Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:18 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2015, laatst gewijzigd bij Stb. 2014, 540
Een rechtspersoon kan zich met inachtneming van de volgende leden omzetten in een andere rechtsvorm.
Voor omzetting zijn vereist:
a.een besluit tot omzetting, genomen met inachtneming van de vereisten voor een besluit tot statutenwijziging en, tenzij een stichting zich omzet, genomen met de stemmen van ten minste negen tienden van de uitgebrachte stemmen;
b.een besluit tot wijziging van de statuten;
c.een notariële akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat.
De in het vorige lid onder a genoemde meerderheid is niet vereist voor een omzetting van een naamloze vennootschap in een besloten vennootschap of omgekeerd.
Voor de omzetting van of in een stichting en van een naamloze of besloten vennootschap in een vereniging is bovendien rechterlijke machtiging vereist.
Slechts de rechtspersoon kan machtiging tot omzetting verzoeken aan de rechtbank, onder overlegging van een notarieel ontwerp van de akte. Zij wordt in elk geval geweigerd, indien een vereist besluit nietig is of indien een rechtsvordering tot vernietiging daarvan aanhangig is. Zij wordt geweigerd, indien de belangen van stemgerechtigden die niet hebben ingestemd of van anderen van wie ten minste iemand zich tot de rechter heeft gewend, onvoldoende zijn ontzien. Indien voor de omzetting machtiging van de rechter is vereist, verklaart de notaris in de akte van omzetting dat de machtiging op het ontwerp van de akte is verleend.
Na omzetting van een stichting moet uit de statuten blijken dat het vermogen dat zij bij de omzetting heeft en de vruchten daarvan slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Hetzelfde geldt voor de statuten van een rechtspersoon voor zover dit vermogen en deze vruchten daarop krachtens fusie of splitsing zijn overgegaan.
De rechtspersoon doet opgave van de omzetting ter inschrijving in de registers waarin hij moet zijn en moet worden ingeschreven dan wel als vereniging vrijwillig is ingeschreven.
Omzetting beëindigt het bestaan van de rechtspersoon niet.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:18 BW (17)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (4)
Holland Casino
Juridische afsplitsing stichting Holland Casino en vermogensklem artikel 2:18 BW; WOR-beroep
“De volgende vraag is of Holland Casino niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor omvorming op een wijze die afwijkt van de in artikel 2:18 BW beschreven wijze van omzetting van een stichting in een naamloze vennootschap. De Ondernemingskamer stelt voorop dat aan Holland Casino in beginsel beleidsvrijheid toekomt om te bepalen op welke wijze zij haar doel wenst te bereiken. Artikel 2:18 BW bepaalt onder meer dat voor omzetting als bedoeld in dit artikel een rechterlijke machtiging is vereist en dat uit de statuten moet blijken dat het vermogen dat de stichting bij de omzetting heeft en de vruchten daarvan slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Holland Casino heeft aangevoerd dat de redenen waarom zij niet voor deze weg heeft gekozen, zijn gelegen in de voortdurende administratieve last die de beklemming van het vermogen meebrengt, in de onzekerheid over de wijze waarop de naamloze vennootschap aan haar beklemmingsverplichting dient te voldoen en in de beperking van de vrijheid van handelen met dat vermogen. In het licht van het gegeven dat de Staat de enige gerechtigde is tot winstafdracht en tot het […]”
r.o. 3.10“[…] is of onvoldoende gemotiveerd. Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 2 niet tot cassatie kan leiden. 3.5.1 Onderdeel 3 betoogt vanuit verschillende invalshoeken dat de ondernemingskamer in rov. 3.10 heeft miskend dat de door Holland Casino beoogde wijze van omvorming van een stichting naar een naamloze vennootschap door afsplitsing, strijdig is met de tekst, althans de strekking van art. 2:18 BW, en met de in art. 2:18 lid 6 BW opgenomen vermogensklem. Bovendien is het oordeel van de ondernemingskamer hierover onbegrijpelijk, aldus het onderdeel. 3.5.2 Bij de beoordeling van deze klacht geldt als uitgangspunt dat de ondernemingsraad zijn bezwaren, eventuele gebreken in de adviesaanvraag en eventuele nadere vragen volledig in zijn advies tot uitdrukking moet brengen. De ondernemer kan bij zijn besluitvorming immers geen rekening houden met bezwaren waarvan hij niet op de hoogte is. Evenmin behoeft hij daarbij rekening te houden met bezwaren die in een eerder stadium naar voren zijn gebracht, maar in het advies niet zijn gehandhaafd. Hieruit volgt dat de ondernemingsraad in beginsel slechts beroep kan instellen tegen het besluit van de ondernemer op grond van bezwaren die […]”
r.o. 3.13 · lid 6“Onderdeel 3 betoogt vanuit verschillende invalshoeken dat de ondernemingskamer in rov. 3.10 heeft miskend dat de door Holland Casino beoogde wijze van omvorming van een stichting naar een naamloze vennootschap door afsplitsing, strijdig is met de tekst, althans de strekking van art. 2:18 BW, en met de in art. 2:18 lid 6 BW opgenomen vermogensklem. Bovendien is het oordeel van de ondernemingskamer hierover onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.”
r.o. 3.5.1 · lid 6“In zijn advies van 24 oktober 2016 (zie hiervoor in 3.1 onder (xi)) heeft de ondernemingsraad niet het bezwaar opgeworpen dat de door Holland Casino voorgestane wijze van omvorming strijdig is met het bepaalde in art. 2:18 BW. De ondernemingsraad heeft zich in de procedure ten overstaan van de ondernemingskamer niet beroepen op een uitzondering als hiervoor in 3.5.2 bedoeld, die rechtvaardigt dat de ondernemingsraad zijn bezwaar toch in de beroepsprocedure bij de ondernemingskamer naar voren brengt. Dat betekent dat de ondernemingskamer bij gegrondbevinding van de klachten van onderdeel 3 niet tot een ander oordeel zou kunnen komen, aangezien zij het aangevoerde bezwaar omtrent de strijdigheid van de omvorming met art. 2:18 BW buiten beschouwing zou moeten laten. De ondernemingsraad mist derhalve belang bij de klachten van onderdeel 3, zodat deze niet tot cassatie kunnen leiden.”
r.o. 3.5.3Omzetting kerkgenootschap in stichting en omgekeerd: overeenkomstige toepassing artikel 2:18 BW
“NIISA heeft de rechtbank verzocht om een rechterlijke machtiging in de zin van art. 2:18 lid 4 BW teneinde zich te kunnen omzetten in een stichting in de zin van art. 2:285 BW. In overeenstemming met art. 2:18 lid 5 BW heeft NIISA bij dat verzoek een notarieel ontwerp overgelegd van de akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat. In verband met dit verzoek heeft de rechtbank de hiervoor in 2 vermelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De aanduiding ‘kerkgenootschappen’ omvat in het hiernavolgende ook hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd (vgl. art. 2:2 lid 1 BW). Vragen a en b: overeenkomstige toepassing van art. 2:18 BW op omzetting van of in een kerkgenootschap 3.3.1 Art. 2:18 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon zich kan omzetten in een andere rechtsvorm. Na een dergelijke omzetting bestaat de rechtspersoon voort in die andere rechtsvorm. Voor omzetting moet worden voldaan aan de vereisten van art. 2:18 BW. Art. 2:18 BW maakt deel uit van Titel 1 (Algemene bepalingen) van Boek 2 BW en is als zodanig van toepassing op privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW. Kerkgenootschappen behoren niet tot deze categorie […]”
r.o. 3.2 · leden 1, 4, 5“Art. 2:18 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon zich kan omzetten in een andere rechtsvorm. Na een dergelijke omzetting bestaat de rechtspersoon voort in die andere rechtsvorm. Voor omzetting moet worden voldaan aan de vereisten van art. 2:18 BW. Art. 2:18 BW maakt deel uit van Titel 1 (Algemene bepalingen) van Boek 2 BW en is als zodanig van toepassing op privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW. Kerkgenootschappen behoren niet tot deze categorie rechtspersonen. Art. 2:18 BW is daarom niet rechtstreeks van toepassing bij omzetting van of in een kerkgenootschap (vgl. ook art. 2:2 lid 2 BW).”
r.o. 3.3.1 · lid 1“Uit het voorgaande volgt dat het bepaalde in art. 2:18 BW over omzetting van een rechtspersoon in een andere rechtsvorm zich leent voor overeenkomstige toepassing op kerkgenootschappen. Dit geldt zowel voor de omzetting van een kerkgenootschap in een privaatrechtelijke rechtspersoon, als voor die van een privaatrechtelijke rechtspersoon in een kerkgenootschap. Vraag c: omvang van de rechterlijke toetsing”
r.o. 3.3.3“Art. 2:18 lid 4 BW vereist – voor zover thans van belang – voor de omzetting van of in een stichting een rechterlijke machtiging.”
r.o. 3.4.1 · lid 4Algemeen directeur coöperatie niet zonder meer uitvoerend bestuurder; ontslagvergunning Curaçao
“ACU is een coöperatie en daarmee een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 BW waarop onder meer artikel 2:8 lid 5 BW en artikel 2:18 lid 10 BW van toepassing zijn. Gelet op het voorgaande slaagt naar het voorlopig oordeel van het Hof het verweer van ACU dat op de rechtsverhouding tussen partijen artikel 2:8 lid 5 BW van toepassing is. Ingevolge artikel 2:18 lid 10 BW hebben, behoudens de in dat artikellid genoemde uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen, leden van het algemeen bestuur en van het uitvoerend bestuur gelijkelijk als bestuurder te gelden voor de toepassing van de wet. Nu artikel 2:8 lid 5 BW dwingendrechtelijk bepaalt dat de rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon niet wordt aangemerkt of mede wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, doet aan het voorgaande niet af dat partijen de tussen hen bestaande rechtsrelatie hebben aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Reeds omdat van een arbeidsovereenkomst dus geen sprake is, was voor het ontslag van [eiser] geen toestemming van de Directeur van de Directie Arbeidszaken van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn vereist op grond van artikel 4 LBA. Hieraan doet […]”
r.o. 4.5Beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW na omzetting pensioenstichting in NV; jaarrekening
“[…] op vordering van de Stichting Deelnemersraad Optas, Optas Pensioenen veroordeeld om artikel 36 van haar statuten in die zin te wijzigen, dat het artikel als volgt kwam te luiden: "Het vermogen dat Stichting PVH blijkens de balans per 31 december 1997 ten tijde van de omzetting in [Optas Pensioenen II] had, alsmede de vruchten van dat vermogen, worden met inachtneming van het bepaalde in artikel 2:18, lid 6, van het Burgerlijk Wetboek slechts met toestemming van de rechter, anders besteed dan voorafgaande aan die omzetting was voorgeschreven." Optas Pensioenen heeft aan deze veroordeling gevolg gegeven en sindsdien luidt artikel 36 van haar statuten dienovereenkomstig. (vi) De statuten van Optas Schade zijn in zoverre verschillend van die van Optas Pensioenen dat daarin geen bijzondere bepalingen inzake doel, winstbestemming, vereffening of overgang zijn opgenomen. (vii) Het zichtbare eigen vermogen van Optas Pensioenen II bedroeg volgens haar jaarrekening per 31 december 1997 ƒ 439.969.000,-- (€ 199.649.000,--). Het zichtbare eigen vermogen van Optas Pensioenen bedroeg volgens haar jaarrekening per de genoemde datum ƒ 104.342.000,-- (€ 47.348.000,--). Beide vennootschappen […]”
r.o. 3.1.2 · lid 6“[…] pensioenfonds, Stichting PVH. Het vermogen van het pensioenfonds is indertijd bijeengebracht met als doel de oudedags- en arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor de verzekerden van Stichting PVH. In dit doel kan geen wijziging worden gebracht door omzetting van die stichting in een naamloze vennootschap of door fusie van die naamloze vennootschap met een andere naamloze vennootschap. Art. 2:18 lid 6 BW waarborgt dat het vermogen van Stichting PVH ook na omzetting in een naamloze vennootschap in zijn geheel wordt aangewend ter verwezenlijking van het oorspronkelijke statutaire doel van de stichting. Omdat Stichting PVH als Optas Pensioenen II geheel in Optas Pensioenen is opgegaan en het oorspronkelijke eigen vermogen van Optas Pensioenen geheel afkomstig was van Stichting PVH die deze vennootschap, evenals Optas Schade, vanaf haar oprichting volledig heeft gefinancierd, zijn de beide vermogens van Optas Pensioenen en Optas Schade beklemd en worden telkens vergroot met de vruchten (in de vorm van rendement) van dat vermogen, welke evenzeer beklemd zijn. (rov. 3.3). (b) Voor de jaarrekeningen van Aegon c.s. over het boekjaar 2007 houdt het onder (a) vermelde in dat, nu het […]”
r.o. 3.2.2 · lid 6“In het jaarverslag 2007 van Optas Pensioenen is in de "Toelichting op de balans en winst- en verliesrekening" onder "11 Eigen vermogen" het eigen vermogen als volgt gespecificeerd (in euro's): Geplaatst kapitaal 460 Herwaarderingsreserve 18.608 Overige reserves 800.026 Resultaat boekjaar 706.189 1.525.283 hoofd "Beklemd eigen vermogen" het volgende vermeld: "Op grond van artikel 27 van de statuten van [Optas Pensioenen] mag het vermogen dat Stichting PVH blijkens de balans per 31 december 1997 ten tijde van de omzetting in [Optas Pensioenen II] had, alsmede de vruchten van dat vermogen, slechts met toestemming van de rechter anders worden besteed dan voorafgaande aan die omzetting was voorgeschreven. Een en ander ter inachtneming van artikel 2:18 lid 6 Burgerlijk Wetboek. Ultimo 2007 is 771.188 van het eigen vermogen (na winstbestemming) beklemd."”
r.o. 2.19 · lid 6“Het onderdeel klaagt dat de ondernemingskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat Optas Pensioenen het beklemde vermogen in de balans als onderdeel van het eigen vermogen kan presenteren als statutaire (omzettings)reserve. Deze wijze van presentatie doet, in een principle based benadering, geen recht aan het werkelijke rechtsgevolg van de uit art. 2:18 lid 6 voortvloeiende beklemming, namelijk dat de activa en passiva van het beklemde vermogen en niet het saldo respectievelijk de waarde daarvan voorwerp zijn van de beklemming. Voorts verzet de aard van een beklemming zich ertegen dat in de (toelichting op de) balans van een omgezette stichting het beklemde vermogen zodanig wordt gepresenteerd dat dit beklemde vermogen tot het (in beginsel voor uitkering aan aandeelhouders beschikbare) eigen vermogen van de in een vennootschap omgezette stichting wordt gerekend; een nadere uitleg in de toelichting op het eigen vermogen kan dit niet corrigeren. Subsidiair klaagt het onderdeel dat de ondernemingskamer, zo nodig met aanvulling van rechtsgronden (art. 25 Rv.), had moeten oordelen dat, als van het in IAS 27.4 bedoeld aandelenbelang of van een daaraan gelijk te stellen belang niet kan […]”
r.o. 3.6.2 · lid 6
Conclusies van de A-G (4)
Afsplitsing stichting naar NV: vermogensklem artikel 2:18 lid 6 BW niet omzeild
“De volgende vraag is of Holland Casino niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor omvorming op een wijze die afwijkt van de in artikel 2:18 BW beschreven wijze van omzetting van een stichting in een naamloze vennootschap. De Ondernemingskamer stelt voorop dat aan Holland Casino in beginsel beleidsvrijheid toekomt om te bepalen op welke wijze zij haar doel wenst te bereiken. Artikel 2:18 BW bepaalt onder meer dat voor omzetting als bedoeld in dit artikel een rechterlijke machtiging is vereist en dat uit de statuten moet blijken dat het vermogen dat de stichting bij de omzetting heeft en de vruchten daarvan slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Holland Casino heeft aangevoerd dat de redenen waarom zij niet voor deze weg heeft gekozen, zijn gelegen in de voortdurende administratieve last die de beklemming van het vermogen meebrengt, in de onzekerheid over de wijze waarop de naamloze vennootschap aan haar beklemmingsverplichting dient te voldoen en in de beperking van de vrijheid van handelen met dat vermogen. In het licht van het gegeven dat de Staat de enige gerechtigde is tot winstafdracht en tot het […]”
r.o. 3.10“Het derde onderdeel komt op tegen rov. 3.10 van de beschikking waarin de ondernemingskamer heeft geoordeeld dat Holland Casino beleidsvrijheid toekomt om te bepalen op welke wijze zij de omvorming van een stichting in een naamloze vennootschap wenst te bereiken; dat in het licht van het gegeven dat de Staat de enige gerechtigde is tot winstafdracht en tot het liquidatiesaldo de in het besluit gekozen wijze van omvorming – die ertoe zal leiden dat de Staat aandeelhouder wordt van Holland Casino – niet tot gevolg heeft dat Holland Casino het besluit niet in redelijkheid kon nemen; en dat het besluit niet strekt tot een ongeoorloofde omzeiling van het bepaalde in art. 2:18 BW.”
r.o. 4.9“De klachten van de subonderdelen 3A t/m 3F komen er in de kern genomen op neer dat de ondernemingskamer heeft miskend dat de door Holland Casino beoogde wijze van omvorming van een stichting naar een naamloze vennootschap door middel van afsplitsing strijdig is met, althans haaks staat op de bedoeling van het bepaalde in art. 2:18 BW, welk artikel de omzetting van een rechtspersoon in een andere rechtsvorm regelt en met de in lid 6 van dat artikel opgenomen vermogensklem. Voorts zou de ondernemingskamer dit oordeel mede in het licht van de door de ondernemingsraad betrokken stellingen, onvoldoende hebben gemotiveerd waardoor het onbegrijpelijk is.”
r.o. 4.10“Holland Casino heeft zich op het standpunt gesteld dat de ondernemingsraad geen belang heeft bij de klachten van onderdeel drie omdat de ondernemingsraad pas voor het eerst in cassatie het debat over de reikwijdte en betekenis van art. 2:18 BW in volle omvang aan de orde heeft gesteld. In zijn advies van 1 november 2016 heeft de ondernemingsraad niet gesteld dat de voorgestelde wijze van omvorming in strijd zou zijn met het bepaalde in art. 2:18 BW. Ook ten overstaan van de ondernemingskamer is dit onderwerp slechts zeer beperkt aan de orde geweest. Volgens vaste jurisprudentie van de ondernemingskamer kan een ondernemingsraad, behoudens twee uitzonderingen (die hier niet aan de orde zijn) in een beroepsprocedure ex art. 26 WOR alleen bezwaren tegen het besluit van de ondernemer aanvoeren die ook al in het adviestraject zijn aangevoerd en derhalve door de ondernemer meegenomen zijn (of hadden kunnen worden) in zijn besluitvorming. Dit heeft volgens Holland Casino tot gevolg dat, zelfs in het geval de klacht inhoudelijk gegrond zou zijn, dit niet tot een andere uitkomst kan leiden omdat de ondernemingskamer bij terugverwijzing slechts kan concluderen dat de aangevoerde klachten […]”
r.o. 4.11Omzetting kerkgenootschap in stichting; analoge toepassing artikel 2:18 BW
“De door de rechtbank Amsterdam ter beantwoording voorgelegde vragen gaan over de kwestie of kerkgenootschappen en zelfstandige onderdelen of lichamen daarvan (hierna verkort aangeduid als: “kerkgenootschappen”) in de zin van art. 2:2 lid 1 BW, door toepassing van art. 2:18 BW kunnen worden omgezet in een andere rechtsvorm en omgekeerd.”
r.o. 1.1“Nederlands-Israëlitische Instelling voor Sociale Arbeid (hierna: “NIISA”), heeft de rechtbank Amsterdam verzocht om een machtiging ex art. 2:18 lid 4 BW om zich om te zetten in een stichting (in de zin van art. 2:285 BW), zulks conform de als productie 30 door NIISA overgelegde ontwerpakte van omzetting en statutenwijziging.”
r.o. 2.2 · lid 4“Op grond van artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW geldt artikel 2:18 BW niet voor kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen (zoals NIISA) en hun lichamen.”
r.o. 4.5“Daarmee dient zich de vraag aan of overeenkomstige toepassing van artikel 2:18 BW in geval van omzetting van of naar kerkgenootschappen, zelfstandige onderdelen en lichamen (hierna ook wel kortweg aangeduid als: kerkgenootschappen) in het algemeen geoorloofd is (de eerste vraag).”
r.o. 4.6One-tier board coöperatie Curaçao: is algemeen directeur uitvoerend bestuurder?
“ACU is een coöperatie en daarmee een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 BW waarop onder meer artikel 2:8 lid 5 BW en artikel 2:18 lid 10 BW van toepassing zijn. Gelet op het voorgaande slaagt naar het voorlopig oordeel van het Hof het verweer van ACU dat op de rechtsverhouding tussen partijen artikel 2:8 lid 5 BW van toepassing is. Ingevolge artikel 2:18 lid 10 BW hebben, behoudens de in dat artikellid genoemde uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen, leden van het algemeen bestuur en van het uitvoerend bestuur gelijkelijk als bestuurder te gelden voor de toepassing van de wet. Nu artikel 2:8 lid 5 BW dwingendrechtelijk bepaalt dat de rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon niet wordt aangemerkt of mede wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, doet aan het voorgaande niet af dat partijen de tussen hen bestaande rechtsrelatie hebben aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Reeds omdat van een arbeidsovereenkomst dus geen sprake is, was voor het ontslag van [eiser] geen toestemming van de Directeur van de Directie Arbeidszaken van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn vereist op grond van artikel 4 LBA. Hieraan doet […]”
r.o. 4.5Conclusie: beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW in jaarrekening na omzetting stichting
“In het jaarverslag 2007 van Optas Pensioenen is in de "Toelichting op de balans en winst- en verliesrekening" onder "11 Eigen vermogen" het eigen vermogen als volgt gespecificeerd (in euro's): Geplaatst kapitaal 460 Herwaarderingsreserve 18.608 Overige reserves 800.026 Resultaat boekjaar 706.189 1.525.283 In de toelichting is onder het separate hoofd "Beklemd eigen vermogen" het volgende vermeld: "Op grond van artikel 27 van de statuten van [Optas Pensioenen] mag het vermogen dat Stichting PVH blijkens de balans per 31 december 1997 ten tijde van de omzetting in [Optas Pensioenen II] had, alsmede de vruchten van dat vermogen, slechts met toestemming van de rechter anders worden besteed dan voorafgaande aan die omzetting was voorgeschreven. Een en ander ter inachtneming van artikel 2:18 lid 6 Burgerlijk Wetboek. Ultimo 2007 is 771.188 van het eigen vermogen (na winstbestemming) beklemd."”
r.o. 2.19 · lid 6“Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de wettelijke beklemming van art. 2:18 lid 6 BW op het vermogen rust, dus op alle activa en passiva van (in elk geval) de in Optas Pensioenen II omgezette Stichting PVH. Een berekening die uitgaat van het eigen vermogen per 1 januari 1998 (en daarop vruchten berekent) is daarom rechtens onjuist althans ontoelaatbaar in het licht van de nawerkende statuten van Stichting PVH resp. de in de statuten van Optas Pensioenen voorgeschreven vermogensbeklemming. Immers, niet het saldo van de beklemde activa en passiva is het beklemde vermogen, aldus het onderdeel, maar die activa en passiva zelf vormen het beklemde vermogen.(4)”
r.o. 3.3 · lid 6“Art. 2:18 lid 6 BW is ingevoerd bij de Wet van 15 november 1989, Stb. 1989, 541.(7) Art. 2:18 lid 6 BW is in de plaats gekomen van art. 2:20 lid 3 BW (oud), waarin vóór 1 januari 1992 was bepaald dat gedurende tien jaren na de omzetting een besluit tot ontbinding van de rechtspersoon slechts geldig was, wanneer de bestemming van het batig saldo der vereffening door de minister van Justitie was goedgekeurd. Deze bepaling, die op haar beurt was ontleend aan art. 19 lid 7 van de Wet op Stichtingen van 31 mei 1956, Stb. 1956, 327, werd minder doeltreffend geacht wegens de beperking tot tien jaar en omdat een contributieverlaging of uitgaven ten gunste van leden niet onder het verbod vielen, zodat een nieuwe bepaling wenselijk werd geacht.(8) Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel 17 725, welk voorstel heeft geleid tot de genoemde wet van 15 november 1989, is van de zijde van D'66 gewezen op de noodzaak vermogen te beschermen bij rechtsvormwijziging van een stichting in een andere privaatrechtelijke rechtspersoon en is aan de minister van Justitie de vraag voorgelegd of het niet zinnig zou zijn in dat geval een wettelijke reserve op te nemen ter grootte van het […]”
r.o. 3.5 · lid 6“Volgens De Monchy moet art. 2:18 lid 6 BW kennelijk aldus worden verstaan dat het de bedoeling is dat in de statuten een soort bestemmingsbepaling wordt opgenomen over het vermogen van de stichting bij de omzetting. In deze bestemmingsbepaling 'dient dan in ieder geval het bedrag en wellicht zelfs de samenstelling van het vermogen bij de omzetting te worden aangegeven, alsmede welke bestedingswijze voor de omzetting was voorgeschreven. De vraag doet zich voor hoe vervolgens met dit vermogen moet worden omgegaan: een aparte rekening waarop dit vermogen geïndividualiseerd blijft en waarop ook de vruchten worden bijgeschreven. Op die wijze wordt als het ware een statutaire reserve gecreëerd. Waarom de wet van deze plicht geen wettelijke reserve heeft gemaakt, is onduidelijk'. (10)”
r.o. 3.6 · lid 6
Rechtbanken (9)
Machtiging tot omzetting van bv in stichting ex artikel 2:18 BW
“Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een machtiging tot omzetting van de huidige vorm van at.zorg (een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) in een stichting als bedoeld in artikel 2:18 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Reden voor de omzetting is de wens van at.zorg en haar enig aandeelhouder om een beter passende rechtsvorm te hebben, die beter past bij het maatschappelijke karakter van de activiteiten van at.zorg. Verder heeft at.zorg naar voren gebracht dat zij via [bedrijf] B.V. op dit moment indirect een natuurlijk persoon als enig aandeelhouder, de heer [naam], kent. De heer [naam] is onlangs met pensioen gegaan en wenst zijn aandeelhouderschap te beëindigen. Door de rechtsvorm om te zetten naar een stichting wordt de continuïteit van at.zorg geacht beter gewaarborgd te zijn, aldus at.zorg.”
r.o. 3.1“Op grond van artikel 2:18 lid 1 BW kan een rechtspersoon zich omzetten in een andere rechtsvorm. De om te zetten rechtspersoon dient op de voet van het bepaalde in artikel 2:18 lid 2 sub a en b BW twee besluiten te nemen, te weten: een besluit tot omzetting, genomen met inachtneming van de (statutaire) vereisten voor een besluit tot statutenwijziging en een besluit tot wijzigen van de statuten. Voorts is een notariële akte vereist die de nieuwe statuten bevat. Op grond van artikel 2:18 lid 4 BW is voor de omzetting van een stichting een rechterlijke machtiging vereist.”
r.o. 3.2 · leden 1, 2, 4“Uit de stukken is gebleken dat at.zorg met inachtneming van de toepasselijke wettelijke en statutaire regels tot omzetting en statutenwijziging heeft besloten, en dat het verzoek aan de wettelijke vereisten voldoet. Er is geen grond om aan te nemen dat de besluiten nietig zijn en er is niet gebleken dat een vordering tot vernietiging aanhangig is. Het verzoek is gedaan onder overlegging van een notarieel concept-akte van omzetting. Verder heeft niemand zicht tot de rechtbank gewend met betrekking tot het besluit. Van enige aanleiding om de machtiging te weigeren is niet gebleken. De conclusie luidt dan ook dat geen van de weigeringsgronden van artikel 2:18 lid 5 BW zich voordoet. Het verzoek aan de rechtbank om de op grond van artikel 2:18 lid 4 BW vereiste machtiging te verlenen zal worden toegewezen.”
r.o. 3.4 · leden 4, 5Omzetting stichting in BV: ontklemming stichtingsvermogen afgewezen, omzettingsreserve toegewezen
“[…] primair: I. machtiging te verlenen om verzoekster, conform het in productie 16 opgenomen ontwerp van de akte van omzetting en statutenwijziging, om te zetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid; II. toestemming te geven aan verzoekster voor het na de omzetting anders besteden van het vermogen dat verzoekster bij de omzetting heeft en de vruchten daarvan (ex artikel 2:18 lid 6 BW), in die zin dat het vermogen ten tijde van de omzetting na de omzetting niet als beklemd zal hebben te gelden; III. te bepalen dat in de statuten van verzoekster kan worden opgenomen dat het beklemd vermogen als ontklemd heeft te gelden; en IV. deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; althans subsidiair: I. machtiging te verlenen om verzoekster, conform het in productie 16 opgenomen ontwerp van de akte van omzetting en statutenwijziging, om te zetten in een besloten vennootschap; II. te bepalen dat in de statuten van verzoekster bij en na omzetting zal worden opgenomen dat verzoekster een statutaire omzettingsreserve heeft gelijk aan het eigen vermogen van verzoekster ten tijde van de omzetting, aangevuld met een statutaire bepaling dat het bedrag van de […]”
r.o. 2.1 · lid 6“De rechtbank stelt voorop dat de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak geen concrete gezichtspunten formuleren die een leidraad bieden voor de beoordeling van een verzoek ex artikel 2:18 lid 6 BW. De wetgever heeft bij wijziging van artikel 2:18 BW – waarbij de huidige vormgeving van de rechterlijke tussenkomst voor ontklemming tot stand is gekomen – laten doorklinken dat grote terughoudendheid geboden is bij de toewijzing van verzoeken tot ontklemming. Vermogen dat is opgebouwd tijdens de periode dat de rechtspersoon de gedaante van de stichting had, dient na omzetting in (zoals in dit geval) de besloten vennootschap strikt conform de doelstelling van de stichting besteed te worden. Alleen in uitzonderingsgevallen zal de rechter kunnen toestaan dat het beklemd vermogen mag worden ontklemd. Of dergelijke uitzonderingsvallen zich strikt beperken tot situaties waarin het statutaire doel vóór de omzetting gewijzigd had mogen worden op een wijze dat besteding van het vermogen waarvoor nu toestemming wordt verzocht mogelijk zou zijn laat de rechtbank hier in het midden. In dit geval is geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat ontklemming moet […]”
r.o. 3.3 · lid 6Machtiging tot omzetting van vereniging in stichting ex artikel 2:18 BW
“Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een machtiging tot omzetting van de huidige rechtsvorm van de Vereniging Judo Dedemsvaart in die van een stichting als bedoeld in artikel 2:18 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW). 4 De beoordeling”
r.o. 3.1 · lid 4“Op grond van artikel 2:18 BW kan een rechtspersoon zich omzetten in een andere rechtsvorm. Artikel 2:18 lid 2 BW bepaalt dat de om te zetten rechtspersoon twee besluiten moet nemen: een besluit tot omzetting, genomen met inachtneming van de (statutaire) vereisten voor een besluit tot statutenwijziging, een besluit tot wijziging van die statuten. Verder is een notariële akte van omzetting vereist die de nieuwe statuten bevat.”
r.o. 4.2 · lid 2“Uit de stukken die verzoekster in het geding heeft gebracht, volgt dat de besluiten tot omzetting van verzoekster in een stichting en tot wijziging van de statuten van verzoekster zijn genomen met inachtneming van de (statutaire) vereisten daarvoor. Er is geen grond om aan te nemen dat die besluiten nietig zijn. Niet gebleken is dat een vordering tot vernietiging aanhangig is of dat zich anderszins iemand tot de rechtbank heeft gewend met betrekking tot het besluit van omzetting. Het verzoek is gedaan onder overlegging van een concept notariële akte van omzetting en statutenwijziging. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen van de weigeringsgronden in artikel 2:18 lid 5 BW zich voordoet. Het verzoek tot omzetting van de rechtsvorm van verzoekster wordt dan ook toegewezen.”
r.o. 4.3 · lid 5Machtiging tot omzetting van B.V. in stichting ex artikel 2:18 lid 4 BW
“Het verzoek strekt tot het, uitvoerbaar bij voorraad, verkrijgen van een machtiging tot omzetting van verzoekster in een stichting als bedoeld in artikel 2:18 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) met de naam Stichting Sleutelnet.”
r.o. 2.1 · lid 4Machtiging tot omzetting van stichting in vereniging ex artikel 2:18 BW
“Het verzoek strekt tot het, uitvoerbaar bij voorraad, verkrijgen van een machtiging tot omzetting van verzoekster in een vereniging als bedoeld in artikel 2:18 lid 4 BW genaamd Vereniging WD4X.”
r.o. 2.1 · lid 4“Uit het verzoekschrift is gebleken dat het besluit tot omzetting en wijziging van de statuten met inachtneming van de wet en de statuten is genomen. De (concept-) omzettingsakte bevat in artikel 14 lid 4 een bepaling die in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2:18 lid 6 BW, “een vermogensklem”, die (het bestuur van) de vereniging na omzetting in acht zal moeten nemen. Aangezien het verzoek aan de wettelijke vereisten voldoet en er geen aanleiding is gebleken om de machtiging te weigeren, wordt het verzoek toegewezen.”
r.o. 2.5 · lid 6Machtiging tot omzetting van B.V. in stichting ex artikel 2:18 BW toegewezen
“Het verzoek strekt tot het, uitvoerbaar bij voorraad, verkrijgen van een machtiging tot omzetting van verzoekster in een stichting als bedoeld in artikel 2:18 lid 4 BW welke stichting de naam Stichting Medpunkt zal dragen.”
r.o. 2.1 · lid 4Machtiging omzetting NV in stichting geweigerd wegens aanhangige vernietigingsvordering
“Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een machtiging tot omzetting van Het Concertgebouw van een naamloze vennootschap naar een stichting, zoals bedoeld in artikel 2:18 Burgerlijk Wetboek (BW).”
r.o. 3.1“Op grond van artikel 2:18 lid 5 BW wordt de gevraagde machtiging in ieder geval geweigerd indien een voor de omzetting vereist besluit nietig is, dan wel indien een rechtsvordering tot vernietiging van dat besluit aanhangig is.”
r.o. 4.2 · lid 5“Verweerders hebben in deze procedure een zelfstandig tegenverzoek ingediend strekkende tot vernietiging van het BAVA-besluit. Vernietiging van een aandeelhoudersbesluit kan echter niet bij verzoekschrift worden verzocht, maar dient bij dagvaarding te worden gevorderd. Partijen zijn het daar ook over eens. Verweerders hebben de procedure tot vernietiging van het BAVA-besluit aldus verkeerd ingeleid. De rechtbank dient met toepassing van artikel 69 Rv ambtshalvede procedure op het goede spoor te zetten wanneer de verkeerde procesinleiding is gekozen. De rechtbank zal daarom bepalen dat het tegenverzoek wordt verwezen naar de dagvaardingsprocedure. Verder volgt uit artikel 69 Rv dat de procedure tot vernietiging van het BAVA-besluit aanhangig is vanaf de oorspronkelijke dag van indiening van – in dit geval – het tegenverzoek. Aldus is een rechtsvordering tot vernietiging van het besluit aanhangig in de zin van artikel 2:18 lid 5 BW. De rechtbank moet de verzochte machtiging daarom weigeren. Geen aanhouding verzoek tot machtiging omzetting”
r.o. 4.3 · lid 5“De rechtbank ziet hiervoor echter geen aanleiding. Artikel 2:18 lid 5 BW schrijft dwingend voor dat de machtiging wordt geweigerd zolang een rechtsvordering tot vernietiging van het vereiste besluit aanhangig is. Dat brengt mee dat eerst op die vordering dient te worden beslist, alvorens een machtiging tot omzetting kan worden verleend. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om het verzoek tot machtiging aan te houden in afwachting van een onherroepelijke beslissing in die dagvaardingsprocedure. Indien het vernietigingsverzoek wordt afgewezen, staat het Het Concertgebouw vrij om opnieuw een verzoek tot machtiging omzetting in te dienen.”
r.o. 4.5 · lid 5Omzetting stichting in B.V. en ontklemming vermogen ex artikel 2:18 BW
“Verzoekster heeft op 12 januari 2026 een verzoekschrift ter griffie van deze rechtbank ingediend strekkende tot het verlenen van een machtiging tot omzetting van de stichting in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ex artikel 2:18 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).”
r.o. 1.1 · lid 4“Het verzoek strekt tot het, uitvoerbaar bij voorraad, verkrijgen van een machtiging tot omzetting van de stichting in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, zoals bedoeld in artikel 2:18 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hierbij wordt ook verzocht om toestemming voor het, na de omzetting, anders besteden van het vermogen van de stichting en de vruchten daarvan op grond van artikel 2:18 lid 6 BW, conform het bijgaande ontwerp van de notariële akte van omzetting en statutenwijziging.”
r.o. 2.2 · lid 6“De rechtbank stelt voorop dat de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak geen bijzondere beperkingen of voorwaarden noemen die in acht genomen moeten worden bij de beoordeling van een verzoek tot ontklemming op grond van artikel 2:18 lid 6 BW. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek moet de rechter de belangen van alle betrokkenen in acht nemen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat nagegaan moet worden of derden “in strijd met de redelijkheid en billijkheid” worden benadeeld en voorts of sprake is van strijd met de openbare orde. Worden derden benadeeld?”
r.o. 3.3 · lid 6Afwijzing ontklemming vermogen na omzetting stichting in bv
“Het verzoek strekt tot het, uitvoerbaar bij voorraad, verkrijgen van toestemming voor het anders besteden van het vermogen dat Budgetzorg bij haar omzetting (van stichting naar bv) had en de vruchten daarvan op grond van artikel 2:18 lid 6 Burgerlijk Wetboek (BW), in die zin dat het beklemde vermogen niet meer als beklemd heeft te gelden, met bepaling dat in de statuten van Budgetzorg kan worden opgenomen dat het beklemd vermogen als ontklemd heeft te gelden.”
r.o. 2.1 · lid 6“De rechtbank stelt voorop dat de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak geen concrete voorwaarden formuleren die in acht genomen moeten worden bij de beoordeling van een verzoek ex artikel 2:18 lid 6 BW om het vermogen dat de stichting bij de omzetting had (en de vruchten daarvan) anders te mogen besteden dan voor de omzetting was voorgeschreven. Eerder heeft deze rechtbank bij de beoordeling van een ontklemmingsverzoek betrokken of derden “in strijd met de redelijkheid en billijkheid” worden benadeeld en voorts of sprake is van strijd met de openbare orde, maar onlangs heeft Van Veen er in een WPNR-bijdrage terecht op gewezen dat deze normen niet terug te voeren zijn op een uit de parlementaire geschiedenis kenbare visie van de wetgever dat de rechter verzoeken tot ontklemming aan de hand (mede) daarvan dient te beoordelen. De schrijver beklemtoont dat de wetgever bij wijziging van artikel 2:18 BW – waarbij de huidige vormgeving van de rechterlijke tussenkomst voor ontklemming tot stand is gekomen – juist heeft laten doorklinken dat grote terughoudendheid geboden is bij de toewijzing van verzoeken tot ontklemming. Vermogen dat is opgebouwd tijdens de periode dat de […]”
r.o. 3.1 · lid 6