← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:20a BW

In werking getreden op 1 januari 2022 (Stb. 2021, 310)

1

De bestuurder van een verboden verklaarde rechtspersoon, kan gedurende ten minste drie jaar nadat de verbodenverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, geen bestuurder of commissaris van enige rechtspersoon zijn of worden, tenzij betrokkene naar het oordeel van de rechter in de gegeven omstandigheden geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel gelijk gesteld degene die het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder.

2

De rechtbank regelt zo nodig alle overige gevolgen van het door haar uitgesproken bestuursverbod.

3

De griffier van de rechtbank, of bij hoger beroep, van het gerechtshof, biedt de onherroepelijke uitspraak waarin een bestuursverbod is opgelegd met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel aan, die zo nodig terstond tot uitschrijving van betrokkene uit het handelsregister overgaat. Tevens wordt het bestuursverbod geregistreerd bij het handelsregister.

4

Artikel 106c van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar in artikel 106c van de Faillissementswet wordt verwezen naar een verzoek of vordering tot het opleggen van een bestuursverbod wordt gelezen een verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:20a BW (1)

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof Amsterdam · 21 april 2026

    Verbod en ontbinding stichting Hells Angels-clubhuis: vermoeden openbare orde weerlegd

    “[…] kunnen verrichten. 6. Te bepalen dat de vereffenaar en de bewindvoerder zichzelf een vergoeding mogen toekennen overeenkomstig de vergoedingen die gelden voor ervaren faillissementscuratoren en – voor zover door hen ingeschakeld – voor hun medewerkers ten laste van [verweerster] . 7. Aan [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] een bestuursverbod zoals bedoeld in artikel 2:20a BW op te leggen voor de duur van drie jaar vanaf het moment dat de verbodenverklaring in kracht van gewijsde is gegaan. 8. De griffier op te dragen de onherroepelijke uitspraak met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel aan te bieden.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1171