← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:13 BW

In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)

(Bijna) gelijk aan art. 2:20 BWC (Curaçao)

1

Een stem is nietig in de gevallen waarin een eenzijdige rechtshandeling nietig is; een stem kan niet worden vernietigd.

2

Een onbekwame die lid is van een vereniging, kan zijn stemrecht daarin zelf uitoefenen, voor zover de statuten zich daartegen niet verzetten; in andere gevallen komt de uitoefening van het stemrecht toe aan zijn wettelijke vertegenwoordiger.

3

Tenzij de statuten anders bepalen, is het in de vergadering van een orgaan van een rechtspersoon uitgesproken oordeel van de voorzitter omtrent de uitslag van een stemming beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel.

4

Wordt onmiddellijk na het uitspreken van het oordeel van de voorzitter de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, indien de meerderheid der vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:13 BW (1)

Conclusies van de A-G (1)

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2019

    Artikel 2:342 BW: terugovergang stemrecht van stemgerechtigde pandhouder op aandeelhouder

    Een aandeelhouder vorderde op grond van artikel 2:342 BW dat het stemrecht op verpande aandelen van de stemgerechtigde pandhouder terugkeert naar de aandeelhouders. De A-G beschrijft het kader van deze geschillenregeling: alleen eigen gedragingen van de pandhouder binnen de vennootschap tellen, er moet schade zijn aan het vennootschappelijk belang en de drempel is hoog. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep tegen de afwijzing door de OK.

    ECLI:NL:PHR:2019:1345