel 2:2 lid 2, eerste volzin, BW bepaalt dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW volgt dat de artikelen 2:3 en 2:4 alsmede 2:6 tot en met 2:25 BW niet gelden voor kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd. Uit artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW volgt voorts dat overeenkomstige toepassing van die artikelen geoorloofd is voor zover deze te verenigen is met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.”
r.o. 4.3Verhaal op stichting particulier fonds: vereenzelviging, misbruik van identiteitsverschil, toerekening van kennis
“Mijns inziens volgt uit de hiervoor geciteerde passages uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Landsverordening Stichtingen en het hiervoor genoemde arrest van de fiscale kamer van Uw Raad dat een SPF, zoals iedere andere rechtspersoon, een apart rechtssubject is met een eigen juridische identiteit, afgescheiden vermogen en eigen rechten en verplichtingen (art. 2:3 BW Sint Maarten en art. 2:5 Nederlands BW). Voor een (beweerd) crediteur van de belanghebbende bij een SPF, zoals in dit geval Resort of the World ten opzichte van [betrokkene 1] , is het daarom in beginsel niet mogelijk om zijn vordering op (vermogensbestanddelen van) de SPF te verhalen. Daarvoor is bijzonder geschut nodig dat alleen in bepaalde (bijzondere) gevallen uitkomst zal bieden. Ik maak daarover hierna onder 4.16 e.v. nog een enkele opmerking.”
r.o. 4.14Gezag van gewijsde tegen vof jegens vennoten bij ontruiming bedrijfsruimte
“Middelonderdeel 1b klaagt vervolgens dat nog een wezenlijk deel van het betoog van de huurders niet is behandeld door de rechtbank, namelijk de vraag of het vonnis van 24 juli 1997 te goeder trouw ten uitvoer gelegd mocht worden jegens de niet in dat vonnis genoemde vennoten. Middel 2, dat zich richt tegen rechtsoverweging 4.7 van het vonnis van de rechtbank, betoogt dat het oordeel van de rechtbank dat het vonnis van 24 juli 1997 ook ten uitvoer gelegd kon worden jegens de niet tot dat geding opgeroepen vennoten van de v.o.f., omdat de vennoten de huurovereenkomst hebben getekend in hun hoedanigheid van vennoot, onbegrijpelijk is. Een schending van art. 2:3 BW, art. 16 K en art. 7A:1655 BW doet zich volgens middel 2 voor in het geval de rechtbank gemeend zou hebben dat de v.o.f. een rechtspersoon is, welke vertegenwoordigd wordt door haar vennoten.”
r.o. 2.13Enquête: nadere onmiddellijke voorzieningen, artikel 2:8 BW en territoriale reikwijdte
“[…] dus op het niveau van die rechtspersoon zelf, geen sprake is. Voor zover in die passages nog wordt gesuggereerd - het staat er niet - dat blijkens rov. 3.7 van deze Funda-beschikking louter sprake kan zijn van zo’n organisatorisch verbonden entiteit bij een zuivere ‘rechtspersoon’, zoals naar Nederlands recht de in Boek 2 BW geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW, gaat dit m.i. evenmin op. Zo’n categorische benadering valt evenmin te lezen in (rov. 3.7 van) deze Funda-beschikking, noch in die andere rechtspraak en literatuur als genoemd in de inleiding. Dit is eveneens logisch, mede gezien die economische werkelijkheid. Want ook andere entiteiten dan zo’n ‘rechtspersoon’, zoals personenvennootschappen (al dan niet met rechtspersoonlijkheid), kunnen via voornoemde schakel van organisatorische verbondenheid op een voor art. 2:8 lid 1 BW betekenisvolle wijze betrokken zijn bij de organisatie van de in die bepaling genoemde rechtspersoon.”
r.o. 3.27.11
Rechtbanken (1)
Curator wint bij verstek: bestuurder aansprakelijk voor boedeltekort en vijf jaar bestuursverbod
“veroordeelt [gedaagde] tot een bestuursverbod als bedoeld in artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaren vanaf het moment dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan gedurende welke periode [gedaagde] niet benoemd kan worden tot bestuurder of commissaris van een rechtspersoon in de zin van artikel 2:3 BW en niet mag optreden als feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon;”
r.o. 4.6