← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:15 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2002, laatst gewijzigd bij Stb. 2001, 584

1

Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar:

a.wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;

b.wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist;

c.wegens strijd met een reglement.

2

Tot de bepalingen als bedoeld in het vorige lid onder a, behoren niet die welke de voorschriften bevatten waarop in artikel 14 lid 2 wordt gedoeld.

3

Vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon:

a.op een vordering tegen de rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, of

b.op vordering van de rechtspersoon zelf, ingesteld krachtens bestuursbesluit tegen degene die door de voorzieningenrechter van de rechtbank is aangewezen op een daartoe gedaan verzoek van de rechtspersoon; in dat geval worden de kosten van het geding door de rechtspersoon gedragen.

4

Indien een bestuurder in eigen naam de vordering instelt, verzoekt de rechtspersoon de voorzieningenrechter van de rechtbank iemand aan te wijzen, die terzake van het geding in de plaats van het bestuur treedt.

5

De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd.

6

Een besluit dat vernietigbaar is op grond van lid 1 onder a, kan door een daartoe strekkend besluit worden bevestigd; voor dit besluit gelden de zelfde vereisten als voor het te bevestigen besluit. De bevestiging werkt niet zolang een tevoren ingestelde vordering tot vernietiging aanhangig is. Indien de vordering wordt toegewezen, geldt het vernietigde besluit als opnieuw genomen door het latere besluit, tenzij uit de strekking van dit besluit het tegendeel voortvloeit.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:15 BW (157)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (18)

  • Hoge Raad · 17 juli 2026

    Vernietigbaarheid intrekking proflicentie door KNVB-organen; terughoudende toetsing artikel 2:15 BW

    “[…] geen besluit tot intrekking van de proflicentie was genomen. Daartoe heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen. In dit kort geding moet worden beoordeeld of aannemelijk is dat de rechter in de (inmiddels door Vitesse gestarte) bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten van de Licentiecommissie en Beroepscommissie op één of meer van de in art. 2:15 BW genoemde gronden vernietigbaar zijn. Op grond van die bepaling kan de rechter een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigen wegens strijd met regels die het tot stand komen van besluiten regelen, wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid of wegens strijd met een reglement. Bij de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van de KNVB, gaat het erom of het orgaan, naar de toestand ten tijde van het besluit, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Daarbij past terughoudendheid van de rechter. De rechter gaat dus niet op de stoel zitten van het orgaan van de rechtspersoon. Voor de vraag of […]”

    r.o. 2.4

    “Art. 2:15 lid 1 BW luidt als volgt: Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist; c. wegens strijd met een reglement. Art. 2:8 lid 1 BW luidt: Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.”

    r.o. 3.1.2 · lid 1

    “Uitgangspunt bij de toepassing van art. 2:15 lid 1 BW is dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Verder geldt dat de mate van beleids- en beoordelingsruimte die toekomt aan een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit, en daarmee de mate van indringendheid waarmee de rechter de vernietigbaarheid van besluiten van een dergelijk orgaan op de voet van art. 2:15 lid 1 BW beoordeelt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Voor zover het onderdeel uitgaat van de opvatting dat aan organen van rechtspersonen steeds een grote beleids- en beoordelingsruimte toekomt bij hun besluitvorming, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. Datzelfde geldt voor zover het onderdeel uitgaat van de opvatting dat de rechter zich in het algemeen bij de beoordeling van de vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan met een rechtsprekende taak binnen de rechtspersoon terughoudender moet opstellen dan bij de […]”

    r.o. 3.1.3 · lid 1

    “De hiervoor in 3.1.1 vermelde klacht faalt ook voor het overige, voor zover deze is gericht tegen het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat de bodemrechter de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie naar hun inhoud zal vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (de b-grond van art. 2:15 lid 1 BW, zie hiervoor in 3.1.2). Het hof heeft de hiervoor in 3.1.3 bedoelde terughoudendheid niet miskend. Het oordeel van het hof berust in de kern erop dat de opgelegde sanctie van onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie, gelet op de verstrekkende gevolgen daarvan voor Vitesse en gelet op de bij Vitesse betrokken belangen, niet in redelijke verhouding staat tot de in die besluiten genoemde verwijten en overtredingen, en de belangen van de KNVB bij het sanctioneren daarvan. Het oordeel van het hof berust daarmee niet “op de enkele grond dat over de juistheid van de besluiten verschillend kan worden gedacht of alternatieven voorhanden waren, dan wel een ander besluit beter was geweest of meer voor de hand had gelegen”, en geeft geen blijk van onvoldoende terughoudendheid of van miskenning van de aan de organen van de KNVB toekomende beleids- en […]”

    r.o. 3.1.4 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2026:1300

  • Hoge Raad · 20 juni 2025

    Te vroeg begonnen aandeelhoudersvergadering: statutenwijziging vernietigbaar, niet nietig

    “[…] aan het besluit tot statutenwijziging kleven die niet tot nietigheid van het besluit leiden maar hoogstens tot vernietigbaarheid. Als [broer 1] de vergadering te vroeg is begonnen en het besluit tot statutenwijziging al genomen was toen [eiser 2] en [eiser 3] op de stoep stonden, is het besluit gebrekkig tot stand gekomen. Dat maakt het besluit vernietigbaar in de zin van art. 2:15 BW. Dit gebrek is niet aan te merken als een fundamenteel totstandkomingsgebrek dat valt onder het bereik van art. 2:14 lid 1 BW. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering tot vernietiging is vervallen door het verstrijken van de termijn van art. 2:15 lid 5 BW en dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden. (rov. 4.13)”

    r.o. 2.4 · lid 5

    “[…] niet nietig maar slechts vernietigbaar is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat [eiser 2] en [eiser 3] de vergadering niet hebben kunnen bijwonen en zij hun standpunt dus niet naar voren hebben kunnen brengen, betekent dat het besluit niet slechts lijdt aan een totstandkomingsgebrek dat tot vernietigbaarheid op grond van art. 2:15 BW leidt, maar aan een fundamenteel totstandkomingsgebrek dat op grond van art. 2:14 BW nietigheid van dat besluit tot gevolg heeft, aldus het onderdeel. 3.2.2 Het hof heeft in het midden gelaten of [eiser 2] en [eiser 3] , zoals [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben gesteld, de aandeelhoudersvergadering van 10 januari 2018 niet hebben kunnen bijwonen doordat [broer 1] de vergadering te vroeg is begonnen en het besluit tot statutenwijziging al was genomen voordat [eiser 2] en [eiser 3] arriveerden. In cassatie wordt daarom verondersteld dat die stelling juist is. 3.2.3 Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (art. 2:14 lid 1 BW). Een wettelijke bepaling waaruit iets anders […]”

    r.o. 3.1

    “Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het oordeel van het hof in rov. 4.13 dat het besluit tot statutenwijziging niet nietig maar slechts vernietigbaar is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat [eiser 2] en [eiser 3] de vergadering niet hebben kunnen bijwonen en zij hun standpunt dus niet naar voren hebben kunnen brengen, betekent dat het besluit niet slechts lijdt aan een totstandkomingsgebrek dat tot vernietigbaarheid op grond van art. 2:15 BW leidt, maar aan een fundamenteel totstandkomingsgebrek dat op grond van art. 2:14 BW nietigheid van dat besluit tot gevolg heeft, aldus het onderdeel.”

    r.o. 3.2.1

    “Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (art. 2:14 lid 1 BW). Een wettelijke bepaling waaruit iets anders voortvloeit is art. 2:15 BW.Een besluit is vernietigbaar als het strijdig is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW).”

    r.o. 3.2.3 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2025:978

  • Hoge Raad · 10 juli 2020

    Ontbreken vereiste meerderheid bij VvE-besluit: nietig (2:14 BW), niet vernietigbaar (2:15 BW)

    “[…] verzoeken afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen: Voor zover [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag legt dat voor het besluit een gekwalificeerde meerderheid vereist was en deze niet is gehaald, doet hij een beroep op nietigheid van het besluit in de zin van art. 2:14 BW. Dit gestelde gebrek in de besluitvorming valt niet onder de in art. 2:15 BW bedoelde schending van bepalingen ‘die de totstandkoming van een besluit regelen’. Dit betekent dat [verzoeker] dit bezwaar, op zich beschouwd, in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank had moeten aankaarten. (rov. 19) [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift echter ook bezwaren tegen het besluit aangevoerd die een beroep op vernietiging daarvan in de zin van art. 2:15 BW impliceren. In zoverre moet het verzoek, gelet op art. 5:130 BW, in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter gedaan worden. (rov. 20) [verzoeker] heeft derhalve in dit geval naast het beroep op nietigheid van het besluit ook een beroep op vernietiging van het besluit gedaan, beide op basis van een samenhangend feitencomplex. Met name gelet op deze samenhang mocht [verzoeker] beide kwesties tezamen in […]”

    r.o. 2.3

    “Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof dat het betoog van [verzoeker] dat voor het besluit een gekwalificeerde meerderheid vereist was en deze niet is gehaald, een beroep op nietigheid van het besluit in de zin van art. 2:14 BW impliceert. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat een bepaling houdende een vereiste van een gekwalificeerde meerderheid is aan te merken als een bepaling die de totstandkoming van een besluit regelt als bedoeld in art. 2:15 BW, met als sanctie vernietigbaarheid.”

    r.o. 3.2.1

    “Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan belang, nu het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] zijn onder art. 2:14 BW vallende beroep op nietigheid in deze verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter mocht aankaarten, aangezien hij daarnaast een verzoek tot vernietiging deed op de voet van art. 5:130 lid 1 BW in verbinding met art. 2:15 BW. Overigens vindt de door het onderdeel verdedigde opvatting geen steun in het recht. Het ontbreken van een op grond van de wet of de statuten vereiste meerderheid van stemmen leidt tot een nietig besluit in de zin van art. 2:14 lid 1 BW, en niet tot een besluit dat vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen als bedoeld in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW.”

    r.o. 3.2.2 · lid 1

    “Opmerking verdient nog dat juist is het oordeel van het hof dat in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars op de voet van art. 5:130 lid 1 BW in verbinding met art. 2:15 BW, tevens een beroep op de nietigheid van dat besluit als bedoeld in art. 2:14 BW aan de orde kan worden gesteld. De procedure behoeft in een zodanig geval dus niet te worden gesplitst teneinde het beroep op nietigheid in een afzonderlijke (dagvaardings)procedure door de rechtbank te laten beoordelen.”

    r.o. 3.2.3

    ECLI:NL:HR:2020:1275

  • Hoge Raad · 21 februari 2020

    Vernietiging statutenwijziging vereniging; devolutieve werking en beroep op artikel 3:53 lid 2 BW

    “[verweerder] vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b, BW vernietiging van het besluit tot wijziging van de statuten (zie hiervoor in 2.1 onder (vi)) wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.”

    r.o. 2.2 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2020:319

  • Hoge Raad · 11 november 2016

    Enquêteverzoek Curaçao: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren vooraf en vervaltermijn vernietiging

    “[…] het hof miskend dat de bevoegdheid om vernietiging van de emissiebesluiten te vorderen, ingevolge art. 2:21 lid 4 BWC na zes maanden vervalt, en dat daarmee niet strookt dat Bab nog nadien een enquêteverzoek kan indienen waarmee (mede) vernietiging van die besluiten wordt beoogd. 5.4.2 Deze klacht faalt. De wettelijke regeling van vernietiging van besluiten in art. 2:21 BWC (in Nederland art. 2:15 BW) staat naast de mogelijkheid om in het kader van een enquêteprocedure besluiten van een rechtspersoon te schorsen of te vernietigen. De regelingen dienen elk een verschillend doel. In een enquêteprocedure zijn de gronden voor vernietiging van een besluit ook ruimer dan in art. 2:21 BWC (art. 2:15 BW). Gelet op een en ander geldt de vervaltermijn van zes maanden in art. 2:21 lid 4 BWC (en in Nederland de vervaltermijn van een jaar in art. 2:15 lid 5 BW) niet voor een verzoek in een enquêteprocedure dat mede strekt tot vernietiging van besluiten van een rechtspersoon – nog daargelaten dat het praktisch zeer bezwaarlijk kan zijn binnen die vervaltermijn zodanig verzoek te doen. Anders dan [A] heeft betoogd, doet aan het voorgaande niet af dat de vervaltermijn reeds was verstreken […]”

    r.o. 5.1 · lid 5

    “Deze klacht faalt. De wettelijke regeling van vernietiging van besluiten in art. 2:21 BWC (in Nederland art. 2:15 BW) staat naast de mogelijkheid om in het kader van een enquêteprocedure besluiten van een rechtspersoon te schorsen of te vernietigen. De regelingen dienen elk een verschillend doel. In een enquêteprocedure zijn de gronden voor vernietiging van een besluit ook ruimer dan in art. 2:21 BWC (art. 2:15 BW). Gelet op een en ander geldt de vervaltermijn van zes maanden in art. 2:21 lid 4 BWC (en in Nederland de vervaltermijn van een jaar in art. 2:15 lid 5 BW) niet voor een verzoek in een enquêteprocedure dat mede strekt tot vernietiging van besluiten van een rechtspersoon – nog daargelaten dat het praktisch zeer bezwaarlijk kan zijn binnen die vervaltermijn zodanig verzoek te doen. Anders dan [A] heeft betoogd, doet aan het voorgaande niet af dat de vervaltermijn reeds was verstreken toen het nieuwe enquêterecht in Curaçao op 1 januari 2012 van kracht werd.”

    r.o. 5.4.2 · lid 5

    ECLI:NL:HR:2016:2574

  • Hoge Raad · 3 juni 2016

    Onrechtmatige opzegging verenigingslidmaatschap; verhouding artikel 2:8 BW, artikel 2:15 BW en onrechtmatige daad

    “[…] van meubelverkooppunten aan IMG-leden waren bedongen. (vii) [verweerster] heeft tegen de opzegging bezwaar gemaakt en, na afwijzing daarvan, daartegen op de in de statuten voorgeschreven wijze beroep aangetekend. Dit beroep is door de ledenvergadering verworpen, naar [verweerster] bij brief van 17 oktober 2005 door IMG is meegedeeld. (viii) [verweerster] heeft zich niet op de voet van art. 2:15 BW in rechte beroepen op vernietigbaarheid van het besluit tot opzegging. (ix) Tussen Euretco en [A] is een arbitrageprocedure gevoerd over de vraag of ten onrechte bonusbetalingen in MKB BV zijn gelaten die tot een groter eigen vermogen van MKB BV in de jaarrekening over 2003 hebben geleid en daarmee tot een (onterechte en te corrigeren) hogere waardering van de door [A] aan Euretco verkochte aandelen. (x) Bij eindvonnis van 11 februari 2013 hebben de arbiters het verzoek van Euretco om aanpassing van de koopsom voor de aandelen afgewezen. (xi) De discussie tussen Euretco en [A] over het al dan niet juist zijn van de koopprijs voor de aandelen is eveneens aan de orde geweest in een procedure tussen hen waarin Euretco zich met een beroep op de volgens haar te corrigeren waarde van […]”

    r.o. 3.1

    “Voor zover in cassatie van belang is inzet van deze procedure de vraag of de hiervoor in 3.1 onder (vi) bedoelde opzegging jegens [verweerster] onrechtmatig was. Kort weergegeven was de rechtbank van oordeel dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het opzeggingsbesluit omdat [verweerster] niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW daarvan de nietigheid heeft ingeroepen, en dat [verweerster] onvoldoende bijkomende omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat toepassing van het voor rechtsgeldig te houden besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”

    r.o. 3.2 · lid 5

    “Voor zover het onderdeel een beroep doet op de omstandigheid dat [verweerster] niet op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b, BW vernietiging van het besluit tot opzegging heeft gevorderd, is van belang dat de op art. 2:15 BW gebaseerde vordering tot vernietiging van een besluit van een rechtspersoon is gericht op andere rechtsgevolgen dan de onderhavige vordering, die is gebaseerd op onrechtmatige opzegging. De eerstgenoemde vordering is gericht op aantasting van het besluit. De laatstgenoemde vordering neemt de rechtsgeldigheid van het besluit tot uitgangspunt, en is gericht op vergoeding van schade die de eiser lijdt door de handeling waartoe is besloten. Art. 2:15 BW sluit een zodanige, op onrechtmatige daad gebaseerde, vordering niet uit, ook niet in een geval waarin een lid van de rechtspersoon daarmee wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die rechtspersoon.”

    r.o. 4.1.2 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2016:1061

  • Hoge Raad · 19 december 2014

    Rifgat

    Herroeping van ontbindingsbesluit BV: toelaatbaar onder rechterlijke toetsing en bescherming van derden

    “[…] hebben dat derden die in gerechtvaardigd vertrouwen op de ontbinding en haar gevolgen zijn afgegaan in hun belangen worden geschaad. Of hiervan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder het tijdsverloop sinds het moment van ontbinding. Er is geen grond hiervoor een vaste termijn te hanteren, ook niet als uitgangspunt, of aan te sluiten bij de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW. (rov. 10) Rodenstaal c.s. hebben als gevolg van de ontbinding van Rifgat geen voordeel gekregen in de vorm van verkregen rechten of bevrijding van schulden en zijn ook niet anderszins in een voordeliger positie komen te verkeren. Zij zijn niet in hun belangen geschaad door de herroeping van de ontbinding. (rov. 11-15)”

    r.o. 3.2 · lid 5

    “[…] BW). De wet bepaalt niet of het ontbindingsbesluit door (de algemene vergadering van aandeelhouders van) de besloten vennootschap kan worden herroepen, en zo ja, op welke wijze. De wet sluit echter niet uit dat een besloten vennootschap terugkomt van haar ontbindingsbesluit; dat stemt ook overeen met de mogelijkheid dat zij vernietiging kan vorderen van het besluit waarbij zij is ontbonden (art. 2:15 lid 3 BW). 5.2.3 In de rechtspraak in feitelijke instanties en in de literatuur, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder respectievelijk 4.8 en 4.6, wordt in meerderheid aangenomen dat een besloten vennootschap het ontbindingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders kan herroepen, mits is voldaan aan bepaalde voorwaarden in verband met de eisen van rechtszekerheid en de bescherming van de rechten en belangen van derden. Daarbij komt naar voren dat in de rechtspraktijk niet alleen behoefte bestaat aan de mogelijkheid om een ontbindingsbesluit te herroepen, maar ook dat rechterlijke tussenkomst nodig wordt geacht om de herroeping te toetsen en te effectueren. Tevens bestaat behoefte aan de mogelijkheid om een rechterlijke uitspraak betreffende de […]”

    r.o. 5.1 · lid 3

    “Een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: besloten vennootschap) kan door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders worden ontbonden (art. 2:19 lid 1 BW). De wet bepaalt niet of het ontbindingsbesluit door (de algemene vergadering van aandeelhouders van) de besloten vennootschap kan worden herroepen, en zo ja, op welke wijze. De wet sluit echter niet uit dat een besloten vennootschap terugkomt van haar ontbindingsbesluit; dat stemt ook overeen met de mogelijkheid dat zij vernietiging kan vorderen van het besluit waarbij zij is ontbonden (art. 2:15 lid 3 BW).”

    r.o. 5.2.2 · lid 3

    ECLI:NL:HR:2014:3677

  • Hoge Raad · 12 juli 2013

    VEB/KLM

    Vernietigbaarheid reserveringsbesluit en dividend: zorgvuldigheid jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)

    “[…] zijn geworden, te zorgen voor een hoger dividend dan waartoe KLM overigens in redelijkheid heeft kunnen besluiten. (rov. 3.33) 3.3.1 Onderdeel 1 richt klachten tegen het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het hof over de eisen die zijn te stellen aan het overleg van art. 32 lid 1 van de statuten van KLM. Naar de kern genomen wordt betoogd dat besluit A en besluit B op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a of b, BW vernietigbaar zijn omdat het statutair voorgeschreven overleg tussen de vergadering van houders van prioriteitsaandelen, de directie en de raad van commissarissen niet deugdelijk (zorgvuldig) is geweest, en deze deugdelijkheidseis op de voet van art. 32 lid 1 van de statuten van KLM (volgens onderdeel 1.1) dan wel art. 2:8 BW (volgens onderdeel 1.2 en 1.3) aan dat overleg dient te worden gesteld. 3.3.2 Onderdeel 1.1 faalt omdat het eraan voorbijgaat dat art. 32 van de statuten van KLM geen verdergaande eisen stelt aan de aard en inhoud van het voorafgaande overleg dan dat en tussen wie het moet plaatsvinden. 3.3.3 Volgens onderdeel 1.2 vloeit uit hetgeen ingevolge art. 2:8 BW door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd voort, dat bij de […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “Onderdeel 1 richt klachten tegen het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het hof over de eisen die zijn te stellen aan het overleg van art. 32 lid 1 van de statuten van KLM. Naar de kern genomen wordt betoogd dat besluit A en besluit B op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a of b, BW vernietigbaar zijn omdat het statutair voorgeschreven overleg tussen de vergadering van houders van prioriteitsaandelen, de directie en de raad van commissarissen niet deugdelijk (zorgvuldig) is geweest, en deze deugdelijkheidseis op de voet van art. 32 lid 1 van de statuten van KLM (volgens onderdeel 1.1) dan wel art. 2:8 BW (volgens onderdeel 1.2 en 1.3) aan dat overleg dient te worden gesteld.”

    r.o. 3.3.1 · lid 1

    “Onderdeel 1.1 faalt omdat het eraan voorbijgaat dat art. 32 van de statuten van KLM geen verdergaande eisen stelt aan de aard en inhoud van het voorafgaande overleg dan dat en tussen wie het moet plaatsvinden.”

    r.o. 3.3.2

    “[…] van een besluit als het onderhavige het belang van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend in het door de statuten vereiste voorafgaande overleg met bestuur en commissarissen ter sprake moet worden gebracht of dat daaraan bij die gelegenheid bijzondere aandacht moet worden besteed. Indien dat niet is gebeurd, is dat besluit volgens onderdeel 1.3 vernietigbaar op grond van art. 2:15 BW. De onderdelen falen. Hoewel bij het nemen van een besluit als het onderhavige inderdaad rekening moet worden gehouden met de belangen van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend (zie hierna in 3.4.2), kan in zijn algemeenheid aan de totstandkoming van een dergelijk besluit niet op grond van de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid de – formele – eis worden gesteld dat die belangen in het door de statuten vereiste voorafgaande overleg met bestuur en commissarissen ter sprake zijn gebracht op straffe van vernietigbaarheid van dat besluit. Ook zonder dat die belangen in het voorafgaande overleg uitdrukkelijk ter sprake zijn gebracht of bij die gelegenheid daaraan bijzondere aandacht is geschonken, kan immers voldoende rekening zijn gehouden met die […]”

    r.o. 3.3.3

    ECLI:NL:HR:2013:BZ9145

  • Hoge Raad · 26 november 2010

    Exclusieve rechtsmacht overheidsrechter bij vernietiging vennootschapsbesluit versus arbitrage over opzegging managementovereenkomst

    “De onderdelen 1.1 en 1.2 bevatten geen klacht. De onderdelen 2 en 2.1 strekken ten betoge dat a) vorderingen met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de opzegging van een contractuele relatie niet ter vrije beschikking van partijen staan indien en voor zover die opzegging voortbouwt op en geschiedt ter uitvoering en als gevolg van het daaraan noodzakelijk voorafgaand bestuursbesluit (hier: van 2 november 2006) waarvan de rechtsgeldigheid wordt bestreden voor de terzake exclusief bevoegde Nederlandse rechter; b) het rechtens noodzakelijk is in het kader van de beslechting van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met de tussen partijen gesloten MCA ook uitspraak te doen over de rechtsgeldigheid van besluiten van organen van de rechtspersoon of daaraan verbonden rechtsgevolgen die niet ter vrije beschikking van partijen staan; c) arbiters in het kader van de beantwoording van de vraag of de ter uitvoering van een daarop betrekking hebbend besluit gedane opzegging van de MCA rechtsgeldig is, noodzakelijkerwijs ook uitspraak moeten doen over de vernietiging van een besluit van een orgaan van de vennootschap als bedoeld in art. 2:15 lid 3 BW.”

    r.o. 3.3.1 · lid 3

    “Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld, reeds omdat de opzegging van de MCA een door PW jegens SLF verrichte rechtshandeling is (gedaan bij brief van 3 november 2006) die wat haar geldigheid betreft niet afhankelijk is van het in stand blijven van het bestuursbesluit van 2 november 2006 dat op zichzelf geen externe werking heeft. Het in 3.3.1 onder c) mede bedoelde besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 27 november 2006 is genomen nadat de opzegging van de MCA heeft plaatsgevonden en kan derhalve op de opzegging van de MCA bij brief van 3 november 2006 geen invloed hebben gehad.”

    r.o. 3.3.2

    “Onderdeel 2.2 keert zich klaarblijkelijk tegen hetgeen het hof (in rov. 4.15) heeft overwogen, namelijk dat het "rechtens niet noodzakelijk is in het kader van de beslechting van de desbetreffende geschillen uitspraken te doen over de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van besluiten van organen van de vennootschap" als bedoeld in art. 22, aanhef en onder 2, EEX-Vo en art. 2:15 lid 3 BW of over daaraan verbonden rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat reeds de regels van litispendentie, althans connexiteit, en het belang tegenstrijdige uitspraken te voorkomen, ertoe nopen ook exclusieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan te nemen met betrekking tot geschillen die wat het onderwerp ervan betreft onlosmakelijk verbonden zijn met de bestreden besluiten van 2 en 27 november 2006.”

    r.o. 3.4.1 · lid 3

    ECLI:NL:HR:2010:BN8533

  • Hoge Raad · 19 februari 2010

    Bevoegdheden van door de rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting

    “[…] berustte, anders dan haar ontslag op verzoek van het OM, op een statutaire grond. (rov. 5.12) c) [Eiseres] heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het ontslagbesluit in strijd is met de wet en aldus nietig op grond van art. 2:14 BW. (rov. 5.13) d) De Stichting heeft onbetwist gesteld dat [eiseres] heeft nagelaten binnen de in art. 2:15 lid 5 BW vermelde vervaltermijn van één jaar, die is ingegaan rond 7 december 2005, de vernietigbaarheid van dit besluit in te roepen. (rov. 5.14) e) [Eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof ingevolge art. 2:8 BW anders zou moeten oordelen. (rov. 5.15)”

    r.o. 3.3 · lid 5

    “Als een tijdelijke bestuurder besluiten heeft genomen waartoe hij weliswaar bevoegd is, doch die verder gaan dan past bij de rol van tijdelijke bestuurder als hiervoor bedoeld, zijn deze besluiten niet op de voet van art. 2:14 BW nietig. Het hof heeft vastgesteld dat ook niet binnen de in art. 2:15 lid 5 BW bepaalde termijn tegen de gewraakte besluiten is opgekomen.”

    r.o. 3.6.2 · lid 5

    ECLI:NL:HR:2010:BK5989

  • Hoge Raad · 22 december 2009

    Vernietigbaar ontslagbesluit bestuurder buiten vergadering; raadgevende stem en terugwerkende kracht

    “[…] 2], die geen lid was van enig orgaan van HGIH, is onvoldoende om te kunnen worden beschouwd als een uitnodiging van de aandeelhouder aan de bestuurder om te reageren op het desbetreffende besluit of om een raadgevende stem te laten horen. Hieraan heeft het hof (in rov. 3.12 en 3.13) de conclusie verbonden dat dit besluit niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen en ingevolge art. 2:15 BW vernietigbaar is, hetgeen tot gevolg heeft dat [verweerder] bestuurder van HGIG was op het moment dat het besluit tot schorsing van de overige bestuurders werd genomen, zodat ook laatstvermeld besluit niet op de bij de wet voorgeschreven wijze tot stand is gekomen en terecht door de rechtbank is vernietigd, en dat het gevolg hiervan was dat ook de besluiten van 17 december 2003 en van 5 januari 2004 (vermeld hiervoor in 3.1 onder (ii) en (iii)) vernietigbaar zijn omdat niet alle bestuurders de gelegenheid hebben gehad hun raadgevende stem te laten horen. De vernietiging van het ontslagbesluit van 7 december 2003 heeft voorts tot gevolg dat het besluit van 9 februari 2004 (vermeld hiervoor in 3.1 onder (iv)) is genomen in strijd met het statutaire quorumvereiste, zodat het […]”

    r.o. 3.3

    “Onderdeel 3 verwijt het hof te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de terugwerkende kracht van de vernietiging van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:15 BW, althans zijn oordeel op dit punt onvoldoende te hebben gemotiveerd. Het onderdeel faalt omdat het oordeel van het hof, zoals volgt uit art. 3:53 lid 1 BW, juist is. De vernietiging van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon brengt mee dat het besluit van meet af aan niet rechtsgeldig is geweest. Omdat de motiveringsklachten van het onderdeel voortbouwen op de hiervoor onjuist bevonden rechtsopvatting, falen zij eveneens. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt HGIH in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.H. Koster op 22 december 2009.”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:HR:2009:BK2001

  • Hoge Raad · 30 november 2007

    Relatieve bevoegdheid artikel 105 Rv bij externe werking van vennootschapsbesluit

    “Het middel richt zich tegen deze overwegingen van het hof en klaagt dat het hof de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage ten onrechte op grond van het bepaalde in art. 105 Rv. relatief bevoegd heeft geacht om van het tussen partijen gerezen geschil kennis te nemen. Het middel voert daartoe aan dat art. 105 Rv. strikt dient te worden geïnterpreteerd in die zin dat deze bepaling zich beperkt tot procedures over de (rechtsgevolgen van) besluiten van (organen van) rechtspersonen die de interne verhoudingen binnen de rechtspersoon betreffen, zoals de besluiten in de zin van de art. 2:14 en 2:15 BW, en niet ziet op procedures betreffende de rechtsgevolgen voor derden van dergelijke besluiten.”

    r.o. 3.4

    “Uit de parlementaire geschiedenis van art. 105 Rv. blijkt dat de in deze bepaling neergelegde relatieve bevoegdheidsregel beoogt aan te sluiten bij de regeling in art. 6, aanhef en onder g,(oud) Rv. (thans art. 6, aanhef en onder h, Rv.) van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter "in zaken betreffende (...) de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van in Nederland gevestigde vennootschappen of rechtspersonen; de geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van hun besluiten of die van hun organen, dan wel de rechten en verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig" en bij het bepaalde in art. 2:15 BW (vgl. MvT bij art. 105 Rv., Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, blz. 268): "Zie het huidige artikel 126, elfde lid, Rv en voor de rechtsmacht het corresponderende artikel 6 (1.1.5), onder g. Men vergelijke ook de te handhaven regeling van art. 2:15 BW."”

    r.o. 3.6

    “Dat art. 105 Rv. voorts aansluiting beoogt te zoeken bij het Nederlandse vennootschaps- en rechtspersonenrecht blijkt niet alleen uit deze passage uit de parlementaire geschiedenis, maar tevens uit de hiervoor reeds genoemde verwijzing in de parlementaire geschiedenis van art. 105 Rv. naar het bepaalde in art. 2:15 BW, dat ziet op de wijze waarop een besluit van een rechtspersoon kan worden vernietigd. Gelet op de samenhang die bestaat tussen de art. 2:14 tot en met 2:16 BW, moet worden aangenomen dat de beoogde verruiming van het toepassingsbereik van art. 105 Rv. op het punt van de relatieve bevoegdheid ten opzichte van art. 16, onderdeel 2, EEX-Verdrag/EVEX mede betrekking heeft op de in art. 2:16 BW gegeven regeling inzake de rechtsgevolgen voor derden van een op art. 2:15 BW gebaseerde vernietiging. Dit brengt mee dat de in art. 105 Rv. gegeven alternatieve (relatieve) bevoegdheid van de rechter van de woonplaats of de plaats van vestiging van de rechtspersoon of de vennootschap, mede ziet op een geschil als het onderhavige, waarin omtrent de externe werking van een besluit slechts kan worden beslist nadat eerst een oordeel is gegeven over de interne werking van dat besluit. […]”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:HR:2007:BA9611

  • Hoge Raad · 31 januari 2003

    Nietigheid besluiten coöperatieve vereniging wegens onbevoegd bijeengeroepen vergadering; doorhaling handelsregister

    “[…] en daarop voortbouwend in haar eindbeschikking heeft overwogen, te weten dat niet-inachtneming van de in art. 47 van de statuten van De Middelhorst genoemde oproepingstermijn voor de algemene vergadering van 17 juni 1996 meebrengt dat de in die vergadering genomen besluiten nietig zijn. De sanctie op niet-naleving van een dergelijk procedureel voorschrift is, aldus het middel, op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW vernietigbaarheid van het besluit. In rov. 4.3 van haar tussenbeschikking heeft de Rechtbank als stelling van appellanten - De Middelhorst c.s. - vermeld dat de oproeping van 6 juni 1996 vals is, althans niet als een oproeping overeenkomstig de statuten kan worden beschouwd, nu deze niet van [betrokkene 2] is uitgegaan, hetgeen door geïntimeerden wordt betwist. De in deze rechtsoverweging genoemde stukken - een kopie van een convocatie van 6 juni 1996 met in de kop de naam van [betrokkene 2], maar zonder diens handtekening, alsmede een brief van [betrokkene 2] van 7 juni 1996, waarin deze te kennen geeft niet te hebben voldaan aan het verzoek van de vergadering om een oproep voor de volgende vergadering te doen uitgaan - geven de Rechtbank "een vermoeden […]”

    r.o. 3.3 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2003:AF0646

  • Hoge Raad · 12 mei 2000

    Statutenwijziging stichting: bindend advies Geestelijk Leider getoetst aan redelijkheid en billijkheid

    “[…] van de stichting en het bestuur, en dat het in feite erom gaat op welke wijze de Geestelijk Leider zijn bevoegdheid tot het geven van bindend advies uitoefent. Met betrekking tot dit laatste heeft het Hof vastgesteld dat de Geestelijk Leider zijn statutaire bevoegd-heid niet heeft gebruikt en heeft verklaard dit alleen in noodsituaties te zullen doen, in welke gevallen de art. 2:8 en 2:15 BW waarborgen bieden tegen mogelijk machtsmisbruik door de Geestelijk Leider. In deze overwegingen ligt besloten dat het Hof het betoog van het bestuur heeft verworpen dat reeds de persoon en de opvattingen van de Geestelijk Leider kunnen leiden tot een zodanige invloed op de bestuursleden dat zij anders handelen en beslissen dan strookt met de statutaire doelstellingen van de stichting. Deze oordelen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie voor het overige niet op juistheid kunnen worden getoetst. Zij zijn niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 3, 4 en 5 zijn derhalve tevergeefs voorgesteld.”

    r.o. 3.3

    “[…] zienswijze van het Hof is niet on-begrijpelijk, nu het Hof kennelijk is uitgegaan van de voor de hand liggende opvatting dat beoordeling van de stelling zou nopen tot interpretatie van de islam. Anders dan het onderdeel aanvoert brengt dit niet de onbegrijpelijkheid mee van 's Hofs oordeel in rov. 5.6 van zijn beschikking dat bindende adviezen van de Geestelijk Leider op de voet van art. 2:8 en 2:15 BW aan de redelijkheid en billijkheid kunnen worden getoetst. Aan het bestaan van deze mogelijkheid doet niet af dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de omstandigheid dat het bindend advies geloofskwesties betreft, geheel of ten dele aan deze toetsing in de weg staat.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:HR:2000:AA5779

  • Hoge Raad · 10 maart 1995

    Janssen Pers

    Aandeelhoudersbesluiten enig aandeelhouder: ontslag bestuurder, intrekking emissie en redelijkheid en billijkheid

    “[eisers] vorderen in het onderhavige kort geding, kort gezegd, hoofdelijke veroordeling van [verweerder 1] en [verweerster 2] tot rectificatie van de aan het Handelsregister gedane opgaven en tot het zich onthouden van handelingen of uitlatingen inhoudende dat zij de meerderheid van de aandelen in een of meer van de eisende vennootschappen zouden bezitten of van een of meer van die vennootschappen bestuurder zouden zijn. [verweerder 1] en [verweerster 2] vorderen in reconventie veroordeling van [eiser 6] om zich te onthouden van handelingen of uitlatingen inhoudende dat hij bestuurder zou zijn van [eiseres 1] of van een of meer van de overige vennootschappen van de [eiseres 1] groep. De President heeft geoordeeld, kort samengevat, dat de handelwijze van [verweerder 1] maatschappelijk onaanvaardbaar is, misbruik van omstandigheden oplevert en wegens strijd met het bepaalde in de art. 2:8 en 2:15 BW onrechtmatig is; op deze gronden heeft hij de vordering van [eisers] toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen. Het Hof heeft anders geoordeeld en in tegengestelde zin beslist. Hiertegen richten zich de middelen.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:1995:ZC1657

  • Hoge Raad · 9 februari 2024

    Ontslag stichtingsbestuurder: cassatieberoep tegen afwijzing nietigheid/vernietiging ontslagbesluit verworpen

    Een stichtingsbestuurder vorderde nietigverklaring of vernietiging van het besluit tot zijn ontslag (artikel 2:14 en 2:15 BW). Het hof wees zijn vordering af. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO, zonder nadere motivering.

    ECLI:NL:HR:2024:221

  • Hoge Raad · 8 mei 2020

    Ontslag bestuurder bv zonder raadgevende stem: vernietigbaar of nietig?

    De Hoge Raad verwerpt met toepassing van artikel 81 lid 1 RO het cassatieberoep in een zaak over het ontslag van een bestuurder van een bv door de AVA, zonder dat diens raadgevende stem was gehoord. Het hof had geoordeeld dat het ontslagbesluit vernietigbaar is en niet nietig. Dat oordeel blijft daarmee in stand.

    ECLI:NL:HR:2020:832

  • Hoge Raad · 3 april 2015

    Cassatieberoep tegen vernietiging verenigingsbesluit verworpen op grond van artikel 81 RO

    Cassatiezaak tegen een koninklijke vereniging, die niet is verschenen. De zaak gaat onder meer over het belang bij vernietiging van een verenigingsbesluit (artikel 2:15 lid 3 BW), naast contractuele en onrechtmatige-daadvragen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met een standaardmotivering op grond van artikel 81 RO, zodat het oordeel van het hof blijft staan.

    ECLI:NL:HR:2015:843

Conclusies van de A-G (49)

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 oktober 2026

    Ontslag van bestuurders door AVA: nietigheid, bijeenroeping en tegenstrijdig belang (A-G)

    “Het onderdeel formuleert, samengevat, de volgende klachten. a. Het bestreden oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft geoordeeld dat voornoemd besluit nietig is, en dus niet vernietigbaar, omdat de oproeping voor de desbetreffende algemene vergadering door Green Quality gebrekkig was (want niet juist is verlopen c.q. op de juiste wijze tot stand is gekomen). Zo’n oproeping ziet echter op de totstandkoming van het besluit in kwestie, waardoor voornoemde besluit ingevolge art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a BW vernietigbaar is, niet nietig. b. Voor zover het hof heeft bedoeld te overwegen dat de algemene vergadering van Qati op 18 maart 2021 niet bevoegd was te besluiten tot het ontslag van [vader en zoon] , geldt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Op grond van wet (art. 2:243-244 BW) en statuten (art. 16 lid 2) is de algemene vergadering van Qati bevoegd tot het ontslaan van bestuurders van de vennootschap, dit staat in de procedure ook niet ter discussie. Behandeling”

    r.o. 3.3 · lid 1

    “Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.4

    “[…] Ik wijs in het bijzonder op rov. 2.8 en rov. 3.5, naast de feitenvaststelling in rov. 2.6 (zie onder 1.6 hiervoor, dit spreekt voor zich). 3.5.4 Het hof laat zich in het bestreden oordeel evenmin erover uit, anders dan de klacht verder veronderstelt, of de rechtbank bij de in rov. 3.2 samengevatte beslissing terecht redeneert vanuit nietigheid (art. 2:14 BW), niet vernietigbaarheid (art. 2:15 BW), van het ontslagbesluit van de algemene vergadering van Qati op 18 maart 2021. Blijkens ’s hofs uiteenzetting in rov. 3.3, gevolgd door rov. 3.4-3.7, is die vraag niet door Qati aan de orde gesteld in haar grief tegen die beslissing van de rechtbank. Op zo’n vraag respondeert het hof dan ook niet in het bestreden oordeel. Dit wordt niet anders door rov. 3.5, eerste en tweede zin (“Ook dan moet het verweer falen. Het hof schaart zich achter de verwerping ervan door de rechtbank en de daarbij gegeven motivering”). Dit slaat hooguit terug op rov. 3.3, waaruit dus blijkt dat volgens het hof voornoemde vraag niet voorligt bij de te beoordelen grief van Qati. Ook daarmee zegt het hof derhalve niets over voornoemde vraag. 3.5.5 Zou de klacht wel voor ogen hebben wat het hof doet in het […]”

    r.o. 3.5

    “Het hof laat zich in het bestreden oordeel evenmin erover uit, anders dan de klacht verder veronderstelt, of de rechtbank bij de in rov. 3.2 samengevatte beslissing terecht redeneert vanuit nietigheid (art. 2:14 BW), niet vernietigbaarheid (art. 2:15 BW), van het ontslagbesluit van de algemene vergadering van Qati op 18 maart 2021. Blijkens ’s hofs uiteenzetting in rov. 3.3, gevolgd door rov. 3.4-3.7, is die vraag niet door Qati aan de orde gesteld in haar grief tegen die beslissing van de rechtbank. Op zo’n vraag respondeert het hof dan ook niet in het bestreden oordeel. Dit wordt niet anders door rov. 3.5, eerste en tweede zin (“Ook dan moet het verweer falen. Het hof schaart zich achter de verwerping ervan door de rechtbank en de daarbij gegeven motivering”). Dit slaat hooguit terug op rov. 3.3, waaruit dus blijkt dat volgens het hof voornoemde vraag niet voorligt bij de te beoordelen grief van Qati. Ook daarmee zegt het hof derhalve niets over voornoemde vraag.”

    r.o. 3.5.4

    ECLI:NL:PHR:2026:938

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 mei 2026

    Vernietigbaarheid intrekking proflicentie door KNVB-organen; marginale toetsing artikel 2:15 en 2:8 BW

    “Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 4.7 en/of 4.9-4.107 van het arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent namelijk in rov. 4.7 en/of 4.9-4.107: dat bij de toetsing/beoordeling door de rechter of een besluit van een orgaan (naar inhoud of totstandkoming) vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW - in aanvulling op en/of voortvloeiend uit de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid - het volgende geldt.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    “Ik begin met enkele opmerkingen over het arrest en het (sub)onderdeel. 4.6.1 In rov. 4.7 stelt het hof onder meer het volgende voorop. a. Op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar als een besluit naar totstandkoming of inhoud in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW (“de gedragsregel van artikel 2:8 BW”). b. Toetsingsmaatstaf is dan of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. c. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. 4.6.2 Volgens het onderdeel overweegt het hof dit een en ander in rov. 4.7 “op zichzelf met juistheid”. Ik lees in het onderdeel - terecht - niet iets anders waar het gaat om ’s hofs overwegingen in rov. 4.7 direct volgend op de onder 4.6.1 sub c hiervoor bedoelde vooropstelling. Te weten: dat het voor zich spreekt […]”

    r.o. 4.6 · lid 1

    “In rov. 4.7 stelt het hof onder meer het volgende voorop. a. Op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar als een besluit naar totstandkoming of inhoud in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW (“de gedragsregel van artikel 2:8 BW”). b. Toetsingsmaatstaf is dan of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. c. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.”

    r.o. 4.6.1 · lid 1

    “In rov. 4.9-4.80 onderzoekt het hof of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun inhoud vernietigbaar zijn. Dit staat in de sleutel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Ik citeer ’s hofs opening en slotsom.”

    r.o. 4.6.4 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2026:448

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 augustus 2025

    Enquête tweede fase: geen wanbeleidsoordeel bij ontbreken te respecteren belang

    “Subonderdeel 5.1 bevat, samengevat, de volgende klachten. a. Het oordeel van de OK in rov. 4.26 van de beschikking dat het niet aan haar, maar aan de gewone civiele rechter is om te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW miskent dat zij, in het kader van haar beoordeling op de voet van art. 2:355 lid 1 BW of uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken wel degelijk ook de door [eiser] - als onderdeel van de grondslag van zijn verzoek - gestelde (ver)nietig(baar)heden van de besluiten van mei/juni 2019 moest beoordelen. Als van die (ver)nietig(baar)heden sprake is, legde dit bij die beoordeling immers gewicht in de schaal voor de kwalificatie wanbeleid althans kon dit het geval zijn, te meer indien herstel/bekrachtiging van die gebreken/besluiten niet mogelijk was. In zoverre is het dus wel degelijk aan de OK om te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW. Hierbij is ook van belang dat de vennootschap een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele […]”

    r.o. 3.38

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.39

    “[…] in het midden of de besluiten uit mei/juni 2019 ongeldig waren ((ver)nietig(baar), althans non-existent) noch of herstel van de desbetreffende gebreken in 2023 door bekrachtiging heeft plaatsgevonden. Ik licht dit toe. 3.40.2 Na - terecht - te hebben overwogen dat niet zij, maar de gewone civiele rechter bevoegd is te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW, behandelt en verwerpt de OK als volgt het in rov. 4.26, eerste twee zinnen bedoelde (technisch-juridische) bezwaar van [eiser] . (i) Het is voor de OK ten tijde van de beschikking (“op dit moment”) geenszins evident dat [eiser] zich vóór 17 november 2023 al op de ongeldigheid van het besluit tot de Aandelenuitgifte en het besluit tot de Conversie had beroepen. (ii) Wat daarvan ook zij, dus van (i): het was in ieder geval alleszins te billijken dat ICTS heeft gekozen voor de hersteloperatie zoals deze is vormgegeven, met eerst een bekrachtiging in 2023 van de in mei/juni 2019 genomen besluiten en daarna een ongedaanmaking van de materiële gevolgen van die besluiten. 3.40.3 Bij die verwerping en behandeling hanteert de OK, veronderstellenderwijs, als vertrekpunt dát de besluiten […]”

    r.o. 3.40

    “Na - terecht - te hebben overwogen dat niet zij, maar de gewone civiele rechter bevoegd is te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW, behandelt en verwerpt de OK als volgt het in rov. 4.26, eerste twee zinnen bedoelde (technisch-juridische) bezwaar van [eiser] . (i) Het is voor de OK ten tijde van de beschikking (“op dit moment”) geenszins evident dat [eiser] zich vóór 17 november 2023 al op de ongeldigheid van het besluit tot de Aandelenuitgifte en het besluit tot de Conversie had beroepen. (ii) Wat daarvan ook zij, dus van (i): het was in ieder geval alleszins te billijken dat ICTS heeft gekozen voor de hersteloperatie zoals deze is vormgegeven, met eerst een bekrachtiging in 2023 van de in mei/juni 2019 genomen besluiten en daarna een ongedaanmaking van de materiële gevolgen van die besluiten.”

    r.o. 3.40.2

    ECLI:NL:PHR:2025:916

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 juni 2025

    Joint venture: schorsing uitvoerend bestuurder, kapitaalstortingsbesluiten en uittreding; verwerping cassatie

    “[…] gaat, om te beginnen, uit van een onjuiste rechtsopvatting. Zij veronderstelt dat een besluit van de algemene vergadering omtrent een kapitaalstorting, dat wordt genomen terwijl die kapitaalstorting naar het inzicht en de belangen van een aandeelhouder niet reëel voorzienbaar profijtelijk zal zijn voor die aandeelhouder, reeds daarom - dus automatisch - vernietigbaar is uit hoofde van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Er is echter geen rechtsregel die dat meebrengt. De klacht draagt ook geen kenbron daarvan aan, maar alleen het hooguit zijdelings relevante betoog - wat daarvan verder zij - dat aandeelhouders in beginsel recht hebben op uitkering van de winst. 3.71.2 Bovendien poneert de klacht dat de van Windward verlangde kapitaalstortingen niet reëel voorzienbaar profijtelijk voor haar zouden zijn, terwijl dat - anders dan de klacht wil; zie nr. 4.1.2 van de procesinleiding - niet volgt uit wat de OK in rov. 3.16 van het arrest overweegt en oordeelt. Kort en goed: dat het ten tijde van de besluiten financieel slecht ging met NST en Windward het toekomstperspectief “twijfelachtig” achtte, zoals de in nr. 4.1.2 van de […]”

    r.o. 3.71 · lid 1

    “De klacht gaat, om te beginnen, uit van een onjuiste rechtsopvatting. Zij veronderstelt dat een besluit van de algemene vergadering omtrent een kapitaalstorting, dat wordt genomen terwijl die kapitaalstorting naar het inzicht en de belangen van een aandeelhouder niet reëel voorzienbaar profijtelijk zal zijn voor die aandeelhouder, reeds daarom - dus automatisch - vernietigbaar is uit hoofde van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Er is echter geen rechtsregel die dat meebrengt. De klacht draagt ook geen kenbron daarvan aan, maar alleen het hooguit zijdelings relevante betoog - wat daarvan verder zij - dat aandeelhouders in beginsel recht hebben op uitkering van de winst.”

    r.o. 3.71.1 · lid 1

    “[…] verlangd mag worden dat het de gronden voor die schorsing zo spoedig mogelijk aan de betrokkene mededeelt. 3.81.3 Een deugdelijke grond voor schorsing kan onder meer gelegen zijn in ernstige aanwijzingen dat de bestuurder zich grovelijk heeft misdragen. Een schorsingsbesluit zonder deugdelijke grond kan vernietigbaar zijn, tegen de achtergrond van art. 2:8 lid 1 BW in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Alle relevante omstandigheden moeten in dat verband in de afweging worden betrokken. In ieder geval bij de inhoudelijke rechterlijke toetsing van het schorsingsbesluit pleegt in de praktijk een zekere terughoudendheid in acht te worden genomen, zoals de OK ook betrekt in rov. 3.24. 3.81.4 Welnu, als ik dan rov. 3.24 bekijk, dan zie ik dat de OK verschillende omstandigheden in aanmerking neemt bij haar oordeel dat Windward c.s.’ beroep op strijd met art. 2:8 lid 1 BW niet slaagt. De OK acht de volgende omstandigheden - die ik enigszins samenvat - tezamen genomen voldoende zwaarwegend om een schorsing te rechtvaardigen. i. Aan het schorsingsbesluit is onder meer ten grondslag gelegd dat [eiser 2] zich als uitvoerend bestuurder van NST schuldig heeft […]”

    r.o. 3.81 · lid 1

    “Een deugdelijke grond voor schorsing kan onder meer gelegen zijn in ernstige aanwijzingen dat de bestuurder zich grovelijk heeft misdragen. Een schorsingsbesluit zonder deugdelijke grond kan vernietigbaar zijn, tegen de achtergrond van art. 2:8 lid 1 BW in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Alle relevante omstandigheden moeten in dat verband in de afweging worden betrokken. In ieder geval bij de inhoudelijke rechterlijke toetsing van het schorsingsbesluit pleegt in de praktijk een zekere terughoudendheid in acht te worden genomen, zoals de OK ook betrekt in rov. 3.24.”

    r.o. 3.81.3 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:735

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 februari 2025

    Te vroeg begonnen aandeelhoudersvergadering: Wijsmuller-norm, vernietigbaarheid en geldigheid statutenwijziging bv

    “[…] vervolgens, in rov. 4.13, de vraag “of het besluit” tot statutenwijziging “nietig is, aannemende dat [betrokkene 1] te vroeg met de vergadering is begonnen”. Het antwoord luidt ontkennend. Daarbij is het hof het eens met de rechtbank dat er totstandkomingsgebreken aan het besluit kleven, maar dat dit niet tot nietigheid van het besluit leidt, hoogstens tot vernietigbaarheid ervan (art. 2:15 BW). De vernietigingsvordering is volgens het onbestreden oordeel van de rechtbank, dat het hof ook juist acht, “verjaard” (lees: vervallen). In cassatie”

    r.o. 2.12

    “[…] hierachter is helder: elk orgaanlid heeft het recht om goed voorbereid op de vergadering te verschijnen. Artikel 2:115/225 lid 1 BW zegt dat bij gebrek aan een (tijdige) oproeping ‘geen wettige besluiten’ kunnen worden genomen en suggereert daarmee dat genomen besluiten nietig zijn. Dat is onjuist. De oproeping ziet op het proces van totstandkoming van een besluit; zij valt daarmee onder artikel 2:15 lid 1 onder a BW. (…) Dit geldt evenzo voor bijvoorbeeld de agendering, de plaats van de vergadering (…)”. Dit veronderstelt dat zo’n oproepingsgebrek hoe dan ook onverlet laat dat de desbetreffende algemene vergadering als zodanig kwalificeert. 3.17.11 De enige in de ST [eiser] genoemde (en mij bekende) bron waar steun te vinden valt voor voornoemde opvatting, is bij De Roo. In het bijzonder waar hij schrijft: “In het algemeen lijkt een aanvang van de algemene vergadering op een eerder moment dan het vastgestelde aanvangstijdstip overigens niet gerechtvaardigd, gegeven dat de vergadergerechtigden in beginsel erop mogen vertrouwen dat de vergadering niet eerder dan dit tijdstip begint. Dit laatste lijkt mij slechts anders waar alle vergadergerechtigden verschenen zijn en geen van […]”

    r.o. 3.17 · lid 1

    “[…] hierachter is helder: elk orgaanlid heeft het recht om goed voorbereid op de vergadering te verschijnen. Artikel 2:115/225 lid 1 BW zegt dat bij gebrek aan een (tijdige) oproeping ‘geen wettige besluiten’ kunnen worden genomen en suggereert daarmee dat genomen besluiten nietig zijn. Dat is onjuist. De oproeping ziet op het proces van totstandkoming van een besluit; zij valt daarmee onder artikel 2:15 lid 1 onder a BW. (…) Dit geldt evenzo voor bijvoorbeeld de agendering, de plaats van de vergadering (…)”. Dit veronderstelt dat zo’n oproepingsgebrek hoe dan ook onverlet laat dat de desbetreffende algemene vergadering als zodanig kwalificeert.”

    r.o. 3.17.10 · lid 1

    “[…] de bijeengeroepen bijeenkomst is. De vraag of zo’n specifieke nietigheid aan de orde is, kan door een betrokkene in rechte ter beoordeling worden voorgelegd, desgewenst ook door degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Hetzelfde geldt als een genomen besluit niet door zo’n specifieke nietigheid wordt getroffen, maar vernietigbaar is, in het bijzonder in de zin van art. 2:15 BW. Dan is dát toch het geëigende beoordelingskader met consequenties van dien, waarbij zij bedacht dat vernietigbaar niet betekent: nietig. De vraag of grond bestaat voor vernietiging kan door een betrokkene in rechte ter beoordeling worden voorgelegd (met inachtneming van de daarvoor geldende regels, zie vooral nader art. 2:15 BW), desgewenst ook door degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Daarbij kan bijvoorbeeld het bepaalde in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a BW dan wel art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW (in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW) opgeld doen. Er is dan, tot slot, ook overigens afdoende rechtsbescherming beschikbaar voor degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Ik noem bijvoorbeeld het bepaalde: in art. 2:8 lid 1 BW (dat ook […]”

    r.o. 3.17.18 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:279

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 april 2024

    Nietigheid VvE-besluit ex artikel 2:14 BW bij dakopbouw en splitsing; oproeping appartementseigenaars

    “[verweerster 1] heeft bij verzoekschrift van 22 maart 2022 een procedure bij de kantonrechter Den Haag aanhangig gemaakt. Zij heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, de kantonrechter verzocht om het toestemmingsbesluit van de VvE te vernietigen op grond van art. 2:15 BW in verbinding met art. 5:130 BW. Volgens [verweerster 1] is het toestemmingsbesluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid alsmede in strijd met de wet.”

    r.o. 2.1

    “Kort na het verzoekschrift van [verweerster 1] hebben ook [verweerster 2] , [betrokkene 1] en [verweerster 4] / [verweerder 5] bij verzoekschrift van 24 maart 2022 een procedure bij de kantonrechter Den Haag aanhangig gemaakt, waarin zij, samengevat, net als [verweerster 1] , de kantonrechter hebben verzocht om het toestemmingsbesluit te vernietigen. Ook zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het toestemmingsbesluit op grond van art. 2:15 BW in verbinding met art. 5:130 BW in strijd is met de wet en de redelijkheid en billijkheid.”

    r.o. 2.2

    “[…] van de akte van splitsing. Omdat het toestemmingsbesluit niet met het quorum is aangenomen, handelt de VvE in strijd met deze bepaling, zodat het toestemmingsbesluit nietig is wegens strijd met de wet. Daarnaast, ik neem aan voor het geval het toestemmingsbesluit niet nietig mocht zijn, komt het toestemmingsbesluit volgens de tegenstemmers ook in aanmerking voor vernietiging op grond van art. 2:15 BW in samenhang met art. 5:130 lid 1 BW.”

    r.o. 2.7

    ECLI:NL:PHR:2024:433

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 januari 2024

    Conclusie: nietigheid of vernietigbaarheid van bestuursbesluiten bij ontslag stichtingbestuurder

    “Centraal bij dit onderwerp staan art. 2:14-2:15 BW. Art. 2:16 BW kan ik laten rusten.”

    r.o. 3.3

    “In de systematiek van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW bevat art. 2:14 lid 1 BW het strenge uitgangspunt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is. Dit uitgangspunt wordt in datzelfde art. 2:14 lid 1 BW evenwel meteen gerelativeerd: de nietigheid geldt niet, voor zover uit de wet iets anders voortvloeit.”

    r.o. 3.4

    “Voorbeelden van dit laatste die blijken uit de wet zijn art. 2:14 lid 2 BW en art. 2:15 lid 1 BW. Artikel 2:14 lid 2 BW ziet op bepaalde besluiten die nietig zijn op de voet van art. 2:14 lid 1 BW, maar bekrachtigd kunnen worden als bedoeld in art. 2:14 lid 2 BW met inachtneming van art. 2:14 lid 3 BW: de nietigheid van het besluit valt dan (met terugwerkende kracht) weg. Artikel 2:15 lid 1 BW ziet op besluiten die niet nietig zijn (art. 2:14 BW speelt niet), maar wel vernietigbaar, waarvoor het vervolg van art. 2:15 BW nadere regels bevat.”

    r.o. 3.5 · lid 1

    “Blijkens art. 2:15 lid 1, aanhef en sub a-c BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens strijd met: (a) een wettelijke of statutaire bepaling die het tot stand komen van besluiten regelt; (b) de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist; en/of (c) een reglement. Art. 2:15 lid 2 BW benadrukt nog eens dat tot de bepalingen als bedoeld sub a niet behoren “die welke de voorschriften bevatten” waarop in art. 2:14 lid 2 BW wordt gedoeld.”

    r.o. 3.6 · leden 1, 2

    ECLI:NL:PHR:2024:17

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2023

    Conclusie: terugbetaling transactiesom coöperatie als uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis (artikel 2:60 BW)

    “Uit het voorgaande volgt dat DOC Kaas de vertrekkende leden tijdens de laatste maand van hun lidmaatschap de verhoging van de prijs van de melk niet had mogen onthouden. Het hof verwerpt de stelling van DOC Kaas dat het besluit om dat te doen niet (tijdig) is vernietigd conform van artikel 2:15 lid 1 BW. Dat is, gezien het voorgaande, onmiskenbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als bedoeld in artikel 2:8 lid 2 BW, en daarmee niet van toepassing tussen DOC Kaas en de per 1 januari 2017 vertrokken melkveehouders. Anders dan DOC Kaas meent, betekent het buiten toepassing laten van bedoeld besluit (het niet toekennen van de prijsverhoging aan de vertrekkende leden) op die grond niet dat dat besluit daarmee is vernietigd. Daarmee is er geen noodzaak voor een nieuw besluit. Dat DOC Kaas nu stelt dat zij de melkprijs voor de in de maand januari 2017 geleverde melk eenmalig had kunnen verhogen om hetzelfde resultaat te bereiken, komt evenmin betekenis toe omdat het hier gaat om een feitelijk doorgevoerde verhoging van de melkprijs in december 2016, die zij aan deel van haar toenmalige leden heeft ontzegd. Uit een en ander volgt dat grief 7 in principaal […]”

    r.o. 7.20 · lid 1

    “Het onderdeel valt uiteen in een inleiding (nr. 6.0) en twee subonderdelen met klachten (nrs. 6.1-6.2). Deze komen neer op het volgende. 3.32.1 Subonderdeel 6.1 klaagt vooreerst dat het hof in rov. 7.17-7.20 van het arrest heeft miskend dat het uit art. 2:8 lid 1 BW voortvloeiende gelijkheidsbeginsel met zich brengt dat leden die zich in gelijke omstandigheden bevinden gelijk moeten worden behandeld, maar dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet. Dit is de eerste rechtsklacht. Althans, het hof miskent dat de omstandigheid dat het hebben van (definitieve) aanspraak op een eenmalige extra aanblijfbonus (die wordt uitgekeerd door een opslag op de daadwerkelijke melkprijs), en niet het vertrek op zichzelf, maakt dat deze leden zich niet in gelijke omstandigheden bevinden als de vertrekkende leden die als gevolg van hun vertrek geen aanspraak (meer) hebben op de aanblijfbonus in de vorm van een opslag op de melkprijs. Dit is de tweede rechtsklacht.Bovendien miskent het hof dat de distributie van de aanblijfbonus onder de aanblijvende leden met aanspraak daarop via een opslag op de melkprijs, materieel gezien onderscheiden moet worden van verhoging van de melkprijs zelf, en […]”

    r.o. 3.32

    ECLI:NL:PHR:2023:910

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2022

    Schorsing en ontslag directeur-bestuurder stichting; voorlopige voorziening artikel 2:15 BW

    “Bij dagvaarding in kort geding van 29 mei 2020 hebben [betrokkene 2] en [eiser] na eisvermeerdering - samengevat - gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - I. in afwachting van de vernietiging van het besluit tot schorsing van [eiser] op de voet van art. 2:15 BW de schorsing op te heffen althans het schorsingsbesluit buiten werking te stellen totdat de rechter in een bodemprocedure over het schorsingsbesluit heeft geoordeeld; - II. in afwachting van de vernietiging van het besluit tot ontslag van [eiser] op de voet van art. 2:15 BW het ontslag op te heffen althans het ontslagbesluit buiten werking te stellen totdat de rechter in een bodemprocedure daarover heeft geoordeeld; - III. SIO te bevelen [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden onverkort en volledig uit te oefenen en daartoe alles in het werk te stellen, SIO te verbieden [eiser] uit zijn functie te ontheffen en/of hem de overeengekomen taken en/of werkzaamheden te ontnemen dan wel te beperken, en SIO te verbieden hem opnieuw te schorsen of te ontslaan; - IV. in afwachting van de vernietiging van het besluit tot ontslag van [betrokkene 2] op de voet van art. 2:15 BW het ontslagbesluit buiten werking […]”

    r.o. 2.1

    “[…] [eiser] heeft zijn eis in hoger beroep gewijzigd ten opzichte van zijn vorderingen in eerste aanleg en heeft - samengevat - gevorderd (zoals verstaan door het hof) dat het hof het vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: - I. bij wijze van voorlopige maatregel en in afwachting van de vernietiging van het besluit tot schorsing en ontslag van [eiser] op de voet van art. 2:15 BW, deze schorsing en ontslag opheft althans het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit buiten werking stelt totdat hierover in een bodemprocedure zal zijn beslist; - II. SIO veroordeelt [eiser] weder te werk te stellen; - III. bij wijze van voorlopige maatregel en in afwachting van de vernietiging van het ontslagbesluit van [betrokkene 2] , dit besluit buiten werking stelt totdat hierover in een bodemprocedure zal zijn beslist; - IV. bij wijze van voorlopige (orde)maatregel en in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure oordeelt dat uitsluitend [eiser] en [betrokkene 2] gerechtigd zijn om als interim bestuurders en vertegenwoordigers van SIO op te treden; - V. SIO beveelt binnen 24 uur na betekening van dit arrest een rectificatie aan derden kenbaar te maken met betrekking […]”

    r.o. 2.5

    ECLI:NL:PHR:2022:132

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2022

    Vernietigbaarheid ontslagbesluit lid algemeen bestuur stichting; belang ontbreekt, A-G concludeert tot verwerping

    “Bij dagvaarding in kort geding van 29 mei 2020 hebben [eiser] en [betrokkene 2] na eisvermeerdering - samengevat - gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - I. in afwachting van de vernietiging van het besluit tot schorsing van [betrokkene 2] op de voet van art. 2:15 BW de schorsing op te heffen althans het schorsingsbesluit buiten werking te stellen totdat de rechter in een bodemprocedure over het schorsingsbesluit heeft geoordeeld; - II. in afwachting van de vernietiging van het besluit tot ontslag van [betrokkene 2] op de voet van art. 2:15 BW het ontslag op te heffen althans het ontslagbesluit buiten werking te stellen totdat de rechter in een bodemprocedure daarover heeft geoordeeld; - III. SIO te bevelen [betrokkene 2] in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden onverkort en volledig uit te oefenen en daartoe alles in het werk te stellen, SIO te verbieden [betrokkene 2] uit zijn functie te ontheffen en/of hem de overeengekomen taken en/of werkzaamheden te ontnemen dan wel te beperken, en SIO te verbieden hem opnieuw te schorsen of te ontslaan; - IV. in afwachting van de vernietiging van het besluit tot ontslag van [eiser] op de voet van art. 2:15 BW het […]”

    r.o. 2.1

    “In rov. 3.5-3.6 van het arrest overweegt het hof als volgt: “3.5In zijn toelichting op deze grieven betoogt [eiser] , zakelijk weergegeven, dat het op 27 mei 2020 genomen ontslagbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en/of vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. [eiser] voert hiertoe aan: (i) dat in de oproep voor deze vergadering van 12 mei 2020 niet was vermeld dat zijn ( [eiser] ) ontslag als bestuurder op de agenda stond, maar dat dit pas op 26 mei 2020 aan de agenda is toegevoegd, hetgeen in strijd is met de artikelen 10 lid 3 en 12 lid 4 van de statuten; (ii) dat het besluit niet is genomen met het krachtens artikel 12 lid 2 van de statuten voorgeschreven quorum aan stemmen. ten aanzien van (i)”

    r.o. 3.6 · lid 1

    “Gezien 3.5-3.9 hiervoor brengt het falen van subonderdeel II.c reeds mee dat ’s hofs oordeel “ten aanzien van (i)” als bedoeld in rov. 3.5-3.6 van het arrest - erop neerkomend dat de daar bedoelde strijd met de statuten van SIO wordt beheerst door art. 2:15 lid 1 onder a BW (niet art. 2:14 lid 1 BW), en dat voor vernietiging van het op 27 mei 2020 genomen ontslagbesluit ten aanzien van [eiser] op de voet van art. 2:15 lid 1 onder a BW geen grond bestaat, omdat aan [eiser] een dergelijk beroep op vernietigbaarheid niet toekomt nu hij geen belang hierbij heeft - hoe dan ook stand houdt in cassatie, wat betekent dat subonderdelen II.a en II.b geen behandeling behoeven.”

    r.o. 3.10 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2022:134

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 januari 2022

    Is een werknemer door een benoemingsbesluit statutair bestuurder geworden en kon hij zo worden ontslagen?

    “[…] voldoende dat diens besluit schriftelijk wordt vastgelegd.De meeste auteurs nemen aan dat het schenden van het schriftelijkheidsvereiste van art. 2:238 BW (zowel in de oude als in de nieuwe redactie) leidt tot nietigheid van de stem en van het besluit (als bedoeld in art. 3:39 BW respectievelijk art. 2:14 lid 1 BW) en dus niet tot ‘slechts’ vernietigbaarheid van het besluit (op grond van art. 2:15 lid 1 onder a BW). Het bepalen van de inhoudelijke strekking van het bewuste geschrift (de stemverklaring of het integrale besluit) is een uitlegkwestie. Aangenomen wordt dat daarbij in beginsel objectieve maatstaven moeten worden aangelegd, waarbij slechts voor derden kenbare feiten en omstandigheden, in het bijzonder de tekst, een rol kunnen spelen.”

    r.o. 3.4 · lid 1

    “Over het ontslag van een statutair bestuurder merk ik het volgende op. Op grond van art. 2:244 lid 1, eerste volzin, BW kan een statutair bestuurder te allen tijde worden ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming. De wet beperkt de ontslaggronden niet. De ontslaggrond kan, maar hoeft dus niet te zijn gelegen in bijvoorbeeld disfunctioneren of verwijtbaar gedrag van de bestuurder of de financieel-economische omstandigheden. Een belanghebbende, onder wie de gewezen bestuurder, kan op de voet van art. 2:15 BW vernietiging van het ontslagbesluit vorderen. In deze zaak speelt dat overigens geen rol. De relatie tussen het ontslag van een statutair bestuurder en de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met die statutair bestuurder”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:PHR:2022:31

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 december 2021

    Gezag van gewijsde van beschikking ex artikel 2:298 BW over ontslag stichtingbestuurder

    “Bij dagvaarding van 26 januari 2018 heeft [eiser] De Drie Geuzen en [verweerder 2] gedagvaard en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd dat de rechtbank, zakelijk weergegeven: - I. voor recht verklaart dat het besluit van 26 april 2017 tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder van De Drie Geuzen niet rechtsgeldig dan wel nietig is op grond van art. 2:14 BW, dan wel het besluit vernietigt ex art. 2:15 BW; - II. De Drie Geuzen en [verweerder 2] hoofdelijk veroordeelt om (uiterlijk) binnen drie dagen na betekening van het vonnis [eiser] met onmiddellijke ingang bij de Kamer van Koophandel in te (doen) schrijven als statutair bestuurder van De Drie Geuzen, een en ander op straffe van een dwangsom; - III. De Drie Geuzen en [verweerder 2] hoofdelijk veroordeelt om (uiterlijk) binnen drie dragen na betekening van het vonnis [betrokkene 1] met onmiddellijke ingang bij de Kamer van Koophandel uit te (doen) schrijven als statutair bestuurder van De Drie Geuzen, een en ander op straffe van een dwangsom; - IV. De Drie Geuzen en [verweerder 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure.”

    r.o. 2.1

    “Daarbij wijs ik verder erop dat, voor zover in cassatie relevant, de achtergrond van de beschikking mede gelegen is in (de beoordeling van) een verzoekschrift op de voet van art. 2:298 BW en de achtergrond van het arrest, evenals het daaraan voorafgaande vonnis, mede gelegen is in (de beoordeling van) een vordering op de voet van art. 2:15 BW. Op grond van art. 2:298 BW kan de rechtbank, kort gezegd, desverzocht een bestuurder van een stichting ontslaan als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Op grond van art. 2:15 BW kan de rechtbank, kort gezegd, desgevorderd een besluit van een rechtspersoon vernietigen als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. a. Objectieve omvang van het gezag van gewijsde”

    r.o. 3.4

    “[…] volgende voorwaarden is voldaan, hetgeen van geval tot geval beoordeeld dient te worden. Dat geldt (dus) ook in het onderhavige geval. Daaraan doet op zichzelf (dus) niet af dat, zoals in het onderhavige geval, de beslissingen in de verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW ook betrekking hebben op een besluit van een rechtspersoon, en vernietiging van een dergelijk besluit zoals bedoeld in art. 2:15 lid 1 BW (jo. art. 2:8 BW) niet in een dergelijke procedure aan de orde kan komen, maar op de voet van art. 2:15 lid 3 BW geschiedt, zo daartoe aanleiding bestaat en desgevorderd, door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon in een daartoe strekkende dagvaardingsprocedure., Daarbij wijs ik er nog op dat in de beschikking de rekestenrechter ook niet zo’n vernietiging van het ontslagbesluit heeft uitgesproken, hetgeen in deze verzoekschriftprocedure ook niet voorlag, maar, zoals het hof vaststelt in rov. 2 sub vii) in verbinding met rov. 3.11 van het arrest, dus slechts (en bij wege van daarin te beantwoorden voorvraag, voor zover daarin aan de orde gesteld) het ontslagbesluit in het licht van hetgeen in deze verzoekschriftprocedure wel voorlag (en met […]”

    r.o. 3.9 · leden 1, 3

    “[…] kan volgens het subonderdeel “[i]mmers” geen andere conclusie worden getrokken dan dat [verweerder 2] aan de rekestenrechter het verzoek had voorgelegd om [eiser] op grond van art. 2:298 BW te ontslaan, terwijl de rekestenrechter op het moment dat hij de beschikking gaf, wist dat er bij de rechtbank een afzonderlijke dagvaardingsprocedure aanhangig was waarin [eiser] op grond van art. 2:15 jo. 2:8 BW de vernietiging van het ontslagbesluit had gevorderd. De rekestenrechter is dan ook buiten de door art. 2:298 BW getrokken begrenzing van zijn bevoegdheid getreden, dan wel heeft hij de grondslag van het verzoek verlaten en is hij ten onrechte vooruitgelopen op het oordeel over de rechtsgeldigheid van het ontslagbesluit in de dagvaardingsprocedure - met het risico dat daarover tegenstrijdige beslissingen zouden worden gegeven. Aan dat oordeel van de rekestenrechter kan “daarom” geen gezag van gewijsde toekomen, en het hof heeft ook ten onrechte overwogen dat dit wel het geval is, aldus nog steeds het subonderdeel.”

    r.o. 3.10

    ECLI:NL:PHR:2021:1253

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 april 2021

    Aansprakelijkheid bestuurder bij verhuur eigen perceel aan vennootschap; tegenstrijdig belang

    “[…] bestuursbesluiten van [eiseres] tot (i) het op 28 november 2008 aangaan van de lening van € 310.000,--, (ii) het doen van de € 12.690,36 aan privéuitgaven, (iii) het maken van de € 11.544,67 aan accountantskosten, (iv) het op 25 februari 2009 op naam van [D] zetten van een mobiel telefoonnummer van [eiseres] en (v) het op 31 oktober 2008 aangaan van de overeenkomst met ASAP, op de voet van art. 2:15 lid 3 sub b BW vernietigt; - 3. het aandeelhoudersbesluit van [eiseres] ex art. 2:210 lid 3 BW tot vaststelling van de jaarrekening 2007 op de voet van art. 2:15 lid 3 sub b BW vernietigt; - 4. verklaart voor recht dat de onttrekkingen bestaande uit (i) de lening van € 310.000,--, (ii) de € 12.690,36 aan privéuitgaven en (iii) de € 11.544,67 aan accountantskosten, nietig, dan wel vernietigd zijn en [verweerder] te veroordelen tot (terug)betaling aan [eiseres] van het totaalbedrag van deze onttrekkingen van € 334.235,03, althans [verweerder] in verband met deze transacties te veroordelen tot betaling van € 334.235,03 aan [eiseres] op grond van onrechtmatige daad, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de verschillende data […]”

    r.o. 2.1 · lid 3

    “[…] gelegenheid zullen worden gesteld tot het nemen van een antwoordakte; en iedere verdere beslissing aangehouden. Aan die beslissing liggen, samengevat, de volgende overwegingen ten grondslag. - Rov. 7.1 t/m 7.8 hebben betrekking op de vorderingen in conventie van [eiseres] . - De rechtbank wijst de vordering bedoeld onder 2.1 sub 2 hiervoor af. [eiseres] heeft nagelaten de weg te volgen die art. 2:15 lid 3 sub b BW voorschrijft en is derhalve niet-ontvankelijk in deze vordering. (rov. 7.1) - De rechtbank wijst de vordering bedoeld onder 2.1 sub 3 hiervoor af. Ook voor deze vordering geldt dat [eiseres] heeft nagelaten de in art. 2:15 lid 3 sub b BW voorgeschreven procedure te bewandelen. Het besluit tot vaststelling van de jaarrekening 2007 blijft in stand en de rechtbank zal bij de beoordeling van de vorderingen in reconventie het in de jaarrekening 2007 vastgestelde bedrijfsresultaat als uitgangspunt nemen. (rov. 7.2) - De rechtbank wijst de primaire vordering bedoeld onder 2.1 sub 4 hiervoor af. Uit rov. 7.1 en 7.2 volgt dat de gevraagde verklaring voor recht dat de desbetreffende onttrekkingen nietig dan wel vernietigd zijn, wordt afgewezen. (rov. 7.3) - In rov. 7.4 t/m 7.6 […]”

    r.o. 2.6 · lid 3

    “[…] onderzoek van BDO zou blijken dat de winst van [eiseres] over 2007 plusminus € 1 miljoen lager zal uitkomen dan de winst van € 1.727.000,- zoals die blijkt uit de door [verweerder] opgestelde jaarrekening 2007 van [eiseres] . [eiseres] heeft deze stellingen, die door [verweerder] zijn betwist, blijkens nr. 65 van de dagvaarding, ten grondslag gelegd aan haar vordering tot vernietiging ex artikel 2:15 lid 3 sub b BW tot vernietiging van het aandeelhoudersbesluit van [eiseres] tot vaststelling van de jaarrekening 2007. De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat [eiseres] heeft nagelaten de in artikel 2:15 lid 3 BW voorgeschreven procedure te bewandelen en dat de vordering daarom zal worden afgewezen. Aan bewijslevering van de aan deze vorderingen ten grondslag gelegde (en betwiste) stellingen wordt dan niet meer toegekomen. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat zij zonder vernietiging van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening 2007 geen ruimte ziet voor een debat over de vraag of de jaarrekening de werkelijke winst wel of niet juist weergeeft.” - De rechtbank overweegt vervolgens dat aan de hand van de door beide partijen genomen aktes op een aantal punten […]”

    r.o. 2.8 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2021:439

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 maart 2021

    Verlaging uittredingsleeftijd partners: AVA-besluit, leeftijdsdiscriminatie en onrechtmatige daad naast artikel 2:15 BW

    “[…] aan de pensioenleeftijd van 62 jaar, veroordeling van HAB tot betaling van een compensatie ter hoogte van een winstaandeel voor de jaren 2017, 2018 en 2019, met een redelijke aftrek in goede justitie te bepalen; - III. alles te vermeerderen met rente en kosten. [verweerders] stellen daartoe dat het AVA-besluit en het BAVA-besluit in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:15 jo. art. 2:8 BW wordt geëist, omdat [verweerder 3] en [verweerder 4] door deze besluiten onevenredig worden benadeeld, nu zij in 2016 beiden 62 jaar zijn geworden en derhalve direct door het besluit worden getroffen. Zij hebben daarop immers niet kunnen anticiperen door het treffen van extra voorzieningen, terwijl de jongere partners nog voldoende tijd hebben om de noodzakelijke maatregelen te treffen om de gevolgen van dit besluit in de toekomst te kunnen opvangen. Voorts is geen rekening gehouden met de gevolgen van de besluiten voor [verweerder 3] en [verweerder 4] door hen bijvoorbeeld een overgangsregeling aan te bieden, is er geen valide reden voor de besluiten anders dan de verhoging van het winstaandeel voor de jongere partners en is er, in strijd met fundamentele rechten, […]”

    r.o. 2.1

    “[…] van [verweerders] afgewezen en hen, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeeld in de proces- en nakosten. Aan deze beslissing ligt, samengevat, de volgende beoordeling ten grondslag. - De rechtbank beoordeelt in rov. 4.1-4.9 eerst de primaire vordering van [verweerders] - De rechtbank onderzoekt daartoe in de eerste plaats of het AVA-besluit en het BAVA-besluit in strijd zijn met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW jo. art. 2:8 BW. Onder verwijzing naar parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad concludeert de rechtbank dat “de norm [kort gezegd: van strijd met de redelijkheid en billijkheid, A-G] een zodanige marge laat dat de rechter niet al te snel - zeker niet wanneer het betrokken orgaan tegenstrijdige belangen heeft moeten afwegen - tot overschrijding daarvan kan besluiten.” (rov. 4.1) - Vervolgens geeft de rechtbank weer welk verweer HAB heeft gevoerd. (rov. 4.2) - De rechtbank constateert dat de door HAB gestelde belangen, waaronder het financiële belang, het belang van een gezonde onderneming en het verbeterde toekomstperspectief van HAB, als zodanig niet zijn betwist door [verweerders] en dat zij daar slechts tegenover stellen dat zijzelf […]”

    r.o. 2.5 · lid 1

    “Bij tussenarrest van 19 december 2017 (hierna: het tussenarrest) heeft het hof onder meer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verwachte ontwikkeling van de winst van HAB over 2017 t/m 2019 en alle omstandigheden die het hof naar hun oordeel bij zijn afwegingen ter zake van de hoogte van het vast te stellen bedrag dient te betrekken. Het hof overweegt daartoe als volgt: (rov. 3.1-3.6) “3.1 In hoger beroep komen [verweerder 3] en [verweerder 4] met een vijftal grieven op tegen het oordeel van de rechtbank, zakelijk samengevat, dat het AVA-besluit en het BAVA-besluit niet in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:15 jo 2:8 BW en dat HAB zich daarop jegens [verweerder 3] en [verweerder 4] mag beroepen zonder dat het bepaalde in de artt. 6:2 lid 2 resp. 6:248 lid 2 BW meebrengt dat zij tot een compensatie van hun schade gehouden is. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.”

    r.o. 2.13

    “[…] staan aan de veroordeling van HAB op de grondslag van art. 6:162 BW, via route (ii). Dat is m.i. niet het geval. Daartoe wijs ik in de eerste plaats op de parallel die kan worden getrokken met het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016, waarin onder meer het volgende is overwogen: “4.1.2 Voor zover het onderdeel een beroep doet op de omstandigheid dat [verweerster] niet op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b, BW vernietiging van het besluit tot opzegging heeft gevorderd, is van belang dat de op art. 2:15 BW gebaseerde vordering tot vernietiging van een besluit van een rechtspersoon is gericht op andere rechtsgevolgen dan de onderhavige vordering, die is gebaseerd op onrechtmatige opzegging. De eerstgenoemde vordering is gericht op aantasting van het besluit. De laatstgenoemde vordering neemt de rechtsgeldigheid van het besluit tot uitgangspunt, en is gericht op vergoeding van schade die de eiser lijdt door de handeling waartoe is besloten. Art. 2:15 BW sluit een zodanige, op onrechtmatige daad gebaseerde, vordering niet uit, ook niet in een geval waarin een lid van de rechtspersoon daarmee wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die […]”

    r.o. 3.14 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2021:272

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 februari 2020

    Appartementsrecht: nietigheid of vernietigbaarheid VvE-besluit bij ontbrekende gekwalificeerde meerderheid

    “Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen en is gericht tegen rov. 19, 27 en 29 van de beschikking van het hof. Onderdelen 1 en 2 zijn gericht tegen rov. 27 en bevat rechtsklachten en een motiveringsklacht tegen de toepassing van de – op zichzelf in cassatie onbestreden – maatstaf bij de uitleg van art. 37 lid 8 van het splitsingsreglement. Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 19 en bevat een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof dat een gebrek in de besluitvorming dat inhoudt dat een vereiste gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald, niet kan worden geschaard onder de in art. 2:15 BW bedoelde schending van bepalingen ‘die de totstandkoming van een besluit regelen’. Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 29 en bevat een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat het argument van [verzoeker] dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat hij gevaar en overlast zal ondervinden, niet opgaat.”

    r.o. 3.1

    “Onderdeel 3 richt zich tegen rov. 19, waarin het hof als volgt heeft overwogen: “De VvE heeft terecht aangevoerd dat voor zover het verzoek van [verzoeker] is gebaseerd op de stelling dat voor het besluit een gekwalificeerde meerderheid vereist was en deze niet is gehaald, dat moet worden gezien als een beroep op nietigheid van het besluit in de zin van artikel 2:14 BW. Anders dan [verzoeker] heeft betoogd, kan dit gestelde gebrek in de besluitvorming niet worden geschaard onder de in artikel 2:15 BW bedoelde schending van bepalingen ‘die de totstandkoming van een besluit regelen’. Dit betekent dat [verzoeker] dit bezwaar, op zich beschouwd, in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank had moeten aankaarten.””

    r.o. 3.28

    “Het onderdeel klaagt, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat een bepaling houdende vereiste van een gekwalificeerde meerderheid is aan te merken als een bepaling als bedoeld in art. 2:15 BW die de totstandkoming van een besluit regelt.”

    r.o. 3.29

    “Het oordeel van het hof dat [verzoeker] het bezwaar dat een (in het splitsingsreglement voorgeschreven) gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald – op zich beschouwd – in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank had moeten aankaarten, is juist. Op grond van art. 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van art. 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens strijd (a) met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; (b) met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist en (c) met een reglement. Indien een op grond van de wet of de statuten vereiste gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald, is sprake van een gebrek dat nietigheid met zich brengt (en niet van een met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen strijdig vernietigbaar besluit).”

    r.o. 3.33 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2020:119

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2020

    Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig

    “[…] algemene vergadering van aandeelhouders van 17 juli 2017 en evenmin is gehoord over het te nemen ontslagbesluit of in de gelegenheid is gesteld om haar raadgevende stem te gebruiken, hetgeen in strijd is met de statuten van [verweerster] Beheer en het bepaalde in art. 2:227 lid 7 BW. [eiseres] Holding heeft voorts gesteld dat het besluit in ieder geval vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 onder a BW in samenhang met art. 2:8 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de bestuurder moet worden gehoord voordat hij wordt ontslagen. [eiseres] Holding heeft dit besluit dan ook bij brief van 11 augustus 2017 (verzonden per e-mail) op diezelfde dag vernietigd. Aan de vorderingen onder II en III heeft [eiseres] Holding ten grondslag gelegd dat de opzegging van de managementovereenkomst niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De managementovereenkomst kan niet eerder eindigen dan nadat het formele ontslagbesluit is genomen, hetgeen niet rechtsgeldig is gebeurd. Voorts heeft zij gesteld dat uit art. 5.5 van de koopovereenkomst alsmede uit overige feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat partijen als […]”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “Naar het oordeel van het hof gaat het bij de door [eiseres] Holding bedoelde schending van wettelijke en statutaire bepalingen om bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder a BW, waarbij geen sprake is van een schending als bedoeld in artikel 2:14 lid 2 BW. Aldus is sprake van een vernietigbaar (ontslag)besluit. Het horen van de directeur over zijn ontslag tijdens de aandeelhoudersvergadering vindt zijn grondslag in artikel 2:8 BW, waarbij ook [eiseres] Holding ervan uitgaat dat het nalaten hiervan reden is voor vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Voor zover [eiseres] Holding nog stelt dat zij het ontslagbesluit heeft vernietigd bij brief van 11 augustus 2017 van haar advocaat, is van belang dat artikel 2:15 lid 3 BW voorschrijft dat vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank. Buitengerechtelijke vernietiging is niet mogelijk. Dit betekent dat op en na 17 juli 2017 sprake is geweest van een weliswaar vernietigbaar maar niet vernietigd en daarom vooralsnog als geldig te beschouwen ontslagbesluit, zodat (ook) de vordering onder I in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen. Voor zover [eiseres] […]”

    r.o. 6.21 · leden 1, 3

    “Onderdeel 1 (p. 3-5 van de procesinleiding) bevat de rechtsklacht dat “[h]et oordeel van het hof in rov. 6.21, dat de geschonden statutaire bepalingen het ontslagbesluit vernietigbaar maken in de zin van art. 2:15 lid 1 onder a BW, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting”. Volgens [eiseres] Holding heeft het hof daarmee miskend dat “een dergelijk besluit nietig is in de zin van art. 2:14 lid 2 BW, in geval de bestuurder geen agenda heeft ontvangen, niet (tijdig) is opgeroepen en bijgevolg zijn raadgevende stem niet heeft kunnen laten horen ter aandeelhoudersvergadering zodat deze geen invloed heeft kunnen uitoefenen op dat besluit.” Gelet ook op de ST-M en de Repliek-M komt dit erop neer dat die sanctie van nietigheid in de zin van art. 2:14 lid 2 BW (en niet die van vernietigbaarheid in de zin van art. 2:15 lid 1 (onder a) BW) een (ontslag)besluit van de algemene vergadering treft, indien de bestuurder niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld om als zodanig ter aandeelhoudersvergadering zijn raadgevende stem in de zin van art. 2:227 lid 7 BW (althans een daarmee overeenstemmende statutaire bepaling) te gebruiken, doordat de algemene vergadering dat besluit “achter de rug […]”

    r.o. 3.2 · lid 1

    “De voorliggende materie van (ver)nietig(baar)heid van besluiten van organen van rechtspersonen is notoir weerbarstig. Voor een goed begrip, en gelet ook op de casus gedreven relevantie van diverse aspecten van B.V.-recht, zet ik het juridisch kader stapsgewijs en niet al te afgemeten uiteen. Mijn startpunt zijn de algemene regelingen van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW in Titel 1 van Boek 2 BW, die van dwingend recht zijn (art. 2:25 BW). In het onderhavige geval zijn in het bijzonder relevant art. 2:14 BW en art. 2:15 lid 1 en lid 2 BW. a. Tekst van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW”

    r.o. 4.1 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2020:111

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Conclusie: vernietiging statutenwijziging vereniging wegens strijd met redelijkheid en billijkheid; artikel 3:53 lid 2 BW

    “Op 11 februari 2014 heeft (onder anderen) [verweerder] de VD gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, incidenteel gevorderd de zaak te voegen met de onder nr. 1.28 hiervoor genoemde procedure en (in de hoofdzaak) gevorderd, onder meer, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van de VD van 11 december 2013 als bedoeld onder nr. 1.29 hiervoor op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW jo. art. 2:8 jo. art. 3:12 BW zal worden vernietigd wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid, alles met veroordeling van de VD in de proceskosten. Deze procedure heeft als zaak/rolnummer C/14/152509/HAZA 14-73.”

    r.o. 1.32 · lid 1

    “In haar conclusie van antwoord (hierna: de CvA) heeft de VD onder meer aangevoerd dat [verweerder] door zijn opzegging geen lid meer is van de VD en dat hij dus niet meer behoort tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de VD betrokken zijn. Het gevolg daarvan is, zo vervolgt de VD, dat [verweerder] ook geen beroep meer kan doen op art. 2:8 BW en in het verlengde daarvan op art. 2:15 lid 1 sub b BW. De VD concludeert dat [verweerder] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat zijn vorderingen terstond moeten worden afgewezen. In de CvA voert de VD ook inhoudelijk verweer tegen het beroep van [verweerder] op art. 2:8 BW en art. 2:15 BW en doet zij voorts – voor het geval dat beroep van [verweerder] gehonoreerd zou worden – een nadrukkelijk beroep op art. 3:53 lid 2 BW, omdat de statutenwijziging bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt. De VD heeft in de CvA aangeboden al haar stellingen te bewijzen, speciaal door middel van getuigen, onder wie eveneens de oud-bestuurders en bestuurders.”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “Wat betreft het (primaire) verweer van de VD dat [verweerder] c.s. geen beroep meer kan doen op art. 2:8 BW en in het verlengde daarvan evenmin op art. 2:15 lid 1 sub b BW, oordeelde de rechtbank dat dit verweer van de VD niet slaagt. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of (het besluit van de VD tot) de statutenwijziging onaanvaardbaar is; de rechtbank zag geen grond voor het oordeel dat (de ledenvergadering van) de VD na afweging van alle bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit van 11 december 2013 heeft kunnen komen. De rechtbank heeft de vordering van [verweerder] c.s. tot vernietiging van het besluit van 11 december 2013 afgewezen en [verweerder] c.s. in de proceskosten veroordeeld.”

    r.o. 2.3 · lid 1

    “[…] eerste onderdeel bevat rechts- en motiveringsklachten verband houdend met de devolutieve werking van het hoger beroep, waarvan de kern staat in nrs. 1.2 (subonderdeel 1.2), 1.3 (subonderdeel 1.3), 1.4 (subonderdeel 1.4) en 1.6 (subonderdeel 1.6). Het tweede onderdeel draait om rechts- en motiveringsklachten verband houdend met de toepassing van art. 2:8 BW (zonodig in samenhang gelezen met art. 2:15 lid 1 sub b BW), opgesplitst in subonderdelen 2.a-2.c (waarbinnen ook niet elk nr. een klacht bevat). Nr. 1 (inclusief 1.1.a-1.1.c) en nr. 1.5 bevatten inleidende opmerkingen respectievelijk een tussenconclusie. Omwille van een coherente behandeling van de klachten behandel ik eerst de klachten over art. 2:8 BW en art. 2:15 BW die in het middel zijn verspreid over subonderdelen 1.2, 1.6 en 2.a-2.c. Vervolgens wend ik mij tot de klachten als vervat in subonderdelen 1.3-1.4. Ik merk daarbij het volgende op. In rov. 3.3 van het tussenarrest geeft het hof de volgende aanduiding voor het besluit van (de ledenvergadering van) de VD van 11 december 2013 tot wijziging van de statuten van de VD: ‘wijzigingsbesluit VD’. Ik zal deze aanduiding hierna ook hanteren. Dit laatste geldt ook voor de […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2019:1178

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 juni 2019

    Uitleg statutaire aanbiedingsregeling, aandeelhoudersovereenkomst en redelijkheid en billijkheid

    “[…] kan zijn. Het vormt evenmin een zodanig zwaarwegende omstandigheid dat het ingevolge artikel 2:8 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn voor [verweerster 2] en [verweerder 3] om zich ten opzichte van [eiseres] op het bepaalde in artikel 15 van de statuten te beroepen, zodat [eiseres] zich ook niet op vernietiging van het ontslagbesluit ingevolge artikel 2:15 BW kan beroepen. De overige door [eiseres] genoemde omstandigheden – (i) dat van wijziging van zeggenschap of economische eigendom geen sprake was, (ii) dat de certificaten alle in handen van [betrokkene 1] zijn gebleven, (iii) dat [betrokkene 1] in de periode dat de Stak de aandelen hield als enige bestuurder is geweest, (iv) dat in feite van een intern verhangen van aandelen sprake was, zonder dat een derde persoon feitelijk werd betrokken en dus van een wijziging in materiële zin geen sprake was, en (v) dat [verweerder 3] c.s. door de overdracht over en weer niet zijn geschaad, terwijl (vi) bij het opnemen van de aanbiedingsplicht bij de statutenwijziging in mei 2007 door partijen niet specifiek over de aanbiedingsplicht (al dan niet in geval van een stakconstructie) is gesproken, […]”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:PHR:2019:768

  • Parket bij de Hoge Raad · 22 maart 2019

    Uitspraak Parket bij de Hoge Raad

    “Art. 5:130 lid 1 BW verwijst naar art. 2:15 BW. Deze bepaling maakt onderdeel uit van titel 1 van Boek 2 en bevat een regeling voor de vernietiging van besluiten van een orgaan van een rechtspersoon. Art. 2:15 BW bepaalt, voor zover van belang: “1. Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist; c. wegens strijd met een reglement. 2. (…) 3. Vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon: a. op een vordering tegen de rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, of b. op vordering van de rechtspersoon zelf (…). 4. (…) 5. De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. […]”

    r.o. 2.5

    “Art. 5:124 lid 2 BW brengt mee dat, nu in art. 5:130 BW niet is bepaald wie als verzoeker kan worden aangemerkt, voor beantwoording van die vraag moet worden teruggevallen op art. 2:15 lid 3 BW. Uit laatstgenoemd artikellid volgt dat naast de rechtspersoon zelf een ieder die een redelijk belang heeft bij de verplichting die niet is nagekomen, een verzoek tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars kan indienen.”

    r.o. 2.6 · lid 3

    “Op een aantal punten wijkt art. 5:130 BW uitdrukkelijk of blijkens zijn inhoud af van art. 2:15 BW. Tot die punten behoren zowel de termijn waarbinnen een verzoek tot vernietiging moet worden ingediend als het aanvangsmoment van die termijn. Terwijl art. 2:15 lid 5 BW een vervaltermijn van een jaar doet gaan lopen na het einde van de dag waarop “hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd”, dient op grond van art. 5:130 lid 2 BW een verzoek tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars te zijn ingediend binnen een maand na de dag waarop verzoeker van het besluit “heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen”. (ii) Totstandkomingsgeschiedenis art. 5:130 lid 2 BW”

    r.o. 2.7 · lid 5

    “Met deze wijziging werd art. 5:130 BW gedeeltelijk in overeenstemming gebracht met art. 2:15 BW. In de parlementaire geschiedenis bij de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 BW (vijfde gedeelte) is in dit verband opgemerkt: “M.v.A. II Inv. Artikelen 5.10.2.1ca en 5.10.2.1d. 1. Het nieuwe artikel 5.10.2.1ca en de wijziging van artikel 5.10.2.1d houden verband met Boek 2, zoals dit bij het zesde gedeelte van de Invoeringswet zal worden gewijzigd (a). Ter toelichting van de voormelde bepalingen moet worden vooropgesteld dat ingevolge het nieuwe artikel 5.10.2.0 lid 2 de artikelen 14, 15 en 16 van Boek 2 in beginsel ook op de vereniging van eigenaars van toepassing zijn, en dat het niet wenselijk is om in titel 5.10 onnodig van de daarin gegeven algemene regels betreffende de nietigheid en vernietigbaarheid van besluiten af te wijken. In verband daarmee is het oorspronkelijke eerste lid van artikel 5.10.2.ld, dat voor de vernietigbaarheid van de besluiten van de vergadering van eigenaars een eigen afgrenzing bevatte, geschrapt. Het is vervangen door een nieuw lid 1 van een geheel ander karakter, waarop hieronder wordt teruggekomen. De voormelde schrapping heeft tot gevolg dat voor het […]”

    r.o. 2.19

    ECLI:NL:PHR:2019:370

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 juni 2016

    Curaçaos enquêterecht: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren en vervaltermijn vernietiging

    “Dit artikellid verschilt – afgezien van een enkele kommaplaatsing – slechts in die zin van art. 2:15 lid 5 BW, dat de Curaçaose bepaling een termijn van zes maanden kent, in plaats van de Nederlandse termijn van een jaar.”

    r.o. 4.22 · lid 5

    “In de literatuur met betrekking tot het Nederlandse enquêterecht wordt alom aangenomen dat deze vervaltermijn voor het vorderen van de vernietiging van een besluit, niet geldt voor door de rechter getroffen definitieve voorzieningen ex. art. 2:356 (sub a) BW, mochten die in het kader van de tweede fase van een enquêteprocedure aan de orde zijn. Deze regeling staat naast de vernietigingsregeling van art. 2:15 BW. Hetzelfde moet m.i. worden aangenomen voor de vergelijkbare bepalingen van Curaçaos enquêterecht, art. 2:282 en 2:283 BWC).”

    r.o. 4.23

    “Ook de rechtszekerheid verzet zich er niet tegen dat art. 2:15 BW/2:21 BWC niet van toepassing is in de enquêteprocedure, omdat de justitiabele gelet op de consensus in de literatuur en rechtspraak (van Ondernemingskamer én Gemeenschappelijk hof) er ook niet op bedacht mag zijn dat de vervaltermijnen in enquêteprocedures gelden.”

    r.o. 4.24

    ECLI:NL:PHR:2016:513

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 februari 2016

    Opzegging verenigingslidmaatschap: artikel 2:8 BW, artikel 2:15 BW en onrechtmatige daad

    “[verweerster] heeft zich niet in rechte op vernietigbaarheid van het besluit tot opzegging als voorzien in art. 2:15 BW beroepen.”

    r.o. 1.9

    “[…] 2009 “als tweeledig beschouwd” in die zin dat (i) een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de opzegging van het lidmaatschap ongeldig was en (ii) een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de opzegging van 20 juli 2005 jegens [verweerster] onrechtmatig was. Volgens de Rechtbank houdt eerstgenoemde vordering materieel een beroep op de vernietigbaarheid van het besluit als bedoeld in art. 2:15 BW in en moet zij worden afgewezen omdat [verweerster] niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW een vordering tot vernietiging van het besluit heeft ingesteld. 2.2.2 De Rechtbank overwoog, in ’s Hofs samenvatting, voorts dat zij de tweede vordering aldus begreep dat [verweerster] stelde dat de opzegging onrechtmatig was omdat de gehanteerde opzeggingsgronden onjuist en ongefundeerd waren dan wel de beëindiging van het lidmaatschap redelijkerwijs niet konden dragen. Zij oordeelde dat de opzeggingsgronden 1 en 4 de opzegging inderdaad niet konden dragen. Het oordeel over de opzeggingsgronden 2 en 3 is aangehouden in afwachting van een uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch in het op dat moment aanhangige hoger beroep in het geschil tussen [A] en Euretco betreffende de […]”

    r.o. 2.1 · lid 5

    “In ’s Hofs weergave heeft de Rechtbank Breda de gevorderde verklaring voor recht in haar tussenvonnis van 29 juli 2009 “als tweeledig beschouwd” in die zin dat (i) een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de opzegging van het lidmaatschap ongeldig was en (ii) een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de opzegging van 20 juli 2005 jegens [verweerster] onrechtmatig was. Volgens de Rechtbank houdt eerstgenoemde vordering materieel een beroep op de vernietigbaarheid van het besluit als bedoeld in art. 2:15 BW in en moet zij worden afgewezen omdat [verweerster] niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW een vordering tot vernietiging van het besluit heeft ingesteld.”

    r.o. 2.2.1 · lid 5

    “[…] van de andere haar voorraden moest afstoten, haar bedrijfsruimtes moest aanpassen en niet meer voor naleveringen kon zorgen, zulks terwijl in Nederland geen vergelijkbare inkooporganisaties bestonden die voor [verweerster] de plaats van IMG konden innemen. 3.4.2. Deze grief slaagt in zoverre dat bij de behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel tot invoering van de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW en de daarmee samenhangende invoering van art. 2:8 lid 2 BW op de vraag, of voor toepassing van het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW om te bereiken dat een besluit jegens een bij een rechtspersoon betrokkene die niet tijdig een initiatief tot vernietiging heeft genomen buiten beschouwing wordt gelaten, sprake zou moeten zijn van bijzondere omstandigheden, is geantwoord dat art. 2:8 lid 2 BW zelf al vereisten stelt die een lichtvaardig beroep op die bepaling uitsluiten. 3.4.3. De vraag òf [verweerster] al dan niet voldoende omstandigheden heeft gesteld voor een terecht beroep op art. 2:8 lid 2 BW is echter in zoverre niet relevant dat [verweerster] naar het oordeel van het hof met een beroep op het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW niet kan bewerkstelligen dat zij ondanks het niet […]”

    r.o. 2.4 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:2016:78

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 februari 2015

    Redelijk belang bij vernietiging verenigingsbesluit wegens strijd met reglement (artikel 2:15 BW)

    “Onderdeel VI richt zich tegen het oordeel in rov. 4.20 en tegen het dictum van het bestreden arrest. Het onderdeel betoogt onder meer: “Het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat [eisers] c.s. niet worden getroffen in een eigen belang als bedoeld in art. 2:15 lid 3 BW, nu zij Wykle uit het centraal onderzoek hebben teruggetrokken en dus de besluiten tot "goed- of afkeuren van hengsten hen niet zelf" raken, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, nu [eisers] c.s., gelijk zij hebben gesteld, met de beslissing om – ondanks de bij het bestuur van KFPS bekende schending van reglementen tijdens de keuring waarop de inschrijving is gebaseerd toch – de drie paarden in te schrijven in het stamboek, als lid van de vereniging, als fokker en als eigenaar van Friese paarden onmiddellijk, rechtstreeks en concreet worden getroffen en dus worden geraakt in een eigen belang (als fokker, eigenaar en lid van de vereniging), nu met deze beslissing het aanzien van, de status en de waarde van Friese paarden, waaronder die van hen, onmiddellijk wordt aangetast.””

    r.o. 3.17 · lid 3

    “De klachten van onderdeel VI dienen verworpen te worden. Het hof heeft in rov. 4.20 vooropgesteld dat besluiten die in strijd zijn met een reglement, vatbaar kunnen zijn voor vernietiging (zie ook art. 2:15 lid 1 aanhef en sub c BW). Vernietiging geschiedt onder meer door een uitspraak van de rechtbank op een vordering tegen de rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen (zie art. 2:15 lid 3 aanhef en sub a BW). Daarbij is nodig dat degene die vernietiging vordert, in een eigen belang geschaad is of geschaad dreigt te worden, hetgeen diegene bij betwisting van een redelijk belang zal hebben te stellen (zie HR 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2089, NJ 1996/694, rov. 3.4). Het hof heeft in de bestreden rechtsoverweging geoordeeld dat [eisers] c.s. niet het vereiste redelijk belang hebben bij vernietiging van de besluiten die tijdens het najaars Centraal Onderzoek 2010 zijn genomen met betrekking tot de goed- en afkeuring van dekhengsten. Naar oordeel van het hof raken de besluiten met betrekking tot de goed- en afkeuring van hengsten namelijk niet [eisers] c.s. zelf (zie rov. 4.20). Dat oordeel geeft geen blijk van […]”

    r.o. 3.18 · leden 1, 3

    ECLI:NL:PHR:2015:59

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 augustus 2014

    Herroeping van ontbindingsbesluit bv: voorwaarden en rechterlijke toets

    “[…] en haar gevolgen zijn afgegaan in hun belangen worden geschaad. Het antwoord op de vraag of hiervan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder het tijdsverloop sinds het moment van ontbinding. Voor het daarbij hanteren van een vaste termijn ziet het hof onvoldoende steun in het recht, ook niet als uitgangspunt. Ook voor aansluiting bij de vervaltermijn genoemd in art. 2:15 lid 5 BW ontbreekt voldoende grond.””

    r.o. 2.5 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:2014:2332

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2013

    Verbod en ontbinding vereniging wegens strijd met openbare orde; ontwrichtingsvereiste

    “De wetgever is toen snel in actie gekomen. Bij wet 17 maart 1988, Stb. 104, is de verbodenverklaring in art. 2:15 BW opgenomen en vervolgens (bij invoering van het NBW op 1 januari 1992) vernummerd tot art. 2:20 BW. Tijdens de parlementaire behandeling heeft men stilgestaan bij de met deze wijziging gemoeide beperking van diverse vrijheden. Ik vermeld enkele relevante passages: “8. Hiermee wordt in mijn ogen de kern geraakt van wat met de verbodsgrond wordt beoogd. Slechts handelingen die inbreuk maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel, kunnen het verbod van een vereniging of andere rechtspersoon rechtvaardigen: ongerechtvaardigde aantasting van de vrijheid van anderen of van de menselijke waardigheid. Gebruik van geweld of bedreiging daarmee tegen het openbare gezag of tegen degenen met wier opvattingen men het, al dan niet op goede gronden, oneens is, valt eronder, evenals rassendiscriminatie en andere verboden discriminatie. Evenzo het heulen met een mogendheid waarvan valt te verwachten dat zij een geboden kans om ons volk te onderdrukken zou grijpen, het weerstreven van onherroepelijke rechterlijke uitspraken of onrechtmatige benadeling van anderen […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2013:2379

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2013

    Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)

    “In rov. 3.22-3.38 behandelt het hof de grieven II, IV, VI en VII waarin VEB c.s. betogen dat het reserveringsbesluit de toets van art. 2:15 lid 1 sub b jo. art. 2:8 BW niet kan doorstaan. Volgens VEB c.s. dient het uitgangspunt te zijn dat de winst aan de aandeelhouders proportioneel toekomt; KLM en AFKLM dienen niet alleen jegens de minderheidsaandeelhouders te handelen overeenkomstig hetgeen de redelijkheid en billijkheid vergen, maar hebben jegens hen ook een bijzondere zorgplicht. De minderheidsaandeelhouders hebben geen mogelijkheid om hun aandelen te verkopen omdat AFKLM weigert hen uit te kopen; zij zijn daarom geheel aangewezen op het dividend. Bovendien is volgens VEB c.s. de door KLM aangevoerde ratio net debt to equity ratio (NDER) een ondeugdelijke en achteraf bedachte ratio. KLM keert volgens VEB c.s. beduidend minder uit dan vergelijkbare luchtvaartmaatschappijen. KLM c.s. proberen de minderheidsaandeelhouders eenvoudigweg uit te roken, hetgeen strijdig is met hetgeen de redelijkheid en billijkheid vorderen, onrechtmatig en in strijd met art. 2:105 BW dat voor de minderheidsaandeelhouders een aanspraak op het gevorderde dividend waarborgt.”

    r.o. 2.6 · lid 1

    “Hieruit blijkt wel dat de Ondernemingskamer, daartoe aangemoedigd door de Hoge Raad, het dividendbeleid betrekkelijk inhoudelijk toetst. Volgt uit de enquêterechtelijke jurisprudentie dat dezelfde toetsingsintensiteit moet worden aangelegd wanneer een reserverings- of dividendbesluit op grond van art. 2:15 BW lid 1 sub b BW wordt voorgedragen tot vernietiging? Die vraag zou ik niet zonder meer bevestigend willen beantwoorden. De in aanmerking te nemen gezichtspunten mogen wellicht dezelfde zijn, daaruit volgt niet dat de rechter de lat steeds even hoog legt. De toetsingsintensiteit is mede afhankelijk van de procedurele context. In een enquêteprocedure staat het beleid van de vennootschap centraal (en sinds 1 januari 2013 ook de juiste gang van zaken). In bijzondere gevallen kan het beleid worden gevormd door een afzonderlijk besluit. In een dergelijk geval zal het oordeel 'gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen', of, in de tweede fase, 'wanbeleid' moeten worden gebaseerd op een toetsing door de Ondernemingskamer van dat afzonderlijke besluit (en de totstandkoming ervan). In de regel zal de verzoeker evenwel aan zijn verzoek meer feiten en omstandigheden ten […]”

    r.o. 3.8

    “Het middel bestaat uit vier onderdelen die ieder uiteenvallen in verschillende subonderdelen (hierna kortheidshalve eveneens als onderdelen aan te duiden). Onderdeel 1 (betekenis statutaire bepaling over overleg)”

    r.o. 4.1

    “[…] onrechte zelf niet zouden doen. Immers, de meerwaarde van het overleg is erin gelegen dat het belang van de minderheidsaandeelhouders voldoende in aanmerking wordt genomen. Althans miskent het hof dat, indien zulks niet is geschied, het besluit in strijd is met de statuten, althans met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist en derhalve vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en sub a, respectievelijk b BW. Het hof miskent verder dat het feit dat de prioriteit niet aan de zienswijzen van bestuur en RvC is gebonden en uiteindelijk zelf de betrokken belangen in aanmerking moet nemen hieraan niet afdoet. Het hof miskent dat uit het enkele feit dat overleg heeft plaatsgehad, niet volgt dat is voldaan aan het door de statuten vereiste voorafgaand overleg indien de belangen van de minderheidsaandeelhouders niet aan de orde zijn geweest. Het voorgaande geldt te meer, zo betoogt onderdeel 1.4, indien in het overleg het belang van de minderheidsaandeelhouders niet alleen niet aan de orde is geweest, maar zelfs überhaupt niet aan de orde is geweest welk beleid de prioriteit bij de reservering van de winst heeft gevolgd. Ook dit miskent het hof, aldus […]”

    r.o. 4.4 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ9145

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 mei 2012

    Verjaring van vordering curator uit artikel 2:9 BW tegen bestuurder; regres hoofdelijke schuldenaren

    “In hoger beroep is het partijdebat met betrekking tot de vordering uit hoofde van art. 2:9 BW verschoven van verjaring naar (de rechtsgeldigheid van) een al dan niet aan [verweerder] verleende decharge. In het kader van grief IV heeft de curator het bestaan van een decharge betwist en zich op het standpunt gesteld dat de decharge niet rechtsgeldig was (memorie van grieven onder 17 en 18). [Verweerder] heeft daartegen onder meer aangevoerd dat de vernietigingsvordering ex art. 2:15 BW ruimschoots is verjaard (memorie van antwoord onder 31).”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2012:BV6769

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 maart 2012

    Artikel 2:86d BW: belanghebbenden bij verzet tegen duplicaten van toonderaandeelbewijzen

    “[…] te worden ter bepaling van het begrip belanghebbende in procedures waarbij een onderneming of rechtspersoon is betrokken. Juist omdat daar meerdere soorten belanghebbenden kunnen optreden, en de algemene benadering met de uitdrukkingen "wezenlijk belang; rechtstreeks belang" enz. ons niet zoveel verder helpt. Ook bij de benadering van wat een "redelijk belanghebbende" is in de zin van art. 2:15 lid 3 sub a BW kan m.i. de kringenleer voor wat betreft de stelplicht en het aannemelijk maken, richting geven." Zoals blijkt in onderdeel h van het middel schrijft Boekman naar aanleiding van dit arrest:(22) "Hoewel deze uitspraak op het rechtspersonenrecht is toegesneden, vindt men daarin toch de essentie van de aan te leggen maatstaf: de belanghebbende moet een eigen belang hebben, hetzij uit hoofde van zijn functie, hetzij omdat een eigen recht dreigt te worden geschonden. Het is dus niet de bedoeling dat de verzoekschriftprocedure een 'free for all' wordt, waarin ieder zich met alles kan bemoeien" Asser meent naar aanleiding van dit arrest, zoals eveneens te lezen is in onderdeel h van het middel, dat het begrip "belanghebbende" materieel bepaald is:(23) "In het algemeen zal […]”

    r.o. 3.35 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2012:BV1758

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 november 2010

    Arbitrage managementovereenkomst en exclusieve rechtsmacht bij vernietiging bestuursbesluit

    “[…] aandeelhouders van een beursvennootschap of een vennootschap met een groot aantal onbekende aandeelhouders aan toonder die niet allen aan het arbitraal beding gebonden zijn. (...) Indien een besluit met interne werking wordt vernietigd, dan zal de uitspraak (...) in beginsel jegens alle aandeelhouders werking moeten toekomen, ook als de aandeelhouders niet in het geding zijn betrokken (vgl. art. 2:15 lid 3 BW en art. 2:16 lid 1 BW). Ik kan mij niet voorstellen dat een besluit met interne werking daadwerkelijk met erga omnes werking in arbitrage kan worden vernietigd, en de vernietiging dientengevolge ook geldt jegens personen, bijvoorbeeld de genoemde aandeelhouders, die geen partij waren bij de overeenkomst tot arbitrage en bij het daarop gegronde arbitraal geding (...). De werking erga omnes druist in tegen het recht op toegang tot de gewone rechter (art. 17 Grondwet en art. 6 EVRM). Nu een arbitraal vonnis niet erga omnes kan werken, is het dus zo gek niet als men concludeert dat arbitrage is uitgesloten, tenminste als de genoemde algemene werking wenselijk wordt geacht."(27) Tweede argument van de Hoge Raad: ... met het oog op de daaruit, zowel voor de rechtspersoon als voor […]”

    r.o. 3.16 · lid 3

    “Onderdeel 2.2 bestaat eveneens uit twee volzinnen van tezamen (bijna) één bladzijde. De tweede volzin bevat geen klachten. Het hof zou het ten onrechte noodzakelijk hebben geacht om in het kader van beslechting van geschillen uit de MCA uitspraken te doen over de geldigheid, de nietigheid, vernietiging of ontbinding van besluiten bedoeld in art. 22 lid 2 EEX-Vo, resp. art. 2:15 lid 3 BW of over daaraan verbonden rechtsgevolgen. De litispendentie en het belang om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen noopt ertoe om niet alleen de exclusieve bevoegdheid van de rechter tot kennisneming van geschillen over de nietigheid of vernietiging van besluiten van organen van rechtspersonen aan te nemen. Ook geschillen die hiermee onlosmakelijk verbonden zijn, zoals de opzegging van de MCA, moeten in dat geval aan de rechter worden voorgelegd. Het onderdeel wijst erop dat het hof deze verknochtheid blijkens rov. 4.22.1 en 4.22.2 ook heeft onderkend.”

    r.o. 4.7 · lid 3

    “Het onderdeel faalt voor zover het betoogt dat het AVA-besluit tot ontslag 'in beginsel en ook hier de beëindiging van de contractuele relatie (MCA) met zich brengt.' Ik verwijs naar de behandeling van onderdeel 2.1.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:PHR:2010:BN8533

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 februari 2010

    Bevoegdheden van door rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting; benoeming en ontslag bestuurders

    “Het hof verwerpt eveneens de stelling van [eiseres] dat genoemd ontslagbesluit vernietigbaar zou zijn op grond van artikel 2:15 BW. De Stichting heeft onbetwist gesteld dat [eiseres] heeft nagelaten binnen de in artikel 2:15 lid 5 BW vermelde vervaltermijn van één jaar de vernietigbaarheid van dit besluit in te roepen. Deze termijn is gaan lopen vanaf het moment waarop [eiseres] kennis heeft gekregen van het ontslagbesluit van 28 november 2005. Het hof neemt aan, gelet op de aangetekend aan haar verzonden brief van de Stichting van 6 december 2005, dat dit omstreeks 7 december 2005 is geweest.”

    r.o. 5.14 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:2010:BK5989

  • Parket bij de Hoge Raad · 22 december 2009

    Vernietigbaarheid ontslagbesluit bestuurder buiten vergadering: raadgevende stem artikel 2:227 lid 4 BW

    “Ingevolge artikel 2:15 BW kan indien in strijd met artikel 2:227 BW een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot stand is gekomen, dit leiden tot vernietiging van dat besluit.”

    r.o. 3.6

    “Dat betekent dat er in rechte van moet worden uitgegaan dat het besluit tot ontslag van [verweerder] als bestuurder van HGIH niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen en ingevolge artikel 2:15 BW vernietigbaar is. De rechtbank heeft dan ook terecht de vordering van [verweerder] tot vernietiging van het ten processe bedoelde ontslagbesluit toegewezen.”

    r.o. 3.12

    ECLI:NL:PHR:2009:BK2001

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 maart 2008

    Conclusie: onmiddellijke voorzieningen OK en zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouders (Begemann)

    “[…] in ieder overleg en bij iedere rechtshandeling m.b.t. het vervreemden en verwerven van activa en het aantasten van besluiten en rechtshandelingen die zijn genomen of aangegaan na 14 oktober 2005. Een dergelijke uitsluitende bevoegdheid is in strijd met het aan art. 2:8 BW(13) ten grondslag liggende beginsel van collectief bestuur. Deze bevoegdheid is bovendien in strijd met art. 2:15 lid 3 onder b en art. 2:239 lid 2, tweede volzin BW. Eerstgenoemde bepaling schrijft voor dat een vordering tot vernietiging van een besluit wordt ingesteld krachtens bestuursbesluit. Art. 2:239 lid 2, tweede volzin BW bepaalt dat een bestuurder niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. Indien zittend bestuurder [betrokkene 9] zou stemmen tegen het instellen van een vordering tot vernietiging en de [betrokkene 11] vóór, zou de stem van laatstgenoemde de doorslag geven, hetgeen in strijd komt met art. 2:239 lid 2, tweede volzin, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel stelt dat de beschikking in dit opzicht onjuist en/of onbegrijpelijk is.”

    r.o. 3.30 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2008:BC2725

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 december 2007

    Loyaliteitsdividend DSM en onmiddellijke voorzieningen: cassatie in het belang der wet

    “De rechtsgeldigheid van een besluit van een orgaan, in dit geval het aan de aandeelhoudersvergadering voorgestelde besluit tot invoering van een loyaliteitsdividend, kan, nadat het is genomen, in rechte worden aangevallen met een beroep op art. 2:14 of art. 2:15 BW in een bodemprocedure die onder andere meer gelegenheid biedt tot uitgebreid partijdebat.”

    r.o. 3.91

    “Er was in het onderhavige geval m.i. geen voldoende dringende grond dat de Ondernemingskamer met behulp van haar bevoegdheid om een onmiddellijke voorziening op te leggen verhinderde dat besluitvorming over de invoering van het loyaliteitsdividend bij DSM zou plaatsvinden. Aandeelhouders die bezwaar tegen invoering van het loyaliteitsdividend hadden, hadden op de aandeelhoudersvergadering kunnen tegenstemmen. Als het besluit ondanks hun tegenstem wel genomen was, hadden zij met een beroep op art. 2:14 of art. 2:15 BW de invoering ervan kunnen proberen tegen te houden. Dit geldt in het onderhavige geval temeer, nu de eerste betaling van het loyaliteitsdividend pas in 2010 zou plaatsvinden.”

    r.o. 3.92

    ECLI:NL:PHR:2007:BB3523

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 december 2006

    Enquêteverzoek afgewezen ondanks jarenlang mondeling oproepen voor aandeelhoudersvergadering in familiebedrijf

    “Het komt mij overigens voor dat de onderdelen 1.1 en 1.3 opkomen tegen de vermeende opvatting van de ondernemingskamer dat onder omstandigheden mag worden afgeweken van de wettelijke en/of statutaire bepalingen voor het bijeenroepen van de algemene vergadering van aandeelhouders. Daarmee miskent het middel dat aan de orde is de vraag of gezien alle omstandigheden van het geval de ondernemingskamer in redelijkheid het verzoek een enquête te gelasten heeft mogen afwijzen. Dit heeft de ondernemingskamer niet het geval geacht. Dit laat echter onverlet dat besluiten die zijn genomen tijdens vergaderingen van aandeelhouders die conform wettelijke en/of statutaire voorschriften bijeen zijn geroepen, in beginsel vernietigbaar zijn (ex art. 2:15 lid 1 BW). De bestreden beschikking geeft geen aanleiding te veronderstellen dat de ondernemingskamer hier anders over zou denken.”

    r.o. 4.11 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2006:AZ3172

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 juli 2006

    Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW en onderzoeksplicht bank bij concernkrediet

    “[…] het stellen van vragen betreffende het karakter en de totstandkoming van het aanwijzingsbesluit, aan een bestuurder/enig aandeelhouder die van de betreffende rechtshandeling geheel op de hoogte is. Overigens zou indien blijkt dat het aanwijzingsbesluit niet schriftelijk en tijdens een aandeelhoudervergadering is genomen dat besluit zijn gelding pas verliezen na een eventuele vernietiging ex art. 2:15 lid 1 BW, hetgeen de vraag oproept in hoeverre de derde daarmee rekening dient te houden.”

    r.o. 2.5 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2006:AV6954

  • Parket bij de Hoge Raad · 31 januari 2003

    Nietigheid bestuursbenoeming coöperatie wegens gebrekkige oproeping; geen belang in cassatie

    “De klacht van onderdeel 1 luidt dat de rechtbank rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft overwogen dat het gegeven, dat de oproep voor de vergadering van 17 juni 1996 niet binnen de in art. 47 van de statuten genoemde termijn is verspreid, tot nietigheid leidt van de op de vergadering van 17 juni 1996 genomen besluiten. Het onderdeel voert aan dat de niet-inachtneming van de termijn ex art. 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW tot vernietigbaarheid leidt.”

    r.o. 4.1 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2003:AF0646

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 januari 1995

    Ontslag bestuurder en intrekking emissie door aandeelhouder: hoorplicht en redelijkheid en billijkheid

    “het hof heeft derhalve verzuimd te onderzoeken of de litigieuze besluiten niet op deze grond vernietigbaar ingevolge art. 2:15 BW waren. De daartegen aangevoerde klacht slaagt.”

    r.o. 6.2.3

    ECLI:NL:PHR:1995:50

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 mei 2025

    Conclusie A-G: geldigheid juridische fusie pensioenverzekeraar en Aegon, artikel 2:323 BW

    Een verzekerde van een pensioenverzekeraar die door juridische fusie is opgegaan in een levensverzekeraar, wil de fusie ongedaan maken of schadevergoeding krijgen. Hij stelt dat het eigen vermogen van circa € 2,5 miljard door de fusie is toegeëigend en dat de toestemming van de toezichthouder ontbreekt. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Het ontbreken van instemming van de toezichthouder maakt de fusie volgens hem niet nietig en valt niet onder de vernietigingsgronden van artikel 2:323 BW.

    ECLI:NL:PHR:2025:556

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 december 2009

    Cassatie over nietig ontzettingsbesluit van leden door verenigingsvergadering

    Een vereniging heeft enkele leden uit het lidmaatschap ontzet; rechtbank en hof achtten dat besluit en de vervolgbesluiten nietig of vernietigbaar wegens strijd met de statuten (artikel 2:14 en 2:15 BW). De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de feitenvaststelling en het ontbreken van een ontzettingsgrond falen, omdat de Hoge Raad aan de feiten is gebonden en het oordeel overwegend feitelijk is. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2009:BK0156

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Uitstoting minderheid via driehoeksfusie en uitkoop; artikel 1 Eerste Protocol

    In een enquêteprocedure rond een openbaar bod en een voorgenomen driehoeksfusie wordt de vraag voorgelegd of een bieder met minder dan 95% van de aandelen de minderheid mag uitstoten door haar belang via fusie onder de 5% te brengen en daarna uit te kopen. De A-G concludeert dat dit niet in het algemeen onrechtmatig is of in strijd met artikel 2:8 BW, de uitkoopregeling of artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Het hangt af van alle omstandigheden, die de rechter kan toetsen via artikel 2:323 BW en artikel 2:15 BW. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4117

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 juli 2004

    Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW; enig aandeelhouder-bestuurder verbindt B.V. niet zonder expliciete aanwijzing

    Conclusie over de vraag of een enig aandeelhouder-bestuurder een B.V. kan binden aan transacties met een andere vennootschap waarin hij zelf belang heeft. De A-G beschouwt artikel 2:256 BW als vertegenwoordigingsregeling, waarop ook de curator zich kan beroepen. Daadwerkelijk nadeel is niet vereist. Een bijzonder vertegenwoordiger moet expliciet en schriftelijk worden aangewezen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2004:AP4394

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 mei 2000

    Rechterlijke statutenwijziging stichting; bindende adviesbevoegdheid geestelijk leider; geen ontbinding

    Het bestuur van een stichting wil de statuten wijzigen om de bindende adviesbevoegdheid en het vetorecht van een geestelijk leider te schrappen. Het hof wees dit af op grond van artikel 2:294 BW en zag geen reden de stichting te ontbinden, omdat het enkele bestaan van de bevoegdheid het doel niet onbereikbaar maakt. De A-G concludeert dat de cassatieklachten falen en dat het beroep moet worden verworpen.

    ECLI:NL:PHR:2000:AA5779

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 februari 1992

    Redelijk belang bij vernietiging ALV-besluit tot goedkeuring bestuursbeleid en decharge vereniging

    Een bij een vereniging aangesloten componist (geen lid) vorderde vernietiging van een ALV-besluit waarmee het bestuursbeleid werd goedgekeurd en decharge werd verleend. Hij miste volgens de lagere rechters een redelijk belang, omdat vernietiging de door het bestuur gesloten externe overeenkomsten onaangetast laat. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:1992:AD1631

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 1984

    Vernietiging ontslagbesluit bestuurder BV wegens strijd met goede trouw naast arbeidsrechtelijke bescherming

    In deze conclusie gaat het om de vraag of een ontslagen bestuurder van een BV, met wie een arbeidsovereenkomst bestaat, het aandeelhoudersbesluit tot ontslag kan laten vernietigen wegens strijd met de goede trouw. Het hof had dat uitgesloten en verwees de bestuurder naar het arbeidsrecht. De A-G meent dat het besluit wel aan artikel 2:11 BW (oud) getoetst kan worden, ook al zal die toetsing marginaal zijn, en concludeert tot vernietiging van het arrest en verwijzing.

    ECLI:NL:PHR:1984:AG4887

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2024

    Conclusie A-G: wanbeleid bij LBO en fusie kinderopvangbedrijf, publiek belang en tegenstrijdig belang

    “[…] Groep op eigen verzoek failliet verklaard (zie rov. 2.47). - De in art. 2:355 t/m 2:358 BW vervatte regeling strekt ertoe om, indien uit het verslag van het verrichte onderzoek van wanbeleid blijkt, de OK ruime bevoegdheden te verschaffen. Niet alleen om aan wanbeleid een einde te maken, maar ook om de eruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken en te beperken. - De in art. 2:15 BW vervatte regeling staat naast die van art. 2:356, aanhef en sub a BW. Deze regelingen dienen elk een verschillend doel. In een enquêteprocedure zijn de gronden voor vernietiging van een besluit ook ruimer dan in art. 2:15 BW. - Art. 2:356, aanhef en sub a BW laat zich toepassen op déchargebesluiten, ook al betreffen die besluiten tevens bestuurders en commissarissen. - Een eventueel vastgestelde verantwoordelijkheid voor geconstateerd wanbeleid kan een rol spelen bij de te treffen voorziening. 3.74.4 Uit 3.74.1-3.74.3 hiervoor volgt ook dat het oordeel van de OK dat vernietiging van de déchargebesluiten op de voet van art. 2:356, aanhef en sub a BW in verbinding met art. 2:355 BW voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit, alleszins begrijpelijk is en geen […]”

    r.o. 3.74

    “[…] Groep op eigen verzoek failliet verklaard (zie rov. 2.47). - De in art. 2:355 t/m 2:358 BW vervatte regeling strekt ertoe om, indien uit het verslag van het verrichte onderzoek van wanbeleid blijkt, de OK ruime bevoegdheden te verschaffen. Niet alleen om aan wanbeleid een einde te maken, maar ook om de eruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken en te beperken. - De in art. 2:15 BW vervatte regeling staat naast die van art. 2:356, aanhef en sub a BW. Deze regelingen dienen elk een verschillend doel. In een enquêteprocedure zijn de gronden voor vernietiging van een besluit ook ruimer dan in art. 2:15 BW. - Art. 2:356, aanhef en sub a BW laat zich toepassen op déchargebesluiten, ook al betreffen die besluiten tevens bestuurders en commissarissen. - Een eventueel vastgestelde verantwoordelijkheid voor geconstateerd wanbeleid kan een rol spelen bij de te treffen voorziening.”

    r.o. 3.74.3

    ECLI:NL:PHR:2024:385

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2023

    Elektronische oproeping vve-vergadering en aanvang vernietigingstermijn; artikel 2:41 lid 5 BW

    “Bij inleidend verzoekschrift tot vernietiging ex art. 5:130 BW van 17 september 2020 heeft Fresch de kantonrechter Amsterdam verzocht de besluiten van de VvE van 2 juli 2020 te vernietigen.Zij heeft aan haar verzoek onder meer ten grondslag gelegd (i) dat zij niet, althans niet rechtsgeldig, is opgeroepen voor de vergadering (art. 2:15 lid 1, aanhef en sub a, BW) en (ii) dat het besluit tot plaatsing van het hek in strijd is met de redelijkheid en billijkheid ex art. 2:8 BW (art. 2:15 lid 1, aanhef en sub b, BW) omdat daardoor zonder goede reden de toegankelijkheid van de door haar ontwikkelde en te ontwikkelen bedrijfsunits wordt belemmerd.”

    r.o. 2.2 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2023:758

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2020

    Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW

    “[…] een enkele uitspraak tot verboden-verklaring van een rechtspersoon geen privaatrechtelijke betekenis meer heeft, en dan ook niet meer gevraagd kan worden. Hierbij zij ten overvloede nog opgemerkt dat ook voor de toepassing van het strafrecht (artikel 140 Wetboek van Strafrecht) aan de mogelijkheid van een dergelijke uitspraak geen behoefte bestaat.” [curs. in origineel, A-G] De regeling in art. 2:15 en 2:16 BW luidde in 1976 als volgt: Art. 2:15 BW: “Een rechtspersoon is verboden, wanneer haar doel of werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.” Art. 2:16 BW: “1. De rechtbank kan een verboden rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie ontbinden. 2. (…).” Het toenmalige art. 140 lid 2 Sr luidde: “Deelneming aan een andere rechtspersoon die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de ten hoogste zeshonderd gulden.” Aanvankelijk werd de ontbindingsprocedure zonder verbodenverklaring in de literatuur gezien als “[e]en gelukkige oplossing waarmede ook de gevolgen van ’s rechters beslissing duidelijk zijn komen vast te liggen.” Ik wijs ook op Eskes: “Het is van […]”

    r.o. 2.6

    “[…] wel kunnen ontbinden, maar niet verboden kunnen verklaren. Wanneer de rechter evenwel vaststelt, dat de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, mag hij de verbodenverklaring en ontbinding niet achterwege laten. Op deze wijze wordt ook het tweede bezwaar ondervangen dat aan de bestaande wet blijkt te kleven.” Het wetsvoorstel leidde tot de samenvoeging van art. 2:15 en 2:16 BW tot een nieuw art. 2:15 BW, waarvan het eerste lid in 1988 als volgt kwam te luiden: “Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde wordt door de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.” Hoewel dit niet blijkt uit de wettekst, werd het karakter van de verbodenverklaring gewijzigd van een vaststellende (declaratoire) betekenis naar een rechtscheppende (constitutieve) betekenis. Dat wil zeggen dat de verboden verklaarde rechtspersoon “voor de toekomst als verboden zal gelden en niet (…) dat de rechtspersoon al sinds enige tijd een verboden karakter heeft.” Deze wijziging strookt met het pleidooi van Elzinga, die erop wees dat in het bijzonder voor politieke partijen een constitutieve […]”

    r.o. 2.8

    “Na 1988 hebben nog enkele beperkte wetswijzigingen van art. 2:20 BW plaatsgevonden. Zo vond in 1992 in verband met de invoering van het nieuw BW omnummering plaats van art. 2:15 BW naar het huidige art. 2:20 BW. In 2002 vond een aanpassing plaats van art. 2:20 BW in verband met de herziening van het burgerlijk procesrecht, waarbij “op vordering van het OM” in art. 2:20 BW werd vervangen door “op verzoek van het OM”. In 2007 vonden wetswijzigingen plaats met het oog op de bestrijding van internationaal terrorisme, waarbij o.a. art. 2:20 lid 3 BW werd ingevoerd (zie ook onder 2.3). Wetsvoorstel ter verruiming van mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen”

    r.o. 2.10

    ECLI:NL:PHR:2020:593

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 juni 2018

    Belanghebbende bij ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting; tweekringenleer

    “De wet schrijft niet voor wie tot het begrip ‘belanghebbende’ gerekend kunnen worden. Het antwoord op die vraag is overgelaten aan de rechter. Behalve in het stichtingenrecht (zie naast de reeds genoemde bepalingen bijv. ook art. 2:295 BW en 2:301 BW) wordt de belanghebbende ook genoemd in het algemene rechtspersonenrecht van Titel 1 van Boek 2 BW (bijv. art. 2:15 lid 5 BW en art. 2:21 lid 4 BW), in het NV-recht (art. 2:86d lid 4 BW), in het recht over fusie en splitsing (art. 2:323 lid 2 BW en 2:334u lid 2 BW), in het enquêterecht (bijv. art. 2:349a lid 2 BW) en in het jaarrekeningenrecht (bijv. art. 2:448 BW). Ook buiten Boek 2 BW komt het begrip belanghebbende geregeld voor, bijvoorbeeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de Faillissementswet (Fw), in de Handelsregisterwet (Hrw) (oud) en in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).”

    r.o. 3.2 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:2018:696

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW

    “[…] dan wel haar beslissing onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 7.2 werkt deze klacht uit en voert aan dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat een onmiddellijke voorziening in beginsel alleen tijdelijk inbreuk mag maken op geldende rechtsverhoudingen en besluiten binnen de vennootschap en niet (ook) op extern werkende rechtsverhoudingen en/of besluiten. Schending van art. 2:8 BW kan via art. 2:15 BW leiden tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vennootschap, maar laat de onvoorwaardelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of een bestuurder (art. 2:130 lid 3 BW) onverlet, mede gezien het bepaalde in art. 2:16 lid 2 BW en in art. 2:107a lid 2 BW. Voorts valt niet in te zien waarom de regel van art. 26 lid 5 WOR "Een voorziening van de Ondernemingskamer kan door derden verworven rechten niet aantasten", in het enquêterecht niet zou gelden.”

    r.o. 4.34

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7970

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 april 2003

    Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal

    “In het wetsvoorstel wordt een bijzondere rechtsgang geïntroduceerd voor degene die tenminste 70 procent van het risicodragend kapitaal van een doelwitvennootschap verschaft(80). Naar het oordeel van de - vorige - regering zijn gelet op de (lagere) rechtspraak, waaronder de OK-zaak in het overnamegeschil Uni-Invest/Breevast(81), de maatregelen die op grond van het enquêterecht kunnen worden genomen niet altijd geschikt gebleken om een beschermingswal te slechten. Uit de beschikking van de Hoge Raad van 27 september 2000 (NJ 2000, 653)(82) in de OK-zaak Gucci/LVMH(83) leidde deze regering ook af dat een bijzondere regeling wordt gemist omdat het enquêterecht geen mogelijkheden biedt voor het treffen van maatregelen zonder een onderzoek waaruit blijkt dat sprake is geweest van wanbeleid(84). Voor minderheidsaandeelhouders blijven de mogelijkheden om het vennootschappelijk beleid ter toetsing aan de burgerlijke rechter voor te leggen, zoals de mogelijkheid van vernietiging van besluiten op grond van artikel 2:15 BW of een beroep op het enquêterecht, behouden(85).”

    r.o. 2.47

    “Bij besprekingen met o.a. de VvdE en de VEUO van de regeling voor een beperking van het gebruik van beschermingsconstructies door de beursvennootschappen heeft men ook steeds gediscussieerd over een periode waarbinnen ruimte zou worden geschapen voor het ondernemingsbestuur van een doelwitvennootschap en de overnemende (groot)aandeelhouder om serieuze onderhandelingen te voeren. Uiteindelijk is deze periode gesteld op één jaar. In het wetsvoorstel wordt daarmee beoogd te bevorderen dat het bestuur van de vennootschap en de overnemer (eerst) in onderling overleg tot een oplossing geraken. In dat jaar behoren het bestuur en de overnemer zich jegens elkaar redelijk en billijk te gedragen, zulks in overeenstemming met de algemene beginselen zoals neergelegd in de artikelen 2:8 en 2:15 BW(88). Deze verdere bevordering van het overleg tussen ondernemingsleiding en aandeelhouders van een (beurs)vennootschap ligt - zoals hiervoor onder 2.43 werd opgemerkt - in de lijn van het overheidsbeleid van de afgelopen jaren ten aanzien van corporate governance.”

    r.o. 3.13

    ECLI:NL:PHR:2003:AF2161

Hoven en Ondernemingskamer (13)

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 6 oktober 2026

    OK: machtiging mededelingen uit enquêteverslag in civiele procedures toegewezen

    “[A] heeft bij verzoekschrift van 3 juli 2026 de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht: - hem machtiging te verlenen mededelingen te doen uit het verslag (inclusief de daarbij behorende bijlagen) aan; (a) de bevoegde gewone civiele rechter(s) in Nederland in het kader van een of meer procedures over: i. de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW, waaronder begrepen de besluiten ter zake van de aandelenuitgifte, het conversiebesluit, de bekrachtigingsbesluiten van 17 november 2023, de besluiten van de algemene vergadering van 20 december 2023 en daarmee samenhangende besluiten; en ii. daarmee samenhangende vorderingen tegen ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen tot verklaring voor recht, schadevergoeding of andere civielrechtelijke rechtsgevolgen wegens hun betrokkenheid bij, goedkeuring van, uitvoering van of toezicht op de hiervoor bedoelde besluitvorming en transacties en uitvoeringshandelingen; (b) de wederpartijen in die procedure(s), waaronder ICTS en de betrokken huidige en voormalige bestuurders en commissarissen, uitsluitend voor zover en zolang dat noodzakelijk is voor het voeren van die […]”

    r.o. 2.9

    “[…] daarnaast op het standpunt dat ICTS en de bij de genoemde besluiten betrokken (voormalige) bestuurders en commissarissen van ICTS aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door [A] geleden schade. [A] is voornemens om in een procedure bij de Nederlandse civiele rechter procedure(s) aanhangig te maken aangaande (i) de (ver)nietig(baar)heid van de besluiten op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW en (ii) daarmee samenhangende vorderingen jegens ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen. Ter onderbouwing van zijn stellingen in die procedures wenst [A] gemachtigd te worden om mededelingen te doen uit het verslag met bijlagen, al dan niet onder door de voorzitter van de Ondernemingskamer te stellen nadere voorwaarden en/of beperkingen.”

    r.o. 3.2

    “[…] uit het verslag inclusief de daarbij behorende bijlagen, van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ICTS International N.V. zoals neergelegd ter griffie van de Ondernemingskamer op 13 november 2023, uitsluitend aan: (a) de bevoegde gewone civiele rechter(s) in Nederland in het kader van een of meer procedures over: i. de (ver)nietig(baar)heid op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW, van de besluiten ter zake van de aandelenuitgifte, het conversiebesluit, de bekrachtigingsbesluiten van 17 november 2023, de besluiten van de algemene vergadering van 20 december 2023 en daarmee samenhangende besluiten; en ii. daarmee samenhangende vorderingen tegen ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen tot verklaring voor recht, schadevergoeding of andere civielrechtelijke rechtsgevolgen wegens hun betrokkenheid bij, goedkeuring van, uitvoering van of toezicht op de hiervoor bedoelde besluitvorming en transacties en uitvoeringshandelingen; (b) de wederpartijen in die procedure(s), waaronder ICTS en de betrokken huidige en voormalige bestuurders en commissarissen, uitsluitend voor zover en zolang dat noodzakelijk is voor het voeren van die […]”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2961

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 september 2026

    Selectiebesluit karatebond: marginale toetsing vernietigbaarheid ex artikel 2:15 BW in kort geding

    “Artikel 2:15 lid 1 BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met a) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, of b) de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist of c) een reglement.”

    r.o. 3.11 · lid 1

    “Uitgangspunt bij de toepassing van art. 2:15 lid 1 BW is dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Verder geldt dat de mate van beleids- en beoordelingsruimte die toekomt aan een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit, en daarmee de mate van indringendheid waarmee de rechter de vernietigbaarheid van besluiten van een dergelijk orgaan op de voet van art. 2:15 lid 1 BW beoordeelt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. KBN is niet verplicht [appellante] voor te dragen”

    r.o. 3.13 · lid 1

    ECLI:NL:GHARL:2026:6984

  • Gerechtshof Amsterdam · 22 september 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid bestuursbesluit vakvereniging zonder voorafgaande goedkeuring vliegervergadering

    “Het hof stelt voorop dat op grond van art. 2:14 lid 1 BW een besluit nietig is indien het in strijd is met de wet of de statuten, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien het besluit naar inhoud of strekking strijdig is met de wet of de statuten, is genomen door een daartoe onbevoegd orgaan, of is genomen zonder een door de wet of statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen. Art. 2:15 lid 1 BW ziet op de vernietigbaarheid van besluiten en bepaalt dat een besluit vernietigbaar is wegens strijd met (onder meer) a) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, b) de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist, of c) een reglement. Bij de beoordeling van de vraag of een besluit nietig dan wel vernietigbaar is, komt het aan op de omstandigheden waaronder het besluit is genomen en die tot het besluit hebben geleid. Omstandigheden van na de totstandkoming zijn daarbij in beginsel niet van belang.”

    r.o. 6.3 · lid 1

    “Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in art. 23.3 van de statuten, zodat de uitzonderingsbevoegdheid om besluiten te nemen gold, en dat VNV afdoende mededeling van het besluit heeft gedaan. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat het besluit van VNV van 9 juli 2021 niet in strijd is met de statutaire totstandkomingsvereisten. Het besluit is tevens niet in strijd met de wettelijke totstandkomingsvereisten. Het besluit van VNV van 9 juli 2021 is daarom niet nietig op grond van art. 2:14 lid 1 en 2 BW, en ook niet vernietigbaar op grond van art. 2:15 BW. Grieven 2 tot en met 6 slagen niet. Is het besluit van VNV in strijd met de goede zeden?”

    r.o. 6.24

    “Voor het beroep op art. 2:15 lid 1 sub b BW geldt dat moet worden getoetst of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Bij deze beoordeling dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten en kan hij niet te snel tot overschrijding van bedoelde norm besluiten. Van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW is sprake als de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ook bij deze beoordeling betracht de rechter de nodige terughoudendheid.”

    r.o. 6.29 · lid 1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2674

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 augustus 2026

    Nietigheid VvE-besluit tot vestiging erfdienstbaarheden en aankoop grond zonder unanieme instemming

    “Ten overvloede merkt het hof op dat de oproeping voor de vergadering van 15 april 2025, zoals [geïntimeerden] opmerken, een dag te laat is verzonden. Het besluit lijdt daarmee aan een totstandkomingsgebrek, en zo’n gebrek kan grond zijn voor vernietiging van dat besluit (zie artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW). Een verzoek tot vernietiging moet gedaan worden bij de rechter, en wel binnen een maand nadat de verzoeker van het besluit kennisnam of kennis kon nemen (zie artikel 5:130 lid 2 BW). De VvE heeft onweersproken gesteld dat zo’n verzoek tot vernietiging niet of niet tijdig is ingediend en dat een eventuele dagvaarding met die strekking niet is aangebracht. [geïntimeerden] hebben in reactie daarop opgemerkt dat zij ervan uitgingen dat zo’n verzoek of vordering niet nodig was, dit omdat het bestuur in haar brief van 23 mei 2025 (productie 47) erkend zou hebben dat het machtigingsbesluit nietig was. Dat laatste valt naar het oordeel van het hof in die brief in redelijkheid niet te lezen. Voor zover [geïntimeerden] bedoeld hebben te betogen dat het machtigingsbesluit vanwege die brief niet rechtsgeldig is, is dat betoog dus tevergeefs. Besluit vergadering van eigenaars”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:GHARL:2026:5458

  • Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 juli 2026

    Opzegging lidmaatschap zweefvliegclub door bestuur; marginale toetsing artikel 2:35 lid 2 BW

    “[appellanten] hebben in eerste aanleg, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd: te verklaren voor recht dat de besluiten van 7 augustus 2023 tot ontzetting van het lidmaatschap van [appellanten] als leden van de Vereniging nietig zijn dan wel deze op grond van artikel 2:15 BW te vernietigen; de Vereniging te verplichten [appellanten] met ingang van de datum van het vonnis als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat de Vereniging in strijd handelt met dit gebod; de Vereniging te verplichten om binnen veertien dagen na datum van het te wijzen vonnis de volgende rectificatietekst per e-mailbericht te verzenden aan [xx] @kluzdepeel.nl, [xx] @zweefvliegen.nu, [xx] @zweefvliegen.nu, [xx] @zweefvliegen.nl, [xx] @ [xx] .nl, [xx] @onzeluchtmacht.nl, [xx] @ [xx] .nl, [xx] @ [xx] .nl, met een afschrift (middels een cc) daarvan aan de advocaat van eisers ( [xx] @ [xx] .nl): Geachte lezer, Eerder hadden wij u bericht in verband met de opzegging van het lidmaatschap van de heren [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en wel op 7 respectievelijk […]”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:GHSHE:2026:1878

  • Gerechtshof Amsterdam · 23 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluiten funderingsherstel en dakrenovatie wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Bij de bespreking van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Het gaat in deze zaak om een op artikel 5:130 BW gebaseerd verzoek tot vernietiging van besluiten van een orgaan (de vergadering van eigenaars) van de VvE. De maatstaf die de rechter bij de beoordeling daarvan dient te hanteren is of dit orgaan, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen, in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (artikelen 2:15 lid 1 sub b en 2:8 BW). In zijn algemeenheid past de rechter terughoudendheid bij de beoordeling daarvan. Buitenschilderwerk en dakrenovatie (besluiten 8a en 8b)”

    r.o. 5.2 · lid 1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1674

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 juni 2026

    Ontslag statutair bestuurder structuurvennootschap door RvC niet nietig of vernietigbaar

    “[de bestuurder] heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslagbesluit nietig is, althans vernietiging daarvan gevorderd, op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk 2:15 BW. Hij wil, kort gezegd, zijn bestuurderschap weer uitoefenen, ingeschreven worden in het Handelsregister, toegang tot de gebouwen en digitale omgeving van [geïntimeerde] en een rectificatie. Verder heeft [de bestuurder] een verklaring voor recht gevorderd dat de rechtsverhouding tussen hem en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is.”

    r.o. 2.2

    “[de bestuurder] heeft aangevoerd dat het besluit van de raad van commissarissen waarbij hij is ontslagen als bestuurder nietig dan wel vernietigbaar is in verband met het bepaalde in artikel 2:14 en 2:15 BW. Hij heeft aangevoerd dat (i) de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had bij het besluit; (ii) de regels omtrent zijn raadgevende stem als bestuurder en zijn hoorrecht als bestuurder niet zijn nageleefd; (iii) het besluit (ook anderszins) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW; (iv) het besluit in strijd is met het belang van de onderneming; en (v) de ondernemingsraad niet tijdig (toen het advies nog van invloed kon zijn) om advies is gevraagd. Juridisch kader”

    r.o. 3.14

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Vernietiging kan onder meer worden gevorderd door iemand met een redelijk belang bij naleving van de geschonden verplichting. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie betrokken zijn, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.”

    r.o. 3.17 · lid 1

    “Op grond van artikel 2:227 lid 7 BW hebben bestuurders als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering. Dat geldt ook indien het ontslag van de bestuurder op de agenda staat en ook in een algemene vergadering waar het gaat over een voorgenomen ontslag waarover de raad van commissarissen bevoegd is te besluiten (na het horen van de algemene vergadering). Indien de bestuurder niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn raadgevende stem uit te oefenen, is het besluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Uit de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW vloeit voort dat een bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdedigen tegen zijn voorgenomen ontslag, tegenover het tot ontslag bevoegde orgaan. Dit wordt wel aangeduid als het hoorrecht. Schending van het hoorrecht leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW.”

    r.o. 3.19 · lid 1

    ECLI:NL:GHARL:2026:3978

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 juni 2026

    Vernietiging inkoopbesluit door OK-bestuurder; uitkeringstest geen besluit; verhaal verweerkosten

    “Op verzoek van [geïntimeerde 1] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland bij beschikking van 6 oktober 2020 op grond van artikel 2:15 lid 4 BW mr. J.H. Stek aangewezen om ter zake van dit geding in de plaats van het bestuur van [geïntimeerde 1] te treden.”

    r.o. 3.27 · lid 4

    “Voor zover voor het hoger beroep van belang en samengevat, hebben [appellanten] in eerste aanleg, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW gevorderd van het besluit van [geïntimeerde 2] dat [geïntimeerde 1] de [naam 1] aandelen inkoopt en van de vaststelling door [geïntimeerde 2] dat bij die inkoop is voldaan aan de vereisten van artikel 2:207 lid 2 BW, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten met nakosten en rente.”

    r.o. 4.1 · lid 1

    “[appellanten] vorderen in het principaal hoger beroep de vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW van het besluit van [geïntimeerde 2] dat [geïntimeerde 1] de [naam 1] aandelen inkoopt (zie 3.18, hierna: het inkoopbesluit) en van de vaststelling door [geïntimeerde 2] dat bij die inkoop is voldaan aan de vereisten van de uitkeringstest van artikel 2:207 lid 2 BW (zie 3.19). Volgens [appellanten] betreffen dit besluiten die [geïntimeerde 2] als bestuurder van [geïntimeerde 1] heeft genomen. [appellanten] stellen dat deze bestuursbesluiten zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.”

    r.o. 5.6 · lid 1

    “Bij een vernietigingsvordering op de voet van artikel 2:15 lid 1 sub b BW moet beoordeeld worden of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid, en met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit moet beoordeeld worden naar het moment waarop het besluit werd genomen. De rechter dient zich hierover een zelfstandig oordeel te vormen. Bij deze beoordeling past de rechter terughoudendheid. Inkoop van aandelen”

    r.o. 5.8 · lid 1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1540

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 april 2026

    Enquête: niet-ontvankelijkheid verzoek geschorste bestuurder en tegenverzoek bij ontbrekend belang

    “Verzoeksters wijzen in het kader van hun betwisting van dit ontvankelijkheidsverweer er nog op dat de gang van zaken rondom de schorsing van [Bestuurder] en benoeming van Bogojević op 9 december 2025 onzorgvuldig is verlopen doordat [Bestuurder] niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a en b, BW in verbinding met art. 2:227 lid 7 BW) en dat hij niet is gehoord (art. 2:8 BW). Ook is de besluitvorming in de algemene vergadering van 23 december 2025 volgens [Bestuurder] onzorgvuldig verlopen doordat hij in verband met zijn ziekmeldingen onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen en gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord. In het midden kan blijven of dit betoog gegrond is – dit staat ter beoordeling van de civiele rechter. Indien gegrond zijn de besluiten tijdens de algemene vergaderingen van 9 en 23 december 2025 ten hoogste vernietigbaar en niet nietig. Voor de toepassing van het enquêterecht moet daarom ervan worden uitgegaan dat de besluiten de daarmee beoogde rechtsgevolgen hebben gehad zo lang zij niet zijn vernietigd. Dit brengt mee dat dit betoog niet kan leiden […]”

    r.o. 4.8 · lid 1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1183

  • Gerechtshof Den Haag · 7 april 2026

    Vernietiging VvE-besluiten: termijn, e-mailoproeping en redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW)

    “De uitnodiging voor de algemene ledenvergadering is verstuurd naar de bij Badhuiskade in gebruik zijnde e-mailadressen: [e-mailadres naam 1] , backoffice@one.nl, [e-mailadres naam 5] , [e-mailadres] en secretariaat@one.nl. De e-mails zijn niet als onbestelbaar retour gekomen. Kortom, er is geen sprake van strijd met wettelijke of statutaire bepalingen, zoals bedoeld in art. 2:15 lid 1 sub a BW).”

    r.o. 6.8 · lid 1

    ECLI:NL:GHDHA:2026:558

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 februari 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid van ALV-besluiten van een VvE: stookkosten, geluidsoverlast, lattenplafonds, windschermen

    “Een besluit van de algemene ledenvergadering van een vereniging van eigenaars is vernietigbaar wanneer het in strijd is met a) wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van een besluit regelen, b) de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of c) een reglement, niet zijnde het reglement dat ingevolge artikel 5:111 onder d BW is opgenomen in de splitsingsakte (artikel 2:15 BW in verbinding met artikel 5:124 BW en artikelen 5:129 lid 2 en 5:130 BW). Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt voor gevallen als dit dat de VvE en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken (de vergadering van eigenaars, het bestuur en de leden) zich tegenover elkaar moeten gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. Van vernietigbaarheid van een besluit is sprake als een besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de genoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf voor de rechter voor de inhoud van het besluit is of de algemene ledenvergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Stookkosten”

    r.o. 4.3

    “[…] inschatting is van het gemeenschappelijke, van het gemeten individuele verbruik per woonruimte onafhankelijke deel van deze kosten, komt het hof gelet op het partijdebat aannemelijk voor. Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door de VvE gehanteerde percentage niet in strijd is met de wet in de zin van artikel 2:14 BW, noch onredelijk in de zin van artikel 2:8 BW en artikel 2:15 BW (vergelijk rechtsoverweging 4.2 en 4.3). De eerste grief slaagt dan ook niet. Geluidsoverlast”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:GHARL:2026:1066

  • Gerechtshof Amsterdam · 6 januari 2026

    VvE-besluit tot handhaving voorschotplicht deskundigenkosten bij uitbouw niet onredelijk

    “De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellanten] afgewezen en [appellanten] in de kosten van de procedure veroordeeld. De kantonrechter heeft daartoe onder verwijzing naar de artikelen 2:15 jo 2:8 BW en 5:121 BW onder meer overwogen, kort samengevat, dat niet kan worden geoordeeld dat de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en evenmin dat zij zonder redelijke grond als bedoeld in artikel 5:121 lid 1 BW het besluit heeft genomen om punt 15 van de verbouwingsovereenkomst te handhaven. In hoger beroep”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:GHAMS:2026:744

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 april 2026

    Vernietiging VvE-besluit over verduurzamingsscenario wegens strijd met redelijkheid en billijkheid afgewezen

    Een lid van een vereniging van eigenaars vroeg vernietiging van een ALV-besluit om een verduurzamingsscenario tot een detailplan uit te werken. Hij stelde dat de stemprocedure onduidelijk was en dat de financiële belangen onvoldoende waren meegewogen. Het hof toetst terughoudend aan artikel 2:15 jo. 2:8 BW via artikel 5:130 BW en bekrachtigt de afwijzing van het verzoek.

    ECLI:NL:GHARL:2026:2359

Rechtbanken (77)

  • Rechtbank Noord-Holland · 16 oktober 2026

    Kort geding: ontslag oprichter als STAK-bestuurder en geen herstel als bestuurder topholding

    “Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat niet is voldaan aan de formele vereisten om in de vergadering van het [gedaagde 1] -bestuur van 26 mei 2026 rechtsgeldig besluiten te kunnen nemen heeft hij dat onvoldoende onderbouwd gedaan. De uitnodiging is tijdig uitgegaan. Tussen de uitnodiging en de vergadering lagen meer dan de statutair voorgeschreven zeven dagen. Het is [eiser] zelf geweest die heeft besloten om naar Portugal af te reizen terwijl hij wist dat een vergadering was uitgeschreven waarvan het enige agendapunt het voorstel van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] tot zijn ontslag als bestuurder betrof. Ook heeft mr. Duursma op verzoek van mr. Rensen voorafgaand aan de vergadering enige, aan het memorandum ten grondslag liggende stukken toegezonden. Zoals hierna zal worden overwogen is het memorandum voor [eiser] voldoende concreet en duidelijk geweest om zich te kunnen verweren. Dat het besluit op grond van het bepaalde in artikel 2:15 BW vernietigbaar is omdat [eiser] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zich te kunnen verweren heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd en kan dan ook niet worden volgehouden. Ontslag – materieel”

    r.o. 4.16

    ECLI:NL:RBNHO:2026:14236

  • Rechtbank Amsterdam · 8 oktober 2026

    VvE-besluit tot verwijdering te zware vloer: geen nietigheid of vernietigbaarheid

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de vereniging van eigenaars de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.1

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement.”

    r.o. 4.2 · lid 1

    “Uit de notulen van 29 mei 2026 blijkt dat alleen [verzoeker] niet heeft ingestemd met het stemvoorstel over het verwijderen van de vloer op de vierde verdieping en het aanpassen van de vloerconstructie vanaf de vierde verdieping. De overige eigenaars hebben voor het stemvoorstel gestemd. Het appartementsrecht met appartementsindex [nummer 3] vertegenwoordigt twee stemmen, terwijl de overige appartementsrechten elk één stem vertegenwoordigen. Hieruit volgt dat de besluitvorming met de vereiste meerderheid heeft plaatsgevonden, ook al is in die notulen het aantal uitgebrachte stemmen onjuist vermeld (vier in plaats van vijf stemmen). [verzoeker] heeft onvoldoende gesteld dat zij een redelijk belang als bedoeld in artikel 2:15 lid 3 sub a BW heeft bij vernietiging van het besluit op deze grond. Toetsing aan de redelijkheid en billijkheid”

    r.o. 4.8 · lid 3

    ECLI:NL:RBAMS:2026:10086

  • Rechtbank Amsterdam · 7 oktober 2026

    Nietige aandeelhoudersbesluiten tot uitgifte en intrekking van aandelen in een B.V.

    “[…] tot het neerleggen van de uitvoering van het besluit tot uitgifte van nieuwe aandelen bij het bestuur van PMIR; (vi) ieder bestuurdersbesluit van het bestuur van PMIR dat is gebaseerd op de hiervoor genoemde besluiten, althans voor recht te verklaren dat deze besluiten nietig zijn; Subsidiair onder 2 vordert [eiser] de vernietiging van deze besluiten op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a en b BW; Meer subsidiair onder 3: voor recht te verklaren dat deze besluiten nietig zijn voor zover deze betrekking zouden hebben op een algemene vergadering van aandeelhouders van PMIR gehouden op 10 juli 2024, althans daarin genomen zouden zijn, althans deze besluiten te vernietigen; Primair en (meer) subsidiair: onder 4 voor recht te verklaren dat de notariële akte tot intrekking van de aandelen PMIR en alle overige daarmee verband houdende rechtshandelingen die is/zijn gebaseerd op of verband houden met één of meerdere nietige dan wel vernietigde besluiten niet rechtsgeldig is, althans te verklaren voor recht dat deze nietig is/zijn, althans deze te vernietigen; onder 5 voor recht te verklaren dat enige notariële akte tot uitgifte van de aandelen en alle overige […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:10340

  • Rechtbank Overijssel · 6 oktober 2026

    Nietigheid VvE-besluiten: toestemming horeca in strijd met splitsingsakte en gezag van gewijsde

    “[…] uit de splitsingsakte door middel van een meerderheidsbesluit buiten werking te stellen. Dat is reeds onherroepelijk beslist bij beschikking van de kantonrechter van 6 november 2023. De toevoeging dat het slechts een tijdelijke toestemming betreft, doet aan deze bevoegdheid niets af. Subsidiair stellen [verzoeker] en [verzoekster] dat de besluiten moeten worden vernietigd op grond van artikel 2:15 BW wegens strijd met artikel 2:8 BW. [verweerder] beschikt over een ruime meerderheid van stemmen binnen de VVE. Van die meerderheid maakt hij uitsluitend gebruik ter bescherming van zijn eigen commerciële belang, namelijk het voortzetten van een exploitatie waarvan inmiddels onherroepelijk is vastgesteld dat deze in strijd is met de splitsingsakte. Daarbij heeft [verweerder] geen rekening gehouden met de belangen van [verzoeker] en [verzoekster] bij naleving van de splitsingsakte en uitvoering van het arrest van het Gerechtshof.”

    r.o. 4.2

    “Voordat de kantonrechter op de standpunten van partijen kan ingaan, zal zij eerst moeten vaststellen of zij bevoegd is om te oordelen over het primaire verzoek van verzoekers. Artikel 3:302 BW bepaalt dat een verklaring voor recht kan worden uitgesproken op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon. Een vordering tot een verklaring voor recht dient daarom in beginsel ingesteld te worden in een procedure bij de rechtbank door middel van een dagvaarding. Hierop zijn uitzonderingen, zoals in de situatie waarin naast de vernietiging ingevolge artikel 2:15 jo. 5:130 BW tevens de nietigverklaring van dat besluit wordt verzocht. In dat geval beoordeelt de kantonrechter niet alleen de vernietigbaarheid maar ook de nietigheid van dat besluit en is zij ook bevoegd voor recht te verklaren dat het betreffende besluit nietig is. De procedure hoeft dus niet te worden gesplitst om de nietigheid van de besluiten in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure bij de rechtbank te laten beoordelen. Het juridisch kader”

    r.o. 5.1

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.”

    r.o. 5.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBOVE:2026:6221

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 24 september 2026

    Afwijzing voorstel verdeelsleutel VvE is geen besluit in de zin van 2:14/2:15 BW

    “De VvE verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Als meest verstrekkende verweer heeft de VvE aangevoerd dat sprake is van een afwijzing van het verzoek, dat niet is gericht op een rechtsgevolg. Daarom valt de beslissing buiten de reikwijdte van de artikelen 2:14 en 2:15 BW.”

    r.o. 3.3

    “Op grond van artikel 5:130 BW is de kantonrechter bevoegd te oordelen over een verzoek tot vernietiging van een VvE-besluit. Een verklaring voor recht dat een besluit nietig is, dient in beginsel bij de rechtbank en niet bij de kantonrechter te worden ingediend. In het arrest van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1275) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat in een verzoekschriftprocedure tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de VvE op de voet van artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 BW tevens een beroep op de nietigheid van dat besluit aan de orde kan worden gesteld. De kantonrechter kan zich dan ook buigen over de vraag of het besluit nietig is en zal dat ook doen.”

    r.o. 4.1

    “Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (artikel 2:14 BW). In artikel 2:15 BW staan de criteria op grond waarvan de kantonrechter een besluit van de VvE kan vernietigen. Deze artikelen gaan over besluiten die als rechtshandeling zijn aan te merken. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil (artikel 3:33 BW). De beslissing van de VvE om de verdeelsleutel niet aan te passen, is niet gericht op een rechtsgevolg, althans heeft geen rechtsgevolg. Opensapiens blijft immers gehouden om de elektriciteitskosten voor de lift te betalen, er verandert niets aan de huidige situatie. De beslissing van de VvE is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van de artikelen 2:14 - 2:15 BW. De verzoeken worden dan ook afgewezen. Proceskosten”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBZWB:2026:9394

  • Rechtbank Rotterdam · 23 september 2026

    Vernietiging VvE-besluiten verduurzaming en sancties: toetsing aan redelijkheid en billijkheid

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met het huishoudelijk reglement of de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.”

    r.o. 2.13 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:12903

  • Rechtbank Rotterdam · 22 september 2026

    VvE-besluiten: negatieve besluiten, niet geagendeerde extra bijdragen vernietigd

    “Een rechtspersoon zoals een VvE kan uiteenlopende beslissingen nemen. Beslissingen die zijn gericht op een rechtsgevolg zijn daarmee besluiten in de zin van de artikelen 2:14 en 2:15 BW. De ‘besluiten’ in deze zaak te weten ad 3) het door de VvE afwachten van het door [persoon A] toe te sturen rapport en totdat dit rapport is ontvangen en beoordeeld geen opdracht te geven voor extern onderzoek/herstel op kosten van de VvE, ad 4) het vaststellen door de VvE dat er geen sprake is van een spoedeisende maatregel die directe actie vereist en dit punt te betrekken bij de toekomstige onderhoudsplanning, en ad 6) het innemen van het standpunt door de VvE dat zij niet aansprakelijk is voor (vermeende) gevolgschade, zijn geen besluiten, anders dan waarvan partijen uit gaan. Genoemde drie beslissingen zijn namelijk alle drie niet gericht op een rechtsgevolg omdat ze niet zijn gericht op het vestigen, wijzigen of teniet doen gaan van rechtsverhoudingen binnen de organisatie van de VvE. Met andere woorden, er verandert niets door die beslissingen. Estate 77 had geen toezegging dat haar schade vergoed zal worden door de VvE en heeft die na de vergadering van 1 februari 2026 nog steeds niet, ook […]”

    r.o. 2.10

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De besluiten zijn niet nietig”

    r.o. 2.13 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:12871

  • Rechtbank Oost-Brabant · 21 september 2026

    Nietigheid VvE-besluit tot verhuur gemeenschappelijke stoep voor horecaterras

    “Subsidiair verzoekt [verzoeker] om het besluit op grond van de artikelen 2:15 lid 1 sub b BW en 5:130 BW te vernietigen wegens strijd met artikel 2:8 BW. Het bestreden besluit is namelijk in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de VvE en haar leden tegenover elkaar in acht dienen te nemen. Op grond van de splitsingsakte en het modelreglement mocht [verzoeker] ervan uitgaan dat hij een stoep onder zijn appartement had en geen luidruchtig terras. Hoe goed de eigenaren de situatie ook onder controle zullen houden, een terras brengt altijd geluidsoverlast met zich mee. Het is juist deze geluidsoverlast die [verzoeker] niet wenst en ook niet hoefde te verwachten. Als hij van tevoren had geweten dat hij boven een luidruchtig terras zou komen wonen, dan had hij zijn appartementsrecht nooit gekocht. [verzoeker] en enkele direct boven het beoogde terras gelegen eigenaren zullen worden geconfronteerd met een intensieve en structurele belasting van hun woongenot. Inmiddels is bekend dat De Kantine de ambitie heeft een terras te exploiteren met ongeveer 70 zitplaatsen. De beoogde openingstijden liggen tussen 08.30 uur 's ochtends en 23:00 uur tot 24.00 uur 's avonds, vrijwel […]”

    r.o. 3.2.2 · lid 1

    “In beginsel is de rechtbank bevoegd te oordelen over de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon. Echter, volgens het bepaalde in artikel 5:130 BW geschiedt - in afwijking van artikel 2:15 lid 3 BW - de vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars door een uitspraak van de kantonrechter. Voor het laten vaststellen van de nietigheid van een dergelijk besluit ontbreekt een soortelijke, afwijkende regeling, maar volgens vaste jurisprudentie kan in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter tot vernietiging van een besluit op grond van artikel 5:130 BW ook een beroep op nietigheid van het betreffende besluit aan de orde worden gesteld. De kantonrechter acht zich daarom op grond van artikel 94 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd om vanuit proceseconomisch oogpunt (ook) kennis te nemen van het verzoek ten aanzien van de nietigheid van het besluit van 30 maart 2026. De kantonrechter heeft dit bevoegdheidsstandpunt tijdens de mondelinge behandeling met partijen en verschenen belanghebbenden besproken en ieder van hen heeft geaccepteerd dat de kantonrechter zich bevoegd acht om op […]”

    r.o. 4.2 · lid 3

    ECLI:NL:RBOBR:2026:6785

  • Rechtbank Midden-Nederland · 9 september 2026

    VvE: verworpen voorstel is geen vernietigbaar besluit (artikel 2:15 en 5:130 BW)

    “[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben hun verzoek alleen gebaseerd op artikel 5:130 BW. Op grond hiervan kan de kantonrechter alleen besluiten vernietigen. Bovendien moet in dat geval sprake zijn van een vernietigbaar besluit: alleen besluiten met rechtsgevolgen voor de VvE zijn vernietigbare besluiten in de zin van de artikelen 2:15 en 5:130 BW. Partijen hebben echter verschillende standpunten over wat precies is besloten. Op basis van de (niet vastgestelde) notulen kan niet worden vastgesteld over welk voorstel is gestemd en of dit ‘besluit’ al rechtsgevolgen heeft, laat staan wat die dan precies inhouden.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBMNE:2026:6438

  • Rechtbank Noord-Holland · 9 september 2026

    Bestuursbesluit tot opzegging commanditaire vennootschap vernietigd wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Inco legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Het benoemingsbesluit is op grond van artikel 2:14 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nietig, omdat [commissaris] op grond van de statuten van ESNW Beheer niet tot commissaris mocht worden benoemd. [commissaris] is ook niet geworven op de manier die het reglement voorschrijft. Dit maakt het benoemingsbesluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub c BW. Het bestuursbesluit tot opzegging van de commanditaire vennootschap is nietig op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a en c BW vernietigbaar. Dit omdat [bestuurder] de tegenstrijdig belangregeling in de statuten van ESNW Beheer niet heeft gevolgd en het bestuursbesluit in strijd is met het reglement. Daarnaast is het bestuursbesluit vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 sub b BW).”

    r.o. 3.2 · lid 1

    “Het bestuursbesluit wordt wel vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist (artikel 2:15 lid 1 sub b BW).”

    r.o. 4.8 · lid 1

    “Op grond van deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat [bestuurder] niet in redelijkheid tot het besluit tot opzegging van de commanditaire vennootschap aan Inco heeft kunnen komen. Het bestuursbesluit wordt daarom op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW vernietigd. Omdat de rechtbank het bestuursbesluit al op deze grond vernietigt, hoeft de rechtbank de andere aangevoerde vernietigingsgronden niet te bespreken. Het benoemingsbesluit”

    r.o. 4.12 · lid 1

    “Dan moet de rechtbank nog beoordelen of het benoemingsbesluit vernietigbaar is wegens strijd met het reglement (artikel 2:15 lid 1 sub c BW). Inco meent van wel, omdat bij de benoeming van [commissaris] de procedure van artikel 10 van het reglement niet zou zijn gevolgd. Volgens Inco is er namelijk geen onderzoek gedaan en ontbrak de profielschets.”

    r.o. 4.17 · lid 1

    ECLI:NL:RBNHO:2026:12213

  • Rechtbank Amsterdam · 8 september 2026

    VvE-besluit tot ontzegging gebruik appartement vernietigd wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de vereniging van eigenaars de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.1

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement.”

    r.o. 4.2 · lid 1

    “Op grond van artikel 2:15 lid 3 sub a BW kan iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, vernietiging vorderen. Van een redelijk belang zal in het algemeen slechts sprake zijn wanneer een belang van de eisende partij door de niet-naleving is geschaad. De eisende partij zal haar redelijk belang moeten stellen en bij betwisting aannemelijk moeten maken. Geen nietigverklaring van het besluit van 1 april 2026”

    r.o. 4.4 · lid 3

    ECLI:NL:RBAMS:2026:9075

  • Rechtbank Amsterdam · 28 augustus 2026

    Vernietiging VvE-besluiten: jaarverslag vernietigd, bijdragebesluit nietig, geen besluit bij status quo

    “Een besluit genomen in de algemene ledenvergadering van een vereniging van eigenaars is op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (a), wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door 2:8 BW worden geëist (b), dan wel wegens strijd met een reglement (c).”

    r.o. 4.2

    “Artikel 5:130 lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter een ‘besluit’ van de VvE kan vernietigen. De vraag of van vernietigbaarheid sprake is moet beantwoord worden op basis van de in artikel 2:15 BW daarvoor gegeven criteria. Volgens artikel 5:124 BW is dat artikel immers (ook) van toepassing op besluiten van verenigingen van eigenaars. De artikelen 14-16 van Boek 2 BW zijn geschreven voor besluiten die als rechtshandeling zijn aan te merken. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil (artikel 3:33 BW).”

    r.o. 4.26

    ECLI:NL:RBAMS:2026:9536

  • Rechtbank Den Haag · 26 augustus 2026

    Vernietiging VvE-besluiten over weigering toestemming dakterras en wijziging splitsingsakte

    “Lookhill heeft geen belang bij haar verzoek tot vernietiging van de beslissingen om haar geen toestemming te verlenen voor de aanleg van het dakterras en de wijziging van de splitsingsakte. Ook als dat verzoek zou worden toegewezen, volgt daaruit nog niet dat Lookhill het dakterras op juiste gronden heeft aangelegd. Voor de door Lookhill beoogde situatie (het behoud van het dakterras) blijft immers een wijziging van de splitsingsakte nodig, zoals Lookhill zelf ook onderkent. De gewraakte beslissingen hebben bovendien geen rechtsgevolg: er is door die beslissingen feitelijk niets veranderd. Zij kunnen daarom niet worden aangemerkt als door de VvE genomen ‘besluiten’ die op grond van artikel 5:130 jo. artikel 2:15 BW voor vernietiging in aanmerking komen.”

    r.o. 4.1

    “Indien de beslissingen wel als besluiten in vorenbedoelde zin moeten worden aangemerkt, geldt het volgende. Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW is een besluit van een VvE vernietigbaar als het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De toetsingsmaatstaf daarbij is of de vergadering van de VvE, na afweging van alle bij het besluit betrokken belangen, in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit betreft een marginale toetsing.”

    r.o. 4.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:26285

  • Rechtbank Noord-Holland · 25 augustus 2026

    VvE-beslissing zonder rechtsgevolg is geen vernietigbaar besluit; vervangende machtiging afgewezen

    “De VvE verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Van een besluit in de zin van artikel 5:130 jo. 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geen sprake. Het ‘besluit’ kan daarom niet worden vernietigd. Voor zover wel sprake zou zijn van een besluit, is dit niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Een vervangende machtiging van de kantonrechter is ook niet aan de orde, omdat de VvE de toestemming niet zonder redelijke grond heeft geweigerd. Nergens blijkt uit dat er een noodzaak bestaat om het kozijn en het glas in de woning te vervangen, aldus de VvE.”

    r.o. 3.3

    “De VvE stelt zich op het standpunt dat die beslissing geen besluit is in zin van artikel 5:130 jo. 2:15 BW, zodat vernietiging zoals door [verzoekers] verzocht niet aan de orde is. De VvE voert daartoe aan dat de beslissing geen rechtsgevolg heeft: er is slechts besloten om geen medewerking te verlenen aan het voor rekening van de VvE laten uitvoeren van de betreffende werkzaamheden.”

    r.o. 4.2

    “In artikel 5:130 lid 1 BW staat dat de kantonrechter een besluit van de VvE kan vernietigen. De vraag of van vernietigbaarheid sprake is moet beantwoord worden op basis van de in artikel 2:15 BW genoemde criteria. Uit artikel 5:124 BW blijkt immers dat dat artikel ook van toepassing is op besluiten van verenigingen van eigenaren. De artikelen 14-16 van Boek 2 BW zijn geschreven voor besluiten die als rechtshandeling zijn aan te merken. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil (artikel 3:33 BW).”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBNHO:2026:11632

  • Rechtbank Amsterdam · 19 augustus 2026

    Uitleg aandeelhoudersovereenkomst, statuten en vernietiging bezoldigingsbesluit zonder rechtspersoon in het geding

    “[…] mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Met betrekking tot het Bezoldigingsbesluit: I) Voor recht te verklaren dat het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 nietig is ex artikel 2:14 BW; II) Subsidiair, namelijk voor het geval de onder (I) gevorderde verklaring voor recht niet wordt toegewezen, voor recht te verklaren dat (i) het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vernietigbaar is ex artikel 2:15 lid 1 sub b juncto artikel 2:8 BW, althans vernietigbaar was ten tijde van de Vaststellingsovereenkomst, althans en op de datum van deze dagvaarding; en/of (ii) de via het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vermeend geldende regel dat [bedrijf 2] jegens [bedrijf 1] aanspraak kan maken op een hogere bezoldiging dan EUR 14.000 per maand (ook overigens) buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW; III) Meer subsidiair, namelijk voor het geval de onder (I) of onder (II) gevorderde verklaring voor recht niet wordt toegewezen, voor recht te verklaren dat het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vernietigbaar is ex artikel 2:15 lid 1 sub a BW, althans vernietigbaar was ten tijde van de Vaststellingsovereenkomst, althans op de datum van […]”

    r.o. 4.1 · lid 1

    “Primair voert [gedaagde] daartoe aan dat de eis kennelijk niet-ontvankelijk is omdat onder meer [bedrijf 1] in de procedure had moeten worden betrokken. Verder zijn Vogelgezang c.s. kennelijk niet ontvankelijk omdat zij geen belang hebben bij (een deel van) de vorderingen. Door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] niet in de procedure te betrekken, kan de verklaring voor recht dat het Bezoldigingsbesluit van [bedrijf 1] nietig of vernietigbaar is niet worden toegewezen. Voor het alsnog instellen van een vordering tot vernietiging van het besluit tegen [bedrijf 1] is inmiddels ook de vervaltermijn van artikel 2:15 lid 5 BW verstreken.”

    r.o. 4.6 · lid 5

    “[…] met het door hen ter zitting gedane aanbod om [bedrijf 1] alsnog in de procedure te betrekken. Zij hebben er bij het uitbrengen van de dagvaarding bewust voor gekozen om dat niet te doen en daarmee onderhavig risico genomen. Het alsnog mogen oproepen van [bedrijf 1] zou in strijd zijn met de goede procesorde. Subsidiair: Verklaring voor recht dat het besluit vernietigbaar is of was (artikel 2:15 BW)”

    r.o. 5.4

    “Vogelgezang c.s. vorderen subsidiair een verklaring voor recht dat het Bezoldigingsbesluit vernietigbaar is of was op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW (strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW), dan wel dat de op grond van het Bezoldigingsbesluit geldende aanspraak op hogere bezoldiging buiten toepassing blijft. Meer subsidiair vorderen Vogelgezang c.s. een verklaring voor recht dat het Bezoldigingsbesluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW, waarin staat dat een besluit vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen.”

    r.o. 5.5 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:8350

  • Rechtbank Limburg · 29 juli 2026

    Vernietiging VvE-besluit kostenverdeling wegens strijd met redelijkheid en billijkheid afgewezen

    “Aangezien met die nadere toelichting de vraag ter beoordeling voorligt of de met het besluit tot stand gekomen kostenverdeling ter vervanging van de rookgasafvoerkanalen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 BW, is de kantonrechter bevoegd van het verzoek kennis te nemen en is [verzoekende partij] ontvankelijk in haar verzoek (artikel 5:130 in samenhang gelezen met artikel 2:15 BW). Toetsingskader”

    r.o. 4.6

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW is een besluit vernietigbaar als het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. De wetsgeschiedenis geeft als toetsingsmaatstaf of een orgaan, in dit geval de ledenvergadering van de VvE, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (Kamerstukken II, 1984/1985, 17725, 7, p. 16). Enkel als kan worden aangenomen dat de VvE in redelijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen, is het besluit vernietigbaar. Het gaat daarbij om een marginale toetsing door de rechter. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid zijn afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen (Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, rov. 3.4.3.). Is het besluit vernietigbaar?”

    r.o. 4.7 · lid 1

    “Het voorgaande leidt ertoe dat het besluit niet vernietigbaar is op grond van artikel 5:130 in samenhang gelezen met artikel 2:15 BW, omdat het besluit in lijn is met de bepalingen uit de splitsingsakte en de kantonrechter niet tot de conclusie komt dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarom wijst de kantonrechter het verzoek af.”

    r.o. 4.16

    ECLI:NL:RBLIM:2026:6949

  • Rechtbank Rotterdam · 27 juli 2026

    VvE-weigering gebruik appartement door zorginstelling is geen vernietigbaar besluit

    “Op grond van artikel 5:130 lid 1 BW in samenhang met artikel 2:15 lid 1 sub b BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Er is geen sprake van een ‘besluit’”

    r.o. 3.3 · lid 1

    “Een rechtspersoon zoals een VvE kan uiteenlopende beslissingen nemen. Sommige van die beslissingen zijn gericht op rechtsgevolg en zijn daarmee besluiten in de zin van de artikelen 2:14 en 2:15 BW. Het ‘besluit’ geen toestemming te verlenen voor het gebruik van het appartement gelegen aan de [adres 2] door [naam zorginstelling] is niet gericht op rechtsgevolg omdat het niet is gericht op het vestigen, wijzigen of teniet doen gaan van rechtsverhoudingen binnen de organisatie van de rechtspersoon. Er verandert namelijk niets. In dit geval had [verzoeker] geen toestemming en hij krijgt na de vergadering van 11 november 2025 nog steeds geen toestemming. Daarmee is het een beslissing die valt buiten de reikwijdte van de artikelen 2:14 en 2:15 BW. Nu het hier niet om een besluit gaat, kan van nietigheid of vernietigbaarheid geen sprake zijn. Het toetsingskader voor het geven van een vervangende machtiging”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:RBROT:2026:10158

  • Rechtbank Gelderland · 21 juli 2026

    VvE-besluiten over reservefonds en lift-MJOP: geen vernietiging of nietigheid

    “[verzoeker] verzoekt primair om vernietiging van het genomen besluit. Volgens [verzoeker] is namelijk sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW/artikel 2:15 lid 1 sub b BW), strijd met de wet en de statuten (artikel 2:14 BW en artikel 5:126 BW) en van een ondeugdelijke afwijking van een vastgesteld uitvoeringsbesluit. Daartoe stelt [verzoeker] onder meer dat het besluit is genomen zonder deugdelijke technische of financiële onderbouwing, terwijl wordt afgeweken van een eerder door de ALV vastgesteld MJOP dat de wettelijke basis vormt voor het reservefonds.”

    r.o. 3.3 · lid 1

    “Op grond van artikel 5:130 BW is de kantonrechter bevoegd te oordelen over een verzoek tot vernietiging van een VvE-besluit. Het is in beginsel de rechtbank die oordeelt over de nietigheid van besluiten. In zijn arrest van 10 juli 2020 ( ECLI:NL:HR:2020:1275) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de VvE op de voet van artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 BW tevens een beroep op de nietigheid van dat besluit aan de orde kan worden gesteld. De kantonrechter acht zich op basis hiervan dan ook bevoegd op het verzoek van [verzoeker] te beslissen. Juridisch kader”

    r.o. 4.4

    “Ingevolge artikel 5:130 lid 1 BW in samenhang met artikel 2:15 BW kan een appartementseigenaar aan de kantonrechter verzoeken een besluit van een orgaan van de VvE te vernietigen. Artikel 2:15 lid 1 BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is (a) wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) wegens strijd met een reglement.”

    r.o. 4.5 · lid 1

    “Op grond van artikel 2:15 lid 3 sub a BW kan iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, vernietiging vorderen. Van een redelijk belang zal in het algemeen slechts sprake zijn wanneer een belang van de eisende partij door de niet-naleving is geschaad. De eisende partij zal haar redelijk belang moeten stellen en bij betwisting aannemelijk moeten maken.”

    r.o. 4.7 · lid 3

    ECLI:NL:RBGEL:2026:5955

  • Rechtbank Noord-Nederland · 17 juli 2026

    Opschorting besluit tot ontzetting uit lidmaatschap skûtsjesilvereniging

    “De hele gang van zaken en onduidelijkheden die er nog steeds zijn over wat er wel en niet zou zijn toegestaan, maken dat nu niet binnen het kader van een kort geding geoordeeld kan worden dat ontzetting van het lidmaatschap een logische en passende maatregel was. Dit leidt tot de conclusie dat IFKS naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet tot het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap had kunnen komen. Dit brengt mee dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter of arbitragecommissie zal oordelen dat dit besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 BW, zodat de voorzieningenrechter de gevolgen van dit besluit zal opschorten, gelet op het belang van [eiser] om als lid zijn rechten uit te kunnen oefenen binnen de vereniging gedurende het komende wedstrijdseizoen. Het onder I gevorderde zal worden toegewezen op de wijze als na te melden.”

    r.o. 5.14

    ECLI:NL:RBNNE:2026:2934

  • Rechtbank Oost-Brabant · 16 juli 2026

    Vernietiging VvE-bestuursbesluit tot waarschuwing wegens onzorgvuldige totstandkoming

    “De eerste vraag die voorligt, is of de door het bestuur op 23 april 2025 gegeven schriftelijke waarschuwing kwalificeert als een besluit dat vatbaar is voor vernietiging of nietig verklaring op grond van artikel 2:15 respectievelijk 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat er in de hiervoor genoemde artikelen niet nader is gedefinieerd wat moet worden verstaan onder een besluit, heeft de kantonrechter aansluiting gezocht bij het bestuursrechtelijke besluitbegrip. De kantonrechter heeft als uitgangspunt genomen dat er sprake moet zijn van een besluit van een orgaan van de VvE dat op een rechtsgevolg is gericht Tussen partijen is niet in geschil dat de waarschuwing op 23 april 2025 is gegeven door het bestuur. Het bestuur is een orgaan van de VvE waarmee aan het eerste vereiste is voldaan.”

    r.o. 4.2

    “De kantonrechter is op grond van artikel 2:15 BW, in samenhang gelezen met artikel 5:130 BW, bevoegd een besluit van een orgaan van de VvE te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of de wijze van totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of het orgaan van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:RBOBR:2026:5777

  • Rechtbank Midden-Nederland · 15 juli 2026

    Vernietiging ontslagbesluit statutair bestuurder wegens schending hoorplicht afgewezen

    “[eiser] is op de buitengewone vergadering van aandeelhouders (BAVA) van 24 oktober 2025 ontslagen als statutair bestuurder van [gedaagde] . Zij vordert in deze procedure vernietiging van dat besluit op grond van art. 2:15 BW. De rechtbank wijst de vordering af.”

    r.o. 2.1

    “[…] 2025. In de oproeping van 6 oktober 2025 werd het voorgenomen besluit tot ontslag van [eiser] vermeld. [eiser] heeft zich de dag voor de AVA ziekgemeld. Het voorgenomen besluit tot ontslag van [eiser] werd tijdens de AVA aangenomen. [eiser] stelt dat het ontslagbesluit in strijd is met statutaire en wettelijke bepalingen en doet een beroep op de vernietiging van dat besluit op grond van artikel 2:15 BW. Dat is de aanleiding van deze procedure. Het ontslagbesluit van 24 oktober 2025 is rechtsgeldig”

    r.o. 3.2

    “Artikel 2:15 BW bepaalt (voor zover hier van belang) dat een besluit van een orgaan van een vennootschap vernietigbaar is als het in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of als het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.”

    r.o. 3.3

    “Als een bestuurder met een beroep op artikel 2:15 BW opkomt tegen een besluit van een aandeelhoudersvergadering tot ontslag van die bestuurder, geldt het volgende: Uitgangspunt is dat de aandeelhoudersvergadering het orgaan is dat het uiteindelijk voor het zeggen heeft. Artikel 2:244 BW bepaalt dat iedere bestuurder te allen tijde kan worden geschorst en ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming, en dat is hier de aandeelhoudersvergadering. De bepaling van artikel 2:227 lid 7 BW dat de bestuurders een raadgevende stem hebben geldt ook voor bestuurders wiens ontslag op de agenda staat. De bestuurder moet in de gelegenheid worden gesteld advies te geven over het voorgenomen besluit. Het uitbrengen van dit advies is geen formaliteit, maar moet kunnen bijdragen aan de inhoud van de besluitvorming.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:4781

  • Rechtbank Overijssel · 13 juli 2026

    Ontslag statutair bestuurder: schending raadgevende stem, voldongen feit, billijke vergoeding

    “Het ontslag in vennootschapsrechtelijke zin is onderworpen aan de eisen die daaraan worden gesteld in boek 2 BW. Artikel 2:15 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat een besluit van een orgaan van een vennootschap vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Artikel 2:227 lid 7 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat bestuurders in de algemene vergadering van aandeelhouders een raadgevende stem hebben. Die raadgevende stem heeft de bestuurder ook in de algemene vergadering van aandeelhouders waar het gaat over zijn ontslag als bestuurder. Daarbij wordt algemeen aangenomen dat het uitbrengen van die raadgevende stem ook zin moet hebben. Onder “zinvol” verstaat de rechtbank in dit verband dat de bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld om zijn advies zodanig te motiveren dat van een gefundeerd advies sprake is. Daarnaast moet het advies nog reëel kunnen bijdragen tot de inhoud van het te nemen besluit. Het advies mag dus niet enkel nog voor de vorm worden uitgebracht, wat wel het geval is als het niets meer kan bijdragen aan de […]”

    r.o. 5.7

    “De conclusie uit het voorgaande is dan ook dat [verzoeker] voor een voldongen feit is geplaatst en dat zijn advies, als hij dat tijdens de aandeelhoudersvergadering van 29 januari 2026 had uitgebracht, geen enkele invloed zou hebben gehad op de beslissing van de aandeelhouders. Die beslissing stond voor [verweerder], zo blijkt uit haar handelen, al vast. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat [verweerder] inbreuk heeft gemaakt op het adviesrecht van de bestuurder op grond van artikel 2:227 lid 7 BW. Daarmee staat ook vast dat het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit is genomen in strijd met een wettelijke bepaling zodat dit besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW.”

    r.o. 5.10 · lid 1

    ECLI:NL:RBOVE:2026:4528

  • Rechtbank Amsterdam · 10 juli 2026

    Nietig VvE-besluit dat vakantieverhuur toestaat in strijd met splitsingsakte

    “Als een besluit van de VvE in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dan is het besluit vernietigbaar (artikel 2:8 jo 2:15 lid 1 sub b BW). De vernietiging van een besluit geschiedt door een uitspraak van de kantonrechter. Deze toets is een marginale toets; het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. uitleg akte van splitsing”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:7160

  • Rechtbank Den Haag · 10 juli 2026

    Opzegging lidmaatschap volkstuinvereniging en ontruiming tuin in kort geding

    “Het opzeggingsbesluit kan door de bodemrechter nietig worden verklaard op grond van artikel 2:14 Burgerlijk Wetboek (BW) of worden vernietigd op grond van artikel 2:15 BW. De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag waarop het besluit aan [gedaagde] is meegedeeld. Er loopt geen procedure bij de bodemrechter tegen het opzeggingsbesluit.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBDHA:2026:19793

  • Rechtbank Midden-Nederland · 26 juni 2026

    Schorsing KNVB-besluit gemengd indelen amateurvoetbal afgewezen; toets artikel 2:15 en 2:8 BW

    “De KNVB is een vereniging en dus een rechtspersoon. Het gaat in dit kort geding om een besluit van de directeur-bestuurder amateurvoetbal van 16 juni 2025 (hierna: het bestuur en het besluit). Een besluit van een rechtspersoon is vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), als dat in strijd is met een reglement of als dat in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid”

    r.o. 3.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBMNE:2026:3685

  • Rechtbank Amsterdam · 24 juni 2026

    Bevoegdheid bij vernietiging bestuursbesluit: artikel 2:15 lid 3 BW gaat voor

    “[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het besluit in strijd is met het eigen reglement van KND en in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het besluit moet dan ook vernietigd worden op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door het besluit heeft [eiser] tevens schade geleden in de vorm van gemiste wedstrijden en dus inkomsten.”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “In de hoofdzaak vordert [eiser] vernietiging van het besluit genomen door KND. De rechtbank overweegt, in lijn met het standpunt van [eiser] , dat daarmee sprake is van een vordering zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 3 BW. Op grond daarvan geschiedt vernietiging van het besluit door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon. Dit betekent dat de rechtbank Amsterdam, team handelszaken, bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Artikel 93 Rv staat hier niet aan in de weg. Gelet daarop zal de vordering in incident worden afgewezen.”

    r.o. 4.4 · lid 3

    ECLI:NL:RBAMS:2026:6584

  • Rechtbank Midden-Nederland · 17 juni 2026

    VvE: geen besluit bij ontbrekende eenstemmigheid; vervangende machtiging achteraf

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig behalve wanneer uit de wet iets anders voortvloeit. Artikel 5:129 lid 1 BW bepaalt dat voor de toepassing van artikel 2:14 BW de akte van splitsing wordt gelijkgesteld met de statuten. Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Of een besluit nietig of vernietigbaar is hangt af van het antwoord op de vraag waarmee het besluit in strijd is. Als het besluit in strijd is met de wet, het splitsingsreglement, de openbare orde of de goede zeden is het besluit nietig. Besluiten in strijd met het huishoudelijk reglement of de redelijkheid en billijkheid zijn vernietigbaar.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBMNE:2026:3528

  • Rechtbank Limburg · 15 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluit tot verhoging servicebijdragen afgewezen; toets redelijkheid en billijkheid

    “De kantonrechter stelt voorop dat vernietiging van een besluit van de VvE kan worden uitgesproken indien: het besluit in strijd is met de statutaire bepalingen (waaronder de bepalingen van de splitsingsakte en de daarvan deel uitmakende reglementen) die het tot stand komen van besluiten regelen; voor het overige leidt strijd met de statuten blijkens artikel 2:14 BW tot nietigheid van het besluit; het besluit is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de VvE en degenen die krachtens de wet en statuten bij haar organisatie zijn betrokken, jegens elkander in acht moeten nemen bij hun gedragingen (art. 5:130 BW jo art. 2:15 BW jo art. 2:8 BW). Oproeping eigenaren”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBLIM:2026:5256

  • Rechtbank Rotterdam · 10 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluit over verdeling Tegemoetkoming Tijdelijke Blokverwarming; marginale toets redelijkheid en billijkheid

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het oordeel: besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid”

    r.o. 2.10 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:6890

  • Rechtbank Noord-Holland · 4 juni 2026

    Kort geding: vernietigbaar ontslagbesluit statutair directeur bij schending hoorplicht, arbeidsrechtelijke vergoedingen afgewezen

    “[eiser] stelt primair dat het ontslagbesluit op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar is. Op grond van artikel 2:238 lid 2 BW had VandN [eiser] voorafgaand aan het besluit tot ontslag in de gelegenheid moeten stellen om zijn standpunt kenbaar te maken. Dat is niet gebeurd. [eiser] is niet opgeroepen, niet geïnformeerd over het voorgenomen ontslagbesluit en niet in de gelegenheid gesteld te reageren. VandN heeft deze gang van zaken niet weersproken.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBNHO:2026:6572

  • Rechtbank Den Haag · 20 mei 2026

    Opzegging lidmaatschap bewonersvereniging; geen nietigheid of vernietigbaarheid ledenbesluit

    “Daartoe voert [gedaagde] het volgende aan. Het besluit van de vereniging van 9 april 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] is in strijd met artikel 6 eerste lid en onder c van de statuten en dus nietig op grond van artikel 2:14 BW, omdat geen van de daarin genoemde opzeggingsgronden zich heeft voorgedaan. Voor zover wel aan één of meerdere van de in de statuten genoemde opzeggingsgronden is voldaan, dan is het besluit van 9 april 2025 vernietigbaar op grond van artikel 2:15 BW wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.”

    r.o. 3.5

    “Een besluit tot opzegging is op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar als het besluit in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van de besluiten regelen of met de redelijkheid en billijkheid.”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:RBDHA:2026:13514

  • Rechtbank Den Haag · 20 mei 2026

    Vve-besluiten: herbevestiging benoeming bestuurder, incassomandaat en additionele bijdrage niet nietig of vernietigbaar

    “[partij A] verzoekt de kantonrechter bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad: I. het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van 17 november 2025 tot wijziging en (her)vaststelling van de notulen van de vergadering van 28 mei 2024 te vernietigen (artikel 2:15 BW); II. voor recht te verklaren dat het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van 17 november 2025 strekkende tot benoeming van [bedrijfsnaam] v.o.f. als bestuurder/administrateur en beheerder van de vve “overeenkomstig de eerder rondgestuurde offerte” dan wel “pakket I”, inclusief taken/werkomschrijving, nietig is (artikel 2:14 BW), althans subsidiair dit besluit te vernietigen (artikel 2:15 BW); III. primair voor recht te verklaren dat het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van 17 november 2025 strekkende tot goedkeuring van het financiële overzicht en tot verrekening en/of vergoeding van enerzijds door bepaalde leden in privé gestelde “voorgeschoten” kosten ten laste van de vve (natuursteen, opstalverzekering, boekhoudpakket, vve belang), anderzijds daaronder begrepen de impliciete vaststelling en omslag van een additionele ledenbijdrage ter grootte van onder meer € 7.920, […]”

    r.o. 3.1

    “Op grond van artikel 5:130 BW is de kantonrechter bevoegd te oordelen over een verzoek tot vernietiging van een vve-besluit. Het is in beginsel de rechtbank, die oordeelt over de nietigheid van besluiten. In zijn arrest van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1275) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vve op de voet van artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 BW tevens een beroep op de nietigheid van dat besluit aan de orde kan worden gesteld.”

    r.o. 4.1

    “Op grond van artikel 5:130 lid 1 BW, te lezen in verbinding met de artikelen 2:15 lid 1 en 2:8 BW, kan de kantonrechter een besluit van de vve vernietigen als het besluit: (a) tot stand is gekomen in strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) wat de wijze van totstandkoming betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, (c) wat de inhoud van het besluit betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.”

    r.o. 4.16 · leden 1, 2

    ECLI:NL:RBDHA:2026:14519

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 mei 2026

    VvE-besluiten: nietigheid financieel overzicht, geen besluit, vervangende machtigingen afgewezen

    “Een besluit is op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met het huishoudelijk reglement. Financieel overzicht”

    r.o. 4.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBZWB:2026:4840

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 mei 2026

    Kort geding: verkoop dochteraandelen door holding zonder unanimiteit minderheidsaandeelhouders toegestaan

    “De voorzieningenrechter acht de uitleg inhoudende dat de aandeelhoudersovereenkomst geen grond biedt voor het oordeel dat voor de hier in geding zijnde situatie unanimiteit is vereist redelijk. Partijen hebben voor dit geval niet voorzien in een concrete bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst. Het standpunt van [eisende partij 1] en Camco komt er dan op neer dat ondanks het ontbreken van een dergelijke concrete bepaling het standpunt van de meerderheid van de aandeelhouders en bestuurders van Apcon Groep niet mag worden gevolgd omdat de minderheid, en dat zou ook slechts een aandeelhouder met 1% van de aandelen kunnen zijn, een ander standpunt heeft. Een dergelijke uitleg van de inleidende bewoordingen en considerans van de aandeelhoudersovereenkomst is bij gebreke van een concrete bepaling daarom te verstrekkend en niet redelijk. Het gebrek aan een concrete bepaling brengt niet mee dat de minderheid geen enkele rechtsbescherming heeft. De artikelen 2:14 BW en 2:15 BW voorzien daarin.”

    r.o. 5.12

    “De redelijkheid en billijkheid als verwoord in boek 6 BW, noch als verwoord in artikel 2:8 BW brengen mee dat de in geding zijnde besluiten strijdig zijn met de aandeelhoudersovereenkomst of vernietigbaar zijn wegens strijd met artikel 2:15 lid 1 aanhef en sub b BW. [eisende partij 1] en Camco hebben geen beroep op de vernietigbaarheid gedaan, maar de voorzieningenrechter overweegt desalniettemin het volgende.”

    r.o. 5.13 · lid 1

    ECLI:NL:RBZWB:2026:6396

  • Rechtbank Gelderland · 13 mei 2026

    VvE: nietigheid herhaald besluit jaarstukken en decharge; Titel 9 Boek 2 niet van toepassing

    “Alvorens aan de beantwoording van de vraag of de door verzoekers aangevallen besluitvorming nietig dan wel vernietigbaar is, dient te worden beoordeeld of sprake is van een besluit. Kan de instemming van de vergadering op 27 augustus 2025 met de jaarstukken over 2020 en 2021, alsmede de dechargeverlening aan het bestuur worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 2:14 en 2:15 BW? De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Met het dechargebesluit wordt aansprakelijkheid afgesneden en met het vaststellingsbesluit zijn de jaarstukken vastgesteld. In beide gevallen is sprake van een rechtsgevolg. Zijn de besluiten nietig dan wel vernietigbaar?”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3760

  • Rechtbank Gelderland · 13 mei 2026

    VvE: vergaderstemming over vrijwillige aanzuivering is geen besluit in de zin van 2:14/2:15 BW

    “Verzoekers leggen aan hun verzoek ten grondslag dat de instemming van de vergadering op 27 augustus 2025 met het bestuursvoorstel moet worden aangemerkt als besluit als bedoeld in de artikelen 2:14 BW en 2:15 BW. Zij voeren aan dat het verzoek aan een selecte groep van slechts acht eigenaren om te weinig betaalde bijdragen uit het verleden vrijwillig aan te zuiveren, impliciet een besluit tot kwijtschelding inhoudt voor de overige (ex-)eigenaren. Volgens verzoekers is dit besluit nietig omdat het in strijd is met het splitsingsreglement, waarin de verdeling naar rato van breukdelen dwingend is voorgeschreven, dan wel is het besluit vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.”

    r.o. 3.2

    “Alvorens te kunnen beoordelen of de door verzoekers aangevallen besluitvorming nietig dan wel vernietigbaar is, dient te worden vastgesteld of de instemming van de vergadering op 27 augustus 2025 met het voorstel van het bestuur, inhoudende dat een achttal eigenaren wordt verzocht de te weinig betaalde bijdragen uit het verleden vrijwillig aan te zuiveren, kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 2:14 en 2:15 BW. Indien deze instemming namelijk niet als besluit kwalificeert, kan van nietigheid of vernietigbaarheid geen sprake zijn.”

    r.o. 4.3

    “Voor een besluit in de zin van de artikelen 2:14 BW en 2:15 BW is vereist dat de beslissing van de vergadering van eigenaars is aan te merken als een rechtshandeling. Dit betekent – onder meer – dat de beslissing gericht moet zijn op het tot stand brengen van een bepaald rechtsgevolg. De juridische positie van de VvE moet door de stemming zijn gewijzigd of definitief zijn vastgesteld. Een louter feitelijke mededeling of een vrijblijvend verzoek van de vergadering aan de VvE mist een dergelijk rechtsgevolg.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3765

  • Rechtbank Noord-Holland · 6 mei 2026

    Nietig benoemingsbesluit voorzitter vereniging; geen rectificatie handelsregister via civiele rechter

    “[eiser] voert daarbij het volgende aan. Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon kan nietig of vernietigbaar zijn. Aan de benoeming en/of inschrijving in het handelsregister van [betrokkene 4] ligt geen besluit ten grondslag dat voldoet aan de statuten. Er is bijvoorbeeld geen bijeenroeping gestuurd, geen agenda opgesteld en geen notulen vastgesteld. Dat betekent dat de inschrijving nietig is op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dan wel vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Ook de uitschrijving van [eiser] per 21 augustus 2023 is onrechtmatig. Ontslag van een bestuurslid is volgens de statuten enkel mogelijk door een besluit van de algemene ledenvergadering met een meerderheid van twee derde. Zo’n besluit is er niet. Ook heeft [eiser] nooit ontslag genomen. Met het WhatsAppbericht wilde hij alleen afstand nemen van “het kamp Semerkand”. Omdat rechtsgeldige besluiten ontbreken, moeten de inschrijving van [betrokkene 4] en de uitschrijving van [eiser] ongedaan worden gemaakt. De situatie van voor 1 juni 2023 moet worden hersteld.”

    r.o. 3.2 · lid 1

    “[gedaagde] vindt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Verkort weergegeven voert zij het volgende aan. [eiser] had op grond van artikel 2:15 lid 5 BW binnen een jaar vernietiging kunnen vorderen van het besluit om [betrokkene 4] tot voorzitter te benoemen. Hij heeft dat niet (op tijd) gedaan en daarmee is de bevoegdheid om vernietiging te vorderen vervallen. Ook moeten de vorderingen van [eiser] worden beschouwd als een verzoek om een voorzitter aan te wijzen. Daarvoor kent de wet een verzoekschriftprocedure. Door te dagvaarden heeft [eiser] een onjuiste rechtsingang gekozen. Daarom is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen. Verder gaat de stelling van [eiser] dat [betrokkene 4] niet volgens de statuten is benoemd eraan voorbij dat geen enkel bestuurslid volgens de statutaire regeling is benoemd. Ook [eiser] is niet volgens de regels benoemd. [gedaagde] is in 2016 feitelijk door de Stichting overgenomen. [eiser] was daar voorzitter en is door betrokkenheid van Semerkand ook aangewezen als voorzitter van [gedaagde]. Bij toewijzing van de vorderingen van [eiser] zal dan ook geen sprake zijn van een terugkeer naar een rechtsgeldige situatie. Omdat ook [eiser] […]”

    r.o. 3.3 · lid 5

    ECLI:NL:RBNHO:2026:4892

  • Rechtbank Midden-Nederland · 4 mei 2026

    Kort geding: besluit KNVB wedstrijd met niet-speelgerechtigde speler niet over te laten spelen

    “Het gaat in dit kort geding om een besluit van een rechtspersoon. Namelijk het besluit van 8 april 2026 van het competitiebestuur betaald voetbal (hierna: het competitiebestuur). Het competitiebestuur is een orgaan van de KNVB en is belast met de vaststelling van en het toezicht op wedstrijden in de mannen eredivisie en eerste divisie. Een besluit van een rechtspersoon is vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als dat in strijd is met een reglement of als dat in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het besluit is niet in strijd met een reglement”

    r.o. 3.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBMNE:2026:2166

  • Rechtbank Gelderland · 1 mei 2026

    Schorsing sluitingsbesluit schoolbestuur; ouders geen belanghebbende ex artikel 2:8 en 2:15 BW

    “Voor de vraag of een besluit op grond van artikel 2:15 BW vernietigd kan worden omdat het besluit is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist, geldt eveneens de norm of het besluit in redelijkheid genomen had kunnen worden. Voor zover de ouders c.s. zich hierop heeft willen beroepen, deze grondslag is door hen niet aangevoerd, geldt het volgende. In artikel 2:8 BW staat (lid 1) dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd en dat (lid 2) een tussen hen geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De vraag is of ouders in een rechtsbetrekking tot Groeisaam staan als in artikel 2:8 lid 1 BW bedoeld. Daarvoor is vereist dat zij krachtens de wet en de statuten bij Groeisaam zijn betrokken. Voor de ouder c.s. geldt dat zij als contractspartij van Groeisaam geen rechten ontlenen aan artikel 2:8 BW. Hen komt daarom geen beroep toe op artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Ook hier geldt dat een ander […]”

    r.o. 4.13 · lid 1

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3490

  • Rechtbank Rotterdam · 23 april 2026

    VvE: geen besluit over balkonrenovatie, dus geen nietigheid of vernietiging mogelijk

    “Een besluit van de VvE is nietig als het in strijd is met de wet of de statuten (artikel 2:14 lid 1 BW). Daarnaast is de kantonrechter bevoegd om een besluit van de vergadering van de VvE te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang gelezen met artikel 5:130 lid 1 BW). Bij de beoordeling geldt als toetsingsmaatstaf of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Op de vergadering van 27 mei 2025 is geen besluit genomen over de renovatie van balkons”

    r.o. 2.5 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:5076

  • Rechtbank Midden-Nederland · 22 april 2026

    VvE: vervangende machtiging splitsingsakte; negatief besluit niet vernietigbaar (2:14, 2:15 BW)

    “Tot slot moet het verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV van 4 juni 2025 worden afgewezen. Het gaat namelijk om een (negatief) besluit zonder rechtsgevolgen voor de rechtspersoon (hier: de VvE). Bij vernietiging van het besluit tot het niet verlenen van toestemming verandert er immers niets. Een beslissing die niet is gericht op rechtsgevolg is geen besluit in de zin van de artikelen 2:14, 2:15 en 5:130 BW en kan daarom niet worden vernietigd. De proceskosten moeten worden betaald door [verweerder]”

    r.o. 4.21

    ECLI:NL:RBMNE:2026:2145

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 22 april 2026

    Vernietiging besluiten VvE-vergadering: artikelen 2:15, 2:8 en 2:48 BW, kascommissie

    “[…] en lid/leden kascommissie, de datum 19 maart 2024 en overige informatie die gedeeld is vanuit de hoedanigheid lid kascommissie en bestuur; 16. Vast te stellen dat besluit 11 van de ALV van 1 april 2025 in strijd is met artikel 23.6 van de splitsingsakte; 16. Te verklaren dat artikel 20.2 en 21.3 geen grondslag bieden voor dit besluit; 16. Te oordelen dat het besluit vernietigbaar is ex artikel 2:15 BW; 16. Het besluit te vernietigen; 16. Te bevelen dat de VvE uitsluitend rechtsgeldige regelingen vaststelt inzake gebruik van gemeenschappelijke gedeelten; 16. Te vernietigen de besluiten tot wijziging van artikel 2 lid 2, artikel 5 lid 7 en artikel 5 lid 12 van het Huishoudelijk Reglement, genomen tijdens de ALV van 1 april 2025; 16. Te verklaren voor recht dat deze wijzigingen in strijd zijn met de splitsingsakte en artikel 64 uit de splitsingsakte; 16. Te bevelen dat het bestuur artikel 23.6 splitsingsakte actief handhaaft ten aanzien van obstakels en objecten in gemeenschappelijke ruimten; 16. Te bepalen dat besluiten over stroomgebruik in overeenstemming dienen te zijn met artikel 23.4 splitsingsakte, inclusief een doorbelasting met terugwerkende kracht van de werkelijke […]”

    r.o. 3.1

    “De kantonrechter is het met betrekking tot deze verzoeken met de VvE eens dat deze niet in de onderhavige verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter kunnen worden aangebracht. Zo bepaalt artikel 3:302 BW dat een verklaring voor recht kan worden uitgesproken op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon. Een vordering tot een verklaring voor recht dient daarom in beginsel ingesteld te worden in een procedure bij de rechtbank door middel van een dagvaarding. Weliswaar bestaan hierop specifieke uitzonderingen, zoals de situatie waarin naast vernietiging ingevolge artikel 2:15 jo. 5:130 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tevens de “nietigverklaring” van dat besluit wordt verzocht. In dat geval beoordeelt de kantonrechter niet alleen de vernietigbaarheid maar ook de nietigheid van dat besluit (Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1275) en is hij ook bevoegd voor recht te verklaren dat het betreffende besluit nietig is. Van een dergelijke uitzondering is hier echter geen sprake.”

    r.o. 4.2

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement.”

    r.o. 4.7 · lid 1

    “Het meest verstrekkende verweer van de VvE is dat [verzoekers] geen belang hebben bij hun vordering. Op grond van artikel 2:15 lid 3 sub a BW kan iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, vernietiging vorderen. Het gaat hierbij om een eigen belang van degene die de vernietiging vordert. Aangezien [verzoeker 1] van [verzoeker 2] lid zijn van de VvE wordt hun belang verondersteld. Dit verweer faalt daarom. Verzoek 14: Nieuwe kascontrole over boekjaar 2024 door een onafhankelijke commissie”

    r.o. 4.9 · lid 3

    ECLI:NL:RBZWB:2026:3370

  • Rechtbank Amsterdam · 8 april 2026

    Vernietiging bestuursbenoeming supportersvereniging wegens onjuiste oproeping ledenvergadering

    “Een besluit van de ledenvergadering is vernietigbaar als het in strijd is met de wettelijke en statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dat staat in artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank oordeelt dat het benoemingsbesluit van [naam 1] vernietigbaar is, aangezien voor de ledenvergadering niet juist is opgeroepen.”

    r.o. 5.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:3437

  • Rechtbank Rotterdam · 31 maart 2026

    Vernietiging VvE-besluit over hoogte erfafscheiding dektuinen wegens strijd met redelijkheid

    “De kantonrechter vernietigt het besluit van 17 april 2025, omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die artikel 2:8 BW eist (artikel 2:15 lid 1 onder b BW in combinatie met artikel 5:130 BW). Het besluit is niet nietig. Dit oordeel wordt hierna toegelicht. Het besluit van 17 april 2025 is niet nietig”

    r.o. 2.6 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:4626

  • Rechtbank Midden-Nederland · 11 maart 2026

    Stadionverbod KNVB: geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW

    “Dit geschil moet niet, zoals in eerdere rechtspraak wel is aangenomen, worden getoetst aan het rechtspersonenrecht. Artikel 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) dat een regeling biedt voor vernietiging van besluiten van organen van rechtspersonen is in dit geval niet van toepassing.”

    r.o. 2.2

    “Die vorderingen moeten worden beoordeeld aan de hand van het hierna te noemen toetsingskader. Daarop wordt wat uitgebreider ingegaan, omdat over dit toetsingskader in de rechtspraak (jurisprudentie) onduidelijkheid is ontstaan. Er zijn uitspraken van voorzieningenrechters waarin de vraag of een landelijk stadionverbod en een geldboete mochten worden opgelegd, wordt getoetst aan het rechtspersonenrecht en in het bijzonder artikel 2:15 lid 1 onder a en b BW dat de vernietiging van besluiten van organen van rechtspersonen regelt. En er zijn uitspraken waarbij dit wordt getoetst aan het overeenkomstenrecht en in het bijzonder de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    “[…] Overigens heeft de KNVB tijdens de mondelinge behandeling bevestigd het daarmee eens te zijn. Geen toetsing aan rechtspersonenrecht 4.5. De rechtsgeldigheid van het opleggen van een landelijk stadionverbod en een geldboete moet niet worden getoetst aan het rechtspersonenrecht, omdat geen sprake is van een besluit van de KNVB of de Commissie stadionverboden zoals bedoeld in artikel 2:15 BW. Er is geen sprake van rechtspersoonlijke relatie tussen de KNVB en [eiser] als voetbalsupporter. [eiser] is als voetbalsupporter niet krachtens de wet en de statuten van de KNVB bij de organisatie van de KNVB betrokken. Dat is bijvoorbeeld wel het geval tussen de KNVB en haar leden, zoals de voetbalclubs en spelers die lid zijn van een voetbalclub. Dat de KNVB haar beslissing om aan [eiser] als voetbalsupporter een landelijk stadionverbod en geldboete op te leggen een besluit noemt, betekent nog niet dat sprake is van een besluit zoals bedoeld in artikel 2:15 BW. Hetzelfde geldt voor de beslissing van de Commissie stadionverboden. Ook dat is geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW. Toetsing aan overeenkomstenrecht”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:1120

  • Rechtbank Den Haag · 10 maart 2026

    Nietigheid en vernietiging VvE-besluiten over kosten toegangspoorten en brandveiligheid parkeergarage

    “[…] naar rato van het breukdeel genoemd in artikel 1 lid 2 van de splitsingsakte, en de VvE te veroordelen tot medewerking aan die kostenverdeling overeenkomstig de genoemde bepaling van de splitsingsakte; subsidiair: III het besluit van 30 juni 2025 van de VvE ten aanzien van de verdeling van de onderhoudskosten van de toegangspoorteninstallatie te vernietigen ex artikel 5:130 BW jo. artikel 2:15 lid 1 sub b BW en een vervangende machtiging ex artikel 5:121 BW voor het in rekening brengen van de kosten van het onderhoud van de toegangspoorteninstallatie aan alle VvE-leden naar rato van het breukdeel; IV het besluit van 30 juni 2025 van de VvE ten aanzien van het plaatsen en de verdeling van de (onderhouds)kosten van de brandmeldinstallatie te vernietigen ex artikel 5:130 BW jo. Artikel 2:15 lid 1 sub b BW en een vervangende machtiging ex artikel 5:121 lid 1 BW om het brandveiligheidssysteem te laten plaatsen op kosten van de VvE, voor het in rekening brengen van de kosten van de VvE, naar rato van hun breukdeel verdeeld over alle VvE-leden en een regeling vast te stellen ex artikel 5:121 lid 3 BW die bepaald dat alle VvE-leden in de toekomst evenredig bijdragen aan de kosten […]”

    r.o. 2.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:4904

  • Rechtbank Rotterdam · 6 maart 2026

    Vernietiging vve-besluit en vervangende machtiging airco-unit afgewezen

    “De kantonrechter wijst het verzoek tot vernietiging van het besluit af. 2.7.1. Op grond van artikel 2:15 BW is een besluit van een orgaan van een vve vernietigbaar wegens 1) strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, 2) strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW of 3) strijd met een reglement. 2.7.2. Naar aanleiding van de stelling van [verzoekende partij] dat op de tweede vergadering (6 mei 2025) er feitelijk slechts 39% negatieve stemmen waren van alle breukdelen heeft de VVE gesteld dat het besluit rechtsgeldig is genomen. Daartoe heeft de VVE aangevoerd dat in de tweede vergadering 1958 stemmen aanwezig waren en het besluit met 1452 stemmen (tegen) is genomen. Volgens de VVE was slechts een meerderheid vereist om het besluit te kunnen nemen. [verzoekende partij] heeft dit niet betwist, zodat niet gebleken is dat het besluit in strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen of een reglement is genomen. 2.7.3. Wat betreft strijd met de redelijkheid en billijkheid wordt het volgende overwogen. 2.7.4. Uit artikel 2:8 BW volgt dat een vve en haar leden zich jegens elkaar moeten gedragen zoals de […]”

    r.o. 2.7

    “Op grond van artikel 2:15 BW is een besluit van een orgaan van een vve vernietigbaar wegens 1) strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, 2) strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW of 3) strijd met een reglement.”

    r.o. 2.7.1

    ECLI:NL:RBROT:2026:4156

  • Rechtbank Midden-Nederland · 4 maart 2026

    Nietig VvE-besluit: dak ten onrechte als privégedeelte gekwalificeerd

    “Uit artikel 5:124 Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat op besluiten van de [verweerder sub 1] de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:993

  • Rechtbank Den Haag · 23 februari 2026

    VvE-besluiten vernietigd: gebrekkige kascommissie, décharge en doorbelasting kosten aan leden

    “Op grond van artikel 5:130 BW kan een lid van de VvE binnen een maand na de dag waarop deze kennis heeft genomen van een besluit van de algemene ledenvergadering bij de kantonrechter verzoeken om vernietiging van dat besluit. Volgens vaste rechtspraak kan in dezelfde procedure daarnaast aan de kantonrechter verzocht worden om de nietigheid van het besluit vast te stellen. Een besluit is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW nietig indien het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit vernietigbaar indien het tot stand is gekomen op een wijze die in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen (sub a), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (sub b) of in strijd is met een reglement (sub c).”

    r.o. 3.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:3249

  • Rechtbank Amsterdam · 19 februari 2026

    Nietig VvE-besluit tot toestemming dakterras; benoeming kascommissielid niet vernietigd

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de VvE de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing met het daarvan deel uitmakende splitsingsreglement gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.10

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, voor zover relevant, vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement. Toestemming aanleggen dakterras”

    r.o. 4.11 · lid 1

    “De overige verzoeken van [verzoekers] (ro. 3.1. sub b., c. en e.) worden afgewezen, omdat de kantonrechter alleen bevoegd is om te oordelen over besluitvorming die valt binnen de reikwijdte van de artikelen 2:14 en 2:15 BW.”

    r.o. 4.18

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1949

  • Rechtbank Limburg · 18 februari 2026

    Nietig sanctiebesluit commissie van beroep golfvereniging; ontzetting en bestuursverkiezing

    “[eisende partij] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I Primair:voor recht verklaart dat het besluit van het bestuur van [ gedaagde partij] genomen in de vergadering van 20 november 2024 tot ontzetting van het lidmaatschap van [ gedaagde partij] van [eisende partij] nietig is ex artikel 2:14 BW en dat bijgevolg het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2024 ook nietig is op grond van artikel 2:14 BW; Subsidiair: voor recht verklaart dat het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2025 nietig is op grond van artikel 2:14 BW; Meer subsidiair: het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2025 op grond van artikel 2:15 lid 1 jo. artikel 2:8 jo. artikel 2:15 lid 3 BW vernietigt voor zover in dit besluit een sanctie aan [eisende partij] is opgelegd. II [ gedaagde partij] veroordeelt tot het plaatsen van een rectificatie in de eerstvolgende [naam nieuwsbrief] nieuwsbrief van [ gedaagde partij] ; III [ gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de proceskosten en nakosten.”

    r.o. 3.1 · leden 1, 3

    ECLI:NL:RBLIM:2026:1540

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 februari 2026

    Tussenvonnis: tegenstrijdig belang, pauliana en onrechtmatige daad bij doorstart modeketen

    “Aan de (buitengerechtelijke) vernietiging van een groot aantal rechtshandelingen legt de curator ten grondslag dat deze rechtshandelingen vernietigbaar zijn op grond van artikel 42 of 47 Fw dan wel (ver)nietig(baar) zijn, omdat [persoon 1] handelde in verschillende hoedanigheden terwijl er sprake was van tegenstrijdig belang, zodat er op grond van artikel 2:14 BW althans artikel 2:15 BW geen rechtsgeldige besluiten konden worden genomen om Sandwich III te binden aan de desbetreffende overeenkomsten.”

    r.o. 4.4

    “[…] hoedanigheden is opgetreden en dat voor hem kenbaar was dat er een tegenstrijdig belang bestond. Volgens de statuten van Sandwich III had hij niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. Er was steeds een besluit van de AVA van Sandwich III vereist. Het bestaan van dergelijke besluiten is niet gebleken. Daardoor zijn er volgens de curator, gelet op de artikelen 2:14 en 2:15 BW, geen rechtsgeldige besluiten genomen om Sandwich III te binden aan de betreffende overeenkomsten. 5.106. [persoon 1] betwist dat er sprake is geweest van tegenstrijdig belang. Hij voert daartoe aan dat [persoon 2] tot en met de ontbinding van FSCP 100% UBO is geweest van FSCP. In de periode dat Sandwich III contracteerde met FSCP in het kader van de financiering was [persoon 1] alleen bestuurder van FSCP. Hij had daarin geen financieel belang. Bij de onderhandelingen en gesprekken met FSCP zat [persoon 1] aan tafel met [persoon 2] en bij de besluitvorming over de financiering van Sandwich III heeft [persoon 1] zich als bestuurder van FSCP verschoond, vanwege zijn financiële belang in Sandwich III. Bij het aangaan van de financieringsovereenkomsten heeft [persoon 1] voor FSCP […]”

    r.o. 5.99

    ECLI:NL:RBZWB:2026:8750

  • Rechtbank Midden-Nederland · 17 februari 2026

    Geen vernietigbaar besluit VvE bij inventarisatie ledenvergadering; vervangende machtiging gewijzigd gebruik afgewezen

    “[verzoekster sub 1] c.s. verzoekt om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: het besluit van de vergadering van 24 juli 2025 tot afwijzing van het toestemmingsverzoek aangaande [straat] [nummeraanduiding 1/letter] te vernietigen op grond van artikel 5:130 jo. 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW); op grond van artikel 5:121 BW een vervangende machtiging te verlenen voor het gewenste afwijkend gebruik tot woonruimte van [straat] [nummeraanduiding 1/letter] met inachtneming van de voorwaarden als genoemd in punt 2.19 van de dagvaarding en voor zover nodig, de permanente aanpassing van de gevel van [straat] [nummeraanduiding 1/letter] ; en de VVE te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief redelijk gemaakte onkosten door [verzoekster sub 1] c.s. voor het voeren van deze procedure. Subsidiair: de kantonrechter een dusdanige maatregel te laten treffen die hij geraden acht en; de VVE te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief redelijk gemaakte onkosten door [verzoekster sub 1] c.s. voor het voeren van deze procedure.”

    r.o. 3.1

    “Op grond van artikel 5:130 lid 1 juncto artikel 2:15 lid 1 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen. De artikelen 14-16 van Boek 2 BW zijn geschreven voor besluiten die als rechtshandeling zijn aan te merken. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBMNE:2026:694

  • Rechtbank Amsterdam · 6 februari 2026

    VvE-besluiten: nietigheid en vernietiging; weigering te besluiten is geen besluit

    “Verzoekers hebben onder andere verzocht dat de besluiten die tijdens de vergadering van 30 juni 2025 zijn genomen, nietig worden verklaard. Op grond van de artikelen 2:14 lid 1 en 5:129 BW is een besluit nietig wegens strijd met de wet of de akte van splitsing. Verzoekers hebben echter nagelaten in hun verzoekschrift per besluit te concretiseren welk wetsartikel dan wel welk artikel uit de splitsingsakte door het genomen besluit zou zijn geschonden. Verzoekers hebben enkel gesteld dat de besluiten in redelijkheid niet genomen hadden kunnen worden. Dit betreft een beroep op artikel 2:15 lid 2 onder b BW dat ziet op de vernietiging van besluiten en niet op de nietigheid. Gelet hierop zal de kantonrechter de verzoeken voor zover die betrekking hebben op de nietigheid van de besluiten afwijzen. De zolderruimte (verzoek onder I)”

    r.o. 4.3 · lid 2

    “Met betrekking tot de zolderruimte ligt de vraag voor of het besluit van de vergadering van 30 juni 2025 kan worden vernietigd. Op grond van de artikelen 2:15 en 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met i) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, ii) de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of iii) een reglement. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit artikel is geschreven voor besluiten die als rechtshandeling zijn aan te merken. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil (artikel 3:33 BW).”

    r.o. 4.5

    “Daarvan is in deze zaak echter geen sprake. De beslissing van de VvE om de stemming over het gebruik van de gemeenschappelijke zolder niet op de agenda te plaatsen behelst immers niets meer dan een weigering om tot een rechtshandeling over te gaan. Deze beslissing staat er niet aan in de weg dat de VvE een nieuw (ander) besluit neemt of dat vervangende machtiging wordt gegeven (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1126). Dit betekent dat de hiervoor genoemde beslissing van de VvE geen besluit is in de zin van artikel 2:15 BW. Het verzoek tot vernietiging van dit ‘besluit’ zal dan ook worden afgewezen.”

    r.o. 4.6

    “Ten aanzien van het verzoek onder IV geldt hetzelfde als hiervoor onder 4.5. en 4.6. is overwogen. De beslissing van de VvE om verzoekers geen sleutel tot het dak te geven – de kantonrechter begrijpt de sleutel tot het trappenhuis dat naar het dak leidt – is eveneens slechts een weigering om tot een rechtshandeling over te gaan. Gelet hierop is ook deze beslissing geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW, waardoor het verzoek tot vernietiging van dit ‘besluit’ zal worden afgewezen.”

    r.o. 4.14

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1557

  • Rechtbank Amsterdam · 4 februari 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid statutenwijziging coöperatie: aspirant-lidmaatschap en toezicht ledenraad

    “Artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder b, BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is als het in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Bij het toetsen van een besluit aan het bepaalde in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder b BW is de maatstaf of het orgaan alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid tegen elkaar heeft afgewogen. Uitgangspunt is dat de rechter bij de beoordeling terughoudendheid past (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013: BZ9145).”

    r.o. 4.17

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1032

  • Rechtbank Amsterdam · 23 januari 2026

    Nietigheid en vernietiging VvE-besluiten over doorbelasten reparatiekosten en verhaal ongemandateerde uitgaven

    “[verzoekster] verzoekt de kantonrechter: Primair 3.1.1. voor recht te verklaren dat de onder 6a en 11 van de notulen vermelde besluiten van de vergadering van de VvE van 16 juli 2025 nietig zijn op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW), Subsidiair 3.1.2. deze besluiten te vernietigen op grond van artikel 5:130 lid 1 jo. 2:15 lid 1 sub b BW, 3.1.3. te bepalen dat het bestuur van de VvE gehouden is het schadedossier van [verzoekster] administratief te verwerken conform de feitelijke en juridische afwikkeling zoals vastgelegd in 2022 en 2024, zonder hernieuwde kwalificaties of opname in toekomstige jaarrekeningen, zodat hernieuwde betwisting of besluitvorming via de vergadering van de VvE wordt voorkomen en de positie van [verzoekster] als lid van de VvE ondubbelzinnig vastligt, 3.1.4. de VvE te veroordelen in de proceskosten, inclusief eventuele nakosten.”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “deze besluiten te vernietigen op grond van artikel 5:130 lid 1 jo. 2:15 lid 1 sub b BW,”

    r.o. 3.1.2 · lid 1

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de VvE de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de splitsingsakte met het daarvan deel uitmakende splitsingsreglement gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.2

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1317

  • Rechtbank Amsterdam · 23 januari 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid van VvE-besluiten over bestuur, beheerder en jaarrekening afgewezen

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de VvE de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.3

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, voor zover relevant, vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement.”

    r.o. 4.4 · lid 1

    “Op grond van artikel 2:15 lid 3 sub a BW kan iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, vernietiging vorderen. Van een redelijk belang zal in het algemeen slechts sprake zijn wanneer een belang van de eisende partij door de niet-naleving is geschaad. De eisende partij zal haar redelijk belang moeten stellen en bij betwisting aannemelijk moeten maken.”

    r.o. 4.6 · lid 3

    “De VvE heeft aangevoerd dat dit punt alleen op de agenda is gezet, omdat [verzoekers] in het verzoekschrift van 23 mei 2025 hebben gesteld dat het contract met Twinss zonder voorafgaand vergaderbesluit is opgezegd. Vast staat dat de samenwerking van de VvE met Twinss in augustus 2024 is beëindigd, nadat ook [verzoeker 1] en [verzoeker 2] daarmee hadden ingestemd. [verzoeker 3] en [verzoeker 4] waren toen nog geen eigenaars. Tegen deze achtergrond is niet duidelijk geworden welk redelijk belang in de zin van artikel 2:15 lid 3 sub a BW [verzoekers] nog hebben bij vernietiging van dit besluit. Gronden voor nietigverklaring hebben zij onvoldoende gesteld. Besluit agendapunt 7d.: reserveren op basis van 0,5% herbouwwaarde in plaats van op basis van mjop”

    r.o. 4.30 · lid 3

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1318

  • Rechtbank Amsterdam · 16 januari 2026

    Artikel 2:15 lid 4 BW: verzoek om geen vertegenwoordiger van stichting aan te wijzen afgewezen

    “Verzoekster is op 12 september 2025 door onder meer [naam 2] , één van de bestuurders van verzoekster, bij deze rechtbank gedagvaard. Nadat verzoekster een conclusie van antwoord heeft ingediend hebben eisers in die procedure zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 2:15 lid 4 BW iemand aangewezen had moeten worden die in de plaats van het bestuur van verzoekster treedt. Een daartoe strekkende incidentele conclusie is door de rolrechter geweigerd. Volgens verzoekster is het aanwijzen van iemand in de zin van artikel 2:15 lid 4 BW (ook) niet nodig in de voorliggende casus.”

    r.o. 2.1 · lid 4

    “Artikel 2:15 lid 4 BW luidt: “Indien een bestuurder in eigen naam de vordering instelt, verzoekt de rechtspersoon de voorzieningenrechter van de rechtbank iemand aan te wijzen, die terzake van het geding in de plaats van het bestuur treedt.””

    r.o. 3.1 · lid 4

    “Met het primaire verzoek wordt een beslissing gevraagd dat geen persoon als bedoeld in artikel 2:15 lid 4 BW wordt aangewezen. Voor een dergelijke, negatief geformuleerde beslissing biedt artikel 2:15 lid 4 BW geen grondslag.”

    r.o. 3.3 · lid 4

    “Verder geldt dat in de lopende bodemprocedure zo nodig beslist kan worden of het nodig is dat in dat geding een persoon als bedoeld in artikel 2:15 lid 4 BW wordt aangewezen.”

    r.o. 3.5 · lid 4

    ECLI:NL:RBAMS:2026:205

  • Rechtbank Midden-Nederland · 16 januari 2026

    Vernietiging en nietigheid van ALV-besluiten VvE afgewezen; artikel 2:14 en 2:15 BW

    “Het verzoek van [verzoekster] strekt tot zowel vernietiging als nietigverklaring van (een aantal besluiten van) de ALV. In beginsel is de rechtbank bevoegd te oordelen over de nietigheid en de vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon (respectievelijk op grond van artikelen 2:14 en 2:15 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Bij een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars geschiedt de vernietiging daarentegen – in afwijking van artikel 2:15 BW – door de kantonrechter (artikel 5:130 BW). Voor het laten vaststellen van de nietigheid hiervan ontbreekt een soortgelijke, afwijkende regeling.”

    r.o. 4.1

    “Een ALV is echter geen besluit van een orgaan van een rechtspersoon in de zin van de artikelen 2:14, 2:15 en 5:130 BW en kan reeds daarom niet worden vernietigd of nietig worden verklaard op grond van die artikelen. Bovendien staat er geen sanctie op een overschrijding van de vijfmaandentermijn en gaat het slechts om een beperkte overschrijding (van nog geen twee weken). Daarnaast kan de reeds overschreden vijfmaandentermijn niet alsnog worden gehaald: een eventuele nieuwe ALV zal ook buiten die vijfmaandentermijn zijn. [verzoekster] heeft dan ook geen belang bij haar verzoeken tot nietigverklaring en vernietiging van de ALV’s.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:403

  • Rechtbank Limburg · 14 januari 2026

    VvE: nietigheid en vernietigbaarheid ALV-besluiten, te late vernietigingsvordering, ontslag bestuur

    “In beginsel is de rechtbank (en niet de kantonrechter) bevoegd te oordelen omtrent de nietigheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon (ex artikel 2:14 en artikel 2:15 BW). Omdat [lid VvE] de nietigheid heeft ingeroepen als verweer in reconventie, is de kantonrechter, gelet op het bepaalde in artikel 97 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wel bevoegd om hierover te oordelen.”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:RBLIM:2026:47

  • Rechtbank Rotterdam · 13 januari 2026

    Vernietiging VvE-besluiten wegens strijd met redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW)

    “De kantonrechter vernietigt de besluiten die in de vergadering van 3 augustus 2025 zijn genomen, omdat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW zijn genomen. Artikel 2:15 lid 1 sub b BW bepaalt dat een besluit in zo’n geval vernietigbaar is. De besluiten van 3 augustus 2025 zijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat [persoon A] [verzoeker] niet de gelegenheid heeft geboden om bij de vergadering aanwezig te zijn en daarin zijn stem uit te brengen, terwijl dat wel van haar mocht worden verwacht. Daartoe wordt het volgende overwogen.”

    r.o. 2.4 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:904

  • Rechtbank Limburg · 12 januari 2026

    VvE-besluiten: nietig wegens quorum, vernietigbaar wegens oproeptermijn en besluitvorming

    “Subsidiair stelt [verzoeker] dat de besluiten vernietigbaar zijn omdat niet voldaan is aan de oproeptermijn uit artikel 50 MR. Daarmee zijn de besluiten in strijd met een statutaire bepaling en derhalve vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Ook zijn de besluiten vernietigbaar op grond van de redelijkheid en billijkheid uit artikel 2:15 lid 1 sub b BW omdat het belang van de VvE bij plaatsing van de verschillende camera’s gering is terwijl het belang van, en de inbreuk op, de privacy van de bewoners zwaar weegt.”

    r.o. 3.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBLIM:2026:237

  • Rechtbank Gelderland · 16 oktober 2025

    Vernietiging statutenwijziging STAK afgewezen: vervaltermijn artikel 2:15 lid 5 BW verstreken

    “[…] statuten zijn vervolgens ook op 27 maart 2020 ten overstaan van een notaris gewijzigd (hierna te noemen: de nieuwe statuten). Bij de wijziging van de statuten is onder meer het defungeren van de bestuurder bij het bereiken van een leeftijd van 72 jaar vervallen. Eisende partijen stellen zich op het standpunt dat het besluit van 19 maart 2020 tot wijziging van de statuten van de Stak ex artikel 2:15 BW vernietigbaar is, nu voorafgaand aan de wijziging van de statuten van de Stak geen certificaathoudersvergadering bijeen is geroepen en de voorgenomen wijziging van de statuten niet met een oproeping is meegezonden, terwijl eisende partijen daar als certificaathouders wel een redelijk belang bij hadden. Zij verwijzen in dit kader naar artikel 2 lid 3 van de oude statuten van de Stak jo artikel 10 lid 5 van de administratievoorwaarden.”

    r.o. 1.2

    “Ook is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen, reeds is vervallen (artikel 2:15 lid 5 BW). Overwogen wordt dat artikel 2:15 lid 5 in de wet is opgenomen om de rechtszekerheid te dienen. In lijn met de jurisprudentie op dit punt is de rechtbank van oordeel dat met het inschrijven van de gewijzigde statuten in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (op 27 maart 2020) voldoende bekendheid aan het besluit is gegeven. Dat een beroep op de vervaltermijn vanwege publicatie in het Handelsregister niet kan worden gehonoreerd, omdat het in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, slaagt evenmin. Er is voldoende bekendheid aan het besluit gegeven en niet vereist is dat iedereen bekend is met de inhoud van het besluit. Ook anderszins is niet gebleken dat er in strijd is gehandeld met de redelijkheid en billijkheid. De specifieke omstandigheden die door eisende partijen zijn aangedragen leiden niet tot een ander oordeel. Voldoende gebleken is dat voor eisende partijen het bereiken van de 72-jarige leeftijd van [persoon 4] altijd al een rol heeft gespeeld. Dat was vóór het nemen van […]”

    r.o. 1.6 · lid 5

    ECLI:NL:RBGEL:2025:12077

  • Rechtbank Amsterdam · 10 augustus 2017

    Elliott/AkzoNobel II

    Machtiging bijeenroeping bava voor ontslag commissaris AkzoNobel afgewezen als prematuur

    “Uitgangspunt is dat het bepalen van de strategie van de vennootschap een aangelegenheid is van het bestuur. De RvC houdt daarop toezicht. Op de algemene vergadering van aandeelhouders leggen het bestuur en de RvC achteraf verantwoording af over het gevoerde beleid en het toezicht daarop. Aan de vergadering komt de bevoegdheid toe om de leden van de RvC te ontslaan (zie artikel 2:254 lid 1 BW). Deze bevoegdheid tot ontslagverlening kan ook worden gehanteerd als sanctie die de algemene vergadering van aandeelhouders kan verbinden aan haar afkeuring van het toezicht op het door het bestuur gevoerde beleid. In een zodanig geval brengt hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd mee dat een besluit over een sanctie in stemming wordt gebracht nadat verantwoording is afgelegd en daarover een gedachtewisseling heeft plaatsgevonden tijdens de (b)ava (zie artikel 2:8 lid 1 BW; vergelijk ook artikel 2:15 lid 1, aanhef en onder b, BW).”

    r.o. 4.7 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2017:5845

  • Rechtbank Midden-Nederland · 13 oktober 2026

    VvE-besluiten over isolatieplicht nietig wegens niet gehaald quorum

    Een appartementseigenaar vecht besluiten van de vereniging van eigenaars aan die eigenaren verplichten hun enkel glas te vervangen. De kantonrechter verklaart de besluiten nietig, omdat het vereiste quorum van twee derde van de stemmen niet is gehaald en volmachten die na afloop van de vergadering binnenkwamen niet meetellen. Ten overvloede oordeelt zij dat de besluiten ook vernietigbaar zouden zijn wegens strijd met het Modelreglement, omdat kozijnen gemeenschappelijke delen zijn.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:7425

  • Rechtbank Midden-Nederland · 13 oktober 2026

    Nietigheid VvE-besluit over gaskostenverdeling in strijd met splitsingsakte en oproepingsvoorschriften

    Een vereniging van eigenaars nam een besluit over de verdeling van gaskosten dat afweek van de breukdelen in de splitsingsakte, zonder dat vooraf een agenda was verstuurd. De kantonrechter verklaart het besluit nietig op grond van artikel 2:14 BW, via artikel 5:129 BW, wegens strijd met de splitsingsakte. Ten overvloede zou het besluit ook vernietigbaar zijn geweest (artikel 2:15 BW) wegens het ontbreken van een oproeping met agenda.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:7426

  • Rechtbank Midden-Nederland · 7 oktober 2026

    Opzegging verenigingslidmaatschap na geëscaleerd conflict niet vernietigbaar of nietig

    Een schaakvereniging zegt het lidmaatschap van een lid op na een langdurig, geëscaleerd conflict met het bestuur. Het lid vordert vernietiging van het opzeggingsbesluit, nietigverklaring van de besluiten, schadevergoeding en rectificatie. De rechtbank toetst terughoudend aan de redelijkheid en billijkheid en oordeelt dat het bestuur in redelijkheid kon opzeggen. Het besluit is ook niet nietig, omdat het lid geen strijd met wet of statuten heeft onderbouwd, en de overige vorderingen worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:7177

  • Rechtbank Amsterdam · 18 augustus 2026

    Vernietiging VvE-besluit tot machtiging bestuur om procedure tegen lid te voeren afgewezen

    Een lid van een Vereniging van Eigenaars vraagt nietigverklaring of vernietiging van een ledenbesluit waarmee het bestuur is gemachtigd zo nodig een procedure tegen hem te voeren wegens geluidsoverlast. De kantonrechter toetst het besluit aan artikel 2:15 BW en artikel 2:8 BW en oordeelt dat de oproepingstermijn uit het Modelreglement niet is geschonden en dat onbehoorlijk bestuur en een tegenstrijdig belang niet zijn onderbouwd. Het besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid; het verzoek wordt afgewezen.

    ECLI:NL:RBAMS:2026:8685

  • Rechtbank Amsterdam · 28 juli 2026

    Vernietiging VvE-besluit verduurzaming: marginale toets aan redelijkheid en billijkheid

    Een appartementseigenaar verzocht vernietiging van een besluit van de vereniging van eigenaars over de verduurzaming van het complex, omdat de informatievoorziening onzorgvuldig zou zijn geweest. De kantonrechter toetst marginaal aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW (via artikel 5:130 jo 2:15 BW) en oordeelt dat de aangevoerde gronden niet slagen. Het besluit blijft in stand en de verzochte vervangende machtiging wordt ook afgewezen.

    ECLI:NL:RBAMS:2026:7802

  • Rechtbank Noord-Holland · 16 juli 2026

    VvE: nietig bestuursbesluit digitale eerste vergadering; vernietiging notulenbesluit wegens redelijkheid en billijkheid

    Een lid van een vereniging van eigenaars bestrijdt een bestuursbesluit om de eerste ledenvergadering digitaal te houden en te beperken tot openen en sluiten, en een besluit tot vaststelling van notulen. De kantonrechter verklaart het bestuursbesluit nietig, omdat het bestuur daartoe niet bevoegd was en de rechten van de leden wezenlijk worden ingeperkt. Het notulenbesluit wordt vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW, omdat de bezwaren van het lid niet kenbaar bij de besluitvorming waren betrokken.

    ECLI:NL:RBNHO:2026:9777

  • Rechtbank Midden-Nederland · 26 juni 2026

    VvE weigert toestemming doorbraak dragende muur; marginale toets redelijkheid en billijkheid

    Appartementseigenaren vroegen vernietiging van het besluit van de vereniging van eigenaars dat toestemming weigerde voor het doorbreken van een dragende muur, en een vervangende machtiging. De kantonrechter oordeelt dat toestemming nodig is, ook met een omgevingsvergunning. Het besluit is niet vernietigbaar: bij marginale toetsing aan de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW, via artikel 5:130 jo. 2:15 BW) kon de vergadering in redelijkheid tot dit besluit komen. De verzoeken worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:4008

  • Rechtbank Noord-Holland · 10 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluiten wegens misbruik van meerderheidsmacht afgewezen

    Leden van een onder-VvE verzochten nietigheid of vernietiging van besluiten van de ALV van een hoofd-VvE en de onder-VvE, onder meer wegens misbruik van meerderheidsmacht. De kantonrechter toetst de besluiten aan de splitsingsakte en, via de artikelen 2:14, 2:15 en 2:8 BW, aan de redelijkheid en billijkheid, en oordeelt dat de toetsing marginaal is. Van strijd met de splitsingsakte of misbruik van meerderheidsmacht is niet gebleken; alle verzoeken worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBNHO:2026:7585

  • Rechtbank Amsterdam · 27 mei 2026

    Vernietiging en nietigheid VvE-besluiten; toetsing aan artikel 2:8 BW afgewezen

    Appartementseigenaren vragen de kantonrechter besluiten van hun vereniging van eigenaars nietig of vernietigbaar te verklaren en te schorsen, onder meer wegens onbevoegde oproeping, onvoldoende stemmen en vermoede fraude. De kantonrechter toetst aan de artikelen 2:14, 2:15 en 2:8 BW en de marginale toets van de redelijkheid en billijkheid. Zij ziet geen strijd met wet, reglement of redelijkheid en billijkheid, en wijst de verzoeken af voor zover zij ontvankelijk zijn.

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5410

  • Rechtbank Amsterdam · 22 mei 2026

    Vernietiging VvE-besluit tijdelijke bestemmingswijziging horeca afgewezen: geen strijd met redelijkheid en billijkheid

    Een onder-VvE en een eigenaar vorderden vernietiging van een VvE-besluit dat toestemming gaf voor tijdelijke wijziging van de bestemming van een winkelruimte voor horeca, wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW). De kantonrechter verklaart de eigenaar niet-ontvankelijk, omdat het beroep alleen de interne verhoudingen betreft. De vordering van de onder-VvE wordt afgewezen, omdat onaanvaardbare overlast niet is gebleken en een horecaverbod uit de ondersplitsingsakte niet in de splitsingsakte staat.

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5421

  • Rechtbank Midden-Nederland · 20 februari 2026

    Kort geding loonvordering: ontslagen statutair bestuurder, benoeming en vernietigbaarheid ontslagbesluit

    Een ontslagen statutair bestuurder vordert in kort geding doorbetaling van loon en stelt primair dat zij gewone werknemer is bij gebreke van een geldig benoemingsbesluit. De kantonrechter wijst de vordering af wegens ontbrekend spoedeisend belang en omdat benoeming en aanvaarding van het statutair bestuurderschap aannemelijk zijn. Ten overvloede acht zij vernietiging van het ontslagbesluit wegens schending van artikel 2:227 lid 7 en artikel 2:8 BW onvoldoende aannemelijk.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:748

  • Rechtbank Noord-Holland · 11 februari 2026

    Rechtsgeldigheid ontslagbesluit bestuurder B.V.: oproeping, agenda, raadgevende stem en hoorplicht

    Een bestuurder van een B.V. vorderde vernietiging van het besluit van de algemene vergadering waarmee hij was ontslagen. Hij voerde aan dat de oproepingstermijn, de agenda, zijn raadgevende stem en de hoorplicht niet in acht waren genomen. De rechtbank oordeelt dat de oproepingstermijn niet geldt voor een bestuurder, dat de agenda voldoende duidelijk was en dat de bestuurder zijn raadgevende stem heeft kunnen uitbrengen. De hoorplicht is niet geschonden, omdat de afwijkende ontslaggronden grotendeels dezelfde strekking hadden. Het ontslagbesluit blijft in stand.

    ECLI:NL:RBNHO:2026:1375

  • Rechtbank Den Haag · 28 mei 2026

    Kort geding: schorsing bestuurder en verbod uitoefening prioriteitsrechten wegens schuld aan vennootschap

    “[…] lening aan [bedrijfsnaam] B.V. terug te betalen, dat de executie van het vonnis wordt gestaakt en dat in verband hiermee andere advocaten worden aangesteld. Dit belang is in strijd met het belang van [bedrijfsnaam] B.V., zodat de heer [gedaagde ] niet had mogen deelnemen aan de besluitvorming (artikel 2:239 lid 6 BW). Een vordering tot vernietiging van deze bestuursbesluiten op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW zou in een bodemprocedure daarom kans van slagen hebben. De vordering tot schorsing van deze bestuursbesluiten van 3 april 2023 is om die reden toewijsbaar.” (randnummer 4.22)”

    r.o. 2.8 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:15713