← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:8 BW

In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)

(Bijna) gelijk aan art. 2:7 BWC (Curaçao)

1

Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

2

Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:8 BW (257)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (34)

  • Hoge Raad · 17 juli 2026

    Vernietigbaarheid intrekking proflicentie door KNVB-organen; terughoudende toetsing artikel 2:15 BW

    “Art. 2:15 lid 1 BW luidt als volgt: Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist; c. wegens strijd met een reglement. Art. 2:8 lid 1 BW luidt: Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.”

    r.o. 3.1.2 · lid 1

    “Onderdeel 2.7.5 klaagt onder meer dat het hof met zijn overweging dat bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en) spelen en aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter van de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie, met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen (rov. 4.78), miskent dat “de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” niet vallen onder de belangen van de in art. 2:8 BW bedoelde personen, in dit geval de KNVB en de leden van de KNVB (onder andere de betaaldvoetbal-organisaties), en dus niet behoren tot de belangen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op grond van art. 2:8 BW bij het nemen van hun besluiten in aanmerking moesten nemen en moesten afwegen.”

    r.o. 3.2.2

    “Deze klacht is ongegrond. Het hof heeft met het noemen van “de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het belang van Vitesse, waarmee de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op de voet van art. 2:8 BW rekening dienden te houden, mede wordt ingekleurd door de economische en maatschappelijke functie die Vitesse vervult. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

    r.o. 3.2.3

    ECLI:NL:HR:2026:1300

  • Hoge Raad · 16 februari 2024

    Uitleg van vorderingen bij opzegging coöperatielidmaatschap en nietig huishoudelijk reglement

    “[…] de grenzen van wat in hoger beroep met vordering II is gevorderd. Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.18 miskent dat ook vordering II niet toewijsbaar is. Het onderdeel voert hiertoe aan dat bij het slagen van zijn stellingen (grieven 2 tot en met 7) dat het opzeggingsbesluit wegens strijd met de statuten nietig is, dan wel vernietigbaar wegens strijd met de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid, [eiser] geacht moet worden lid van DOC Kaas te zijn gebleven. In dat geval is [eiser] volgens het onderdeel noch een uittredingsvergoeding noch de transactievergoeding verschuldigd, heeft DOC Kaas die vergoedingen ten onrechte verrekend met zijn melkgeld en heeft [eiser] alleen aanspraak op het per die datum opeisbare melkgeld, derhalve het bedrag dat is vermeld in vordering II. Nu de grieven 2 tot en met 7 falen, had het hof vordering II moeten afwijzen, aldus het onderdeel. Onderdeel 2.3 klaagt dat het hof bij de beoordeling van grief 7 en de verwerping van vordering V (en impliciet vordering VI) ten onrechte het betoog van [eiser] buiten beschouwing heeft gelaten dat art. 11 lid 4 Hr een noodzakelijke statutaire basis mist en nietig is. De […]”

    r.o. 3.1

    “Deze klachten slagen. Uit de stukken van het geding blijkt dat [eiser] primair heeft gevorderd het opzeggingsbesluit ongeldig te verklaren (vordering I). In dat kader heeft [eiser] betaling gevorderd van het melkgeld waarop hij recht zou hebben als hij lid zou zijn gebleven (vordering II). Voor het geval het opzeggingsbesluit in stand blijft en zijn lidmaatschap is geëindigd, heeft [eiser] subsidiair gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat DOC Kaas onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en aansprakelijk is voor alle schade die hij lijdt als gevolg van de opzegging (vordering V). In dat kader heeft [eiser] € 152.106,11 aan melkgeld gevorderd, te weten het saldo van zijn melkgeldrekening op het moment van de beëindiging van zijn lidmaatschap, doordat DOC Kaas zijn melkgeld ten onrechte heeft verrekend met de transactiesom en de uittredingsvergoeding (vordering VI). Het hof heeft de vorderingen van [eiser] kennelijk aldus uitgelegd dat vordering II niet onlosmakelijk is verbonden met vordering I. De gedingstukken laten echter geen andere uitleg toe dan dat vordering II slechts betrekking heeft op de situatie waarin het lidmaatschap van [eiser] voortduurt, en dat bij […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:2024:242

  • Hoge Raad · 22 september 2023

    Funda

    Enquête Funda: handelen middellijk aandeelhouder en zorgvuldigheidsplicht artikel 2:8 BW

    “[…] kan op dit moment niet als groepsmaatschappij van NVM Holding c.s. worden aangemerkt. Ook zonder dat Funda groepsvennootschap van NVM Holding c.s. is, moet het bestuur van Funda terdege rekening houden met de wensen en belangen van haar (middellijk) grootaandeelhouder met wie zij historisch en organisatorisch is verbonden. (rov. 4.32-4.34) In de gegeven omstandigheden brengt de op grond van art. 2:8 BW op NVM Holding c.s., als (middellijk) meerderheidsaandeelhouders rustende zorgvuldigheidplicht mee dat zij Funda, STAK Funda en de certificaathouders niet langer in het ongewisse mogen laten en dat zij een heldere keuze maken over de toekomst van de aandeelhoudersstructuur, de positie van Funda en een mogelijke exit voor de certificaathouders. Dit betekent dat NVM Holding c.s. moeten kiezen. Of zij laten het bestuur van Funda de vrijheid om haar eigen strategie te bepalen, ook als dit mogelijk strijdig is met de belangen van de NVM-leden, of zij bieden de certificaathouders een exit-mogelijkheid die recht doet aan de door geïnteresseerde investeerders ingeschatte waarde van Funda. Daarbij geldt dat zolang NVM Holding c.s. die keuze niet maken, zij de autonomie van het bestuur van […]”

    r.o. 2.6

    “De onderdelen 3.4-3.5 van het middel in het principale beroep zijn gericht tegen het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 4.3. Hierin heeft de ondernemingskamer overwogen dat voor zover de bezwaren en de verzoeken van FundaBelang c.s. en Funda betrekking hebben op het handelen van NVM, geldt dat NVM geen aandeelhouder van Funda is en dat haar handelen in zoverre dan ook geen onderwerp van deze enquêteprocedure kan zijn. De onderdelen betogen vanuit verschillende invalshoeken in de kern genomen dat het handelen van NVM als middellijk aandeelhouder geen onderwerp van deze enquêteprocedure kan zijn, en dat in dat licht de beoordeling van de ondernemingskamer in rov. 4.24-4.44 van het handelen van NVM Holding c.s., waaronder begrepen is de middellijke aandeelhouder NVM, onbegrijpelijk is.”

    r.o. 3.1

    “De onderdelen 3.7-3.8 keren zich tegen rov. 4.36-4.44 en klagen in de kern genomen dat de ondernemingskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat NVM als middellijk aandeelhouder van Funda onder de reikwijdte valt van art. 2:8 lid 1 BW. Op die grond kan op NVM dan ook geen zorgvuldigheidsplicht rusten zoals de ondernemingskamer die heeft aangenomen, waarvan de schending (mede) een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Funda, aldus de onderdelen.”

    r.o. 3.6 · lid 1

    “Art. 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Deze bepaling is geformuleerd vanuit het perspectief van één rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van die rechtspersoon zijn betrokken. Dit strookt met de inrichting van Boek 2 BW, waarin veel bepalingen de opzichzelfstaande (enkelvoudige) rechtspersoon tot uitgangspunt nemen. Voor de uitleg van dergelijke bepalingen van Boek 2 BW en de toepassing daarvan in een concreet geval kan van belang zijn dat sprake is van een organisatorisch verband van rechtspersonen. De omstandigheden van het geval kunnen daarom meebrengen dat onder de reikwijdte van art. 2:8 lid 1 BW naast de hiervoor in de eerste zin van deze overweging genoemde personen, ook vallen de met de in die eerste zin genoemde rechtspersoon organisatorisch verbonden rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten zijn betrokken bij de organisatie van laatstgenoemde rechtspersoon.”

    r.o. 3.7 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2023:1283

  • Hoge Raad · 10 februari 2023 · via art. 2:7 BWC (Curaçao)

    Cordial

    Enquêterecht Curaçao: wanbeleid emissies, voorzieningen en vennootschapsbelang bij joint venture

    “[…] De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een jointventurevennootschap kunnen meebrengen dat (ook) het belang van de rechtspersoon is gebaat bij continuering van de bestaande verhoudingen tussen de aandeelhouders. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:7 BWC, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Daarnaast behoren bij de toepassing van de regeling van het enquêterecht ook de belangen van de verzoeker als bedoeld in art. 2:282 BWC en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen. 3.4.3 Het hiervoor in 3.4.2 overwogene strookt ermee dat tot de doeleinden van het enquêterecht behoren de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, en dat het enquêterecht mede strekt ter bescherming van een minderheid van aandeelhouders of certificaathouders tegen (mogelijk) machtsmisbruik door de meerderheid. Deze doeleinden en […]”

    r.o. 3.1

    “[…] De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een jointventurevennootschap kunnen meebrengen dat (ook) het belang van de rechtspersoon is gebaat bij continuering van de bestaande verhoudingen tussen de aandeelhouders. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:7 BWC, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Daarnaast behoren bij de toepassing van de regeling van het enquêterecht ook de belangen van de verzoeker als bedoeld in art. 2:282 BWC en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen.”

    r.o. 3.4.2

    “In deze procedure staat het handelen van Intertrust als bestuurder centraal. Bij het antwoord op de vraag of het in het belang van de rechtspersoon is om in een enquêteprocedure voorzieningen te treffen, dient daarom in deze procedure ook in aanmerking te worden genomen dat bestuurders bij de vervulling van hun taak zorgvuldigheid dienen te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken en dat deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van die betrokkenen niet onnodig of onevenredig worden geschaad. De verplichting van bestuurders van een jointventurevennootschap om jegens de aandeelhouders de nodige zorgvuldigheid te betrachten, kan een bijzondere zorgplicht meebrengen met betrekking tot de positie van een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of (verder) dreigt te verwateren. Zoals hiervoor in 3.4.2 is overwogen, heeft de rechtspersoon een zelfstandig belang erbij dat deze mede uit art. 2:7 BWC voortvloeiende normen op juiste wijze zijn of worden nageleefd.”

    r.o. 3.4.4

    ECLI:NL:HR:2023:199

  • Hoge Raad · 8 maart 2019 · via art. 2:7 BWC (Curaçao)

    Enquête Curaçao: reikwijdte onderzoek en overgangsrecht enquêterecht

    “[…] aan een juist beleid. De vraag in hoeverre de enquêterechter voorzieningen mag treffen op basis van anterieure feiten, is in dit stadium van het geding nog niet aan de orde. (rov. 2.2-2.4) Het hof heeft als centrale klacht van Bab aangemerkt dat [bedrijfsnaam] het ertoe heeft geleid dat het aandelenbelang van Bab nodeloos is verwaterd doordat de aandelen ten onrechte en in strijd met art. 2:7 BWC zijn uitgegeven tegen de nominale waarde zonder dat er een objectieve waardering is uitgevoerd, terwijl er voldoende indicaties zijn dat de marktwaarde aanzienlijk hoger lag dan de nominale waarde (rov. 2.6). Volgens het hof staat vast dat de aandelenemissie zonder objectieve waardering is uitgevoerd en vormt dit in de gegeven omstandigheden gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen (rov. 2.7). Voor zover in cassatie van belang heeft het hof voorts overwogen: “2.9 Een ander verwijt dat Bab de (beleidsbepalers binnen) de vennootschappen maakt is dat de lening van 2,6 miljoen euro die Bab had verstrekt aan PVG-9 nooit is erkend, hoewel Bab daar meer dan eens om heeft gevraagd. De vennootschappen (althans [bedrijfsnaam] ) hebben geweigerd om deze lening in een schriftelijke […]”

    r.o. 3.1

    “[…] aan een juist beleid. De vraag in hoeverre de enquêterechter voorzieningen mag treffen op basis van anterieure feiten, is in dit stadium van het geding nog niet aan de orde. (rov. 2.2-2.4) Het hof heeft als centrale klacht van Bab aangemerkt dat [bedrijfsnaam] het ertoe heeft geleid dat het aandelenbelang van Bab nodeloos is verwaterd doordat de aandelen ten onrechte en in strijd met art. 2:7 BWC zijn uitgegeven tegen de nominale waarde zonder dat er een objectieve waardering is uitgevoerd, terwijl er voldoende indicaties zijn dat de marktwaarde aanzienlijk hoger lag dan de nominale waarde (rov. 2.6). Volgens het hof staat vast dat de aandelenemissie zonder objectieve waardering is uitgevoerd en vormt dit in de gegeven omstandigheden gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen (rov. 2.7). Voor zover in cassatie van belang heeft het hof voorts overwogen: “2.9 Een ander verwijt dat Bab de (beleidsbepalers binnen) de vennootschappen maakt is dat de lening van 2,6 miljoen euro die Bab had verstrekt aan PVG-9 nooit is erkend, hoewel Bab daar meer dan eens om heeft gevraagd. De vennootschappen (althans [bedrijfsnaam] ) hebben geweigerd om deze lening in een schriftelijke […]”

    r.o. 3.2.4

    ECLI:NL:HR:2019:316

  • Hoge Raad · 20 april 2018

    Fugro/Boskalis

    Agenderingsrecht aandeelhouders: geen stemming over bestuursaangelegenheid af te dwingen

    “[…] afleggen over het gevoerde beleid. Tevens volgt daaruit dat een onderwerp waarvan de behandeling is verzocht, een onderwerp kan zijn waarvoor aan de algemene vergadering geen wettelijke of statutaire bevoegdheid tot besluitvorming toekomt. Een verzoek op grond van art. 2:114a BW kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden geweigerd. Een grondslag voor zo’n weigering kan gelegen zijn in art. 2:8 lid 2 BW of art. 3:13 lid 1 BW. 3.3.5 Het middel stelt de vraag aan de orde of art. 2:114a BW de daarin bedoelde aandeelhouders en certificaathouders ook het recht geeft de vennootschap te verplichten een onderwerp ter stemming (en dus niet alleen ter bespreking) op de agenda van de algemene vergadering te (doen) plaatsen als de algemene vergadering niet de bevoegdheid toekomt een besluit over dat onderwerp te nemen. 3.3.6 Voor het antwoord op die vraag is het volgende van belang. Het bepalen van het beleid en de strategie van een vennootschap en de met haar verbonden onderneming is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur van de vennootschap. De raad van commissarissen houdt daarop toezicht. De algemene vergadering kan haar opvattingen terzake tot uitdrukking brengen door […]”

    r.o. 3.1 · lid 2

    “Uit de parlementaire geschiedenis van art. 2:114a BW (zie de citaten daaruit in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.17 en 4.24-4.26) volgt dat de in deze bepaling geregelde bevoegdheid beoogt bij te dragen aan de uitoefening van de eigen wettelijke bevoegdheden van de algemene vergadering en aan verbetering van het functioneren van de algemene vergadering als orgaan waaraan het bestuur en de raad van commissarissen verantwoording afleggen over het gevoerde beleid. Tevens volgt daaruit dat een onderwerp waarvan de behandeling is verzocht, een onderwerp kan zijn waarvoor aan de algemene vergadering geen wettelijke of statutaire bevoegdheid tot besluitvorming toekomt. Een verzoek op grond van art. 2:114a BW kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden geweigerd. Een grondslag voor zo’n weigering kan gelegen zijn in art. 2:8 lid 2 BW of art. 3:13 lid 1 BW.”

    r.o. 3.3.4 · lid 2

    “Het middel stelt de vraag aan de orde of art. 2:114a BW de daarin bedoelde aandeelhouders en certificaathouders ook het recht geeft de vennootschap te verplichten een onderwerp ter stemming (en dus niet alleen ter bespreking) op de agenda van de algemene vergadering te (doen) plaatsen als de algemene vergadering niet de bevoegdheid toekomt een besluit over dat onderwerp te nemen.”

    r.o. 3.3.5

    ECLI:NL:HR:2018:652

  • Hoge Raad · 3 juni 2016

    Onrechtmatige opzegging verenigingslidmaatschap; verhouding artikel 2:8 BW, artikel 2:15 BW en onrechtmatige daad

    “[…] vernietigd en – voor zover in cassatie van belang – voor recht verklaard dat IMG onrechtmatig jegens [verweerster] heeft gehandeld door de opzegging met onmiddellijke ingang. Het heeft IMG veroordeeld tot vergoeding van de schade die [verweerster] daardoor heeft geleden, op te maken bij staat. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen. [verweerster] kan met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW niet bewerkstelligen dat zij ondanks het niet vernietigd zijn van het besluit, vergoeding van schade kan vorderen als ware sprake van een (ver)nietig(d)e opzegging. Met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW kan een bij de rechtspersoon betrokkene slechts bewerkstelligen dat een krachtens het besluit geldende regel ondanks de rechtskracht van het besluit jegens hem buiten toepassing wordt gelaten. (rov. 3.4.3). Het voorgaande laat onverlet dat een opzegging, ondanks de rechtsgeldigheid van het besluit daartoe, in strijd met het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW dan wel onrechtmatig kan zijn. Nu [verweerster] een verklaring voor recht vordert van de onrechtmatigheid van de opzegging met onmiddellijke ingang en vergoeding van de dientengevolge geleden schade, zijn de door [verweerster] in […]”

    r.o. 3.3 · leden 1, 2

    “Onderdeel 1 van het middel voert aan dat het bestreden arrest niet anders kan worden verstaan dan dat handelen van IMG in strijd met art. 2:8 lid 1 BW zonder meer meebrengt dat IMG jegens [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld. Het klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat sprake is van verschillende normen. Hoewel het onderdeel terecht signaleert dat het hof van een gelijkstelling van deze twee normen lijkt uit te gaan, leidt dit – indien al als zodanig bedoeld – nog niet tot cassatie. Beide normen hebben immers een open karakter en dienen te worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Nu het hof, beslissend op de primaire vordering van [verweerster] , heeft geoordeeld en vervolgens voor recht heeft verklaard dat IMG jegens [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld, gaat het erom of de omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen dat oordeel kunnen dragen.”

    r.o. 4.1.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2016:1061

  • Hoge Raad · 9 januari 2015

    Algemeen directeur coöperatie niet zonder meer uitvoerend bestuurder; ontslagvergunning Curaçao

    “ACU is een coöperatie en daarmee een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 BW waarop onder meer artikel 2:8 lid 5 BW en artikel 2:18 lid 10 BW van toepassing zijn. Gelet op het voorgaande slaagt naar het voorlopig oordeel van het Hof het verweer van ACU dat op de rechtsverhouding tussen partijen artikel 2:8 lid 5 BW van toepassing is. Ingevolge artikel 2:18 lid 10 BW hebben, behoudens de in dat artikellid genoemde uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen, leden van het algemeen bestuur en van het uitvoerend bestuur gelijkelijk als bestuurder te gelden voor de toepassing van de wet. Nu artikel 2:8 lid 5 BW dwingendrechtelijk bepaalt dat de rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon niet wordt aangemerkt of mede wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, doet aan het voorgaande niet af dat partijen de tussen hen bestaande rechtsrelatie hebben aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Reeds omdat van een arbeidsovereenkomst dus geen sprake is, was voor het ontslag van [eiser] geen toestemming van de Directeur van de Directie Arbeidszaken van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn vereist op grond van artikel 4 LBA. Hieraan doet […]”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:HR:2015:38

  • Hoge Raad · 11 juli 2014

    Novero I

    Enquête: onmiddellijke voorzieningen na bevolen onderzoek, maar vóór benoeming onderzoeker

    “In het kader van een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening moest naar het tot 1 januari 2013 geldende recht, evenals volgens het thans geldende art. 2:349a lid 2 BW, worden beoordeeld of, gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek (vgl. Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 20 en 32). Deze belangenafweging vindt plaats tegen de achtergrond dat degenen die krachtens de wet en de statuten zijn betrokken bij de organisatie van de rechtspersoon, zich gelet op art. 2:8 BW jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid (Kamerstukken II, 2011-2012, 32 887, nr. 6, p. 22).”

    r.o. 3.6.1

    ECLI:NL:HR:2014:1651

  • Hoge Raad · 4 april 2014

    Cancun

    Enquête: vennootschapsbelang en zorgplicht bestuurders in joint venture; wanbeleid bevestigd

    “[…] aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is. 4.2.2 Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de […]”

    r.o. 4.1

    “Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de nodige zorgvuldigheid te betrachten, een bijzondere zorgplicht meebrengen met betrekking tot de positie van een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of (verder) dreigt te verwateren.”

    r.o. 4.2.2

    “[…] informeren over de beoogde overdracht van aandelen C door Invernostra aan Inversiones, kan in de gegeven omstandigheden daarom niet (zonder nadere motivering) als wanbeleid worden aangemerkt, zo stelt het onderdeel. 4.7.1 De omstandigheid dat het de aandeelhouders vrijstaat om hun joint venture in te richten, ontslaat hen niet van de verplichtingen die voor ieder van hen voortvloeien uit art. 2:8 BW. Op grond van deze bepaling waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones zonder deze aandelen aan Holding I aan te bieden of zonder Holding I te informeren. Het oordeel van de ondernemingskamer dat Invernostra en Inversiones, door heimelijk afbreuk te doen aan de beoogde aandeelhoudersgelijkheid, en mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, hebben gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van Holding I in acht […]”

    r.o. 4.6

    “De omstandigheid dat het de aandeelhouders vrijstaat om hun joint venture in te richten, ontslaat hen niet van de verplichtingen die voor ieder van hen voortvloeien uit art. 2:8 BW. Op grond van deze bepaling waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones zonder deze aandelen aan Holding I aan te bieden of zonder Holding I te informeren. Het oordeel van de ondernemingskamer dat Invernostra en Inversiones, door heimelijk afbreuk te doen aan de beoogde aandeelhoudersgelijkheid, en mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, hebben gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van Holding I in acht behoorden te nemen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Met de verwijzing naar de overige omstandigheden van het geval heeft de ondernemingskamer onmiskenbaar het oog op de […]”

    r.o. 4.7.1

    ECLI:NL:HR:2014:797

  • Hoge Raad · 4 april 2014

    Cancun

    Enquête joint venture: vennootschapsbelang, zorgplicht bestuur en artikel 2:8 BW aandeelhouders

    “[…] aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is. 4.2.2 Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de […]”

    r.o. 4.1

    “Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de nodige zorgvuldigheid te betrachten, een bijzondere zorgplicht meebrengen met betrekking tot de positie van een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of (verder) dreigt te verwateren.”

    r.o. 4.2.2

    “[…] die zij als aandeelhouders ten opzichte van elkaar en van Holding I in acht behoorden te nemen. Volgens het onderdeel miskent de ondernemingskamer dat de aandeelhouders niet gehouden waren om Holding I over de beoogde aandelenoverdracht te informeren, nu zij daartoe op grond van wet noch statuten verplicht waren. De verplichtingen die voor Inversiones en Invernostra voortvloeien uit art. 2:8 BW maken dit niet anders. Het oordeel van de ondernemingskamer is daarom onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, aldus het onderdeel. 4.6.1 Op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones. 4.6.2 Het oordeel van de ondernemingskamer dat Invernostra en Inversiones, door heimelijk afbreuk te doen aan de beoogde aandeelhoudersgelijkheid, hebben gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van […]”

    r.o. 4.5

    “Op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones.”

    r.o. 4.6.1

    ECLI:NL:HR:2014:799

  • Hoge Raad · 4 april 2014

    Cancun

    Enquête: vennootschapsbelang en zorgplicht bestuur bij joint venture-vennootschap en verwatering

    “[…] aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is. 4.2.2 Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de […]”

    r.o. 4.1

    “Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de nodige zorgvuldigheid te betrachten, een bijzondere zorgplicht meebrengen met betrekking tot de positie van een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of (verder) dreigt te verwateren.”

    r.o. 4.2.2

    “[…] – mede gelet op de overige omstandigheden van het geval – naar het oordeel van de ondernemingskamer gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van elkaar en van Holding I in acht behoorden te nemen. Volgens het onderdeel miskent de ondernemingskamer met een en ander dat Invernostra en Inversiones niet hebben gehandeld in strijd met art. 2:8 BW, aangezien de overdracht was toegelaten op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst. In ieder geval is haar oordeel dat Invernostra en Inversiones mede gelet op de overige omstandigheden van het geval hebben gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid, zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus het onderdeel. 4.6.1 Op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones. 4.6.2 Het oordeel van de ondernemingskamer […]”

    r.o. 4.5

    “Op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones.”

    r.o. 4.6.1

    ECLI:NL:HR:2014:804

  • Hoge Raad · 4 april 2014

    Cancun

    Wanbeleid bij joint venture-vennootschap: vennootschapsbelang, zorgplicht bestuurders en artikel 2:8 BW

    “[…] aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is. 4.2.2 Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de […]”

    r.o. 4.1

    “Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de nodige zorgvuldigheid te betrachten, een bijzondere zorgplicht meebrengen met betrekking tot de positie van een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of (verder) dreigt te verwateren.”

    r.o. 4.2.2

    “[…] allen tijde behouden, althans hersteld dient te worden. 4.6.2 Het oordeel van de ondernemingskamer moet aldus worden verstaan dat de omstandigheid dat Holding I en Inversiones hun joint venture hebben opgezet op basis van gelijkwaardigheid en dat deze gelijkwaardigheid is behouden na de toetreding van Invernostra, van belang is in verband met hetgeen voor de aandeelhouders voortvloeit uit art. 2:8 BW. Op grond van deze bepaling waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones zonder deze aandelen aan Holding I aan te bieden of zonder Holding I te informeren. Het oordeel van de ondernemingskamer dat Invernostra en Inversiones, door heimelijk afbreuk te doen aan de beoogde aandeelhoudersgelijkheid, en mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, hebben gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van Holding I in acht […]”

    r.o. 4.5

    “Het onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het berust op de lezing dat de ondernemingskamer is uitgegaan van een abstracte joint venture-gedachte of dat de gelijkwaardige verhoudingen tussen de aandeelhouders naar het oordeel van de ondernemingskamer te allen tijde behouden, althans hersteld dienen te worden. De ondernemingskamer heeft haar oordeel gegeven op basis van de omstandigheden van het onderhavige geval, en daarin ligt niet het oordeel besloten dat de gelijkwaardige verhouding tussen Inversiones en Holding I als aandeelhouders te allen tijde behouden, althans hersteld dient te worden.”

    r.o. 4.6.1

    ECLI:NL:HR:2014:808

  • Hoge Raad · 12 juli 2013

    VEB/KLM

    Vernietigbaarheid reserveringsbesluit en dividend: zorgvuldigheid jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)

    “[…] A en besluit B op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a of b, BW vernietigbaar zijn omdat het statutair voorgeschreven overleg tussen de vergadering van houders van prioriteitsaandelen, de directie en de raad van commissarissen niet deugdelijk (zorgvuldig) is geweest, en deze deugdelijkheidseis op de voet van art. 32 lid 1 van de statuten van KLM (volgens onderdeel 1.1) dan wel art. 2:8 BW (volgens onderdeel 1.2 en 1.3) aan dat overleg dient te worden gesteld. 3.3.2 Onderdeel 1.1 faalt omdat het eraan voorbijgaat dat art. 32 van de statuten van KLM geen verdergaande eisen stelt aan de aard en inhoud van het voorafgaande overleg dan dat en tussen wie het moet plaatsvinden. 3.3.3 Volgens onderdeel 1.2 vloeit uit hetgeen ingevolge art. 2:8 BW door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd voort, dat bij de totstandkoming van een besluit als het onderhavige het belang van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend in het door de statuten vereiste voorafgaande overleg met bestuur en commissarissen ter sprake moet worden gebracht of dat daaraan bij die gelegenheid bijzondere aandacht moet worden besteed. Indien dat niet is gebeurd, is dat besluit volgens […]”

    r.o. 3.1

    “Onderdeel 1 richt klachten tegen het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het hof over de eisen die zijn te stellen aan het overleg van art. 32 lid 1 van de statuten van KLM. Naar de kern genomen wordt betoogd dat besluit A en besluit B op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a of b, BW vernietigbaar zijn omdat het statutair voorgeschreven overleg tussen de vergadering van houders van prioriteitsaandelen, de directie en de raad van commissarissen niet deugdelijk (zorgvuldig) is geweest, en deze deugdelijkheidseis op de voet van art. 32 lid 1 van de statuten van KLM (volgens onderdeel 1.1) dan wel art. 2:8 BW (volgens onderdeel 1.2 en 1.3) aan dat overleg dient te worden gesteld.”

    r.o. 3.3.1

    “Onderdeel 1.1 faalt omdat het eraan voorbijgaat dat art. 32 van de statuten van KLM geen verdergaande eisen stelt aan de aard en inhoud van het voorafgaande overleg dan dat en tussen wie het moet plaatsvinden.”

    r.o. 3.3.2

    “Volgens onderdeel 1.2 vloeit uit hetgeen ingevolge art. 2:8 BW door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd voort, dat bij de totstandkoming van een besluit als het onderhavige het belang van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend in het door de statuten vereiste voorafgaande overleg met bestuur en commissarissen ter sprake moet worden gebracht of dat daaraan bij die gelegenheid bijzondere aandacht moet worden besteed. Indien dat niet is gebeurd, is dat besluit volgens onderdeel 1.3 vernietigbaar op grond van art. 2:15 BW. De onderdelen falen. Hoewel bij het nemen van een besluit als het onderhavige inderdaad rekening moet worden gehouden met de belangen van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend (zie hierna in 3.4.2), kan in zijn algemeenheid aan de totstandkoming van een dergelijk besluit niet op grond van de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid de – formele – eis worden gesteld dat die belangen in het door de statuten vereiste voorafgaande overleg met bestuur en commissarissen ter sprake zijn gebracht op straffe van vernietigbaarheid van dat besluit. Ook zonder dat die belangen in het voorafgaande overleg uitdrukkelijk ter […]”

    r.o. 3.3.3

    ECLI:NL:HR:2013:BZ9145

  • Hoge Raad · 9 juli 2010

    ASMI

    Enquête ASMI: strategie, taak RvC, informatierecht aandeelhouders en beschermingsstichting

    “[…] heeft genomen, hetgeen in overeenstemming is met de preambule onder 7 bij de op 1 januari 2009 in werking getreden Code Tabaksblat 2008 (Stcrt. 3 december 2009, nr. 18499, p. 1 e.v.), die evenals de Code Tabaksblat 2003 een uiting vormt van de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging welke mede inhoud geeft aan (a) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (b) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is (vgl. HR 13 juli 2007, nrs. R07/100 (OK135), R07/101 (OK136), R07/102 (OK137), LJN BA7972, NJ 2007, 434); (iv) iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten; (v) de ondernemingskamer niet heeft vastgesteld dat best practice-bepalingen I.1 en I.2 van de Code Tabaksblat 2003 niet zijn nageleefd en in rov. 3.31 zelfs tot de conclusie is gekomen, dat ASMI in 2010 haar corporate governance in overeenstemming met de Code Tabaksblat zal hebben; (vi)ook als moet […]”

    r.o. 4.4.2

    “De RvC is belast met het toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en staat het bestuur met raad en daad terzijde (art. 2:140 lid 2 BW). Deze wettelijke taakopdracht brengt niet mee dat de RvC de verplichting heeft een bemiddelende rol te vervullen bij conflicten tussen bestuur en aandeelhouders. De RvC is dienaangaande aan de aandeelhouders ook geen verantwoording verschuldigd. Best Practice bepaling III.1.6(f) Code Tabaksblat 2008 die inhoudt dat het toezicht van de RvC op het bestuur onder meer de verhouding tussen bestuur en aandeelhouders omvat, en de uit art. 2:8 lid 1 BW voortvloeiende, door de vennootschap met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders te betrachten zorgvuldigheid, geven geen aanleiding tot een ander oordeel.”

    r.o. 4.5.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2010:BM0976

  • Hoge Raad · 19 februari 2010

    Bevoegdheden van door de rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting

    “[…] de wet en aldus nietig op grond van art. 2:14 BW. (rov. 5.13) d) De Stichting heeft onbetwist gesteld dat [eiseres] heeft nagelaten binnen de in art. 2:15 lid 5 BW vermelde vervaltermijn van één jaar, die is ingegaan rond 7 december 2005, de vernietigbaarheid van dit besluit in te roepen. (rov. 5.14) e) [Eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof ingevolge art. 2:8 BW anders zou moeten oordelen. (rov. 5.15)”

    r.o. 3.3

    “Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat het benoemen van nieuwe bestuurders door een tijdelijke bestuurder in strijd is met (de strekking en systematiek van) art. 2:298 BW en art. 2:8 BW, met welke strekking niet verenigbaar is dat een tijdelijke bestuurder besluiten neemt waardoor de door de rechter getroffen voorlopige voorziening wordt doorkruist of kan worden doorkruist, dan wel waardoor het (eind)oordeel over het ontslag van de desbetreffende bestuurder niet meer aan de rechter is. Ook dit onderdeel gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat een tijdelijke bestuurder in beginsel niet bevoegd is een of meer nieuwe bestuurders te benoemen. Als de rechter, zoals in dit geval, aan de tijdelijke bestuurder alle wettelijke en statutaire bevoegdheden heeft gegeven, behoort daartoe mede de bevoegdheid tot de benoeming en het ontslag van bestuurders overeenkomstig de daaromtrent volgens de wet en de statuten geldende regels. Blijkens de hiervoor in 3.3 onder a) en e) vermelde, in cassatie niet bestreden oordelen van het hof voldoen de besluiten aan voormelde regels en moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] ook overigens niet heeft gehandeld in strijd met art. […]”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:HR:2010:BK5989

  • Hoge Raad · 26 juni 2009

    KPNQwest

    Enquêteverzoek bij failliete vennootschap (KPNQwest): doeleinden enquêterecht en uitvoerbaarheid onderzoek

    “[…] in te stellen bij een failliete rechtspersoon, voor alles moet nagaan of verzekerd is dat een onderzoek daadwerkelijk (en op voldoende kwalitatief niveau) doorgang zal kunnen vinden en niet zal afstuiten op onvoldoende financiering voor de onderzoekskosten. Deze opvatting kan in haar algemeenheid echter niet als juist worden aanvaard. Zij volgt, anders dan onderdeel 3.1 betoogt, niet uit art. 2:8 BW en ook niet uit de noodzaak van een voldoende (processueel) belang of uit de beginselen van proceseconomie. Het staat de ondernemings-kamer vrij, als zij daartoe in het processuele debat aanleiding ziet, eerst te onderzoeken of, en in hoeverre, een eventueel door haar te bevelen onderzoek in verband met de daartoe benodigde financiële middelen ook daadwerkelijk zal kunnen plaatsvinden en, als zij tot de conclusie komt dat daarop geen reëel uitzicht bestaat, het verzoek op die grond af te wijzen. Bij de beantwoording van zowel de vraag in welk stadium een verweer als in het onderdeel bedoeld zal worden behandeld als de vraag of dit verweer doel treft, gaat het om een feitelijke waardering die is voorbehouden aan de ondernemingskamer en die in cassatie niet op juistheid kan worden […]”

    r.o. 3.4.1

    ECLI:NL:HR:2009:BD5516

  • Hoge Raad · 20 juni 2008

    Willemsen/NOM

    Bestuurdersaansprakelijkheid jegens individuele aandeelhouder; ernstig verwijt overeenkomstig artikel 2:9 BW

    “[…] tegenover de door hem bestuurde vennootschap wordt mede het belang van die vennootschap en de daarmee verbonden onderneming gediend omdat daardoor wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Gezien de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap, brengen de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat de hoge drempel van art. 2:9 BW overeenkomstig van toepassing is bij een door een individuele aandeelhouder tegen een bestuurder aanhangig gemaakte aansprakelijkheidsprocedure.”

    r.o. 5.3 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2008:BC4959

  • Hoge Raad · 14 september 2007

    Versatel I

    Uitstoting minderheidsaandeelhouders via driehoeksfusie en uitkoop na openbaar bod

    “[…] van die (sub)klasse is vereist) en geldt daartegenover dat de minderheidsaandeelhouders zich zullen moeten neerleggen bij een eventuele verdere verwatering van hun zeggenschap doordat de leningen van Tele2 Holdings (en Tele2 Finance) worden omgezet in aandelenkapitaal. Op grond van het voorgaande valt niet in te zien welk onderdeel van het stappenplan in strijd zou (kunnen) komen met de in art. 2:8 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zulks te minder, nu klaarblijkelijk door Tele2 en Versatel volledige transparantie is nagestreefd door het stappenplan uitvoerig in het Biedingsbericht bekend te maken en toe te lichten. (rov. 3.20-3.21) 4. Beoordeling van het middel”

    r.o. 3.2

    “Het middel klaagt dat de ondernemingskamer in de rechtsoverwegingen 3.16, 3.17, 3.20, 3.21 en 3.24 van haar beschikking de art. 2:8, 2:92, 2:92a, 2:201 en 2:201a BW, alsmede art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 14 EVRM heeft geschonden door toe te staan dat minderheidsaandeelhouders, nadat een openbaar bod is uitgebracht en het belang van de minderheidsaandeelhouders vervolgens met behulp van een juridische fusie tot onder de uitkoopgrens van 5% is gebracht, met toepassing van de uitkoopregeling worden uitgestoten.”

    r.o. 4.1

    “[…] overgaat of een minderheidsbelang aanhoudt. (vgl. Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 2005-2006, 30419, nr. 8, blz. 17). Dit neemt niet weg dat een besluit tot fusie dat enkel en alleen de strekking heeft minderheidsaandeelhouders uit te stoten, in strijd kan zijn met hetgeen van het bestuur van een beursvennootschap jegens haar aandeelhouders op de voet van art. 2:8 BW wordt gevorderd door de redelijkheid en billijkheid. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.18 van de bestreden beschikking evenwel geoordeeld dat van een dergelijk besluit geen sprake is, omdat met de driehoeksfusie mede kan worden voorkomen dat - hetgeen onwenselijk wordt geacht - binnen het Tele2-concern op het niveau van een werkmaatschappij minderheidsaandeelhouders blijven bestaan en dat deze fusie ook om diverse fiscale redenen noodzakelijk is. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan de ondernemingskamer heeft gegeven.”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:HR:2007:BA4117

  • Hoge Raad · 14 september 2007

    Versatel III

    Enquête: onmiddellijke voorzieningen, tegenstrijdig belang commissarissen en code-Tabaksblat bij groepsmaatschappij

    “[…] van het bestuur van een groepsmaatschappij van Tele2 AB tot commissaris bij Versatel worden benoemd, omdat het groepsbelang van Tele2 AB bij Versatel wordt geëffectueerd. Daaruit volgt nog niet dat de commissarissen het groepsbelang van Tele2 tot uitgangspunt zouden nemen dan wel doorslaggevend zouden achten. Met name niet nu ook deze commissarissen zich op grond van het bepaalde in de art. 2:8, 2:149 in verbinding met 2:9, en 2:140 lid 2 BW, alsmede van het bepaalde in III.6 van de code-Tabaksblat hebben te richten naar het vennootschappelijk belang van Versatel. Ook de omstandigheid dat Versatel de volledige naleving van het bepaalde in III.6.2 van de code-Tabaksblat niet langer zinvol acht, kan niet tot de conclusie leiden dat uitsluitend het belang van Tele2 Finance en Tele2 AB zo niet doorslaggevend dan toch zeker leidend is voor de commissarissen. (ii) Versatel heeft tevens voorgesteld naast de vier uit het bestuur van Tele 2 AB afkomstige commissarissen een commissaris die geen functie vervult binnen de Tele2 Groep, [betrokkene 12], in de raad van commissarissen te benoemen, waarmee het belang van de minderheidsaandeelhouders voldoende is gediend.”

    r.o. 4.1

    “De ondernemingskamer heeft zich kennelijk mede laten leiden door de uit art. 2:8 BW voortvloeiende regel dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders en moet voorkomen dat ontoelaatbare verstrengeling van belangen ontstaat (vgl. HR 1 maart 2002, nr. OK 91, NJ 2002, 296). Het betoog van het onderdeel dat het geoorloofd en begrijpelijk is dat leden van het bestuur van een groepsmaatschappij van Tele2 AB tot commissaris bij Versatel worden benoemd en dat de commissarissen zich naar het vennootschappelijk belang hebben te richten, ziet eraan voorbij dat voor het aannemen van tegenstrijdige belangen in een geval als het onderhavige voldoende is dat de betrokken commissarissen te maken hebben met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of zij zich bij hun handelen uitsluitend laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, C06/041, RvdW 2007, 637). Op grond van het vorenoverwogene is het oordeel van de ondernemingskamer dat een dergelijke situatie zich in dit geval voordoet, niet onbegrijpelijk. De juistheid van dit oordeel kan in […]”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:HR:2007:BA4887

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop zonder wettelijke of statutaire grondslag

    “[…] steun te vinden in de wet en in de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging zoals deze onder meer tot uiting komt in de Nederlandse corporate governance code (Stcrt. 27 december 2004, nr. 250, p. 35, verder: de code-Tabaksblat), in het bijzonder de principes II en IV, welke rechtsovertuiging mede inhoud geeft aan (i) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (ii) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is. In het bijzonder brengen deze eisen niet mee dat het bestuur van een vennootschap verplicht is aan de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor, of deze te raadplegen over, een transactie die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, op grond van de enkele omstandigheid dat het belang van de aandeelhouders om hun aandelen voor een zo hoog mogelijke prijs te kunnen verkopen, hierbij mede in het geding is. Aan deze verplichting tot voorafgaande consultatie zijn ook zodanige bezwaren verbonden, dat zij niet kan […]”

    r.o. 4.4

    “[…] praktijk ook niet kan voordoen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit geldt evenzeer voor de door het Consortium in cassatie aangevoerde omstandigheden, nu daarbij de hiervoor in 4.7 vermelde restrictieve strekking van de in art. 2:107a gegeven voorbeelden wordt miskend. Hetgeen van het bestuur van een beursvennootschap jegens haar algemene vergadering van aandeelhouders op de voet van art. 2:8 BW wordt gevorderd door de redelijkheid en billijkheid - mede in aanmerking genomen de in Nederland aanvaarde inzichten omtrent corporate governance zoals neergelegd in (principe IV.1.3 van) de code-Tabaksblat - kan om dezelfde redenen in het onderhavige geval niet leiden tot een ruime uitleg van art. 2:107a lid 1.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:HR:2007:BA7970

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop, onmiddellijke voorziening vernietigd

    “[…] steun te vinden in de wet en in de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging zoals deze onder meer tot uiting komt in de Nederlandse corporate governance code (Stcrt. 27 december 2004, nr. 250, p. 35, verder: de code-Tabaksblat), in het bijzonder de principes II en IV, welke rechtsovertuiging mede inhoud geeft aan (i) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (ii) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is. In het bijzonder brengen deze eisen niet mee dat het bestuur van een vennootschap verplicht is aan de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor, of deze te raadplegen over, een transactie die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, op grond van de enkele omstandigheid dat het belang van de aandeelhouders om hun aandelen voor een zo hoog mogelijke prijs te kunnen verkopen, hierbij mede in het geding is. Aan deze verplichting tot voorafgaande consultatie zijn ook zodanige bezwaren verbonden, dat zij niet kan […]”

    r.o. 4.4

    “[…] praktijk ook niet kan voordoen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit geldt evenzeer voor de door het Consortium in cassatie aangevoerde omstandigheden, nu daarbij de hiervoor in 4.7 vermelde restrictieve strekking van de in art. 2:107a gegeven voorbeelden wordt miskend. Hetgeen van het bestuur van een beursvennootschap jegens haar algemene vergadering van aandeelhouders op de voet van art. 2:8 BW wordt gevorderd door de redelijkheid en billijkheid - mede in aanmerking genomen de in Nederland aanvaarde inzichten omtrent corporate governance zoals neergelegd in (principe IV.1.3 van) de code-Tabaksblat - kan om dezelfde redenen in het onderhavige geval niet leiden tot een ruime uitleg van art. 2:107a lid 1.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:HR:2007:BA7971

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop bedrijfsonderdeel; onmiddellijke voorziening vernietigd

    “[…] steun te vinden in de wet en in de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging zoals deze onder meer tot uiting komt in de Nederlandse corporate governance code (Stcrt. 27 december 2004, nr. 250, p. 35, verder: de code-Tabaksblat), in het bijzonder de principes II en IV, welke rechtsovertuiging mede inhoud geeft aan (i) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (ii) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is. In het bijzonder brengen deze eisen niet mee dat het bestuur van een vennootschap verplicht is aan de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor, of deze te raadplegen over, een transactie die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, op grond van de enkele omstandigheid dat het belang van de aandeelhouders om hun aandelen voor een zo hoog mogelijke prijs te kunnen verkopen, hierbij mede in het geding is. Aan deze verplichting tot voorafgaande consultatie zijn ook zodanige bezwaren verbonden, dat zij niet kan […]”

    r.o. 4.4

    “[…] praktijk ook niet kan voordoen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit geldt evenzeer voor de door het Consortium in cassatie aangevoerde omstandigheden, nu daarbij de hiervoor in 4.7 vermelde restrictieve strekking van de in art. 2:107a gegeven voorbeelden wordt miskend. Hetgeen van het bestuur van een beursvennootschap jegens haar algemene vergadering van aandeelhouders op de voet van art. 2:8 BW wordt gevorderd door de redelijkheid en billijkheid - mede in aanmerking genomen de in Nederland aanvaarde inzichten omtrent corporate governance zoals neergelegd in (principe IV.1.3 van) de code-Tabaksblat - kan om dezelfde redenen in het onderhavige geval niet leiden tot een ruime uitleg van art. 2:107a lid 1.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:HR:2007:BA7972

  • Hoge Raad · 16 februari 2007

    Tuinbeheer/Houthoff Buruma

    Afgeleide schade aandeelhouder bij bestuurdersfalen; specifieke zorgvuldigheidsnorm en artikel 2:8 BW

    “Onderdeel 1 houdt in de kern in dat het hof de vordering van [eiseres] ten onrechte alleen op basis van onrechtmatige daad heeft beoordeeld, hoewel [eiseres] zich in dit verband mede heeft beroepen op art. 2:8 lid 1 BW. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden omdat het feitelijke grondslag mist. Blijkens rov. 4.9 heeft het hof immers kennelijk op het voetspoor van de rechtbank - en in zoverre in hoger beroep onbestreden - de in art. 2:8 lid 1 BW geformuleerde norm en de bijzondere zorgplicht die daaruit voortvloeit, (terecht) betrokken bij zijn beantwoording van de vraag of [B] in haar hoedanigheid van (interim)bestuurder van [A], onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] als aandeelhouder van die vennootschap.”

    r.o. 3.6 · lid 1

    “[…] ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen (HR 24 september 2004, nr. C03/101, RvdW 2004, 108). Bij deze beoordeling dient de rechter naar wie de zaak wordt verwezen mede te betrekken dat de (interim)bestuurder van een vennootschap en aandeelhouder(s) daarvan zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (art. 2:8 lid 1 BW).”

    r.o. 3.10 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2007:AZ0419

  • Hoge Raad · 1 maart 2002

    Zwagerman

    Enquête: zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders en grenzen aan OK-voorzieningen ex artikel 2:356 BW

    “Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De Ondernemingskamer is klaarblijkelijk uitgegaan van de in art. 2:8 BW neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Uit deze regel vloeit onder meer voort dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van de zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij zoals de Ondernemingskamer heeft gedaan, in aanmerking mag worden genomen dat het gaat om minderheidsaandeelhouders tegenover meerderheidsaandeelhouders en om familierechtelijke verhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokken personen. Onder deze omstandigheden, die zich hier voordoen, kan eerder dan in andere gevallen sprake zijn van de mogelijkheid van een vermenging van de belangen van de vennootschap en van sommige van deze personen, zodat er reden is daarop attent te zijn en met de nodige zorgvuldigheid te voorkomen dat ontoelaatbare verstrengeling van belangen […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:HR:2002:AD9857

  • Hoge Raad · 12 mei 2000

    Statutenwijziging stichting: bindend advies Geestelijk Leider getoetst aan redelijkheid en billijkheid

    “[…] functioneren van de stichting en het bestuur, en dat het in feite erom gaat op welke wijze de Geestelijk Leider zijn bevoegdheid tot het geven van bindend advies uitoefent. Met betrekking tot dit laatste heeft het Hof vastgesteld dat de Geestelijk Leider zijn statutaire bevoegd-heid niet heeft gebruikt en heeft verklaard dit alleen in noodsituaties te zullen doen, in welke gevallen de art. 2:8 en 2:15 BW waarborgen bieden tegen mogelijk machtsmisbruik door de Geestelijk Leider. In deze overwegingen ligt besloten dat het Hof het betoog van het bestuur heeft verworpen dat reeds de persoon en de opvattingen van de Geestelijk Leider kunnen leiden tot een zodanige invloed op de bestuursleden dat zij anders handelen en beslissen dan strookt met de statutaire doelstellingen van de stichting. Deze oordelen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie voor het overige niet op juistheid kunnen worden getoetst. Zij zijn niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 3, 4 en 5 zijn derhalve tevergeefs voorgesteld.”

    r.o. 3.3

    “[…] De zienswijze van het Hof is niet on-begrijpelijk, nu het Hof kennelijk is uitgegaan van de voor de hand liggende opvatting dat beoordeling van de stelling zou nopen tot interpretatie van de islam. Anders dan het onderdeel aanvoert brengt dit niet de onbegrijpelijkheid mee van 's Hofs oordeel in rov. 5.6 van zijn beschikking dat bindende adviezen van de Geestelijk Leider op de voet van art. 2:8 en 2:15 BW aan de redelijkheid en billijkheid kunnen worden getoetst. Aan het bestaan van deze mogelijkheid doet niet af dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de omstandigheid dat het bindend advies geloofskwesties betreft, geheel of ten dele aan deze toetsing in de weg staat.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:HR:2000:AA5779

  • Hoge Raad · 6 oktober 1995

    Aansprakelijkheid vereniging jegens lid na turnongeval; verenigingsrecht geeft geen andere maatstaf

    “[…] in verenigingsverband overkomen ongeval (onderdeel A), alsmede dat het hier gaat om sportletsel (onderdeel B). Onderdeel A faalt. De in het onderdeel bedoelde, op de verhouding tussen een vereniging en haar leden toepasselijke regels van verenigingsrecht, waarvan de inhoud wordt bepaald door de wet, in het bijzonder Boek 2 BW, de statuten van de vereniging en de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW), brengen niet mee dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de vereniging en haar werkneemster jegens de deelnemers aan de training die lid van de vereniging zijn, naar andere maatstaven moet worden beoordeeld dan wanneer het zou gaan om de aansprakelijkheid jegens een niet-lid van de vereniging. Ook de omstandigheid dat het gaat om wat het middel aanduidt als sportletsel, leidt niet tot toepassing van een andere maatstaf. Het gaat hier niet om de situatie waarin een deelnemer aan sport of spel letsel oploopt als gevolg van een gedraging van een andere deelnemer (vgl. HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621), maar om een geval van letsel dat is ontstaan bij een oefening onder leiding van een door de vereniging aangestelde trainer, waarbij de te beantwoorden vraag is of de […]”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:HR:1995:ZC1836

  • Hoge Raad · 10 maart 1995

    Janssen Pers

    Aandeelhoudersbesluiten enig aandeelhouder: ontslag bestuurder, intrekking emissie en redelijkheid en billijkheid

    “[eisers] vorderen in het onderhavige kort geding, kort gezegd, hoofdelijke veroordeling van [verweerder 1] en [verweerster 2] tot rectificatie van de aan het Handelsregister gedane opgaven en tot het zich onthouden van handelingen of uitlatingen inhoudende dat zij de meerderheid van de aandelen in een of meer van de eisende vennootschappen zouden bezitten of van een of meer van die vennootschappen bestuurder zouden zijn. [verweerder 1] en [verweerster 2] vorderen in reconventie veroordeling van [eiser 6] om zich te onthouden van handelingen of uitlatingen inhoudende dat hij bestuurder zou zijn van [eiseres 1] of van een of meer van de overige vennootschappen van de [eiseres 1] groep. De President heeft geoordeeld, kort samengevat, dat de handelwijze van [verweerder 1] maatschappelijk onaanvaardbaar is, misbruik van omstandigheden oplevert en wegens strijd met het bepaalde in de art. 2:8 en 2:15 BW onrechtmatig is; op deze gronden heeft hij de vordering van [eisers] toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen. Het Hof heeft anders geoordeeld en in tegengestelde zin beslist. Hiertegen richten zich de middelen.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:1995:ZC1657

  • Hoge Raad · 26 september 2025

    Joint venture-geschil: cassatie over uittreding en schorsing uitvoerend bestuurder verworpen

    Cassatieberoep in een joint venture-geschil waarin de uittreding uit een vennootschap en de schorsing van een uitvoerend bestuurder (toetsing aan redelijkheid en billijkheid) aan de orde waren. De Hoge Raad verwerpt het beroep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO, zonder nadere motivering. De inhoudelijke beoordeling van de Boek 2-bepalingen is daardoor niet uit het arrest zelf af te leiden.

    ECLI:NL:HR:2025:1408

  • Hoge Raad · 6 juni 2025

    Enquête: afwijzing nadere onmiddellijke voorzieningen en opheffing; artikel 81 RO

    In een enquêteprocedure had de OK onmiddellijke voorzieningen getroffen. Zij wees een verzoek om nadere voorzieningen af, evenals een tegenverzoek om de eerdere voorzieningen op te heffen. In cassatie ging het onder meer om de reikwijdte van artikel 2:8 BW in verband met artikel 2:349a BW. De Hoge Raad verwerpt het principale en het incidentele beroep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO, zonder motivering.

    ECLI:NL:HR:2025:854

  • Hoge Raad · 14 april 2023

    Bestuurdersaansprakelijkheid; dwaling bij certificaathoudersovereenkomst; cassatieberoep verworpen

    De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen een arrest van het hof 's-Hertogenbosch in een zaak over bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:8-2:11 BW) en vernietiging wegens dwaling van de aanvaarding van een afwijking in een certificaathoudersovereenkomst. De Hoge Raad motiveert dit niet, omdat artikel 81 lid 1 RO daarvoor ruimte biedt. Het oordeel van het hof blijft daarmee in stand.

    ECLI:NL:HR:2023:558

  • Hoge Raad · 1 november 2019

    Verwerping cassatieberoep over statutaire aanbiedingsregeling en aandeelhoudersovereenkomst

    De Hoge Raad verwerpt met toepassing van artikel 81 lid 1 RO het cassatieberoep in een zaak over de uitleg van een statutaire aanbiedingsregeling en een aandeelhoudersovereenkomst, mede in het licht van de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW). Het arrest bevat geen inhoudelijke motivering. De klachten nopen volgens de Hoge Raad niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

    ECLI:NL:HR:2019:1688

  • Hoge Raad · 22 januari 2010

    Aansprakelijkheid bestuurder jegens aandeelhouder na voorovereenkomst tijdens surséance; cassatie verworpen

    Een aandeelhouder vorderde schadevergoeding van de bestuurders van een vennootschap omdat tijdens de surséance van betaling buiten zijn medeweten een voorovereenkomst was gesloten tot het van de hand doen van activa. Het ging onder meer om de artikelen 2:8 en 2:9 BW en om schade die een aandeelhouder als aandeelhouder lijdt. Het hof wees de vorderingen tegen de bestuurders af. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO, zonder inhoudelijke motivering.

    ECLI:NL:HR:2010:BK4927

  • Hoge Raad · 8 maart 2002

    Referendumregeling vereniging en ontslag van bestuursleden door ledenvergadering

    Een vereniging had een statutaire referendumregeling waarmee in beginsel elk besluit van de ledenvergadering, ook een ontslagbesluit over bestuurders, aan een referendum kon worden onderworpen. De Hoge Raad oordeelt dat dit past binnen artikel 2:39 lid 2 BW en niet strijdt met het dwingende artikel 2:37 lid 6 BW. Hangende het referendum is de uitvoering van het ontslagbesluit geschorst en behouden de bestuurders hun functie. Het cassatieberoep wordt verworpen.

    ECLI:NL:HR:2002:AD9862

Conclusies van de A-G (104)

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 oktober 2026

    Ontslag van bestuurders door AVA: nietigheid, bijeenroeping en tegenstrijdig belang (A-G)

    “[…] de zin van onder meer art. 2:219 BW (dus de ‘autorisatie’). Deze veronderstelling is onjuist. Met het bestreden oordeel brengt het hof tot uitdrukking waarom, anders dan betoogd door Qati (samengevat in rov. 3.3), Green Quality op 9 maart 2021 niet bevoegd was tot het bijeenroepen van de algemene vergadering van Qati voor 18 maart 2021 via art. 22 lid 4 van de statuten, en het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW die uitkomst niet anders maakt. Dit blijkt genoegzaam uit het bestreden oordeel, al rept het hof daarin ook wel van “oproeping”. Ik wijs in het bijzonder op rov. 2.8 en rov. 3.5, naast de feitenvaststelling in rov. 2.6 (zie onder 1.6 hiervoor, dit spreekt voor zich). 3.5.4 Het hof laat zich in het bestreden oordeel evenmin erover uit, anders dan de klacht verder veronderstelt, of de rechtbank bij de in rov. 3.2 samengevatte beslissing terecht redeneert vanuit nietigheid (art. 2:14 BW), niet vernietigbaarheid (art. 2:15 BW), van het ontslagbesluit van de algemene vergadering van Qati op 18 maart 2021. Blijkens ’s hofs uiteenzetting in rov. 3.3, gevolgd door rov. 3.4-3.7, is die vraag niet door Qati aan de orde gesteld in haar grief tegen die beslissing van de rechtbank. Op […]”

    r.o. 3.5 · lid 2

    “Qati is een besloten vennootschap. De klacht veronderstelt dat het hof in het bestreden oordeel het oog heeft op het oproepen tot een algemene vergadering van Qati in de zin van onder meer art. 2:223 BW (dus de ‘convocatie’), te onderscheiden van het bijeenroepen van een algemene vergadering van Qati in de zin van onder meer art. 2:219 BW (dus de ‘autorisatie’). Deze veronderstelling is onjuist. Met het bestreden oordeel brengt het hof tot uitdrukking waarom, anders dan betoogd door Qati (samengevat in rov. 3.3), Green Quality op 9 maart 2021 niet bevoegd was tot het bijeenroepen van de algemene vergadering van Qati voor 18 maart 2021 via art. 22 lid 4 van de statuten, en het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW die uitkomst niet anders maakt. Dit blijkt genoegzaam uit het bestreden oordeel, al rept het hof daarin ook wel van “oproeping”. Ik wijs in het bijzonder op rov. 2.8 en rov. 3.5, naast de feitenvaststelling in rov. 2.6 (zie onder 1.6 hiervoor, dit spreekt voor zich).”

    r.o. 3.5.3 · lid 2

    “Ik constateer vooraf dat het onderdeel volgens de aanhef ervan ook is gericht tegen rov. 3.21 van het arrest, maar het onderdeel geen kenbare klacht bevat die is gericht tegen rov. 3.21. Dit oordeel van het hof is evident een andere dan dat in rov. 3.20, namelijk dat voor zover Qati heeft bedoeld dat een beroep op de voornoemde statutaire verplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (dus art. 2:8 lid 2 BW, in rov. 3.20 gaat het over art. 2:8 lid 1 BW), het hof dat verweer verwerpt. Rov. 3.21 wordt dan ook niet aangetast door het onderdeel.”

    r.o. 3.37 · leden 1, 2

    “Het hof doelt in het bestreden oordeel, in navolging van de rechtbank, op hetgeen in dit geval wordt gevorderd door de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW.”

    r.o. 3.38.2 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2026:938

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 september 2026

    Uitstoting en uittreding: vennootschapsbelang bij afwikkeling onderneming na vastgelopen 50/50-samenwerking

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.21.1 Het subonderdeel doelt op de volgende overweging van de Hoge Raad, die direct aansluit op diens onder 4.11.1 hiervoor geciteerde overweging: “Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (…). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. (…).” 4.21.2 Vooropgesteld: terecht opent de OK de beoordeling van het uitstotingsverzoek in rov. 3.4 van de beschikking met de overweging dat toewijzing ervan vergt dat [verweerster] BV ( [betrokkene 2] ) door haar (zijn) gedragingen het belang van [A] zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren het aandeelhouderschap van [verweerster] BV in redelijkheid niet kan worden geduld. De maatstaf van art. 2:336a lid 1 BW rept immers van “het belang van de vennootschap”, en dat is […]”

    r.o. 4.21

    “Het subonderdeel doelt op de volgende overweging van de Hoge Raad, die direct aansluit op diens onder 4.11.1 hiervoor geciteerde overweging: “Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (…). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. (…).””

    r.o. 4.21.1

    ECLI:NL:PHR:2026:893

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 september 2026

    Enquêtebevoegdheid indirect aandeelhouder: gelijkstelling met aandeelhouder via tussenholdings

    “[…] weergegeven betoog van Felman, het volgende heeft miskend. a. Dat de strekking en het systeem van het enquêterecht met zich brengen dat onder die omstandigheden zoals ingeroepen door Felman, in aanvulling op/afwijking van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c BW, enquêtebevoegdheid toekomt of kan toekomen aan een indirect aandeelhouder, zoals Felman. b. Althans dat onder die omstandigheden art. 2:8 lid 2 BW in de weg staat aan een geslaagd beroep van Archirodon, ANI en/of ICI NV, bij wege van art. 2:346 BW-verweer, op het feit dat Felman slechts indirect aandeelhouder is van Archirodon. c. Althans, en zo nodig subsidiair, dat die omstandigheden moeten meewegen in de beoordeling of het economisch belang van Felman als indirect aandeelhouder van Archirodon gelijkgesteld moet worden met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder van Archirodon. 4.24.2 Het subonderdeel formuleert vervolgens, voor zover de OK in het licht van het voorgaande geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, de motiveringsklacht (nr. 27) dat zij in rov. 3.4-3.9 niet kenbaar, laat staan gemotiveerd, heeft gerespondeerd op het in subonderdeel 2.1 weergegeven betoog van Felman dat […]”

    r.o. 4.24 · lid 2

    “Het subonderdeel voert vooreerst als rechtsklacht aan (nrs. 25-26) dat de OK in rov. 3.4-3.9 en het dictum van de beschikking, tegen de achtergrond van het in subonderdeel 2.1 weergegeven betoog van Felman, het volgende heeft miskend. a. Dat de strekking en het systeem van het enquêterecht met zich brengen dat onder die omstandigheden zoals ingeroepen door Felman, in aanvulling op/afwijking van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c BW, enquêtebevoegdheid toekomt of kan toekomen aan een indirect aandeelhouder, zoals Felman. b. Althans dat onder die omstandigheden art. 2:8 lid 2 BW in de weg staat aan een geslaagd beroep van Archirodon, ANI en/of ICI NV, bij wege van art. 2:346 BW-verweer, op het feit dat Felman slechts indirect aandeelhouder is van Archirodon. c. Althans, en zo nodig subsidiair, dat die omstandigheden moeten meewegen in de beoordeling of het economisch belang van Felman als indirect aandeelhouder van Archirodon gelijkgesteld moet worden met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder van Archirodon.”

    r.o. 4.24.1 · lid 2

    “Het subonderdeel formuleert vervolgens, voor zover de OK in het licht van het voorgaande geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, de motiveringsklacht (nr. 27) dat zij in rov. 3.4-3.9 niet kenbaar, laat staan gemotiveerd, heeft gerespondeerd op het in subonderdeel 2.1 weergegeven betoog van Felman dat strekte ter onderbouwing van haar enquêtebevoegdheid en ontvankelijkheid. Want in rov. 3.4-3.9 is de OK niet ingegaan op de feitelijke blokkade die is opgeworpen voor het afleggen van iedere vorm van verantwoording voor de belangenverstrengeling en in het bijzonder het (kunnen) doen van een enquêteverzoek, maar enkel op de vraag naar de gelijkstelling van Felman met een aandeelhouder of certificaathouder van Archirodon. Uit een verwerping van die gelijksteling volgt, zonder nadere motivering, nog niet dat Felman niet enquêtebevoegd is op de in subonderdeel 2.1 vermelde grond.”

    r.o. 4.24.2

    “Dan de klacht onder b. 4.31.1 Dit strandt in het voetspoor van de klacht onder a. Want de hier in de klacht aangesneden kwestie is, naar het niet onbegrijpelijke oordeel van de OK, evenmin aan haar voorgelegd door Felman. Felman heeft immers niet kenbaar betoogd dat art. 2:8 lid 2 BW in de weg staat aan een geslaagd beroep van Archirodon, ANI en/of ICI NV, bij wege van art. 2:346 BW-verweer, op het feit dat Felman slechts indirect aandeelhouder is van Archirodon. Wederom: Felman heeft betoogd, met een beroep op de gelijkstellingsjurisprudentie, dat haar indirecte belang in Archirodon (van 14,4%) moet worden gelijkgesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder van Archirodon en zij, Felman, daarom enquêtebevoegd is op de voet van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c BW. En ook hier geldt: dit is toch echt iets anders. In de beschikking laat de OK zich derhalve niet uit over de te onderscheiden vraag of art. 2:8 lid 2 BW in de weg staat aan een geslaagd beroep van Archirodon, ANI en/of ICI NV op het feit dat Felman slechts indirect aandeelhouder is van Archirodon, en dat hoefde de OK ook niet te doen. Reeds hierop loopt de klacht vast.”

    r.o. 4.31 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2026:846

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 juni 2026 · via art. 2:7 BWC (Curaçao)

    Tegenstrijdig belang en interne bestuurdersaansprakelijkheid; kennistoerekening (Curaçao)

    “[…] het eigen belang van de vennootschap (Seguros), waarop het handelen van [verweerder] als haar bestuurder gericht moet zijn, uit het oog. c. Het hof verliest met dit oordeel ten onrechte ook uit het oog dat [betrokkene 1] , als toekomstig ‘ultimate beneficial owner’ (indirect aandeelhouder), in beginsel zijn eigen belang mag nastreven (binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:7 lid 1 BWC) en zich niet steeds naar het belang van de vennootschap (Seguros) hoeft te richten. Ook die juridische constatering brengt mee dat de vraag of [betrokkene 1] adequaat is geïnformeerd en/of adequaat onderzoek heeft gedaan naar de financiële positie van Seguros niet, althans niet zonder meer, kan meebrengen dat de beslissing van [verweerder] zichzelf een beloningspakket toe te kennen geen onbehoorlijke taakvervulling meer zou zijn ten opzichte van de vennootschap.”

    r.o. 3.66

    “[…] Zoals ook bevestiging vindt in de schriftelijke toelichting, veronderstelt de klacht dat het hof [betrokkene 1] enkel beschouwt als (beoogd opvolgend) indirect aandeelhouder van Seguros, maar in te sterke mate aanneemt dat [betrokkene 1] zich in die hoedanigheid dient te richten naar het belang van Seguros. Want een aandeelhouder mag in beginsel als zodanig, binnen de grenzen van art. 2:7 lid 1 BWC, zijn eigen belangen nastreven. “Tegen die achtergrond doet in dit verband niet ter zake of [betrokkene 1] , als indirect aandeelhouder, adequaat is geïnformeerd over de financiële positie van Seguros dan wel daar voldoende onderzoek naar heeft gedaan. Onderaan de streep gaat het alleen om [verweerder] en Seguros, en moet het handelen van [verweerder] in die verhouding worden bezien”. Nog daargelaten in hoeverre die opvatting over wat een aandeelhouder in die hoedanigheid vermag nog houdbaar is: het hof vliegt de zaak wat betreft [betrokkene 1] /Abaque dus bepaald breder aan bij de art. 2:14 lid 4 BWC-beoordeling. Zie onder 3.69-3.72.2 hiervoor. Dit miskent de klacht hier. 3.73.3 Voor zover de klacht in verbinding met de schriftelijke toelichting nog zou klagen over ‘s hofs […]”

    r.o. 3.73

    “Zoals ook bevestiging vindt in de schriftelijke toelichting, veronderstelt de klacht dat het hof [betrokkene 1] enkel beschouwt als (beoogd opvolgend) indirect aandeelhouder van Seguros, maar in te sterke mate aanneemt dat [betrokkene 1] zich in die hoedanigheid dient te richten naar het belang van Seguros. Want een aandeelhouder mag in beginsel als zodanig, binnen de grenzen van art. 2:7 lid 1 BWC, zijn eigen belangen nastreven. “Tegen die achtergrond doet in dit verband niet ter zake of [betrokkene 1] , als indirect aandeelhouder, adequaat is geïnformeerd over de financiële positie van Seguros dan wel daar voldoende onderzoek naar heeft gedaan. Onderaan de streep gaat het alleen om [verweerder] en Seguros, en moet het handelen van [verweerder] in die verhouding worden bezien”. Nog daargelaten in hoeverre die opvatting over wat een aandeelhouder in die hoedanigheid vermag nog houdbaar is: het hof vliegt de zaak wat betreft [betrokkene 1] /Abaque dus bepaald breder aan bij de art. 2:14 lid 4 BWC-beoordeling. Zie onder 3.69-3.72.2 hiervoor. Dit miskent de klacht hier.”

    r.o. 3.73.2

    ECLI:NL:PHR:2026:614

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 mei 2026

    Vernietigbaarheid intrekking proflicentie door KNVB-organen; marginale toetsing artikel 2:15 en 2:8 BW

    “Ik begin met enkele opmerkingen over het arrest en het (sub)onderdeel. 4.6.1 In rov. 4.7 stelt het hof onder meer het volgende voorop. a. Op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar als een besluit naar totstandkoming of inhoud in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW (“de gedragsregel van artikel 2:8 BW”). b. Toetsingsmaatstaf is dan of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. c. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. 4.6.2 Volgens het onderdeel overweegt het hof dit een en ander in rov. 4.7 “op zichzelf met juistheid”. Ik lees in het onderdeel - terecht - niet iets anders waar het gaat om ’s hofs overwegingen in rov. 4.7 direct volgend op de onder 4.6.1 sub c hiervoor bedoelde vooropstelling. Te weten: dat het voor zich spreekt […]”

    r.o. 4.6 · lid 1

    “In rov. 4.7 stelt het hof onder meer het volgende voorop. a. Op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar als een besluit naar totstandkoming of inhoud in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW (“de gedragsregel van artikel 2:8 BW”). b. Toetsingsmaatstaf is dan of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. c. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.”

    r.o. 4.6.1 · lid 1

    “[…] te verweren. Hierdoor konden de laatste relevante feiten en omstandigheden over de stand van zaken onvoldoende in aanmerking worden genomen, wat de zorgvuldigheid van de besluitvorming heeft aangetast. Ook dit spreekt voor zich. 4.6.9 In essentie voert het subonderdeel aan dat het hof in het bestreden oordeel, waar het gaat om art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW, niet goed voor ogen heeft wat het betekent als aan het besluitnemende orgaan van de rechtspersoon beleids-/beoordelingsruimte toekomt en de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van zo’n besluit door marginaal te toetsen. Het komt dienstig voor de door het subonderdeel aan de orde gestelde thematiek nog iets meer uit te lichten, voordat ik bezie of het subonderdeel hier een punt heeft (zie vanaf 4.9 hierna).”

    r.o. 4.92 · lid 1

    “In essentie voert het subonderdeel aan dat het hof in het bestreden oordeel, waar het gaat om art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW, niet goed voor ogen heeft wat het betekent als aan het besluitnemende orgaan van de rechtspersoon beleids-/beoordelingsruimte toekomt en de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van zo’n besluit door marginaal te toetsen. Het komt dienstig voor de door het subonderdeel aan de orde gestelde thematiek nog iets meer uit te lichten, voordat ik bezie of het subonderdeel hier een punt heeft (zie vanaf 4.9 hierna).”

    r.o. 4.6.9 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2026:448

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 december 2025

    Enquête: tegenstrijdig belang bestuurder en vermogensrechtelijk geschil; A-G concludeert tot verwerping

    “[…] dat de niet uitvoerend bestuurders [verzoeker 1] , [betrokkene 2] en [verzoeker 2] (de Founder-bestuurders) bij de besluiten een tegenstrijdig belang hadden; b. miskend is dat de uitvoerend bestuurders daarbij zelf een tegenstrijdig belang hadden. 2. De besluiten van 7 en 10 januari 2025 zijn - zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als naar de inhoud - strijdig met het bepaalde in art. 2:8 BW, omdat: a. daarover jegens de Founder-bestuurders, tevens minderheidsaandeelhouders, onvoldoende transparantie is betracht; b. niet voldoende is gebleken of toegelicht dat een noodzaak bestond dergelijke ingrijpende besluiten te nemen, er geen externe waardering van de over te dragen aandelen is gevraagd, de aandelen in met name Getir Finance aanzienlijk meer waard zijn dan de uitstaande schulden en deze overwaarde aan de aandeelhouders dient toe te komen; c. de belangen van de minderheidsaandeelhouders aldus niet voldoende zijn meegewogen en zij met de besluiten onevenredig worden benadeeld. 3. De governance van Getir is gebrekkig, omdat Mubadala: a. de aandeelhoudersvergadering en het bestuur van Getir domineert; b. ten onrechte weigert om uitvoering te geven aan de Term Sheet; […]”

    r.o. 2.6

    “[…] en de met haar verbonden onderneming. Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Bij haar besluitvorming komt het bestuur beoordelingsvrijheid toe. De Ondernemingskamer treedt in beginsel niet in de merites van bestuurlijke beslissingen wanneer daaraan een gedegen besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen. In dit geval was de situatie begin 2025 bij de Getir-groep als volgt. Uit de door alle bestuursleden telkens […]”

    r.o. 2.8

    “[…] gehecht aan collegiaal bestuurlijk toezicht bij rechtspersonen, een vorm van intern toezicht tussen bestuurders (uitgaande dus van een meerhoofdig bestuur). Daarmee strookt bijvoorbeeld: - dat art. 2:239 lid 6 BW (mede) strekt tot bescherming van het in art. 2:239 lid 5 BW bedoelde vennootschapsbelang, dat als gezegd elke bestuurder tot normatief richtsnoer dient, met inachtneming ook van art. 2:8 lid 1 BW en art. 2:9 lid 1, eerste zin BW; - dat de vennootschap een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd; - dat het bestuur slagvaardig moet kunnen handelen bij het (bepalen en) uitvoeren van het beleid en de strategie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, juist ook in het vennootschapsbelang. 3.7.15 Aan het voorgaande doet niet af de volgende opmerking van een latere minister, onderdeel van een langere reactie op de vraag (vanuit de PvdA-fractie) “door wie wordt vastgesteld of er sprake is van een tegenstrijdig belang”: […]”

    r.o. 3.7 · lid 1

    “De onder 3.7.12 hiervoor geschetste lijn zou trouwens ook passen bij het belang dat in de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak wordt gehecht aan collegiaal bestuurlijk toezicht bij rechtspersonen, een vorm van intern toezicht tussen bestuurders (uitgaande dus van een meerhoofdig bestuur). Daarmee strookt bijvoorbeeld: - dat art. 2:239 lid 6 BW (mede) strekt tot bescherming van het in art. 2:239 lid 5 BW bedoelde vennootschapsbelang, dat als gezegd elke bestuurder tot normatief richtsnoer dient, met inachtneming ook van art. 2:8 lid 1 BW en art. 2:9 lid 1, eerste zin BW; - dat de vennootschap een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd; - dat het bestuur slagvaardig moet kunnen handelen bij het (bepalen en) uitvoeren van het beleid en de strategie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, juist ook in het vennootschapsbelang.”

    r.o. 3.7.14 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:1334

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 november 2025

    Conclusie A-G: ernstig persoonlijk verwijt indirect bestuurder bij afwikkeling vennootschap, Ontvanger/Roelofsen

    “[…] van FPA de nodige kennis had over (de financiële positie van) FPA en de weerlegging daarvan door de Bank (hiervoor ‎3.25). Verder nog: de klacht steekt in vanuit de regeling van tegenstrijdig belang van art. 2:129 lid 5 BW. Die regeling is door het hof niet toegepast. Die regeling verdringt ook niet de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm (art. 6:162 BW) en/of redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW). In plaats daarvan staan de diverse normen naast elkaar. Het gelukt mij niet te zien waarom het hof bij de invulling van de zorgvuldigheidsnorm niet mede betekenis zou mogen toekennen aan de positie van de Bank als aandeelhouder (naast die van schuldeiser). 3.102 Subonderdeel 6.9 klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft uitgelegd waarom het niet informeren van de Bank in deze zaak zou bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt. Volgens de steller van het middel was uitgangspunt dat de Bank niets zou krijgen. Met de Alstonville-schikking ontstond er een beperkte kans dat er voldoende opbrengst zou zijn om ook de Bank te betalen, namelijk als de vordering op het advocatenkantoor volledig of grotendeels zou slagen. Het […]”

    r.o. 5.37

    ECLI:NL:PHR:2025:1304

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 november 2025

    Belanghebbende bij herroeping van beschikking tot wijziging stichtingsdoel (artikel 2:294 BW)

    “[…] in de opdracht aan haar bestuurders, die zich immers - zie ook art. 2:291 lid 3 BW - bij de vervulling van hun taak hebben te richten naar dat belang: het zo goed en effectief als redelijkerwijze mogelijk aldus aanwenden van de middelen van die stichting. Haar doel, vermogen en belang liggen zo in elkaars logische verlengde, wat tevens raakt aan de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW die ook voor stichtingen gelden. Dit een en ander onderstreept nog eens - zie ook onder 3.6 hiervoor - dat het bij (wijziging van) het statutaire doel van een stichting gaat om een fundamenteel onderwerp van stichtingenrecht.”

    r.o. 3.10

    “[…] en de rechter. Het toekennen van een groot gewicht aan het statutaire doel geeft de stichting in vergelijking met andere rechtspersoonsvormen, zoals de nv/bv, een eigen profiel.Het grote gewicht van de statutaire doelomschrijving heeft tot gevolg dat dit het belang van de stichting en van de met haar verbonden onderneming of organisatie en ook de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW kleurt. Het belang van de stichting en de redelijkheid en billijkheid dienen in het licht van [het] statutaire doel ingevuld te worden. Bij stichtingen hangen de statutaire doelomschrijving, het belang van de stichting en de redelijkheid en billijkheid met elkaar samen. Het zijn in elkaar overlopende begrippen. Bij kapitaalvennootschappen is die samenhang in mindere mate aanwezig.(…)Het belang van de stichting en daarmee het statutaire doel, dat immers het belang van de stichting sterk bepaalt, weegt via de toepassing van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW doorgaans bij het uitoefenen van bevoegdheden zwaar. (…) Ik zou uit die beschikking [de laatste Cordial-beschikking van de Hoge Raad, A-G] voor de stichting willen afleiden dat functionarissen van een […]”

    r.o. 3.11 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:1287

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 september 2025

    Conclusie A-G: kort geding tegen verkoop MidCo-aandelen, gesanctioneerde certificaathouder, artikel 2:8 BW

    “[…] voor de aandelen MidCo onredelijk is of dat SBK c.s. onevenredig worden benadeeld. (rov. 6.40) Tussenconclusie o. Het hof komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat de argumenten van SBK c.s. niet slagen. In het verlengde daarvan is het hof voorshands van oordeel dat niet kan worden geconstateerd dat (het bestuur) van Fortenova c.s. in strijd heeft gehandeld met haar uit art. 2:8 BW lid 1 voortvloeiende zorgplicht. Dit impliceert hier tevens dat geen sprake is van schending van de zorgplichten die voortvloeien uit art. 6:162 BW of van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW. Disproportionele schade doet zich evenmin voor. Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. SBK c.s. hebben bezwaar tegen wat zij een squeeze-out noemt, te weten dat als gevolg van de MidCo Sale alle certificaathouders in de nieuwe structuur verplicht zullen zijn tot verkoop als Open Pass besluit tot verkoop. Aan dit bezwaar gaat het hof echter voorbij. Aan SBK c.s. komt geen belang toe bij klachten over de positie van certificaathouders die zelf mogen beslissen of zij willen participeren in de nieuwe structuur. (rov. 6.42) De belangen van Fortenova c.s. tegenover die van […]”

    r.o. 3.11

    “[…] te weten (i) dat een bepaalde rechtshandeling noodzakelijk is, (ii) er geen reëel alternatief voorhanden is, (iii) een impasse binnen het relevante orgaan de rechtshandeling blokkeert en (v) rechterlijk ingrijpen daarom noodzakelijk is. Handhaving van de statuten moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, aldus SBK c.s., onder verwijzing naar onder meer artikel 2:8 lid 2 BW. SBK c.s. betoogt dat waar voor het arrest van de Hoge Raad werd uitgegaan van een hoge drempel voor SBK c.s. (alleen ingrijpen in geval van disproportionele schade), er nu na het tussenarrest van de Hoge Raad, en uitgaande van haar stemgerechtigheid, een hoge drempel voor Fortenova c.s. geldt (alleen ingrijpen als handhaving van het vetorecht onaanvaardbaar zou zijn), waarbij het op de weg van Fortenova c.s. ligt aannemelijk te maken dat aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan.”

    r.o. 6.48 · lid 2

    “Blijkens rov. 6.8 heeft het hof getoetst aan de in art. 2:8 lid 1 BW neergelegde gedragsnorm dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich moeten gedragen jegens elkaar naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Die rechtsregel brengt onder meer mee dat de rechtspersoon zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van die zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.”

    r.o. 4.73 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:947

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 augustus 2025

    Enquête tweede fase: geen wanbeleidsoordeel bij ontbreken te respecteren belang

    “[…] het belang van de minderheidsaandeelhouders, althans van de verzoeker-aandeelhouder (hier [eiser] ), bij een wanbeleidsoordeel (mede) vermogensrechtelijk van aard is. Dat geldt ook voor de rechtspersoon (hier ICTS). De rechtspersoon heeft, ook los daarvan, een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW (zoals een bijzondere zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouders), waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming (zoals de normen die gelden bij een emissie of conversie van aandelen), op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Het uitspreken van een wanbeleidsoordeel kan, door de daarmee te geven opening van zaken, de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid en/of de preventieve werking, ertoe bijdragen dat (ook) de schade die is toegebracht aan dat belang wordt hersteld, althans dat wordt voorkomen dat dit zelfstandige belang in de toekomst (opnieuw) wordt geschaad (tekort wordt gedaan). d. Ten vierde miskent de OK dat zij bij de beoordeling van de vraag of met het uitspreken van een wanbeleidsoordeel een rechtens te […]”

    r.o. 3.8

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.9

    “[…] herstel/bekrachtiging van die gebreken/besluiten niet mogelijk was. In zoverre is het dus wel degelijk aan de OK om te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW. Hierbij is ook van belang dat de vennootschap een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Gelet op dit belang van (hier) ICTS kon de OK te minder in het midden laten of (nog steeds) sprake is van (ver)nietig(baar)heid (of non-existentie) van de besluiten van mei/juni 2019. b. Althans is (mede gelet op dit belang) niet (zonder méér) begrijpelijk waarom het (in dit geval) niet aan de OK zou zijn om, bij haar beoordeling of uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken, de (ver)nietig(baar)heid van die besluiten te beoordelen. c. Voorts is rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk dat: de OK enerzijds overweegt dat het niet aan haar is om te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW, en dus ook […]”

    r.o. 3.38

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.39

    ECLI:NL:PHR:2025:916

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 juni 2025

    Joint venture: schorsing uitvoerend bestuurder, kapitaalstortingsbesluiten en uittreding; verwerping cassatie

    “[…] art. 2:192 BW. Een aandeelhouder mag verlangen dat - en zijn belang brengt dan mee dat - een kapitaalstorting reëel voorzienbaar profijtelijk voor hem zal zijn. Als de OK deze uitgangspunten in aanmerking had genomen, wat zij had moeten doen, had zij “niet tot de conclusie kunnen komen” dat de besluiten niet vernietigbaar zijn wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. De in nr. 4.1.2 van de procesinleiding opgesomde omstandigheden die de OK heeft genoemd, in combinatie met het feit dat geen concreet investeringsplan voorlag, brengen mee dat de van Windward verlangde kapitaalstortingen niet reëel voorzienbaar profijtelijk voor haar zouden zijn, maar slechts een bijdrage in de verliezen van de vennootschap betroffen. Bij die stand van zaken “kan de slotsom geen andere zijn” dan dat de besluiten tot kapitaalstorting in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. De beslissing van de OK in rov. 3.16, 3.17 en 3.19 is althans, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Zie nrs. 4.1.4-4.1.8. b. Rov. 3.16, 3.17 en 3.19 getuigen ook om een andere reden van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijke motivering. Indien de OK […]”

    r.o. 3.69

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.70

    “[…] Zij veronderstelt dat een besluit van de algemene vergadering omtrent een kapitaalstorting, dat wordt genomen terwijl die kapitaalstorting naar het inzicht en de belangen van een aandeelhouder niet reëel voorzienbaar profijtelijk zal zijn voor die aandeelhouder, reeds daarom - dus automatisch - vernietigbaar is uit hoofde van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Er is echter geen rechtsregel die dat meebrengt. De klacht draagt ook geen kenbron daarvan aan, maar alleen het hooguit zijdelings relevante betoog - wat daarvan verder zij - dat aandeelhouders in beginsel recht hebben op uitkering van de winst. 3.71.2 Bovendien poneert de klacht dat de van Windward verlangde kapitaalstortingen niet reëel voorzienbaar profijtelijk voor haar zouden zijn, terwijl dat - anders dan de klacht wil; zie nr. 4.1.2 van de procesinleiding - niet volgt uit wat de OK in rov. 3.16 van het arrest overweegt en oordeelt. Kort en goed: dat het ten tijde van de besluiten financieel slecht ging met NST en Windward het toekomstperspectief “twijfelachtig” achtte, zoals de in nr. 4.1.2 van de procesinleiding bedoelde omstandigheden tot uitdrukking brengen, […]”

    r.o. 3.71 · lid 1

    “De klacht gaat, om te beginnen, uit van een onjuiste rechtsopvatting. Zij veronderstelt dat een besluit van de algemene vergadering omtrent een kapitaalstorting, dat wordt genomen terwijl die kapitaalstorting naar het inzicht en de belangen van een aandeelhouder niet reëel voorzienbaar profijtelijk zal zijn voor die aandeelhouder, reeds daarom - dus automatisch - vernietigbaar is uit hoofde van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Er is echter geen rechtsregel die dat meebrengt. De klacht draagt ook geen kenbron daarvan aan, maar alleen het hooguit zijdelings relevante betoog - wat daarvan verder zij - dat aandeelhouders in beginsel recht hebben op uitkering van de winst.”

    r.o. 3.71.1 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:735

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 maart 2025

    Enquête joint venture: afwijzing nadere onmiddellijke voorzieningen jegens bestuurder Duitse dochter

    “Subonderdeel 1.1 komt neer op het volgende. De OK acht zich in de mei-beschikking ten onrechte niet bevoegd ten aanzien van het verzoek tot het treffen van voorziening 2.1.i (rov. 3.2). Dit oordeel rust op een miskenning van de reikwijdte van art. 2:8 BW in verbinding met art. 2:349a BW. Tevens valt niet te begrijpen hoe de OK kan menen dat het hier gaat om een wezenlijk andere situatie dan aan de orde was in de december-beschikking (rov. 3.3). Dit omdat verschillende in de december-beschikking getroffen voorzieningen wel degelijk betrekking hadden op [verweerder 2] in diens hoedanigheid van bestuurder van MOD. Het oordeel van de OK, dat niet valt te rijmen met de oordeelsvorming in de december-beschikking, is in elk geval ontoereikend gemotiveerd. Behandeling”

    r.o. 3.3

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.4

    “Ik keer terug naar het subonderdeel, te beginnen met de rechtsklacht. Die komt erop neer dat het oordeel van de OK in rov. 3.2 van de mei-beschikking inzake haar onbevoegdheid ten aanzien van het verzoek tot het treffen van voorziening 2.1.i rust op een miskenning van de reikwijdte van art. 2:8 BW in verbinding met art. 2:349a BW. De klacht loopt vast. Ik licht toe. 3.6.1 Het oordeel van de OK in rov. 3.1-3.3 van de mei-beschikking dat zij bij de daarin uiteengezette stand van zaken niet bevoegd is de verzochte voorziening 2.1.i te treffen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dan doet immers opgeld, naar de OK onderkent, de hoofdregel dat zij niet bevoegd is op de voet van art. 2:349a lid 2 (of lid 3) BW een onmiddellijke voorziening te treffen bij een rechtspersoon naar buitenlands recht. Anders gezegd: dan ontbreekt, naar zij onderkent, grond voor een uitzondering op die hoofdregel. 3.6.2 Dit wordt niet anders door de stelling (onder “Feitelijke en juridische context”) dat het bestreden oordeel is gebaseerd op een “miskenning” van de “feitelijke context” van het geschil. Met dit laatste doelt de klacht kort gezegd op hetgeen is beschreven in rov. 3.23-3.29 van […]”

    r.o. 3.6

    “Voor zover de klacht in het vervolg (onder “Toelichting klachten”) voortbouwt op de onder 3.6.2-3.6.3 hiervoor bedoelde stellingen, gaan deze stellingen daar uiteraard evenmin op. Ook voor het overige boekt de klacht in dat vervolg geen succes. Ik licht toe. a. Voor zover daarin een beroep wordt gedaan op de reikwijdte van art. 2:8 BW (in verbinding met de Funda-beschikking van de Hoge Raad) “en bijgevolg” van de personele omvang van de door de OK te treffen onmiddellijke voorzieningen in het kader van art. 2:349a BW, geldt overeenkomstig wat ik schreef onder 3.6.3 hiervoor. Ook als een persoon die bestuurder is van een rechtspersoon naar buitenlands recht in een concreet geval in die hoedanigheid valt onder voornoemde reikwijdte, betekent dit niet - ook niet als die persoon in die hoedanigheid in strijd handelt met de in art. 2:8 lid 1 BW vervatte gedragsnorm - dat de OK ‘dus’ bevoegd is, in termen van territoriale reikwijdte van het enquêterecht, op de voet van art. 2:349a lid 2 (of lid 3) BW een onmiddellijke voorziening te treffen jegens die persoon in die hoedanigheid en daarmee derhalve in te grijpen bij die buitenlandse rechtspersoon. Voor die bevoegdheid is meer nodig. […]”

    r.o. 3.6.4 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:365

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 februari 2025

    Te vroeg begonnen aandeelhoudersvergadering: Wijsmuller-norm, vernietigbaarheid en geldigheid statutenwijziging bv

    “[…] voor vernietiging kan door een betrokkene in rechte ter beoordeling worden voorgelegd (met inachtneming van de daarvoor geldende regels, zie vooral nader art. 2:15 BW), desgewenst ook door degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Daarbij kan bijvoorbeeld het bepaalde in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a BW dan wel art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW (in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW) opgeld doen. Er is dan, tot slot, ook overigens afdoende rechtsbescherming beschikbaar voor degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Ik noem bijvoorbeeld het bepaalde: in art. 2:8 lid 1 BW (dat ook toepassing kan vinden buiten een vernietigingsprocedure op grond van art. 2:15 BW); in art. 2:8 lid 2 BW (waarvoor hetzelfde geldt); en in art. 6:162 BW (waarvoor hetzelfde geldt). 3.17.19 Heeft het in een concreet geval wél redelijke zin om (door uitleg van het bijeenroepingsbesluit) aan te nemen dat de bijeenkomst die feitelijk plaatsvond, dus die vroeger gestarte aandeelhoudersvergadering, niet integraal de bijeengeroepen bijeenkomst is en daarom rechtens niet kan worden gekwalificeerd als algemene vergadering, vanwege dit afwijkende, want vroegere, starten van […]”

    r.o. 3.17 · leden 1, 2

    “[…] voor vernietiging kan door een betrokkene in rechte ter beoordeling worden voorgelegd (met inachtneming van de daarvoor geldende regels, zie vooral nader art. 2:15 BW), desgewenst ook door degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Daarbij kan bijvoorbeeld het bepaalde in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a BW dan wel art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW (in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW) opgeld doen. Er is dan, tot slot, ook overigens afdoende rechtsbescherming beschikbaar voor degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Ik noem bijvoorbeeld het bepaalde: in art. 2:8 lid 1 BW (dat ook toepassing kan vinden buiten een vernietigingsprocedure op grond van art. 2:15 BW); in art. 2:8 lid 2 BW (waarvoor hetzelfde geldt); en in art. 6:162 BW (waarvoor hetzelfde geldt).”

    r.o. 3.17.18 · leden 1, 2

    “[…] ook onder 3.17.9 hiervoor. 3.37.5 Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht, die poneert dat het bij schending van de Wijsmuller-norm wel, zonder méér, gaat om zo’n fundamenteel totstandkomingsgebrek dat moet leiden tot nietigheid. Dit geldt dus ook voor het in de klacht gedane beroep, naast art. 2:14 BW, op “de in middelonderdeel 3 in te roepen bepalingen”. Daarmee doelt zij kennelijk: - op art. 2:8 lid 2 BW: dat ziet evenwel niet op nietigheid/vernietiging van een rechtshandeling, maar op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, wat iets anders is; - op art. 3:40 lid 1 BW: dat ziet weliswaar op de nietigheid van een rechtshandeling (wegens strijd, naar inhoud of strekking, met de goede zeden of de openbare orde), maar laat onverlet dat schending van de Wijsmuller-norm daartoe niet strekt (evenmin via die goede zeden of openbare orde). Dat onderdeel 3 faalt, licht ik toe onder 3.52-3.60 hierna.”

    r.o. 3.37 · lid 2

    “Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht, die poneert dat het bij schending van de Wijsmuller-norm wel, zonder méér, gaat om zo’n fundamenteel totstandkomingsgebrek dat moet leiden tot nietigheid. Dit geldt dus ook voor het in de klacht gedane beroep, naast art. 2:14 BW, op “de in middelonderdeel 3 in te roepen bepalingen”. Daarmee doelt zij kennelijk: - op art. 2:8 lid 2 BW: dat ziet evenwel niet op nietigheid/vernietiging van een rechtshandeling, maar op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, wat iets anders is; - op art. 3:40 lid 1 BW: dat ziet weliswaar op de nietigheid van een rechtshandeling (wegens strijd, naar inhoud of strekking, met de goede zeden of de openbare orde), maar laat onverlet dat schending van de Wijsmuller-norm daartoe niet strekt (evenmin via die goede zeden of openbare orde). Dat onderdeel 3 faalt, licht ik toe onder 3.52-3.60 hierna.”

    r.o. 3.37.5 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2025:279

  • Parket bij de Hoge Raad · 31 januari 2025

    Overheidsstichting hoeft reserves niet af te dragen aan Land Curaçao

    “Ik wijs er nog op dat, naar vaste rechtspraak: reeds in het algemeen de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling van een beroep op de redelijkheid en billijkheid; de omstandigheid dat het gaat om een regel van dwingend recht meebrengt dat voor honorering van een zodanig beroep nog minder ruimte bestaat dan bij de toepassing van art. 6:248 lid 2 BW in het algemeen al het geval is; de motivering van een dergelijk oordeel aan strenge eisen moet voldoen; en als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van die belangen alleen in uitzonderlijke gevallen zal kunnen slagen. Dit laat zich doortrekken naar (art. 2:8 BW en) art. 2:7 BWC.”

    r.o. 3.17

    ECLI:NL:PHR:2025:135

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 november 2024

    Uitstoting geschillenregeling: niet gemelde combinatiewisseling OK leidt tot vernietiging en terugwijzing

    “Voorts brengt het onderdeel op (“Integendeel”, etc.) dat die rov. 4.53 “geen andere lezing” toelaat dan dat, “naar het daarin besloten liggende, kennelijke oordeel van” de OK, [verweerster 1] “(mede) gelet op art. 2:8 BW haar rekening-courantvordering (nog) niet kan opeisen zolang zij (enige) aandeelhoudster is in” de bv, “waarmee haar rekening-courantvordering aldus heeft te gelden als ‘informeel kapitaal’”.”

    r.o. 3.41

    “[…] een onjuiste lezing van het tussenarrest van 30 november 2021. Want die rov. 4.53 dwingt niet tot slechts die lezing, integendeel. Daarin zegt de OK over [eiseres 1] als aandeelhouder van de bv niet meer dan dat zolang [eiseres 1] nog aandeelhouder was van de bv, opeising van haar rekening-courantvordering in strijd kon komen met de zorgvuldigheid die zij in acht had te nemen op grond van art. 2:8 lid 1 BW jegens de bv en degenen die (krachtens de wet en de statuten) bij de organisatie van de bv zijn betrokken. De OK vervolgt daarin met op [eiseres 1] toegespitste overwegingen uitgaande van de voorliggende situatie waarin [eiseres 1] géén aandeelhouder van de bv meer is. Waarbij de OK uiteenzet wat in de gegeven omstandigheden niet van [eiseres 1] kan worden gevergd/verwacht, en verder dat ook de positie van Rabobank geen obstakel vormt voor toewijzing van [eiseres 1] ’s vordering tot betaling van het saldo in rekening-courant. Het is mij een raadsel hoe de hier door het onderdeel voorgestane lezing van die rov. 4.53 (zelfs maar bij benadering) valt te rijmen met wat daadwerkelijk stáát in die rov. 4.53 als hiervoor samengevat, waarin bovendien [verweerster 1] niet eens […]”

    r.o. 3.42 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2024:1231

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 november 2024

    Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW

    “[…] basis.Er zijn nog andere voorbeelden te geven, zoals art. 2:36 BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW, al genoemd onder 3.6 hiervoor., f. Verder verdient opmerking dat iedere rechtspersoon (dus ook een coöperatie) een georganiseerd geheel is, waarvan de organisatie mede wordt bepaald door diens statuten, naast wet, gewoonte, reglementen en besluiten (zie bijvoorbeeld de verwijzingen in art. 2:8 BW). Samen bepalen zij de interne structuur van de rechtspersoon en de interne bevoegdheidsverdeling in de rechtspersoon.Door toetreding tot de rechtspersoon als lid (of aandeelhouder), bij oprichting of nadien door toelating als lid (of verwerving van een of meer aandelen), ontstaat een verhouding tussen het lid (of de aandeelhouder) enerzijds en de rechtspersoon anderzijds die wordt beheerst en bepaald door de wet, de gewoonte, de statuten, reglementen en besluiten. Deze verhouding is aan te duiden met lidmaatschapsverhouding, een verhouding van eigen aard die geen contractueel karakter heeft. De statuten van de rechtspersoon hebben aldus, bezien vanuit het rechtspersonenrecht en de organisatie van de rechtspersoon, een zekere inbedding en soortelijk gewicht die niet zo, in ieder […]”

    r.o. 3.30

    “[…] aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde komt naar geldend recht in beginsel géén werking toe. In uitzonderlijke gevallen is het dan voorstelbaar dat de regel van art. 2:60 BW dat een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling een statutaire grondslag vergt, welke regel gezien ook art. 2:25 BW in verbinding met art. 2:60 BW een dwingendrechtelijk karakter heeft, met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing kan worden gelaten zodat langs die weg in dat geval toch werking kan toekomen aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde (aangenomen, uiteraard, dat daarbij aan de overige eisen van art. 2:60 BW is voldaan). Die mogelijkheid biedt art. 2:8 lid 2 BW nu eenmaal en moet er ook zijn vanuit het oogpunt van evenwichtige rechtsbescherming en -bedeling, passend bij de redelijkheid en billijkheid als grondnorm (ook) van het rechtspersonenrecht. Voor een dergelijk uitzonderlijk geval zal evenwel de enkele omstandigheid dát sprake is van zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde ontoereikend (moeten) zijn. Want niet alleen is de drempel van art. 2:8 lid 2 BW een hoge. Anders verwordt de dwingendrechtelijke eis van zo’n statutaire grondslag tot een wassen neus. […]”

    r.o. 3.31 · lid 2

    “[…] M.i. vindt deze opvatting geen steun in het recht, zoals volgt uit (3.4-3.27 en) 3.28-3.33 hiervoor. En huldigt het hof deze opvatting dus terecht niet in het arrest, zoals mede blijkt uit rov. 3.1 en 3.6-3.11. Want art. 2:60 BW staat aan die werking dus in beginsel wél in de weg. Dat in het onderhavige geval rechtvaardiging bestaat voor een uitzondering op dit beginsel op grond van art. 2:8 lid 2 BW (dan wel anderszins) valt niet in te zien, evenmin op basis van hetgeen het subonderdeel aanvoert (dat overigens geen kenbaar beroep doet op een uitzondering op dit beginsel). Daarmee is gegeven dat de onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikende motivering die het subonderdeel het hof tracht aan te wrijven zich in werkelijkheid niet voordoet. 3.48.3 Bij deze stand van zaken kom ik niet toe aan het belangverweer zijdens [verweerder] .”

    r.o. 3.48 · lid 2

    “Het subonderdeel verdedigt in de kern dat, nu in uitgangspunt werking toekomt aan een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW als vervat in een zuiver contractueel beding tussen het lid en de coöperatie (dus zónder grondslag in de statuten van de coöperatie) dat door hen is overeengekomen voorafgaand aan of uiterlijk bij toetreding tot de coöperatie, art. 2:60 BW niet in de weg staat aan werking van de onderhavige uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling, te weten de uittreedvergoeding die [verweerder] vanwege diens uittreden verschuldigd is aan Kubus op grond van de overeenkomst.”

    r.o. 3.48.1

    ECLI:NL:PHR:2024:1156

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 oktober 2024

    Enquête: nadere onmiddellijke voorzieningen, artikel 2:8 BW en territoriale reikwijdte

    “[…] staat stelt het handelen van [OK-bestuurder] en [betrokkene 1] te frustreren. Het handelen van [eiser 2] kan echter, ook als hij zich profileert in zijn rol van bestuurder van een Duitse vennootschap en dus niet namens [eiseres 1] optreedt, niet los worden gezien van de rol die [eiseres 1] heeft als jointventurepartner van [verweerster 2] en de plicht die [eiseres 1] heeft op grond van artikel 2:8 lid 1 BW om zich jegens [verweerster 2] en al degenen die bij haar organisatie zijn betrokken te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Het hierna beschreven feitelijk handelen is in strijd met die verplichting en kan daarom bij wege van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding worden verboden teneinde de werking van de eerder bij [verweerster 2] getroffen voorzieningen te verzekeren, ook voor zover het handelingen betreft die [eiser 2] verricht, al dan niet in zijn rol van bestuurder van een Duitse groepsvennootschap. De omstandigheid dat het enquêterecht niet van toepassing is op buitenlandse vennootschappen en de Ondernemingskamer dus niet bevoegd is tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij die buitenlandse vennootschappen […]”

    r.o. 3.24 · lid 1

    “[…] van de bedoelde vennootschappen, waaronder de Partnerships en - indirect - de investeerders in de Partnerships. Alle acties die [eiseres 3] en [eiser 3] hebben ondernomen om de inschrijving van [betrokkene 1] tegen te houden (waaronder het voeren van het kort geding en de bodemprocedure in Duitsland) moeten gelet op dit alles worden aangemerkt als handelen in strijd met de op grond van artikel 2:8 BW door hen jegens [verweerster 2] en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken in acht te nemen zorgvuldigheid (vgl. Hoge Raad 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283 (Funda), rov. 3.7). Het bevoegdelijk door [verweerster 2] als aandeelhouder van MORE genomen besluit tot benoeming van [betrokkene 1] als zelfstandig bevoegd bestuurder van MORE wordt hiermee immers onuitvoerbaar gemaakt, terwijl daarmee onnodig mogelijk zeer aanzienlijke schade wordt berokkend aan (onder meer) [verweerster 2] .”

    r.o. 3.25

    “[…] kan nu niet bij gebrek aan liquide middelen. Onweersproken is verder gebleven de stelling van de OK-beheerder dat een aantal groepsvennootschappen van [verweerster 2] niet kunnen voldoen aan hun verplichtingen als gevolg van het blokkeren van bankbetalingen. Met de brief aan de bank van Baden-Baden 1 en soortgelijke brieven aan andere banken hebben [eiseres 3] dus in strijd gehandeld met artikel 2:8 BW.”

    r.o. 3.26

    “[…] bij zijn organisatie zijn betrokken, een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek (vgl. Kamerstukken II, 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 20 en 32). Deze belangenafweging vindt plaats tegen de achtergrond dat degenen die krachtens de wet en de statuten zijn betrokken bij de organisatie van de rechtspersoon, zich gelet op art. 2:8 BW jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid (Kamerstukken II, 2011/12, 32 887, nr. 6, p. 22)”.”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2024:1139

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2024

    Conclusie A-G: wanbeleid bij LBO en fusie kinderopvangbedrijf, publiek belang en tegenstrijdig belang

    “[…] de omstandigheden van het geval. Indien aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden, wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bestuurders en commissarissen van een N.V. of B.V. richten zich bij hun taakvervulling naar het vennootschapsbelang. Bij die taakvervulling dienen zij (ook) zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. 3.7.11.2. De OK onderkent dit een en ander in de tweedefasebeschikking, waaronder rov. (3.13.1-3.13.2 en) 3.13.3. 3.7.11.2. De tweede zin van rov. 3.13.3 vloeit kenbaar voort uit de eerste zin ervan, die weer kenbaar aansluit op rov. 3.18 van de eerstefasebeschikking. Het procesdossier voorafgaand aan de tweedefasebeschikking bood de OK daarvoor ook de ruimte. […]”

    r.o. 3.7.11

    ECLI:NL:PHR:2024:385

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 februari 2024

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: geen klachtplicht artikel 6:89 BW, décharge, ernstig verwijt

    “[…] luidt dat de bestuurder tegenover de door hem bestuurde rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak, is onderdeel van de organisatierechtelijke verhouding tussen bestuurder en rechtspersoon. Deze functionele (component van de) rechtsverhouding tussen bestuurder en rechtspersoon wordt primair bepaald door relevante bepalingen in de wet (vooral Boek 2 BW, waaronder art. 2:8 BW inzake de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid) en gewoonte, alsmede door de statuten, reglementen en besluiten van de rechtspersoon. Of korter gezegd: door het rechtspersonenrecht, dat ook eisen stelt aan de taakvervulling door de bestuurder jegens de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:9 BW. Welke taak in generieke zin ziet op het besturen van de rechtspersoon (zie, uitgaande van het bestuur als orgaan, mede art. 2:44 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:129/239 BW en art. 2:291 BW). Daarbij geldt: “Over de inhoud van de taak van de bestuurder zegt art. 2:9 BW niets. De rechtsplicht om de taak behoorlijk te vervullen zou ook zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling gelden.De norm dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke […]”

    r.o. 3.27

    “[…] luidt dat de bestuurder tegenover de door hem bestuurde rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak, is onderdeel van de organisatierechtelijke verhouding tussen bestuurder en rechtspersoon. Deze functionele (component van de) rechtsverhouding tussen bestuurder en rechtspersoon wordt primair bepaald door relevante bepalingen in de wet (vooral Boek 2 BW, waaronder art. 2:8 BW inzake de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid) en gewoonte, alsmede door de statuten, reglementen en besluiten van de rechtspersoon. Of korter gezegd: door het rechtspersonenrecht, dat ook eisen stelt aan de taakvervulling door de bestuurder jegens de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:9 BW. Welke taak in generieke zin ziet op het besturen van de rechtspersoon (zie, uitgaande van het bestuur als orgaan, mede art. 2:44 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:129/239 BW en art. 2:291 BW). Daarbij geldt: “Over de inhoud van de taak van de bestuurder zegt art. 2:9 BW niets. De rechtsplicht om de taak behoorlijk te vervullen zou ook zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling gelden.De norm dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke […]”

    r.o. 3.27.2

    “Iets anders is dat áls bestuurdersaansprakelijkheid uit art. 2:9 BW is gevestigd, Titel 1, Afdeling 2 van Boek 6 BW (pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid) en Afdeling 10 daarvan (wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding) zich daarop laten toepassen. Zie ook onder 3.27.9 hiervoor. Daartegen verzet de aard van de in art. 2:9 BW vervatte regeling zich niet. Dit laatste geldt ook voor de in Titel 11 van Boek 3 BW (rechtsvorderingen) vervatte regeling voor verjaring (zie art. 3:310 lid 1 BW), die eindigt met de schakelbepaling van art. 3:326 BW. Daartoe behoort de in art. 3:320 BW in verbinding met art. 3:321 lid 1, aanhef en sub d BW vervatte verlengingsgrond die bestaat “tussen rechtspersonen en haar bestuurders”. Het voorgaande - nog een voorbeeld - gaat ook op voor het algemene leerstuk van rechtsverwerking in verbinding met art. 2:8 lid 2 BW.”

    r.o. 3.27.16 · lid 2

    “[…] tussen bestuurder en rechtspersoon enige variaties te ontwaren, in termen van conceptualisering. Maar daarin worden nergens de functionele (component van de) rechtsverhouding tussen bestuurder en rechtspersoon en de contractuele (component van de) rechtsverhouding tussen deze actoren behandeld als ‘één pot nat’, op één hoop gegooid. Wel wordt daarin art. 2:9 BW - net als bijvoorbeeld art. 2:8 BW - specifiek gerelateerd aan die functionele rechtsverhouding, niet zozeer aan die contractuele rechtsverhouding. In lijn daarmee lees ik nergens in deze bronnen dat bij de in art. 2:9 lid 1, eerste zin BW vervatte gehoudenheid van de bestuurder jegens de rechtspersoon onverkort (ook) sprake zou zijn van een verbintenis van eerstgenoemde jegens laatstgenoemde als bedoeld in het algemene vermogensrecht, in het bijzonder het verbintenissen- en overeenkomstenrecht van Boek 6-7 BW (of daaraan gelijk te stellen). Laat staan dat de klachtplicht van art. 6:89 BW kan afdoen aan (de vestiging van) bestuurdersaansprakelijkheid uit art. 2:9 BW. Net als in het citaat van A-G Timmerman onder 3.27.19 hiervoor, vind ik in deze bronnen juist steun voor wat ik schreef onder 3.27.2-3.27.8 hiervoor. […]”

    r.o. 3.27.20

    ECLI:NL:PHR:2024:185

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 januari 2024

    Conclusie: nietigheid of vernietigbaarheid van bestuursbesluiten bij ontslag stichtingbestuurder

    “Blijkens art. 2:15 lid 1, aanhef en sub a-c BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens strijd met: (a) een wettelijke of statutaire bepaling die het tot stand komen van besluiten regelt; (b) de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist; en/of (c) een reglement. Art. 2:15 lid 2 BW benadrukt nog eens dat tot de bepalingen als bedoeld sub a niet behoren “die welke de voorschriften bevatten” waarop in art. 2:14 lid 2 BW wordt gedoeld.”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2024:17

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 december 2023

    Decharge bij jaarrekening en uitleg van besluiten; interne bestuurdersaansprakelijkheid

    “Evenals de wet, normeren de statuten het handelen van de organen van de rechtspersoon en andere bij de rechtspersoon betrokkenen voor een onbepaald aantal gevallen. Uitleg van een bepaling in de statuten raakt daarmee naar zijn aard ook toekomstige gevallen (tot het moment van een formele statutenwijziging). Dat is een goede reden voor de rechter om voorzichtig te zijn om de uitleg van statuten toe te snijden op de belangen van de betrokkenen in een bepaald geschil. Om die reden bepleitte ik eerder dat statuten (strikt) objectief moeten worden uitgelegd en dat een uitkomst die in verband met individuele omstandigheden wenselijk is, op andere wijze dan door uitleg behoort te worden bereikt, namelijk aan de hand van de inhoud van een (stilzwijgende) aandeelhoudersovereenkomst of de werking van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW (volgens het procedé van differentiëren en combineren).”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:PHR:2023:1194

  • Parket bij de Hoge Raad · 3 november 2023

    Enquête bij failliete vennootschappen: afwijzing onmiddellijke voorzieningen, artikel 2:349a lid 2 BW

    “[…] bij zijn organisatie zijn betrokken, een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek (vgl. Kamerstukken II, 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 20 en 32). Deze belangenafweging vindt plaats tegen de achtergrond dat degenen die krachtens de wet en de statuten zijn betrokken bij de organisatie van de rechtspersoon, zich gelet op art. 2:8 BW jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid (Kamerstukken II, 2011/12, 32 887, nr. 6, p. 22).” 3.10.6 Uit de DSM-beschikking van de Hoge Raad laat zich afleiden dat niet alleen bij het in art. 2:349a lid 3 BW bedoelde stadium van het geding, maar ook bij het in art. 2:349a lid 2 BW bedoelde stadium van het geding in het oog dient te worden gehouden dat te zijner tijd, afhankelijk van de uitkomsten van een (eventueel) in te stellen onderzoek: “3.6 (…) voor het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de […]”

    r.o. 3.10

    “[…] bij zijn organisatie zijn betrokken, een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek (vgl. Kamerstukken II, 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 20 en 32). Deze belangenafweging vindt plaats tegen de achtergrond dat degenen die krachtens de wet en de statuten zijn betrokken bij de organisatie van de rechtspersoon, zich gelet op art. 2:8 BW jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid (Kamerstukken II, 2011/12, 32 887, nr. 6, p. 22).””

    r.o. 3.10.5

    ECLI:NL:PHR:2023:985

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2023

    Conclusie: terugbetaling transactiesom coöperatie als uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis (artikel 2:60 BW)

    “[…] gegeven, doordat het in rov. 7.11-7.13 van het arrest ten onrechte niet (kenbaar) het beroep van DOC Kaas heeft beoordeeld op, c.q. de stellingen van DOC Kaas bij zijn oordeel heeft betrokken dat, een beroep door de melkveehouders op het ontbreken van een statutaire basis onder de gegeven omstandigheden in strijd is met, althans onaanvaardbaar is gelet op, de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. 3.12.2 Subonderdeel 2.2 klaagt dat ’s hofs oordeel te meer onbegrijpelijk is, gelet op bepaalde - sub a-e genoemde - essentiële nadere stellingen die DOC Kaas in dit verband heeft aangevoerd en het hof niet kenbaar bij zijn oordeel heeft betrokken. Althans dat genoemd oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting in het geval het hof de betreffende omstandigheden niet relevant heeft geacht voor de beoordeling van het beroep op art. 2:8 BW. 3.12.3 Subonderdeel 2.3 wordt opgeworpen voor het geval het hof in genoemde stellingen van DOC Kaas geen (expliciet) beroep heeft gelezen op het onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn van het beroep van de melkveehouders op het ontbreken van een statutaire basis voor art. 11 […]”

    r.o. 3.12

    “Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof art. 24 Rv geschonden heeft, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, doordat het in rov. 7.11-7.13 van het arrest ten onrechte niet (kenbaar) het beroep van DOC Kaas heeft beoordeeld op, c.q. de stellingen van DOC Kaas bij zijn oordeel heeft betrokken dat, een beroep door de melkveehouders op het ontbreken van een statutaire basis onder de gegeven omstandigheden in strijd is met, althans onaanvaardbaar is gelet op, de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW.”

    r.o. 3.12.1

    “Subonderdeel 2.2 klaagt dat ’s hofs oordeel te meer onbegrijpelijk is, gelet op bepaalde - sub a-e genoemde - essentiële nadere stellingen die DOC Kaas in dit verband heeft aangevoerd en het hof niet kenbaar bij zijn oordeel heeft betrokken. Althans dat genoemd oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting in het geval het hof de betreffende omstandigheden niet relevant heeft geacht voor de beoordeling van het beroep op art. 2:8 BW.”

    r.o. 3.12.2

    “Subonderdeel 2.3 wordt opgeworpen voor het geval het hof in genoemde stellingen van DOC Kaas geen (expliciet) beroep heeft gelezen op het onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn van het beroep van de melkveehouders op het ontbreken van een statutaire basis voor art. 11 lid 4 HR, en daarom geen beroep daarop bij zijn oordeel heeft betrokken. In dat geval heeft het hof aan die stellingen een onbegrijpelijke uitleg gegeven althans miskend dat het op grond van art. 25 Rv verplicht was ambtshalve de rechtsgronden (hier in het bijzonder art. 2:8 lid 2 BW) aan te vullen. Mocht het hof hebben gemeend dat deze stellingen in hoger beroep niet ter beoordeling voorlagen, dan heeft het op dit punt de devolutieve werking van het hoger beroep miskend. Behandeling”

    r.o. 3.12.3 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2023:910

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 mei 2023

    Doorwerking governance-afspraken via artikel 2:8 BW na omzetting in schadevergoeding

    “[…] STAK, opheffing RvC [Holding] ). De nieuwste vorderingen zijn, samengevat, gericht tegen de besluiten tot goedkeuring van deze herstructurering door de RvC van [Holding] en door STAK, en tegen het nemen van besluiten tot afschaffing van de RvC. Bij pleidooi/mondelinge behandeling heeft [eiser] c.s. toegelicht dat doorwerking van de SA en strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW de grondslag van deze vorderingen vormen.”

    r.o. 3.43 · lid 1

    “[…] zo is tussen partijen niet in geschil.Dit betekent dat [eiser] niet langer van [kind 1] en [kind 2] nakoming kan vorderen van de governance-afspraken uit de SA, nu deze verbintenissen na omzetting in de schadevergoedingsverbintenis niet langer bestaan. Bijgevolg kan evenmin sprake zijn van eventuele doorwerking van deze verbintenissen uit de SA via de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW in de zin dat [Holding] uitvoering zou moeten geven aan deze afspraken.”

    r.o. 3.46

    “Het onderdeel bestrijdt als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 3.1 sub ff en 3.46 van het arrest (en de daarop voortbouwende overwegingen van het hof, waaronder rov. 3.81) dat de verplichtingen van [kind 1] en [kind 2] jegens [eiser] met betrekking tot de governance van de [Groep] uit hoofde van de SA via het CEPANI-vonnis zijn omgezet in een verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding, waardoor deze governance-verplichtingen niet langer bestaan en bijgevolg [eiser] ook niet langer nakoming kan vorderen van die afspraken op grond van de SA of de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Zie nrs. 1-1.1 van de procesinleiding. Dit wordt uitgewerkt in nrs. 1.2-1.12 van de procesinleiding, die draaien om uitleg van het CEPANI-vonnis. Behandeling”

    r.o. 3.2

    “Het onderdeel faalt, gelet op het volgende. a. Inleidende opmerkingen”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:PHR:2023:491

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 februari 2023

    Enquête Funda: handelen van middellijk meerderheidsaandeelhouder en artikel 2:8 BW

    “[…] van anderen (zoals een (rechts)persoon die enkel middellijk aandeelhouder van de vennootschap is; in casu NVM) kunnen geen onderwerp van de enquêteprocedure (en het eventueel daarop volgende onderzoek) zijn, althans in ieder geval niet indien die anderen niet behoren tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de vennootschap zijn betrokken in de zin van art. 2:8 lid 1 BW. Beleid en/of gedragingen van die anderen kunnen immers (voor de toepassing van het enquêterecht) niet toegerekend worden aan de vennootschap en kunnen geen gegronde redenen opleveren om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van de vennootschap te twijfelen. Dit is de eerste klacht.Althans heeft de OK miskend dat het voorgaande in elk geval geldt voor het beleid en/of de gedragingen van een (rechts)persoon (zoals in casu NVM) die slechts middellijk aandeelhouder is van de vennootschap en die (i) geen bestuurder is van de (directe) meerderheidsaandeelhouder (moedermaatschappij) van de vennootschap (in casu de directe meerderheidsaandeelhouder NVM Holding) en/of (ii) niet met de vennootschap is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. Dit is de tweede […]”

    r.o. 3.3.1 · lid 1

    “[…] aandeelhouder van Funda heeft gehandeld (en voor zover de bezwaren en de verzoeken van FundaBelang c.s. en Funda daarop betrekking hebben). Het subonderdeel valt voor dat geval als onbegrijpelijk aan de beoordeling door de OK in rov. 4.24-4.44, in het bijzonder haar kernoordelen in rov. 4.38, 4.40 en 4.44. Daarin gaat de OK immers uit van (kort gezegd) het bestaan van een op grond van art. 2:8 BW op NVM Holding c.s. - dus op NVM Holding en NVM - “als (middellijk) meerderheidsaandeelhouders” rustende zorgvuldigheidsplicht (jegens Funda, STAK Funda en de certificaathouders) en van een schending van die zorgvuldigheidsplicht door NVM Holding c.s., die een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Funda. Deze beoordeling en oordelen, waarin de OK dus ervan uitgaat dat op grond van art. 2:8 BW (mede) op NVM als middellijk meerderheidsaandeelhouder als zodanig een zorgvuldigheidsplicht rust (jegens Funda, STAK Funda en de certificaathouders), dat (ook) NVM die plicht heeft geschonden en dat dit (mede) een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Funda, zijn niet te verenigen […]”

    r.o. 3.3.2

    “[…] van het geval. Indien aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden, wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. - De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat relevante wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. - Naast het belang van de rechtspersoon behoren bij de toepassing van de regeling van het enquêterecht ook de belangen van de verzoeker als (mede) bedoeld in art. 2:355 BW en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen. - De doeleinden en strekking van het enquêterecht behoren ook te kunnen worden gediend als maatregelen van reorganisatorische aard, waaronder de vernietiging van besluiten, ertoe leiden dat de rechtspersoon daarvan nadeel of hinder ondervindt.”

    r.o. 3.5.4

    “[…] nog opmerking dat die bewoordingen van art. 2:354 BW, specifiek de verwijzing daarin naar “een ander [dan een bestuurder of een commissaris, A-G] die in dienst van de rechtspersoon is”, zelf al wijzen op een kring van personen die ruimer is dan enkel leden van organen van de rechtspersoon. In het verlengde daarvan valt ook te wijzen op hetgeen ik opmerk mede onder 3.12.1-3.12.5 hierna over art. 2:8 BW, wat raakt aan het nog weer bredere stelsel van Boek 2 BW. Dit is een centrale bepaling in het rechtspersonenrecht, die ook in enquêterechtspraak van de Hoge Raad en de OK een belangrijke rol speelt. Aan zo’n opener benadering staat overigens niet in de weg de volgende, sterk toegespitste overweging van de Hoge Raad (waarbij mede zij bedacht dat de stichting ten tijde van die uitoefening van de haar verleende optie geen aandeelhouder van de vennootschap was): “Onderdeel 6E van […] en klacht V van de Stichting Continuïteit keren zich onder meer tegen het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.28 dat de stichting wat betreft de uitoefening van haar optie voor de doeleinden van het enquêterecht heeft te gelden als medebeleidsbepaler van ASMI. Zij zijn in zoverre gegrond. […]”

    r.o. 3.5.6

    ECLI:NL:PHR:2023:360

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 januari 2023

    Concernenquête, zorgvuldigheidsplicht artikel 2:8 BW en onmiddellijke voorzieningen bij familiebedrijf met STAK

    “[…] voorafgegaan door een “Inleiding” (in nrs. 3.1-3.4 van de procesinleiding) en gevolgd door een “Aanvulling, uitwerking en toelichting” (in nrs. 3.8-3.29 van de procesinleiding). Ik vat de subonderdelen samen. 4.10.1 Subonderdeel 3.5 klaagt vooreerst dat, voor zover de OK in rov. 3.5 oordeelt dat het handelen of nalaten van STAK jegens de certificaathouders op grond van (schending van) art. 2:8 lid 1 BW een gegronde reden kan vormen voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van Steenfabriek, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De OK heeft miskend dat STAK en de certificaathouders niet behoren tot degenen die "krachtens de wet en de statuten" bij de organisatie van Steenfabriek zijn betrokken als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW. De binnen die kring van betrokkenen bij Steenfabriek geldende maatstaf (norm) van art. 2:8 BW strekt zich dan ook niet uit tot genoemde handelen of nalaten, dat ook niet (enquêterechtelijk) kan worden toegerekend aan Steenfabriek. Dit handelen of nalaten kan daarom geen gegronde reden vormen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Steenfabriek en de handelwijze van STAK jegens de […]”

    r.o. 4.10 · lid 1

    “Subonderdeel 3.5 klaagt vooreerst dat, voor zover de OK in rov. 3.5 oordeelt dat het handelen of nalaten van STAK jegens de certificaathouders op grond van (schending van) art. 2:8 lid 1 BW een gegronde reden kan vormen voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van Steenfabriek, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De OK heeft miskend dat STAK en de certificaathouders niet behoren tot degenen die "krachtens de wet en de statuten" bij de organisatie van Steenfabriek zijn betrokken als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW. De binnen die kring van betrokkenen bij Steenfabriek geldende maatstaf (norm) van art. 2:8 BW strekt zich dan ook niet uit tot genoemde handelen of nalaten, dat ook niet (enquêterechtelijk) kan worden toegerekend aan Steenfabriek. Dit handelen of nalaten kan daarom geen gegronde reden vormen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Steenfabriek en de handelwijze van STAK jegens de certificaathouders kan dan ook geen voorwerp van enquête zijn, voor zover het gaat om een enquête naar het beleid en de gang van zaken van Steenfabriek. Dit is de eerste klacht.Het subonderdeel klaagt verder dat de OK heeft miskend […]”

    r.o. 4.10.1 · lid 1

    “In het onderhavige geval gaat het om art. 2:8 lid 1 BW. Op deze bepaling ben ik bij conclusie van 18 oktober 2019 in een andere zaak nader ingegaan, waaronder: “3.13 Het antwoord op de vraag wie jegens een rechtspersoon een beroep toekomt op art. 2:8 BW dient, vanuit de in art. 2:8 lid 1 BW gegeven inkadering ‘degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken’, te worden bezien van geval tot geval en in het licht van hetgeen de wetgever heeft willen bereiken met art. 2:8 BW. Die strekking is het voorschrijven van de daarin bedoelde redelijkheid en billijkheid voor “gedragingen die zich in de sfeer van de rechtspersoon afspelen”, welke strekking al gold onder de voorloper van art. 2:8 BW (art. 2:7 BW (oud) in het tijdvak 1976-1992). Deze redelijkheid en billijkheid vergt van de rechtspersoon en die betrokkenen mede “een wederzijds welwillende houding”, het handelend vanuit de eigen belangensfeer rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen en deze na afweging ontzien indien deze onevenredig dreigen te worden geschaad.Van belang is daarbij de ook uit de tekst van art. 2:8 BW blijkende bedoeling van de wetgever het […]”

    r.o. 4.12.3 · lid 1

    “Een belangrijke uitspraak van de Hoge Raad die raakt aan art. 2:8 lid 1 BW, en waarop de OK ook wijst in rov. 3.7 van de bestreden beschikking, is zijn […] -beschikking. Daarin overweegt de Hoge Raad onder meer: “3.4 (…) De Ondernemingskamer is klaarblijkelijk uitgegaan van de in art. 2:8 BW neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Uit deze regel vloeit onder meer voort dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van de zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij zoals de Ondernemingskamer heeft gedaan, in aanmerking mag worden genomen dat het gaat om minderheidsaandeelhouders tegenover meerderheidsaandeelhouders en om familierechtelijke verhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokken personen.Onder deze omstandigheden, die zich hier voordoen, kan eerder dan in andere gevallen sprake zijn van de mogelijkheid van een vermenging van de belangen van de […]”

    r.o. 4.12.4 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2023:89

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 januari 2023

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid wegens heimelijke activiteiten; uittredingsregeling certificaten en dwaling

    “[…] af (rov. 3.28-3.31). De vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid wijst het hof toe. De heimelijk verrichte activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot contacten en medewerkers van PlantLab acht het hof evident in strijd met de verplichting tot behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW). Daarnaast is sprake van strijd met de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW). Daarmee is MAC aansprakelijk tegenover PlantLab. [eiser 4] is naast MAC hoofdelijk aansprakelijk op grond van art. 2:11 BW. Het hof verwijst de zaak naar de schadestaat (rov. 3.32-3.34). 3.12.6 Resteren, als vierde geschilpunt, de vorderingen die verband houden met het openbaar maken van bedrijfsgeheimen. Het gebod dat de rechtbank aan MAC heeft opgelegd om bedrijfsgeheimen van PlantLab geheim te houden is volgens het hof te algemeen geformuleerd. Dit zal het hof vernietigen, en de daartoe strekkende vordering zal het hof afwijzen. Wel is het hof van oordeel dat [eisers] hun geheimhoudingsplicht hebben geschonden en aansprakelijk zijn voor de schade die PlantLab daardoor heeft geleden. Aannemelijk is dát er schade is geleden, zodat het hof naar de schadestaat verwijst […]”

    r.o. 3.12

    “Het derde geschilpunt betreft de onrechtmatige concurrentie die [eisers] [verweerders] heeft aangedaan. De vorderingen gebaseerd op onrechtmatige concurrentie wijst het hof af (rov. 3.28-3.31). De vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid wijst het hof toe. De heimelijk verrichte activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot contacten en medewerkers van PlantLab acht het hof evident in strijd met de verplichting tot behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW). Daarnaast is sprake van strijd met de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW). Daarmee is MAC aansprakelijk tegenover PlantLab. [eiser 4] is naast MAC hoofdelijk aansprakelijk op grond van art. 2:11 BW. Het hof verwijst de zaak naar de schadestaat (rov. 3.32-3.34).”

    r.o. 3.12.5

    “[…] was van ‘concurrerende activiteiten’. Het heimelijk verrichten van dergelijke activiteiten door een bestuurder is reeds op zichzelf al in strijd met artikel 2:9 BW. Daarnaast levert dit heimelijk verrichten van die activiteiten door [eiser 4] (namens MAC) in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder handelen in strijd met de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW tegenover Plantlab op. Gelet op de rol van [eiser 4] als (indirect) bestuurder van Plantlab als ook diens rol binnen het managementteam enerzijds en de aard en omvang van de heimelijke activiteiten van [eiser 4] anderzijds is sprake van een voldoende ernstig verwijt aan MAC ID om bestuurdersaansprakelijkheid aan te nemen. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.”

    r.o. 4.95

    “[…] van de norm van art. 2:9 BW in rov. 3.33. 4.100 Het persoonlijk ernstig verwijt is gelegen in de ‘activiteiten’ van [eiser 4] , omschreven als het ‘heimelijk’ achter de klanten/relaties en medewerkers van PlantLab aangaan (rov. 3.15). Deze activiteiten zijn volgens het hof evident in strijd met de verplichting tot behoorlijke taakvervulling. Daarnaast acht het hof, in de context van art. 2:8 BW, van belang dat [eiser 4] als aanvoerder van het marktteam in een bijzondere vertrouwenspositie met betrekking tot relaties en prospects van PlantLab verkeerde. Deze schendingen van art. 2:8 BW dienen in het arrest mede ter invulling van de norm van art. 2:9 BW. Ook daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 4.101 Het hof oordeelt dat sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt “ook als op zich nog geen sprake was van ‘concurrerende activiteiten’”. Uit die rechtsoverweging blijkt dat het hof de vraag of sprake was van concurrerende activiteiten niet relevant heeft geacht om te kunnen spreken van een persoonlijk ernstig verwijt. Voor zover de klachten voortbouwen op het feit dat [eiser 4] niet gebonden was aan enig non-concurrentiebeding of […]”

    r.o. 4.99

    ECLI:NL:PHR:2023:91

  • Parket bij de Hoge Raad · 3 juni 2022 · via art. 2:7 BWC (Curaçao)

    Curaçaose enquête: wanbeleid trustbestuurder en voorzieningen bij verwatering minderheidsaandeelhouder

    “[…] en functionarissen - in strijd met beginselen van verantwoord ondernemerschap bij het voeren van de met de vennootschap verbonden onderneming. Wanbeleid kan mede betrekking hebben op het (onvoldoende) functioneren van de vennootschap als rechtspersoon. De redelijkheid en billijkheid die geldt in de verhouding tussen de vennootschap en degenen die bij haar organisatie betrokken zijn (artikel 2:7 BW) speelt daarbij mede een rol en kan onder omstandigheden aanleiding geven tot een bijzondere zorgplicht om ten behoeve van een minderheidsaandeelhouder te waken voor misbruik van meerderheidsmacht. Het wanbeleid behoeft geen structureel karakter te vertonen. Ook een enkele gedraging kan wanbeleid opleveren, met name indien zij tot voor de onderneming zeer schadelijke gevolgen heeft geleid. De schending van een vennootschapsrechtelijke norm is op zichzelf niet voldoende; zij dient (ernstig) verwijtbaar te zijn. Een impasse - verstoorde verhoudingen die het bestuur belemmeren - kan, zeker wanneer deze de continuïteit van de onderneming bedreigt, wanbeleid opleveren. Voor de beoordeling ex artikel 2:282 BW vormt het Verslag het wettelijk noodzakelijke aanknopingspunt; het Hof is […]”

    r.o. 4.13

    ECLI:NL:PHR:2022:535

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 april 2022

    Enquêteverzoek aandeelhouder afgewezen; maatstaf gegronde redenen en niet op redelijke grond gedaan

    “[…] verstrengeling van belangen ontstaat. Hetzelfde kan gezegd worden wanneer een CEO/bestuurder in verschillende hoedanigheden optreedt. Ook in die omstandigheden ligt het risico op de loer dat de CEO/bestuurder zijn belangen in die andere hoedanigheden (waaronder als aandeelhouder) niet scheidt van zijn belangen en verplichtingen als CEO/bestuurder, in het bijzonder zijn verplichting ex artikel 2:8 BW om zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van alle aandeelhouders van de vennootschap. Afstemming van stemgedrag c.q. de veronachtzaming van de belangen van (minderheids)aandeelhouders zal in dergelijke omstandigheden - welke zich hier voordoen - veelal verborgen blijven. Om die reden kan van de verzoeker tot een enquête in een dergelijke situatie niet worden gevergd dat hij die afstemming c.q. veronachtzaming “aannemelijk” maakt. Niet zonder reden volstaan gegronde redenen voor “twijfel” als grond voor enquête. Het daarop volgende onderzoek - met alle bevoegdheden waarover de onderzoeker anders dan de verzoeker beschikt - dient immers om opening van zaken te krijgen over de vraag of die twijfel gegrond is.””

    r.o. 3.4

    “[…] heimelijk hun controlerende zeggenschap te formaliseren en/of vergroten met AII.” Dit nr. 9.6 luidt als volgt: “9.6. De in randnr. 9.3 genoemde omstandigheden leiden tot in ieder geval de volgende juridische conclusies: (i) Tegenstrijdige belang: er is een tegenstrijdig belang bij de CEO, die daarmee handelt in strijd met het belang van de Vennootschap ex art. 2:129 lid 6 BW (en art. 2:8 BW); (ii) Veronachtzamen belangen minderheidsaandeelhouders: Er wordt geen acht geslagen op de belangen van Olympus (als minderheidsaandeelhouder), betracht de Vennootschap niet de vereiste zorgvuldigheid met betrekking tot de belangen van haar aandeelhouders; en (iii) Op elkaar afgestemde stemgedragingen: een groep (Italiaanse) aandeelhouders onder leiding van de CEO heeft zich kennelijk verenigd in All en stemt zijn gedragingen onderling af ten detrimente van de Vennootschap en minderheidsaandeelhouders en oefent een controle uit voor meer dan 30%, aldus handelend in strijd met art. 13 van de Statuten en art. 2:8 BW. Olympus zal deze gronden hierna uitwerken. Uit de feiten zoals die hiervoor in het verweerschrift zijn uiteengezet [zie in het bijzonder hoofdstuk 4 van het […]”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:PHR:2022:347

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 december 2021

    Enquête: ontvankelijkheid vennootschap en onmiddellijke voorzieningen bij verstoorde joint venture

    “[…] is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek”, in elke stand van het geding een zodanige voorziening treffen. Deze bepaling vormt blijkens de parlementaire geschiedenis een codificatie van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad ter zake, met name van zijn SkyGate-beschikking, en beoogt aan te sluiten bij de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Uit het een en ander volgt, kort gezegd en onder meer: - dat de OK de vrijheid heeft de onmiddellijke voorzieningen te treffen die zij in het verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, waarvan voldoende moet zijn gebleken; - dat daaraan niet zonder meer in de weg hoeft te staan dat deze voorzieningen, die naar hun aard voorlopig dienen te zijn, kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen; - dat de OK bij het treffen van zodanige voorzieningen voldoende rekening dient te houden met, en een billijke afweging moet maken van, de belangen van de betrokken partijen met het oog op de gevolgen ervan, nu zulke voorzieningen al met al niet disproportioneel mogen zijn; - dat daarbij het belang van de rechtspersoon voorop staat, al zijn de andere betrokken belangen daarmee […]”

    r.o. 3.14

    ECLI:NL:PHR:2021:1167

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 december 2021

    Gezag van gewijsde van beschikking ex artikel 2:298 BW over ontslag stichtingbestuurder

    “[…] voldaan, hetgeen van geval tot geval beoordeeld dient te worden. Dat geldt (dus) ook in het onderhavige geval. Daaraan doet op zichzelf (dus) niet af dat, zoals in het onderhavige geval, de beslissingen in de verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW ook betrekking hebben op een besluit van een rechtspersoon, en vernietiging van een dergelijk besluit zoals bedoeld in art. 2:15 lid 1 BW (jo. art. 2:8 BW) niet in een dergelijke procedure aan de orde kan komen, maar op de voet van art. 2:15 lid 3 BW geschiedt, zo daartoe aanleiding bestaat en desgevorderd, door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon in een daartoe strekkende dagvaardingsprocedure., Daarbij wijs ik er nog op dat in de beschikking de rekestenrechter ook niet zo’n vernietiging van het ontslagbesluit heeft uitgesproken, hetgeen in deze verzoekschriftprocedure ook niet voorlag, maar, zoals het hof vaststelt in rov. 2 sub vii) in verbinding met rov. 3.11 van het arrest, dus slechts (en bij wege van daarin te beantwoorden voorvraag, voor zover daarin aan de orde gesteld) het ontslagbesluit in het licht van hetgeen in deze verzoekschriftprocedure wel voorlag (en met inachtneming van het […]”

    r.o. 3.9

    “[…] kan volgens het subonderdeel “[i]mmers” geen andere conclusie worden getrokken dan dat [verweerder 2] aan de rekestenrechter het verzoek had voorgelegd om [eiser] op grond van art. 2:298 BW te ontslaan, terwijl de rekestenrechter op het moment dat hij de beschikking gaf, wist dat er bij de rechtbank een afzonderlijke dagvaardingsprocedure aanhangig was waarin [eiser] op grond van art. 2:15 jo. 2:8 BW de vernietiging van het ontslagbesluit had gevorderd. De rekestenrechter is dan ook buiten de door art. 2:298 BW getrokken begrenzing van zijn bevoegdheid getreden, dan wel heeft hij de grondslag van het verzoek verlaten en is hij ten onrechte vooruitgelopen op het oordeel over de rechtsgeldigheid van het ontslagbesluit in de dagvaardingsprocedure - met het risico dat daarover tegenstrijdige beslissingen zouden worden gegeven. Aan dat oordeel van de rekestenrechter kan “daarom” geen gezag van gewijsde toekomen, en het hof heeft ook ten onrechte overwogen dat dit wel het geval is, aldus nog steeds het subonderdeel.”

    r.o. 3.10

    “[…] de rechtsbetrekking in geschil in de zin van art. 236 lid 1 Rv (toegepast naar analogie). De enkele omstandigheid dat deze rechter, op het moment dat hij de beschikking gaf in de desbetreffende verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW, wist dat bij de rechtbank een afzonderlijke dagvaardingsprocedure aanhangig was waarin de desbetreffende stichtingbestuurder op de voet van art. 2:15 jo. 2:8 BW de vernietiging vorderde van het desbetreffende ontslagbesluit, leidt niet tot een andere uitkomst dan hier voorgestaan. Waar een dergelijk of vergelijkbaar (min of meer) gelijklopen van procedures in het algemeen voor het kunnen aannemen van gezag van gewijsde op de voet van art. 236 Rv (toegepast naar analogie) geen per se-belemmering vormt (zie onder 3.5-3.6 hiervoor), valt, althans zonder meer, niet in te zien waarom dit uitgangspunt anders zou moeten zijn ingeval het beroep op gezag van gewijsde in zo’n dagvaardingsprocedure betrekking heeft op een (dergelijke voorvraag)beslissing in zo’n eerdere verzoekschriftprocedure en de rechter in laatstgenoemde procedure ten tijde van zijn uitspraak wist dat eerstgenoemde procedure aanhangig was. Een dergelijke beperking volgt ook niet […]”

    r.o. 3.11

    “[…] in een geval als het onderhavige eraan in de weg staat dat De Drie Geuzen met succes een beroep doet op het gezag van gewijsde. Van [eiser] kon “gelet op het voorgaande” redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat hij had moeten bedenken dat de overwegingen in de beschikking over de geldigheid van het ontslagbesluit onherroepelijk zouden komen vast te staan en aan de beoordeling van zijn op art. 2:8 en 2:15 BW gebaseerde vordering in de weg zouden staan, als hij niet zou appelleren tegen de voor hem gunstige beschikking (waarin het verzoek van [verweerder 2] aan de rechtbank (de rekestenrechter) om hem te ontslaan was afgewezen, met veroordeling van [verweerder 2] in de proceskosten van het geding) enkel vanwege het feit dat die beschikking overwegingen bevatte die nadelig waren voor [eiser] . [eiser] zou zelf handelen in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, de in acht te nemen redelijkheid ex art. 2:8 BW, althans art. 6:2 BW en art. 3:303 BW, als hij wél in hoger beroep was gegaan tegen de beslissing van de rechtbank (dus de rekestenrechter).”

    r.o. 3.22

    ECLI:NL:PHR:2021:1253

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 maart 2021

    Verlaging uittredingsleeftijd partners: AVA-besluit, leeftijdsdiscriminatie en onrechtmatige daad naast artikel 2:15 BW

    “[…] van 62 jaar, veroordeling van HAB tot betaling van een compensatie ter hoogte van een winstaandeel voor de jaren 2017, 2018 en 2019, met een redelijke aftrek in goede justitie te bepalen; - III. alles te vermeerderen met rente en kosten. [verweerders] stellen daartoe dat het AVA-besluit en het BAVA-besluit in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:15 jo. art. 2:8 BW wordt geëist, omdat [verweerder 3] en [verweerder 4] door deze besluiten onevenredig worden benadeeld, nu zij in 2016 beiden 62 jaar zijn geworden en derhalve direct door het besluit worden getroffen. Zij hebben daarop immers niet kunnen anticiperen door het treffen van extra voorzieningen, terwijl de jongere partners nog voldoende tijd hebben om de noodzakelijke maatregelen te treffen om de gevolgen van dit besluit in de toekomst te kunnen opvangen. Voorts is geen rekening gehouden met de gevolgen van de besluiten voor [verweerder 3] en [verweerder 4] door hen bijvoorbeeld een overgangsregeling aan te bieden, is er geen valide reden voor de besluiten anders dan de verhoging van het winstaandeel voor de jongere partners en is er, in strijd met fundamentele rechten, geselecteerd op […]”

    r.o. 2.1

    “[…] bij voorraad, hoofdelijk veroordeeld in de proces- en nakosten. Aan deze beslissing ligt, samengevat, de volgende beoordeling ten grondslag. - De rechtbank beoordeelt in rov. 4.1-4.9 eerst de primaire vordering van [verweerders] - De rechtbank onderzoekt daartoe in de eerste plaats of het AVA-besluit en het BAVA-besluit in strijd zijn met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW jo. art. 2:8 BW. Onder verwijzing naar parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad concludeert de rechtbank dat “de norm [kort gezegd: van strijd met de redelijkheid en billijkheid, A-G] een zodanige marge laat dat de rechter niet al te snel - zeker niet wanneer het betrokken orgaan tegenstrijdige belangen heeft moeten afwegen - tot overschrijding daarvan kan besluiten.” (rov. 4.1) - Vervolgens geeft de rechtbank weer welk verweer HAB heeft gevoerd. (rov. 4.2) - De rechtbank constateert dat de door HAB gestelde belangen, waaronder het financiële belang, het belang van een gezonde onderneming en het verbeterde toekomstperspectief van HAB, als zodanig niet zijn betwist door [verweerders] en dat zij daar slechts tegenover stellen dat zijzelf financieel achteruitgaan, dat er geen […]”

    r.o. 2.5

    “Bij tussenarrest van 19 december 2017 (hierna: het tussenarrest) heeft het hof onder meer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verwachte ontwikkeling van de winst van HAB over 2017 t/m 2019 en alle omstandigheden die het hof naar hun oordeel bij zijn afwegingen ter zake van de hoogte van het vast te stellen bedrag dient te betrekken. Het hof overweegt daartoe als volgt: (rov. 3.1-3.6) “3.1 In hoger beroep komen [verweerder 3] en [verweerder 4] met een vijftal grieven op tegen het oordeel van de rechtbank, zakelijk samengevat, dat het AVA-besluit en het BAVA-besluit niet in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:15 jo 2:8 BW en dat HAB zich daarop jegens [verweerder 3] en [verweerder 4] mag beroepen zonder dat het bepaalde in de artt. 6:2 lid 2 resp. 6:248 lid 2 BW meebrengt dat zij tot een compensatie van hun schade gehouden is. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.”

    r.o. 2.13

    “Het hof neemt met de rechtbank tot onbetwist uitgangspunt dat het AVA-besluit en het BAVA-besluit met inachtneming van de bepalingen van de statuten en de op de aansluitingsovereenkomsten toepasselijke Algemene Bepalingen zijn genomen. [verweerder 3] en [verweerder 4] beroepen zich erop dat niettemin deze besluiten van de AVA in strijd zijn met artikel 2:8 BW en de beëindiging van de aansluitingsovereenkomst zonder compensatie jegens hen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:PHR:2021:272

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 februari 2021

    Uitkoop artikel 2:92a BW: consignatie, verzettermijn en processueel ondeelbare rechtsverhouding

    “[…] voorzien (zie hiervoor in 4.12.3), maar heeft daarin naar mijn mening geen uitgewerkte regeling opgenomen voor het vinden van een evenwicht tussen de verschillende belangen. Ook de bepalingen over tenuitvoerlegging in de art. 430 lid 3 en 54 lid 4 Rv, doen dat niet. 4.17.3 De maatstaven van redelijkheid en billijkheid die de betrokkenen aandeelhouders jegens elkaar in acht dienen te nemen (art. 2:8 BW), bieden wel (aanvullend) de benodigde basis op per geval te beoordelen waartoe de overnemer in dit verband gehouden is. Hierop is naar mijn mening (mede) de in de rechtspraak van de OK ontwikkelde regel gebaseerd, dat de overnemer in beginsel een redelijke termijn moet gunnen voor aanbieden van de aandelen alvorens tot consignatie over te gaan. Van deze regel kan naar mijn mening worden uitgegaan.”

    r.o. 4.14

    “De maatstaven van redelijkheid en billijkheid die de betrokkenen aandeelhouders jegens elkaar in acht dienen te nemen (art. 2:8 BW), bieden wel (aanvullend) de benodigde basis op per geval te beoordelen waartoe de overnemer in dit verband gehouden is. Hierop is naar mijn mening (mede) de in de rechtspraak van de OK ontwikkelde regel gebaseerd, dat de overnemer in beginsel een redelijke termijn moet gunnen voor aanbieden van de aandelen alvorens tot consignatie over te gaan. Van deze regel kan naar mijn mening worden uitgegaan.”

    r.o. 4.17.3

    “De subonderdelen 1.1 en 1.2 slagen voor zover zij betogen dat rechtens voor de aanvang van de verzettermijn uit hoofde van art. 143 lid 3 Rv geen vereiste geldt dat aan de uit te kopen aandeelhouders een redelijke termijn wordt gegund om vrijwillig te voldoen aan de veroordeling tot levering van de aandelen. Weliswaar kan worden uitgegaan van een op art. 2:8 BW gebaseerde regel dat de overnemer in beginsel een redelijke aanbiedingstermijn moet gunnen alvorens tot consignatie over te gaan (zie hiervoor onder (iii)), maar deze redelijke aanbiedingstermijn is niet van invloed op de vraag of de verzettermijn is gaan lopen (zie hiervoor onder (v)).”

    r.o. 4.44

    ECLI:NL:PHR:2021:149

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 januari 2021

    Hoorplicht jegens ex-bestuurder (artikel 2:8 BW) bij publicatie onderzoeksconclusies door vennootschap

    “Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.8 waar het hof oordeelt dat de RvC niet de plicht had [eiser] te horen, mede omdat [eiser] door BDO was gehoord, de RvC ervan mocht uitgaan dat het onderzoek van BDO volledig was geweest en dat de RvC op verantwoorde wijze conclusies aan het rapport kon verbinden zonder ook zelf [eiser] te horen. In randnummers 15-17 richt [eiser] hier rechts- en motiveringsklachten tegen die er onder verwijzing naar passages in de gedingstukken in feitelijke aanleg op neerkomen dat hij wel het nodige heeft aangevoerd ter onderbouwing van een separate hoorplicht voor de RvC alvorens te concluderen en te publiceren, gelet op de aard van de beschuldigingen, de voor hem te verwachten gevolgen en de jegens hem in acht te nemen zorgvuldigheid (randnummer 15). Dat geen algemene rechtsplicht tot het horen van hem als voormalig bestuurder bestond, bestrijdt [eiser] ook (randnummer 16). Zonodig onder aanvulling van rechtsgronden had het hof volgens de rechtsklacht hier art. 2:8 BW behoren toe te passen. Althans had een hoorplicht moeten worden aangenomen op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm, zo besluit [eiser] in randnummer 17.”

    r.o. 2.22

    “[…] om een ex-bestuurder te horen voordat de RvC conclusies verbindt aan een rapport dat mede betrekking heeft op het functioneren van het voormalige bestuur waar de betreffende bestuurder deel van uitmaakt, lijkt mij juist. Een door [eiser] bepleite rechtsregel in tegenovergestelde zin heb ik niet kunnen vinden en wordt door [eiser] ook niet overtuigend onderbouwd. De bijzondere uit art. 2:8 BW voortvloeiende hoorplicht bij een voorgenomen ontslag of schorsing van een bestuurder leent zich niet voor analoge (ruime) toepassing. [eiser] was al twee jaar geen bestuurder meer. Art. 2:8 BW richt zich tot de rechtspersoon en zijn institutioneel betrokkenen: zij die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken. Zoals uit de redactie van art. 2:8 BW blijkt, heeft de bepaling uitsluitend betrekking op de verhoudingen binnen de rechtspersoon. De klacht bepleit onder randnummer 16 op zichzelf terecht dat de wetgever een ruime uitleg geeft aan de passage “degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken”. Uit de wetsgeschiedenis leid ik echter af dat daarmee wordt bedoeld dat ook de houders van met medewerking van de vennootschap […]”

    r.o. 2.24

    “Randnummer 20 vervolgt met een klacht over rov. 3.17. Het OR-advies en het oordeel van de kantonrechter in de ontslagzaak van [betrokkene 2] zijn volgens deze klacht relevante nieuwe omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het persbericht. Het hof heeft miskend dat uit art. 2:8 BW of de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm volgt dat GVB [eiser] hierover zou hebben moeten horen voordat tot publicatie in het jaarverslag over zou worden gegaan, nu het hof aanneemt dat de RvC dit advies en de ontslagzaakuitspraak kende.”

    r.o. 2.29

    “[…] 3, althans tot nuancering van de conclusies in het jaarverslag. Door [eiser] was gesteld dat het ongewijzigd en zonder nuancering naar aanleiding van het OR-advies en de kantonrechtersbeschikking overnemen van de conclusies in het jaarverslag onrechtmatig is. Dat nuancering, heroverweging of vermelding van dergelijke voor [eiser] ontlastende omstandigheden had moeten plaatsvinden volgt uit art. 2:8 BW of de jegens [eiser] in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid of de uit de jurisprudentie voortvloeiende belangenafweging bedoeld in randnummers 9 en 10 van de procesinleiding in cassatie. Het hof heeft een en ander miskend door in rov. 3.17 en 3.18 de nadruk te leggen op de beoordelingsvrijheid van de RvC zonder in te gaan op de vraag of handhaving van de conclusies zonder heroverweging of vermelding van deze omstandigheden/nuanceringen gerechtvaardigd was. Bovendien is in dit kader onjuist of onbegrijpelijk de overweging in rov. 3.17 dat het advies van de OR en de overwegingen van de kantonrechter er niet toe hoefden te leiden dat de RvC zijn uit het BDO-rapport getrokken conclusies zou wijzigen.”

    r.o. 2.31

    ECLI:NL:PHR:2021:78

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 oktober 2020

    Onmiddellijke voorzieningen in enquête bij coöperatie met drie leden en patstelling

    “[…] kan bij de leden geen contributie worden geheven ten behoeve van de exploitatie van de Coöperatie. Sinds februari 2019 beschikt de Coöperatie niet meer over een accountant. De veiligheid van medewerkers en leerlingen binnen het KEC kan niet voldoende worden gewaarborgd. Aloysius gedraagt zich solistisch en niet transparant, zowel binnen de Coöperatie als daarbuiten, en handelt in strijd met art. 2:8 lid 1 BW, het Masterplan, de Mantelovereenkomst en de ledenovereenkomst.”

    r.o. 2.3 · lid 1

    “[…] van het recht van enquête, die op 1 januari 2013 in werking is getreden. Art. 2:349a leden 2 en 3 BW luiden sindsdien als volgt: Het tweede lid van art. 2:349a BW (eerste zin) vormt, blijkens de wetsgeschiedenis, een codificatie van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in het enquêterecht, waarin tevens aansluiting is gezocht bij art. 2:8 BW. Zie ook onder 3.3 hiervoor. In art. 2:357 lid 6 BW, dat in art. 2:349a lid 2 BW van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, is geregeld dat de OK kan bepalen dat de rechtspersoon de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen terzake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling tijdens de tijdelijke aanstelling, betaalt. In het derde lid van art. 2:349a BW is nieuw in de wet opgenomen dat, ingeval nog geen onderzoek is gelast, de OK alleen een onmiddellijke voorziening kan treffen als zij voorlopig heeft geoordeeld dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van de rechtspersoon te twijfelen (vgl. art. 2:350 lid 1 BW), in welk geval de OK […]”

    r.o. 3.4

    “[…] voortzetting dan wel afwikkeling van de samenwerking binnen de Coöperatie (zie rov. 3.14 van Beschikking II), in beginsel binnen de voor de leden geldende wettelijke kaders moet worden gebleven, waaronder voor Aloysius de WEC (zie ook onder 3.23 hiervoor). Daarin brengen de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen geen verandering, net zo min als de werking van bijvoorbeeld art. 2:8 BW in dat kader. Zie ook onder 3.2-3.4, 3.7 en 3.11-3.14 hiervoor.”

    r.o. 3.27

    “[…] tussen ‘ABN AMRO Bank’ en een derde, ‘Bank of America’, welke transactie bevoegdelijk (rechtsgeldig) door het bestuur van ABN AMRO Bank met Bank of America was gesloten. Een ‘derde’ wil hier zeggen, zakelijk weergegeven: iemand, te weten Bank of America, die niet (ook) krachtens de wet en statuten betrokken is bij de organisatie van de rechtspersoon, te weten ABN AMRO Bank (vgl. art. 2:8 BW). Het ging hier, anders gezegd, om ‘externe’ (rechts)verhoudingen. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. De Mantelovereenkomst betreft een (op de statuten aansluitende) overeenkomst tussen de Coöperatie en haar drie leden Aloysius, Mutsaers en De Wijnberg, die allen vallen binnen de kring van art. 2:8 BW. Het gaat hier, anders gezegd, en in ieder geval voor doeleinden van art. 2:349a leden 2 en 3 BW, veeleer om ‘interne’ (rechts)verhoudingen. De situatie die voorlag in de ABN AMRO Bank-zaak, en waarop die overweging van de Hoge Raad toch echt is toegesneden, doet zich in de onderhavige zaak niet voor. Daarmee valt ook reeds de bodem weg onder de passage in de rechtsklacht onder (i) waarbij dat beroep op de ABN AMRO Bank-beschikking van de Hoge Raad wordt gedaan ( ). De […]”

    r.o. 3.31

    ECLI:NL:PHR:2020:925

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 juli 2020

    Enquête: bevel tot afgifte witness statement door bestuurder als onmiddellijke voorziening

    “Ook uit het feit dat [verweerder 2] bestuurder is van de vennootschap vloeit als zodanig geen verplichting tot het afleggen van een dergelijke witness statement voort, ook niet ingevolge artikel 2:8 BW.”

    r.o. 3.9

    “Voornoemd regime geldt bovendien voor alle partijgetuigen, derhalve ook voor partijgetuigen die als zodanig worden aangemerkt omdat zij bestuurder van de procederende rechtspersoon zijn. De normen neergelegd in art. 2:8 BW (aanvullende en beperkende werking redelijkheid en billijkheid), art. 2:9 BW (bestuurders zijn gehouden tot een behoorlijke taakvervulling), art. 2:239 lid 5 BW (bestuurders richten zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) en art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) maken dit niet anders. Deze normen zijn te algemeen om de specifieke wettelijke bepalingen omtrent partijgetuigen en de rechtspraak die in dit kader is ontwikkeld opzij te zetten en vormen een onvoldoende wettelijke basis om bestuurders – in strijd met het geldende Nederlandse burgerlijk procesrecht – te dwingen als partijgetuige een verklaring af te leggen. De regel dat een partijgetuige niet kan worden gedwongen een verklaring af te leggen, geldt ongeacht welk belang een ander bij de verklaring stelt te hebben.”

    r.o. 2.22

    “Subonderdeel 2.1 klaagt dat het onjuist is dat de Ondernemingskamer in rov. 3.10 heeft geoordeeld dat een expliciete wettelijke grondslag nodig is om een ingezetene, die naar Nederlands burgerlijk procesrecht als partijgetuige moet worden aangemerkt, een bevel te kunnen geven om een verklaring ten behoeve van een buitenlandse procedure af te leggen. De Ondernemingskamer heeft miskend dat de art. 2:8, 2:9 (jo. 2:239), 2:349a lid 2 en 6:162 BW hiertoe een voldoende wettelijke grondslag bieden, aldus de klacht.”

    r.o. 2.24

    “De klacht betreft in wezen een herhaling van de klachten in onderdeel 1 en faalt om dezelfde reden.”

    r.o. 2.25

    ECLI:NL:PHR:2020:702

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2020

    Uitkoop: prijsvaststelling en correctie voor 'tunneltjes graven' door uitkopende meerderheidsaandeelhouder

    “[…] van de aandelen (en stemrechten) heeft, kan de minderheidsaandeelhouders in beginsel uitkopen. In de literatuur wordt wel aangenomen dat het mogelijk is dat de rechter een uitkoopvordering van een aandeelhouder die aan lid 1 voldoet, in een geval waarin geen van de afwijzingsgronden van lid 4 aan de orde is, toch afwijst op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 lid 2 BW) of misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW). Dat biedt dan, voor bijzondere gevallen, een correctief op de belangenafweging die de wetgever al in abstracto heeft gemaakt, zoals die tot uitdrukking komt in art. 2:201a lid 1 en lid 4 BW (zie onder 3.20). In rov. 3.3 onder b tussenarrest lijkt de OK afwijzing van de uitkoopvordering op de voet van art. 2:8 lid 2 BW of art. 3:13 BW ook mogelijk te achten, indien bij het vaststellen van de uitkoopprijs geen rekening gehouden zou kunnen worden met de benadelende handelingen van [eiser] (de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ als bedoeld onder 3.1).”

    r.o. 3.22 · lid 2

    “[…] stoffelijke schade zou lijden door de overdracht. In de eerste plaats geldt dat het moet gaan om schade die niet in de uitkoopprijs is verdisconteerd. Dit blijkt in de wettekst uit het element “ondanks de vergoeding”. In de tweede plaats moet het gaan om “ernstige stoffelijke schade”. In de literatuur is bepleit dat voor het element “ernstig” aansluiting kan worden gezocht bij de norm van art. 2:8 BW; de schade die de minderheidsaandeelhouder lijdt, moet dermate ernstig zijn dat toewijzing van de uitkoopvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Met het element “stoffelijk” wordt gedoeld op financieel nadeel. De ernstige stoffelijke schade van de minderheidsaandeelhouders moet verder “door de overdracht” worden geleden. Er moet dus een causaal verband bestaan tussen de gedwongen aandelenoverdracht en de beweerdelijke ernstige stoffelijke schade:“Anders gezegd, de te lijden schade moet het directe gevolg zijn van de overdracht van de aandelen. De schade die bijvoorbeeld voorafgaand aan de uitkoopprocedure is geleden door gebeurtenissen of gedragingen van de meerderheidsaandeelhouder, biedt dus geen grond voor de afwijzing van de vordering tot […]”

    r.o. 3.23

    “[…] samengevatte feiten, niet in de weg stonden aan de toewijsbaarheid van de vordering van [eiser] , maar evenwel konden worden betrokken bij vaststelling van de uitkoopprijs. Het subonderdeel klaagt (in de 2e alinea) dat de OK aldus heeft miskend dat het verweer van [verweerder] dat toepassing van art. 2:201a BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 2:8 lid 2 BW) in de kern neerkwam op een beroep op de afwijzingsgrond van art. 2:201a lid 4 BW dat [verweerder] “ernstige stoffelijke schade” zou lijden door de overdracht. Het subonderdeel klaagt verder (in de 3e alinea) dat het enkele feit dat [verweerder] zich nadrukkelijk niet, met zoveel woorden, heeft beroepen op de afwijzingsgrond van “ernstige stoffelijke schade” als bedoeld in art. 2:201a lid 4 BW niet meebrengt, anders dan de OK in rov. 3.1 tussenarrest kennelijk van oordeel was, dat de uitkoopvordering reeds als zodanig en zonder meer toewijsbaar was, omdat de OK ook dan, onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, “die verweren van [verweerder] ” had moeten aanmerken als een beroep op de desbetreffende afwijzingsgrond van art. 2:201a lid 4 BW. Het subonderdeel klaagt ten […]”

    r.o. 3.41 · lid 2

    “[…] gesteld dat één van de feiten en omstandigheden die zijn genoemd in lid 4 van genoemd artikel zich voordoet (in conclusie van dupliek onder 7 heeft hij zich nadrukkelijk niet beroepen op de afwijzingsgronden van lid 4) de vordering van [eiser] in zoverre toewijsbaar [is].” Van de afwijzingsgronden van art. 2:201a lid 4 BW moet worden onderscheiden het verweer van [verweerder] op de voet van art. 2:8 lid 2 BW dan wel art. 3:13 BW (zie onder 3.22). De klacht dat de OK het beroep van [verweerder] op art. 2:8 lid 2 BW dan wel art. 3:13 BW, eventueel onder ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, had moeten aanmerken als een beroep op art. 2:201a lid 4 BW gaat dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting. In zijn conclusie van antwoord heeft [verweerder] zich primair (onder meer) verweerd met de stelling dat onder de omstandigheden dat “ [eiser] , kort gezegd, het uit [A] gehaalde geld veilig elders heeft ondergebracht en nu de aandelen van [verweerder] in [A] voor een fractie van de prijs probeert op te pikken”, “gebruikmaking van de bevoegdheid als omschreven in artikel 2:201a BW misbruik van de bevoegdheid [oplevert], althans in de gegeven omstandigheden de toepassing van dit […]”

    r.o. 3.42 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2020:450

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 maart 2020

    Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager

    “[…] is van dat orgaan, in een duidelijk te onderscheiden andere functie verricht en die duidelijk te onderscheiden zijn van het bestuurderschap. Voor zover dáárbij een belangenconflict zou kunnen opspelen, voorziet de wet sinds 1 januari 2013 met onder meer art. 2:129 lid 5-6 BW (voordien art. 2:146 (oud) BW) in een specifieke regeling ter zake, nog daargelaten gedragsnormerende bepalingen als art. 2:8 en 2:9 BW. Het hof is in het arrest, zie in het bijzonder rov. 3.4 t/m 3.6 en rov. 3.10, dan ook terecht van deze bevoegdheidsverdeling uitgegaan. Ik wijs er nog op dat Orthocenter bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst VM met [verweerder] kennelijk eveneens ervan uitging dat [betrokkene 1] als de algemeen statutair directeur bevoegd was ter zake Orthocenter te vertegenwoordigen. Het hof heeft in rov. 3.4 weliswaar vastgesteld dat [betrokkene 2] de arbeidsovereenkomst VM heeft meegetekend “voor akkoord” waar [betrokkene 1] “namens Orthocenter” tekende als haar algemeen statutair directeur (te onderscheiden van de arbeidsovereenkomst statutair directeur, die [betrokkene 2] overeenkomstig art. 13 van de statuten namens Orthocenter heeft getekend als de voorzitter van haar RvC), maar […]”

    r.o. 3.16

    ECLI:NL:PHR:2020:290

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 februari 2020

    Appartementsrecht: nietigheid of vernietigbaarheid VvE-besluit bij ontbrekende gekwalificeerde meerderheid

    “Het oordeel van het hof dat [verzoeker] het bezwaar dat een (in het splitsingsreglement voorgeschreven) gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald – op zich beschouwd – in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank had moeten aankaarten, is juist. Op grond van art. 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van art. 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens strijd (a) met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; (b) met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist en (c) met een reglement. Indien een op grond van de wet of de statuten vereiste gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald, is sprake van een gebrek dat nietigheid met zich brengt (en niet van een met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen strijdig vernietigbaar besluit).”

    r.o. 3.33

    ECLI:NL:PHR:2020:119

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2020

    Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig

    “[…] van 17 juli 2017 en evenmin is gehoord over het te nemen ontslagbesluit of in de gelegenheid is gesteld om haar raadgevende stem te gebruiken, hetgeen in strijd is met de statuten van [verweerster] Beheer en het bepaalde in art. 2:227 lid 7 BW. [eiseres] Holding heeft voorts gesteld dat het besluit in ieder geval vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 onder a BW in samenhang met art. 2:8 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de bestuurder moet worden gehoord voordat hij wordt ontslagen. [eiseres] Holding heeft dit besluit dan ook bij brief van 11 augustus 2017 (verzonden per e-mail) op diezelfde dag vernietigd. Aan de vorderingen onder II en III heeft [eiseres] Holding ten grondslag gelegd dat de opzegging van de managementovereenkomst niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De managementovereenkomst kan niet eerder eindigen dan nadat het formele ontslagbesluit is genomen, hetgeen niet rechtsgeldig is gebeurd. Voorts heeft zij gesteld dat uit art. 5.5 van de koopovereenkomst alsmede uit overige feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat partijen als uitgangspunt hebben genomen de bestaande […]”

    r.o. 2.2

    “[…] van wettelijke en statutaire bepalingen om bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder a BW, waarbij geen sprake is van een schending als bedoeld in artikel 2:14 lid 2 BW. Aldus is sprake van een vernietigbaar (ontslag)besluit. Het horen van de directeur over zijn ontslag tijdens de aandeelhoudersvergadering vindt zijn grondslag in artikel 2:8 BW, waarbij ook [eiseres] Holding ervan uitgaat dat het nalaten hiervan reden is voor vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Voor zover [eiseres] Holding nog stelt dat zij het ontslagbesluit heeft vernietigd bij brief van 11 augustus 2017 van haar advocaat, is van belang dat artikel 2:15 lid 3 BW voorschrijft dat vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank. Buitengerechtelijke vernietiging is niet mogelijk. Dit betekent dat op en na 17 juli 2017 sprake is geweest van een weliswaar vernietigbaar maar niet vernietigd en daarom vooralsnog als geldig te beschouwen ontslagbesluit, zodat (ook) de vordering onder I in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen. Voor zover [eiseres] Holding bij pleidooi in hoger beroep nog heeft gesteld dat er geen geldig besluit […]”

    r.o. 6.21

    “Het kan dus – en zal niet zelden – nogal uitmaken of de vraag naar aantastbaarheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon moet worden beantwoord vanuit het schema van art. 2:14 BW of dat van art. 2:15 BW. Welk schema in een concreet geval het relevante beoordelingskader vormt, hangt uiteindelijk af van de relevante normschending: deze bepalingen kennen hun eigen, te onderscheiden toepassingsbereik. Anders dan art. 2:14 lid 1 BW, dat nietigheid van een besluit relateert aan ‘strijd met de wet of de statuten’, verbindt art. 2:15 lid 1 BW vernietigbaarheid van een besluit met: - ‘strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen’ (lid 1 onder a); - ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist’ (lid 1 onder b); - ‘strijd met een reglement’ (lid 1 onder c).”

    r.o. 4.8

    “[…] worden onderscheiden van het recht van een bestuurder (of commissaris) wiens schorsing of ontslag als agendapunt wordt behandeld om te worden ‘gehoord’ door de algemene vergadering over het voorgenomen schorsings- of ontslagbesluit. Dit recht en de daartegenover staande verplichting zijn niet wettelijk geregeld, maar worden gegrond op de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 BW. Dit horen dient het privé-belang van deze functionaris en heeft (derhalve) uitsluitend betrekking op zijn persoon. Bij de raadgevende stem van een bestuurder (of commissaris) in de zin van art. 2:227 lid 7 BW en art. 2:238 lid 2, slotzin BW ligt dat anders: deze dient het vennootschappelijk belang en komt aan elke bestuurder (en commissaris) toe. In het onderhavige geval maakt het hof dat onderscheid ook. Zie enerzijds rov. 6.21 over “het horen van de directeur over zijn ontslag tijdens de aandeelhoudersvergadering” wat “zijn grondslag [vindt] in artikel 2:8 BW”, en anderzijds rov. 6.21 in verbinding met rov. 6.17-6.18 over art. 2:227 lid 7 BW (dat overeenstemt met art. 23 lid 5 van de statuten van [verweerster] Beheer) waaruit volgt dat “de bestuurder het recht [heeft] om zijn […]”

    r.o. 4.24

    ECLI:NL:PHR:2020:111

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2019

    Artikel 2:342 BW: terugovergang stemrecht van stemgerechtigde pandhouder op aandeelhouder

    “[…] dient te betrachten, ook in een situatie als aan de orde is in rov. 3.17. Als een vennootschap geen bestuurders heeft, ligt het voor de hand om de vraag hoe een aandeelhouder of, afgeleid daarvan, een stemgerechtigd pandhouder met die situatie rechtens heeft om te gaan (mede) in verhouding tot de vennootschap, primair te bezien vanuit hetgeen de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW voor dat geval van die betrokkene in die hoedanigheid vordert. Dat waartoe een actor op grond daarvan verplicht is in termen van te betrachten zorgvuldigheid, is telkens afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij ook de statutaire belet en ontstentenis-regeling van de vennootschap als bedoeld in art. 2:244 lid 4 BW een rol kan spelen. Daarbij past het bijvoorbeeld niet om als uitgangspunt te nemen een in algemene zin geldende regel dat op een stemgerechtigd pandhouder in die hoedanigheid dan, wat de OK noemt in rov. 3.17, de ‘plicht’ rust om ‘uit eigen beweging in dat bestuur te voorzien’, of de plicht rust iedere voorgestelde kandidaat te benoemen. In het kader van de wettelijke geschillenregeling geldt niet iets anders, met dien verstande dat voor […]”

    r.o. 3.39 · lid 1

    “Het subonderdeel faalt. Onderdeel III – Motiveringsklachten”

    r.o. 3.40

    ECLI:NL:PHR:2019:1345

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Conclusie: vernietiging statutenwijziging vereniging wegens strijd met redelijkheid en billijkheid; artikel 3:53 lid 2 BW

    “Op 11 februari 2014 heeft (onder anderen) [verweerder] de VD gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, incidenteel gevorderd de zaak te voegen met de onder nr. 1.28 hiervoor genoemde procedure en (in de hoofdzaak) gevorderd, onder meer, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van de VD van 11 december 2013 als bedoeld onder nr. 1.29 hiervoor op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW jo. art. 2:8 jo. art. 3:12 BW zal worden vernietigd wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid, alles met veroordeling van de VD in de proceskosten. Deze procedure heeft als zaak/rolnummer C/14/152509/HAZA 14-73.”

    r.o. 1.32

    “In haar conclusie van antwoord (hierna: de CvA) heeft de VD onder meer aangevoerd dat [verweerder] door zijn opzegging geen lid meer is van de VD en dat hij dus niet meer behoort tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de VD betrokken zijn. Het gevolg daarvan is, zo vervolgt de VD, dat [verweerder] ook geen beroep meer kan doen op art. 2:8 BW en in het verlengde daarvan op art. 2:15 lid 1 sub b BW. De VD concludeert dat [verweerder] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat zijn vorderingen terstond moeten worden afgewezen. In de CvA voert de VD ook inhoudelijk verweer tegen het beroep van [verweerder] op art. 2:8 BW en art. 2:15 BW en doet zij voorts – voor het geval dat beroep van [verweerder] gehonoreerd zou worden – een nadrukkelijk beroep op art. 3:53 lid 2 BW, omdat de statutenwijziging bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt. De VD heeft in de CvA aangeboden al haar stellingen te bewijzen, speciaal door middel van getuigen, onder wie eveneens de oud-bestuurders en bestuurders.”

    r.o. 2.2

    “Wat betreft het (primaire) verweer van de VD dat [verweerder] c.s. geen beroep meer kan doen op art. 2:8 BW en in het verlengde daarvan evenmin op art. 2:15 lid 1 sub b BW, oordeelde de rechtbank dat dit verweer van de VD niet slaagt. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of (het besluit van de VD tot) de statutenwijziging onaanvaardbaar is; de rechtbank zag geen grond voor het oordeel dat (de ledenvergadering van) de VD na afweging van alle bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit van 11 december 2013 heeft kunnen komen. De rechtbank heeft de vordering van [verweerder] c.s. tot vernietiging van het besluit van 11 december 2013 afgewezen en [verweerder] c.s. in de proceskosten veroordeeld.”

    r.o. 2.3

    “[…] en daarbinnen in diverse subonderdelen. Het eerste onderdeel bevat rechts- en motiveringsklachten verband houdend met de devolutieve werking van het hoger beroep, waarvan de kern staat in nrs. 1.2 (subonderdeel 1.2), 1.3 (subonderdeel 1.3), 1.4 (subonderdeel 1.4) en 1.6 (subonderdeel 1.6). Het tweede onderdeel draait om rechts- en motiveringsklachten verband houdend met de toepassing van art. 2:8 BW (zonodig in samenhang gelezen met art. 2:15 lid 1 sub b BW), opgesplitst in subonderdelen 2.a-2.c (waarbinnen ook niet elk nr. een klacht bevat). Nr. 1 (inclusief 1.1.a-1.1.c) en nr. 1.5 bevatten inleidende opmerkingen respectievelijk een tussenconclusie. Omwille van een coherente behandeling van de klachten behandel ik eerst de klachten over art. 2:8 BW en art. 2:15 BW die in het middel zijn verspreid over subonderdelen 1.2, 1.6 en 2.a-2.c. Vervolgens wend ik mij tot de klachten als vervat in subonderdelen 1.3-1.4. Ik merk daarbij het volgende op. In rov. 3.3 van het tussenarrest geeft het hof de volgende aanduiding voor het besluit van (de ledenvergadering van) de VD van 11 december 2013 tot wijziging van de statuten van de VD: ‘wijzigingsbesluit VD’. Ik zal deze aanduiding […]”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:PHR:2019:1178

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 juni 2019

    Uitleg statutaire aanbiedingsregeling, aandeelhoudersovereenkomst en redelijkheid en billijkheid

    “Deze zaak betreft een geschil tussen twee aandeelhouders van een BV en aan hen gelieerde personen. Centraal staat de uitleg van de in de statuten opgenomen aanbiedingsregeling. Daarnaast wordt een beroep gedaan op redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW).”

    r.o. 1.1

    “[…] inmiddels weer aan [betrokkene 1] heeft (terug)overgedragen maakt dit niet anders. De decertificering en (terug)overdracht heeft immers geen terugwerkende kracht, zodat deze niet op de rechtsgeldigheid van het eenmaal genomen ontslagbesluit of het ontstaan van de bevoegdheid tot verkoop van invloed kan zijn. Het vormt evenmin een zodanig zwaarwegende omstandigheid dat het ingevolge artikel 2:8 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn voor [verweerster 2] en [verweerder 3] om zich ten opzichte van [eiseres] op het bepaalde in artikel 15 van de statuten te beroepen, zodat [eiseres] zich ook niet op vernietiging van het ontslagbesluit ingevolge artikel 2:15 BW kan beroepen. De overige door [eiseres] genoemde omstandigheden – (i) dat van wijziging van zeggenschap of economische eigendom geen sprake was, (ii) dat de certificaten alle in handen van [betrokkene 1] zijn gebleven, (iii) dat [betrokkene 1] in de periode dat de Stak de aandelen hield als enige bestuurder is geweest, (iv) dat in feite van een intern verhangen van aandelen sprake was, zonder dat een derde persoon feitelijk werd betrokken en dus van een wijziging in materiële zin geen […]”

    r.o. 3.8

    “[…] BW. Bovendien zal door statutenwijziging voor de toekomst ook jegens derden kunnen gaan gelden wat op grond van de aandeelhoudersovereenkomst tussen de partijen bij die overeenkomst reeds geldt. Strijd met de inhoud van een aandeelhoudersovereenkomst leidt er echter in beginsel niet toe dat een overeenkomstig de statuten genomen besluit ongeldig is, al kunnen redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW), eventueel mede in het licht van de norm van het vennootschappelijk belang (art. 2:239 lid 5 BW), tot nuanceringen leiden (‘doorwerking’ van de aandeelhoudersovereenkomst naar de vennootschappelijke verhoudingen). Afgezien van die nuanceringen zijn de gewone regels van wanprestatie en schadevergoeding van Boek 6 BW van toepassing (art. 6:74 e.v. en 6:95 e.v. BW), met inbegrip van de mogelijkheid dat de rechter een aandeelhouder veroordeelt tot schadevergoeding in natura (art. 6:103 BW). Mijns inziens is niet bij voorbaat uitgesloten dat een aandeelhouder wordt veroordeeld tot medewerking aan een nieuw besluit van de vennootschap, waarbij een eerder besluit geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt.”

    r.o. 3.16

    “Verder geldt met of zonder aandeelhoudersovereenkomst tussen onder meer de oprichters/aandeelhouders de gedragsnorm van redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW). Ook die norm kan helpen om het uitgangspunt van objectieve uitleg van statuten te vervolgen met maatwerk zo vaak als dat verantwoord is. Daarbij bestaat onmiskenbaar een overlap tussen gevallen waarin op beide (rechtsgevolgen in verband met de inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst en rechtsgevolgen op grond van redelijkheid en billijkheid) een beroep kan worden gedaan. Ook hier behoren we wel te onderscheiden, maar niet in tegenstellingen te denken.”

    r.o. 3.19

    ECLI:NL:PHR:2019:768

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2019

    Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder voor verkoop aandelen zonder instemming aandeelhouder; schadeplafond

    “Bij de behandeling van het onderdeel ga ik uit van het volgende. Het gaat in de bestreden overwegingen om de aansprakelijkheid van [verweerder 2] als bestuurder van [verweerster 1] jegens Igvo voor de door [verweerster 1] gepleegde toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst. Dit betreft de externe aansprakelijkheid. Assink omschrijft deze aansprakelijkheid als aansprakelijkheid van de bestuurder (in die hoedanigheid) jegens een derde, die buiten de verhouding bestuurder/ vennootschap staat. De grondslag voor aansprakelijkheid is dan doorgaans onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Vervolgens schaart hij de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een aandeelhouder, die als zodanig deel uitmaakt van de organisatie van de vennootschap in de zin van art. 2:8 lid 1 BW, onder de externe variant. De aandeelhouder is z.i. een derde, meer in het bijzonder een ‘interne’ derde, met als gevolg dat een dergelijke aansprakelijkheid ook buiten het directe bereik van art. 2:9 BW valt.”

    r.o. 3.3 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2019:336

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 juni 2018

    Beloning commissaris die tijdelijk bestuurstaken verricht: alleen de AVA is bevoegd

    “[…] onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ligt hoog, omdat het door de wetgever gehanteerde strenge uitgangspunt dat niet een ander orgaan dan de AV over de bezoldiging van commissarissen kan besluiten anders te zeer zou worden ondergraven (nr. 3.2-3.4). Voor een geslaagd beroep op onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 2:8 lid 2 BW en/of artikel 6:248 lid 2 BW is vereist dat de AV, het orgaan dat rechtsgeldig over de bezoldiging van commissarissen kan besluiten (nr. 3.8), bekend was met het bestaan en de hoogte van de toegekende bezoldiging en daarmee heeft ingestemd. Bij de vraag of Imeko bekend was met de door [eiser] gedeclareerde vergoedingen gaat het dus om kennis of wetenschap van de AV als orgaan. Katan merkt in dit verband in haar proefschrift op: “wanneer de algemene vergadering haar wettelijke of statutaire bevoegdheden uitoefent, is sprake van een standaardgeval. Ter bepaling van het rechtgevolg van die uitoefening dient de kennis van de algemene vergadering als regel te worden toegerekend aan de rechtspersoon. Kennis van een individuele aandeelhouder of een individueel lid geldt in beginsel […]”

    r.o. 3.32 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2018:578

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 januari 2018

    Agenderingsrecht aandeelhouder: geen afdwingbaar stempunt over bestuursbevoegdheid (Boskalis/Fugro)

    “[…] regeling moet de vennootschap ook elk agendapunt inhoudelijk toetsen aan het zwaarwichtig belang van de vennootschap, terwijl de richtlijn zo’n toets niet toelaat. Op grond van de richtlijn bestaat slechts bij grote uitzondering een rechtvaardiging voor de weigering van een agendapunt. Zou zo’n geval zich voordoen, dan kan toetsing aan de norm van de redelijkheid en billijkheid (vgl. artikel 2:8 BW) plaats vinden.””

    r.o. 4.25

    “[…] is niet snel gerechtvaardigd.” “Het beginsel van de redelijkheid en billijkheid speelt ook een rol bij de uitoefening van het agenderingsrecht. Onder bijzondere omstandigheden zal een verzoek om agendering kunnen worden afgewezen met een beroep op de redelijkheid en billijkheid.” “Een aandeelhouder dient zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid te gedragen (artikel 2:8 BW). Wanneer het agenderingsverzoek in een specifiek geval in strijd zou zijn met het beginsel van de redelijkheid en billijkheid, behoeft het bestuur het verzoek om een onderwerp in de agenda op te nemen, niet te honoreren. Men denke bijvoorbeeld aan een onderwerp dat in geen enkele relatie staat tot de activiteiten van de onderneming of een zodanige reeks van onderwerpen dat aannemelijk is dat de vergaderorde zal worden verstoord.””

    r.o. 4.26

    “Ik vat het voorafgaande samen. Het bestuur en de rvc stellen de agenda van de aandeelhoudersvergadering vast. Sinds de introductie van het agenderingsrecht van artikel 2:114a BW kan ook de aandeelhouder verzoeken om onderwerpen die op de vennootschap en haar onderneming betrekking hebben, op de agenda te plaatsen. Dat geldt ook ingeval de algemene vergadering geen wettelijke of statutaire bevoegdheid tot het nemen van een besluit heeft. Wel hebben het bestuur en de rvc de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen agendering van een onderwerp te weigeren op grond van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.”

    r.o. 4.34

    “[…] steun te vinden in de wet en in de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging zoals deze onder meer tot uiting komt in de Nederlandse corporate governance code (Stcrt. 27 december 2004, nr. 250, p. 35, verder: de code-Tabaksblat), in het bijzonder de principes II en IV, welke rechtsovertuiging mede inhoud geeft aan (i) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (ii) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is. In het bijzonder brengen deze eisen niet mee dat het bestuur van een vennootschap verplicht is aan de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor, of deze te raadplegen over, een transactie die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, op grond van de enkele omstandigheid dat het belang van de aandeelhouders om hun aandelen voor een zo hoog mogelijke prijs te kunnen verkopen, hierbij mede in het geding is. Aan deze verplichting tot voorafgaande consultatie zijn ook zodanige bezwaren verbonden, dat zij niet kan […]”

    r.o. 4.45

    ECLI:NL:PHR:2018:14

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 juni 2016

    Curaçaos enquêterecht: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren en vervaltermijn vernietiging

    “Laat het leerstuk van rechtsverwerking zich ook toepassen op (procesrechtelijke bevoegdheden in het kader van) het enquêterecht? Het enquêterecht is ingebed in het ondernemingsrecht, waar de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ook een plaats heeft (art. 2:8 lid 2 BW/art. 2:7 lid 2 BWC); hetgeen een argument vóór is, omdat rechtsverwerking daarop gebaseerd is. Het enquêterecht heeft voorts een sterk procesrechtelijk karakter, en ook van het procesrecht (in het algemeen) wordt aangenomen dat rechtsverwerking daar, al dan niet in de vorm van zijn evenknie de goede procesorde, toepassing kan vinden. Ook in zoverre een argument vóór. Daartégen zou kunnen pleiten dat de aard van de bevoegdheid om een enquêteverzoek te doen, toepassing van een in eerste instantie voor verbintenisrechtelijke verhoudingen ontwikkeld leerstuk minder voor de hand liggend maakt. De enquêteprocedure is niet (naar zijn aard, anders dan vaak naar zijn uitwerking) een contentieus gebeuren, en heeft doeleinden die óók particuliere belangen overstijgen. Verwerking van het enquêterecht zou tegen die achtergrond, zo al, dan toch terughoudend moeten worden aangenomen. Wat daar verder ook van zij, ik […]”

    r.o. 3.11 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2016:513

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 februari 2016

    Opzegging verenigingslidmaatschap: artikel 2:8 BW, artikel 2:15 BW en onrechtmatige daad

    “[…] van de rechtmatigheid van dat besluit alsnog op de voet van onrechtmatige daad geen plaats was. Daarom achtte de Rechtbank ook de tweede vordering niet toewijsbaar. Zij overwoog dat [verweerster] zich voor de gestelde onrechtmatigheid van de opzegging alleen had beroepen op het voor het opzeggingsbesluit gehanteerd zijn van onjuiste en ongefundeerde redenen. Uit de wetsgeschiedenis bij art. 2:8 BW blijkt weliswaar dat een beroep op dat artikel ook mogelijk is ten aanzien van besluiten waarvan de vernietiging had kunnen worden gevorderd maar die door het verstrijken van de vervaltermijn onherroepelijk zijn geworden, doch dan moet wel sprake zijn van bijkomende omstandigheden die maken dat toepassing van het voor rechtsgeldig te houden besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens de Rechtbank zijn zodanige bijkomende omstandigheden onvoldoende gesteld en is niet gebleken dat IMG, rekening houdend met alle betrokken belangen, in redelijkheid niet tot het opzeggingsbesluit van 20 juli 2005 heeft kunnen komen. De Rechtbank heeft de vorderingen van [verweerster] daarom afgewezen.”

    r.o. 2.1

    “[…] van de rechtmatigheid van dat besluit alsnog op de voet van onrechtmatige daad geen plaats was. Daarom achtte de Rechtbank ook de tweede vordering niet toewijsbaar. Zij overwoog dat [verweerster] zich voor de gestelde onrechtmatigheid van de opzegging alleen had beroepen op het voor het opzeggingsbesluit gehanteerd zijn van onjuiste en ongefundeerde redenen. Uit de wetsgeschiedenis bij art. 2:8 BW blijkt weliswaar dat een beroep op dat artikel ook mogelijk is ten aanzien van besluiten waarvan de vernietiging had kunnen worden gevorderd maar die door het verstrijken van de vervaltermijn onherroepelijk zijn geworden, doch dan moet wel sprake zijn van bijkomende omstandigheden die maken dat toepassing van het voor rechtsgeldig te houden besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens de Rechtbank zijn zodanige bijkomende omstandigheden onvoldoende gesteld en is niet gebleken dat IMG, rekening houdend met alle betrokken belangen, in redelijkheid niet tot het opzeggingsbesluit van 20 juli 2005 heeft kunnen komen. De Rechtbank heeft de vorderingen van [verweerster] daarom afgewezen.”

    r.o. 2.2.3

    “[…] de dag van terugbetaling. Het meer of anders door [verweerster] gevorderde is afgewezen. De proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Voor zover in cassatie van belang, heeft het Hof als volgt overwogen: “3.4.1. In grief III bestrijdt [verweerster] zowel het oordeel van de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op art. 2:8 lid 2 bijkomende omstandigheden vereist zijn die meebrengen dat toepassing van het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als het oordeel van de rechtbank dat door [verweerster] onvoldoende rechtens relevante omstandigheden voor de toepasselijkheid van art. 2:8 lid 2 zijn gesteld. [verweerster] heeft de volgens haar relevante omstandigheden herhaald en stelt dat IMG zich jegens haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op het opzeggingsbesluit kan (lees:) beroepen omdat: (a) dit besluit is genomen teneinde te bewerkstelligen dat [A] genoegen zou nemen met een koopprijs van € 500.000,= voor de 60% aandelen van [A] in MKB B.V. in plaats van met de overeengekomen € 2.700.000,=, (b) voorzitter [betrokkene 2] van IMG een persoonlijk […]”

    r.o. 2.4 · lid 2

    “Deze grief slaagt in zoverre dat bij de behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel tot invoering van de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW en de daarmee samenhangende invoering van art. 2:8 lid 2 BW op de vraag, of voor toepassing van het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW om te bereiken dat een besluit jegens een bij een rechtspersoon betrokkene die niet tijdig een initiatief tot vernietiging heeft genomen buiten beschouwing wordt gelaten, sprake zou moeten zijn van bijzondere omstandigheden, is geantwoord dat art. 2:8 lid 2 BW zelf al vereisten stelt die een lichtvaardig beroep op die bepaling uitsluiten.”

    r.o. 3.4.2 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2016:78

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 januari 2016

    Artikel 2:9 BW: ernstig verwijt stichtingsbestuurder, schade en advocaatkosten

    “In cassatie wordt terecht niet langer bestreden dat het ontslag van [eiser] als bestuurder van ATAL de toets der kritiek (van art. 2:8 BW) ruimschoots kan doorstaan. Het gaat thans nog (slechts) om de vraag of [eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van art. 2:9 BW en zo ja, of ATAL ten gevolge hiervan schade heeft geleden en wat de omvang van die schade is.”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:PHR:2016:15

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 oktober 2014

    One-tier board coöperatie Curaçao: is algemeen directeur uitvoerend bestuurder?

    “ACU is een coöperatie en daarmee een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 BW waarop onder meer artikel 2:8 lid 5 BW en artikel 2:18 lid 10 BW van toepassing zijn. Gelet op het voorgaande slaagt naar het voorlopig oordeel van het Hof het verweer van ACU dat op de rechtsverhouding tussen partijen artikel 2:8 lid 5 BW van toepassing is. Ingevolge artikel 2:18 lid 10 BW hebben, behoudens de in dat artikellid genoemde uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen, leden van het algemeen bestuur en van het uitvoerend bestuur gelijkelijk als bestuurder te gelden voor de toepassing van de wet. Nu artikel 2:8 lid 5 BW dwingendrechtelijk bepaalt dat de rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon niet wordt aangemerkt of mede wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, doet aan het voorgaande niet af dat partijen de tussen hen bestaande rechtsrelatie hebben aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Reeds omdat van een arbeidsovereenkomst dus geen sprake is, was voor het ontslag van [eiser] geen toestemming van de Directeur van de Directie Arbeidszaken van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn vereist op grond van artikel 4 LBA. Hieraan doet […]”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:PHR:2014:1865

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 april 2014

    Maatstaf onmiddellijke voorzieningen artikel 2:349a BW na bevolen enquête, vóór benoeming onderzoeker

    “[…] en statuten bij de organisatie zijn betrokken, kan worden gedacht aan de belangen van bestuurders, commissarissen en de aandeelhouders. Op grond van de gekozen formulering behoeft geen rekening te worden gehouden met het algemene belang. Voor de formulering van de zinsnede «die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken» is aangesloten bij de bestaande tekst van artikel 2:8 lid 1 BW. Ik meen dat de tekst in artikel 8 zo is bedoeld dat zowel degenen die krachtens de wet als degenen die krachtens de statuten zijn betrokken bij de organisatie van de rechtspersoon, zich jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid. Met de tekst van artikel 2:349a lid 2 BW wordt in aansluiting op artikel 2:8 BW aangegeven dat onder meer moet worden gelet op de belangen van degenen die krachtens de wet zijn betrokken bij de organisatie, alsmede met degenen die daarbij krachtens de statuten zijn betrokken.””

    r.o. 2.11 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2014:293

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2013

    Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)

    “In rov. 3.22-3.38 behandelt het hof de grieven II, IV, VI en VII waarin VEB c.s. betogen dat het reserveringsbesluit de toets van art. 2:15 lid 1 sub b jo. art. 2:8 BW niet kan doorstaan. Volgens VEB c.s. dient het uitgangspunt te zijn dat de winst aan de aandeelhouders proportioneel toekomt; KLM en AFKLM dienen niet alleen jegens de minderheidsaandeelhouders te handelen overeenkomstig hetgeen de redelijkheid en billijkheid vergen, maar hebben jegens hen ook een bijzondere zorgplicht. De minderheidsaandeelhouders hebben geen mogelijkheid om hun aandelen te verkopen omdat AFKLM weigert hen uit te kopen; zij zijn daarom geheel aangewezen op het dividend. Bovendien is volgens VEB c.s. de door KLM aangevoerde ratio net debt to equity ratio (NDER) een ondeugdelijke en achteraf bedachte ratio. KLM keert volgens VEB c.s. beduidend minder uit dan vergelijkbare luchtvaartmaatschappijen. KLM c.s. proberen de minderheidsaandeelhouders eenvoudigweg uit te roken, hetgeen strijdig is met hetgeen de redelijkheid en billijkheid vorderen, onrechtmatig en in strijd met art. 2:105 BW dat voor de minderheidsaandeelhouders een aanspraak op het gevorderde dividend waarborgt.”

    r.o. 2.6

    “Vaststaat niettemin dat de meerderheidsaandeelhouder de belangen van de minderheidsaandeelhouders niet volkomen mag negeren. Zoals iedere aandeelhouder is een meerderheidsaandeelhouder jegens alle krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de vennootschap betrokkenen gehouden zich te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (art. 2:8 lid 1 BW). De vennootschap en haar meerderheidsaandeelhouder zal op grond van art. 2:8 BW jegens de minderheidsaandeelhouder de nodige zorgvuldigheid moeten betrachten, zo volgt uit Zwagerman.(10) Het ging in die zaak over de positie van minderheidsaandeelhouders in een familievennootschap. De Hoge Raad overwoog: "De Ondernemingskamer is klaarblijkelijk uitgegaan van de in art. 2:8 BW neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Uit deze regel vloeit onder meer voort dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van de zorgvuldigheidsplicht zal […]”

    r.o. 3.6 · lid 1

    “Tot dusverre heeft de Hoge Raad nog niet geoordeeld hoe deze aan art. 2:8 BW ontleende zorgvuldigheidsplicht uitwerkt indien een minderheidsaandeelhouder vernietiging vordert van een dividend- of reserveringsbesluit. Wel heeft de Ondernemingskamer zich in tal van enquêtezaken uitgelaten over de vraag in hoeverre reservering van de winst toelaatbaar was. Onlangs heeft de Ondernemingskamer haar jurisprudentie samengevat in JeeZet in een principiële overweging.(11) Het betrof een geschil in een vennootschap (Synpact Holding) waarin drie aandeelhouders ieder een (indirect) belang van 1/3 hielden. Nadat één aandeelhouder ziek was geworden en niet meer kon werken, ontstond een geschil over de koopprijs waartegen JeeZet, de vennootschap van de zieke partner, haar aandelen zou verkopen. In deze periode werd geen dividend uitgekeerd. De Ondernemingskamer: "3.10. De Ondernemingskamer overweegt in het algemeen over het uitkeren en het reserveren van winst het volgende. In beginsel hebben de aandeelhouders zonder meer recht op uitkering van de in een boekjaar gerealiseerde winst. Dit is anders indien de statuten bepalen dat de winst ter beschikking staat van een vennootschapsorgaan, […]”

    r.o. 3.7

    “[…] deelnemen, laat staan dat hieruit valt af te leiden dat het overleg deugdelijk is. Bovendien gaat het hier niet om overleg tussen leden van één orgaan, maar om overleg tussen (leden van) verschillende organen. Wijsmuller kan daarom geen argument vormen voor het slagen van het middel. Ik meen dat het onderdeel ook overigens niet kan slagen; voor een geval als het onderhavige vallen aan art. 2:8 BW m.i. geen voorschriften te ontlenen met betrekking tot de aard van dat overleg. Een andere opvatting zou n.m.m. te zeer afbreuk doen aan de eisen van rechtszekerheid. Ik wijs daarbij op art. 2:117 lid 4 en art. 2:227 lid 7 BW waarin is bepaald dat bestuurders en commissarissen in de algemene vergadering een raadgevende stem hebben. Het slagen van de klacht zou de vraag opwerpen of, en zo ja in welke gevallen en in welke mate aan deze raadgevende stem aanvullende eisen kunnen worden gesteld. Gelet op het erga omnes-karakter van een besluit en het belang van de rechtszekerheid gaat het mij te ver, ook in een geval als het onderhavige, om te eisen dat het voorafgaand overleg deugdelijk moet zijn. Het onderdeel faalt.”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ9145

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 december 2012

    Enquête: motiveringsklachten tegen vastgesteld wanbeleid en onderzoekskosten; conclusie tot verwerping

    “[…] dat [verweersters] niet zouden hebben ingestemd met de schadevergoeding, is onbegrijpelijk, aangezien uit de stellingen van partijen en de in het geding gebrachte stukken blijkt dat zij daar wel mee hebben ingestemd, maar zich niet hebben uitgelaten over de hoogte daarvan (ond. 3.3.5.a); - De Ondernemingskamer heeft miskend dat de eisen van redelijkheid en billijkheid o.g.v. art. 2:8 BW meebrengen dat ook [verweerster 1] en [verweerster 2] gehouden waren om hun bijdrage te leveren aan de poging om tot een oplossing te komen omtrent de schadevergoeding (onderdeel 3.3.5.b); - De Ondernemingskamer heeft (a) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat het bestuur van een vennootschap (behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen) niet verplicht is de aandeelhoudersvergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken, (b) heeft miskend dat het gewraakte handelen van [verzoeker 2] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Schidorf is gebeurd en dat het Aufhebungsvertrag naar Oostenrijks recht rechtsgeldig tot stand is gekomen; en (c) heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet de maatstaf te hanteren dat de omvang […]”

    r.o. 4.9

    “Ook onderdeel 3.3.5.b dient m.i. te falen, wat er verder ook zij van de in het onderdeel gestelde 'verplichting' van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] o.g.v. art. 2:8 BW om mee te werken aan een dialoog en van de stelling dat [verzoeker 2] bij gebreke daarvan de knoop mocht doorhakken en een regeling met [betrokkene 4 t/m 6] mocht treffen, waarin 'ook het vraagstuk omtrent een schadevergoeding is opgenomen'. Het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 4.10 ziet immers niet zozeer op de taak van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de vraag of [verzoeker 2] met [betrokkene 4 t/m 6] tot een regeling mocht komen, maar op hoe hij dat heeft gedaan en de (onduidelijkheid over) de inhoud van de regeling en de afhandeling daarvan.”

    r.o. 4.14

    ECLI:NL:PHR:2012:BY1195

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 maart 2012

    Artikel 2:86d BW: belanghebbenden bij verzet tegen duplicaten van toonderaandeelbewijzen

    “[Verzoeker] heeft nog tegengeworpen dat aandelen aan toonder vrij overdraagbaar zijn waardoor de vennootschap noch de aandeelhouders invloed hebben op wie de toonderaandelen zal verwerven. Hoewel dit in beginsel juist is, laat dit onverlet dat, op grond van artikel 2:8 BW, zowel de vennootschap als de aandeelhouders, gehouden zijn zich in hun onderlinge verhoudingen jegens elkander te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. In het licht hiervan kan dan ook niet worden gezegd dat aandeelhouders, die (mogelijke) fraude willen voorkomen doordat aandelen (mogelijk) in handen komen van personen anders dan de rechthebbende, geen belang hebben bij een verzetprocedure. De grief faalt."”

    r.o. 6.4

    “In cassatie klaagt [verzoeker], na eerst de feiten en de procesgang te hebben uiteengezet, onder "middel van cassatie" sub e-w dat het hof de gemeente c.s. ten onrechte als belanghebbenden in de zin van art. 2:86d lid 4 BW heeft aangemerkt.(8) Naar de kern genomen en, zo goed en kwaad als het gaat, geclusterd komen die klachten erop neer dat het hof aldus een onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft geveld, gelet op: i. de bedoeling van de wetgever; ii. het systeem van de wet; iii. de rechtspraak van de Hoge Raad; iv. de onjuiste en onbegrijpelijke rol die het hof aan art. 2:8 BW toedicht; en v. de onwenselijke gevolgen van 's hofs oordeel. Alvorens over te gaan tot bespreking van deze klachten, geef ik - teneinde de klachten goed te kunnen plaatsen - de regeling ex art. 2:86d BW en de achtergrond daarvan weer.”

    r.o. 3.3

    “Als ik het goed zie voert het middel in onder meer onderdeel m in het kader van de wetssystematiek ten tweede het systeem van de vrije overdraagbaarheid van aandelen aan toonder aan. Daarmee ageert het tegen het oordeel van het hof in rov. 6.4 dat: - die vrije overdraagbaarheid onverlet laat dat zowel de vennootschap als de aandeelhouders op grond van art. 2:8 BW gehouden zijn zich in hun onderlinge verhoudingen jegens elkander te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd; en - tegen die achtergrond niet gezegd kan worden dat aandeelhouders, die (mogelijke) fraude willen voorkomen doordat aandelen (mogelijk) in handen komen van personen anders dan de rechthebbende, geen belang hebben bij een verzetprocedure.”

    r.o. 3.29

    “Het hof heeft in dit verband in rov. 6.4 kort gezegd overwogen dat de vrije overdraagbaarheid van toonderaandelen onverlet laat dat zowel de vennootschap als de aandeelhouders op grond van art. 2:8 BW gehouden zijn zich in hun onderlinge verhoudingen jegens elkander te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Tegen die achtergrond kan volgens het hof niet gezegd worden dat aandeelhouders, die (mogelijke) fraude willen voorkomen doordat aandelen (mogelijk) in handen komen van personen anders dan de rechthebbende, geen belang hebben bij een verzetprocedure.”

    r.o. 3.40

    ECLI:NL:PHR:2012:BV1758

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 februari 2011

    Onmiddellijke voorzieningen enquête: bestuur bevoegd tot aandelenemissie zonder besluit AVA, verwatering

    “[…] de duur van het geding een commissaris aanstellen met bijzondere, van bepalingen van dwingend recht afwijkende bevoegdheden [curs. LT], ook als dit betekent dat de algemene vergadering van aandeelhouders en de andere commissarissen daardoor in zoverre tijdelijk buiten spel komen te staan. Voor zover het middelonderdeel zich beroept op de Skygate-beschikking merk ik nog het volgende op. Art. 2:8 lid 2 BW bepaalt dat een wettelijke regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In de Skygate-beschikking(13) heeft de Hoge Raad over art. 2:349a lid 2 BW overwogen dat: "(...) in aanmerking genomen [dient] te worden dat de Ondernemingskamer de vrijheid heeft zodanige voorlopige voorzieningen te treffen als zij in verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap, en dat aan het treffen van voorlopige voorzieningen niet zonder meer in de weg behoeft te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en […]”

    r.o. 4.2 · lid 2

    “[…] die slechts onder strikte condities is geoorloofd. De Ondernemingskamer wijkt met de getroffen voorzieningen af van art. 2:206 lid 1 BW en art. 2:206a lid 1 BW. Een ontneming van deze rechten vereist volgens art. 1 EP een wettelijke grondslag en art. 2:349a BW bevat een dergelijke grondslag niet, aldus het onderdeel. Mocht de Ondernemingskamer de wettelijke grondslag hebben afgeleid uit art. 2:8 lid 2 BW of art. 6:258 BW dan is de beschikking zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. In een enquêteprocedure kunnen art. 2:8 BW en art. 6:258 BW niet de beslissingsnorm zijn, maar gaat het om de vraag of er gegronde redenen zijn om aan en juist beleid te twijfelen (art. 2:350 lid 1 BW). Mocht de Hoge Raad wel van oordeel zijn dat art. 2:349a BW een wettelijke grondslag biedt, dan zijn de voorzieningen in strijd met art. 1 EP wegens gebrek aan de daarin vereiste proportionaliteit tussen het algemene belang (zijnde het belang van de vennootschap) en het belang van de onteigende aandeelhouders.”

    r.o. 3.15 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2011:BO7067

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 december 2010

    Bestuurdersbeloning zonder AVA-besluit; redelijkheid en billijkheid; artikel 2:9 BW

    “Subonderdeel 1a klaagt dat (zonder nadere motivering, die ontbreekt) niet valt in te zien dat uit de, de vennootschapsverhoudingen (mede) beheersende, redelijkheid en billijkheid een verplichting tot toekenning van een beloning niet zou kunnen voortvloeien, althans dat de in de wet (art. 2:245 BW) en de statuten van [verweerster] (art. 13 lid 5, overgelegd als prod. 2 bij 'conclusie van eis tevens akte houdende overlegging producties'; zie ook hierboven onder 1.8) neergelegde in dit geval relevante regel niet buiten toepassing zou kunnen blijven voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 2:8 lid 2 BW).”

    r.o. 2.2 · lid 2

    “[…] van enige beloning als hier bedoeld geen grond kan vinden in uitsluitend de redelijkheid en billijkheid. Zoals uit het vorenstaande blijkt is de redelijkheid en de billijkheid niet de grondslag van de vordering, maar de door de vennootschap erkende verplichting die berust op de wet en op de statuten van de vennootschap. Overigens lijkt de rechtbank met haar overweging voorbij te zien aan art. 2:8 BW dat in lid 1 bepaalt dat zij die bij de rechtspersoon zijn betrokken zich jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd en in lid 2 dat een regel die tussen hen geldt op grond van wet, gewoonte, statuten of reglementen niet geldt als dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De redelijkheid en billijkheid verlangen dat een bestuurder loon naar werken ontvangt en een bepaling die daaraan in de weg staat is onaanvaardbaar.' Hoewel door [eisers] uitdrukkelijk wordt gesteld dat de redelijkheid en billijkheid niet de grondslag van de vordering in reconventie vormt, wordt door hen toch een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid, zoals neergelegd in art. 2:8 BW. Dit beroep is echter niet nader […]”

    r.o. 2.4

    “Het subonderdeel faalt. Zoals gezegd, hebben [eisers] in hun derde grief in algemene bewoordingen een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in art. 2:8 BW. [eisers] hebben dit beroep niet nader onderbouwd met feiten en omstandigheden. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat alleen de redelijkheid en billijkheid niet een voldoende grondslag vormen voor het aannemen van een verplichting tot toekenning van een beloning. Het oordeel van het hof dat deze (algemene) regel ook geldt in het kader van de redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in art. 2:8 BW geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

    r.o. 2.6

    ECLI:NL:PHR:2010:BO1805

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 juni 2010

    Reikwijdte décharge bij eenmans-BV en bestuurdersaansprakelijkheid door curator

    “[…] van de jaarrekening, nu de vaststelling van de jaarrekening op grond van art. 12 lid 4 van de statuten tevens de décharge van de directie meebrengt. Gezien de betwisting door de curator van de décharge, laat het hof [eiser] toe tot het bewijs (rov. 8.21). Het hof tekent hierbij bij voorbaat aan dat een eventueel geslaagd beroep op de décharge niet nietig is en evenmin zal stranden op art. 2:8 lid 2 BW: "8.23. Het hof oordeelt echter dat in dit geval een decharge niet nietig is en een beroep hierop niet onaanvaardbaar. Het staat immers een vennootschap vrij haar bestuurder te dechargeren en dus een vorderingsrecht jegens haar (ex)-bestuurder prijs te geven, ook al betreft het een vordering jegens hem wegens opzettelijk benadelend handelen. (HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308). Van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan in dit geval geen sprake zijn nu niet is komen vast te staan dat dit handelen tot nadeel van de schuldeisers in het faillissement heeft gestrekt."”

    r.o. 2.5 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2010:BM2332

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 april 2010

    Enquête: voorlopige voorziening tegen ontslag bestuurders en enquêtebevoegdheid personeelsvertegenwoordiging

    “De slotsom kan dan ook geen andere zijn dat het voorgenomen ontslag niet op enige goede grond berust en slechts is ingegeven door opvattingen van het kunnen uitoefenen van aandeelhoudersmacht die blijk geeft van miskenning van de Nederlandse wet- en regelgeving inzake bestuur en toezicht en de positie van aandeelhouders in dat verband. Door dat ontslag niettemin te willen doorzetten handelt Sint Antonius inderdaad, zoals verzoekers en het bestuur hebben aangevoerd, in strijd met de ingevolge artikel 2:8 BW op haar rustende verplichting zich als aandeelhouder te gedragen overeenkomstig hetgeen redelijkheid en billijkheid van haar vergen.”

    r.o. 3.17

    “De Ondernemingskamer heeft in rov. 3.17 overwogen dat SAS zich niet heeft gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (art. 2:8 lid 1 BW) en heeft op deze grond aanleiding gezien een voorlopige voorziening te treffen. In deze zaak staan andere vragen centraal dan in Sjardin. In Sjardin was reeds een besluit genomen en betrof het dus toetsing ex post; hier gaat het om een voorlopige voorziening ex ante. Daarom is niet relevant, zoals in Sjardin, of een besluit al dan niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn; nog minder betreft het hier de vraag of het ontslagbesluit strijdt met de eisen van redelijkheid en billijkheid op de gronden waarop het ontslag is gegeven; er is immers geen ontslagbesluit.”

    r.o. 3.12 · lid 1

    “Onderdeel 4 bouwt op het vorige voort en betoogt dat de Ondernemingskamer bij haar toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid uitgaat van de onjuiste norm. Zij plaatst haar oordeel immers in de sleutel van art. 2:8 lid 1 BW, om in dat kader tot de conclusie te komen dat SAS heeft gehandeld "in strijd met de ingevolge art. 2:8 BW op haar rustende verplichting zich als aandeelhouder te gedragen overeenkomstig hetgeen redelijkheid en billijkheid van haar vergen." Gegeven de regel dat de AVA te allen tijde bestuurders kan schorsen of ontslaan, kan die overweging de gegeven beslissing - die de wettelijke bevoegdheid immers opzijzet, althans doorkruist - niet dragen. Bovendien miskent de Ondernemingskamer in rov. 3.15 en 3.16 dat niet SAS moet stellen en bewijzen dat het ontslag gerechtvaardigd is, maar dat ten aanzien van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid de stelplicht en bewijslast rust op degene(n) die de uitoefening van deze regel willen voorkomen. Indien de Ondernemingskamer wel toepassing heeft gegeven aan art. 2:8 lid 2 BW, is haar overweging onbegrijpelijk, omdat niet kenbaar is op welke grond het voorgenomen ontslag naar […]”

    r.o. 3.15 · leden 1, 2

    “Deze klacht faalt op de gronden hierboven vermeld in paragraaf 3.6 - 3.8.”

    r.o. 3.19

    ECLI:NL:PHR:2010:BL6182

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 februari 2010

    Bevoegdheden van door rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting; benoeming en ontslag bestuurders

    “[Eiseres] heeft in deze procedure geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof, gelet op het bepaalde in artikel 2:8 BW, thans anders zou moeten oordelen."”

    r.o. 5.15

    “Onderdeel 2 klaagt dat het hof miskend heeft dat het in strijd is met (de strekking en/of systematiek van) art. 2:298 BW (en/of art. 2:8 BW) indien de krachtens art. 2:298 BW bij wege van voorlopige voorziening benoemde bestuurder ([betrokkene 1]) vervolgens definitieve voorzieningen in het bestuur zou kunnen treffen (i.c. de benoeming van drie nieuwe bestuurders, althans de benoeming van drie nieuwe bestuurders voor termijnen die niet overeenkomen met de benoemingstermijn van de voorlopig benoemde bestuurder, waarmee immers de door de rechter getroffen voorlopige voorziening wordt doorkruist of kan worden doorkruist) en/of (samen met de door hem benoemde nieuwe bestuurders ) de bestuurder wiens ontslag op grond van art. 2:298 BW is verzocht, zou kunnen ontslaan (waarmee immers het (eind)oordeel over het ontslag van de desbetreffende bestuurder (uiteindelijk) niet aan de rechter maar aan een door deze rechter voorlopig benoemd bestuurder zou (kunnen) zijn). Het onderdeel voert aan dat vorenstaande (wellicht) anders zou kunnen zijn onder bijzondere, door het hof in het onderhavige geval niet vastgestelde(13), omstandigheden zoals nieuwe en/of andere omstandigheden die bij de […]”

    r.o. 3.9

    “De klachten falen. Wat betreft art. 2:8 BW merk ik op dat het hof in rov. 5.15 van het bestreden arrest heeft overwogen dat [eiseres] in deze procedure geen feiten en/of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan het hof, gelet op het bepaalde in art. 2:8 BW thans anders zou moeten oordelen. Tegen deze overweging zijn in cassatie geen klachten gericht. Zoals hiervoor in 3.3 reeds besproken betekent het enkele feit dat [betrokkene 1] als tijdelijk bestuurder is aangesteld niet dat hij geen bevoegdheden kan hebben waarvan de uitoefening tot onomkeerbare gevolgen kan leiden. De Rechtbank Almelo heeft de voorlopige voorziening getroffen die zij op dat moment nodig achtte. Hiermee werd voorkomen dat de Stichting zonder feitelijk bestuurder zou komen te zitten. [Betrokkene 1] heeft het vervolgens voor de continuering van de Stichting nodig geacht bestuurders aan te stellen met de nodige kennis van zaken. Gezamenlijk hebben de bestuurders vervolgens besloten [eiseres] te ontslaan. Hiertoe waren zij als bestuurders op grond van de statuten bevoegd. De strekking van onderhavige voorlopige voorziening, te weten dat de Stichting niet zonder feitelijk bestuurder zou komen te zitten, wordt […]”

    r.o. 3.10

    “Onderdeel 2 klaagt voorts dat, indien het hof het voorgaande niet heeft miskend zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat en waarom [betrokkene 1] drie nieuwe bestuurders kon benoemen, althans drie nieuwe bestuurders kon benoemen waarvan de benoemingstermijnen niet overeenkwamen met de benoemingstermijn van [betrokkene 1] en/of waarom [betrokkene 1] en [verweerder] c.s. [eiseres] konden ontslaan. Indien en voorzover het hof van oordeel mocht zijn dat [betrokkene 1] de betreffende bevoegdheden had op grond van de beschikking van de rechtbank van 24 november 2004 heeft het hof zijn arrest volgens het onderdeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed waar een redelijke uitleg van de aan hem toegekende bevoegdheden niet in strijd mocht komen met (de strekking en/of de systematiek van) art. 2:298 BW (en/of 2:8 BW).”

    r.o. 3.11

    ECLI:NL:PHR:2010:BK5989

  • Parket bij de Hoge Raad · 22 januari 2010

    Aansprakelijkheid bestuurder en aandeelhouders jegens minderheidsaandeelhouder bij activatransactie tijdens surseance

    “[Verweerder 1 t/m 3] [hebben] volgens [eiseres] jegens haar als aandeelhouder onrechtmatig gehandeld doordat zij inzake de activatransactie in strijd hebben gehandeld met de normen van redelijkheid en billijkheid zoals die gelden tussen bestuurders, commissarissen en aandeelhouders van een vennootschap (artikel 2:8 BW) alsmede in strijd met de statuten. Dit handelen is tevens onrechtmatig jegens [eiseres] als crediteur omdat dit handelen is te kwalificeren als paulianeus handelen.”

    r.o. 4.6.4

    “[…] te kennen, in december 2003 afspraken hebben gemaakt over een activatransactie met mr. Pannevis na een uit te spreken faillissement. Zeker (in?, LT) een onderneming als die van IMD, een vennootschap waarbij slechts een beperkt aantal personen is betrokken en waar - naar het hof op grond van de emailcorrespondentie is gebleken - de lijnen kort zijn, handelen aandeelhouders in strijd met artikel 2:8 BW wanneer zij een minderheidsaandeelhouder, zoals [eiseres], bij het nemen van belangrijke besluiten bewust buiten sluiten. In dit verband acht het hof voorts van belang dat [A] en Crescendo - behalve de kopers van de activa van IMD ook aandeelhouders van IMD - na oprichting van IMD II samen met [verweerder 1] (middellijk) de aandelen in IMD II zijn gaan houden. De omstandigheid dat er tussen [eiseres] (althans [betrokkene 1]) enerzijds en de overige aandeelhouders anderzijds onoverbrugbare verschillen van inzicht waren ontstaan, kan, anders dan [verweerder 1 t/m 3] betogen, niet rechtvaardigen dat zij [eiseres] bij het nemen van belangrijke besluiten bewust niet betrokken. Er was nog een reden om het besluit tot verkoop met de nodige zorgvuldigheid voor te bereiden en te nemen, […]”

    r.o. 4.32

    “[…] omstandigheden van het geval worden betrokken (HR 29 november 2002, nr. C 01/096, 2003, 455). In deze zaak gaat het echter niet om de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon die hij bestuurt, maar tegenover een individuele aandeelhouder. (...) Gezien de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap, brengen de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat de hoge drempel van art. 2:9 BW overeenkomstig van toepassing is bij een door een individuele aandeelhouder tegen een bestuurder aanhangig gemaakte aansprakelijkheidsprocedure."”

    r.o. 3.3 · lid 1

    “Volgens onderdeel 1.2.1 miskent het hof dat een bestuurder, commissaris of andere bij de vennootschap betrokken persoon een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt wanneer hij afspraken maakt over de vervreemding van de activa van de vennootschap en het in dat verband aanvragen van het faillissement, maar nalaat om de AVA daarover in te lichten. Hij schendt daarmee zijn uit art. 2:8 BW voortvloeiende zorgplicht om ook de belangen van de minderheidsaandeelhouders te waarborgen en om die aandeelhouders bij de besluitvorming te betrekken. Datzelfde zou gelden voor andere personen die nauw bij de litigieuze handeling betrokken zijn. Althans, zo stelt onderdeel 1.2.2, miskent het hof dat een bestuurder die zonder de AVA te raadplegen de faillissementsaanvraag ondertekent een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt omdat hij daarmee zijn uit art. 2:8 BW voortvloeiende zorgplicht schendt om de belangen van de minderheidsaandeelhouders te waarborgen.”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:PHR:2010:BK4927

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 september 2009

    Verrekening door bestuurder tegen vordering curator ex artikel 2:248 BW

    “[…] het omgekeerde is denkbaar. Tenslotte is denkbaar, dat dezelfde gedraging die jegens de vennootschap als onbehoorlijke taakvervulling moet worden aangemerkt tevens voor de curator aanleiding is om ten behoeve van de boedel - dus de schuldeisers van de vennootschap - de aktie van artikel 138 (248) in te stellen. Het achtste lid maakt zulks duidelijk.(..)" Op grond van art. 2:9 BW (destijds art. 2:8 BW) is de bestuurder tegenover de rechstpersoon gehouden zijn taak behoorlijk te vervullen. Indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervult en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de rechtspersoon handelt zij onrechtmatig jegens de schuldeisers.”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2009:BI5912

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 juni 2009

    Conclusie: enquête naar failliete vennootschap en doeleinden enquêterecht (KPNQwest)

    “Subsidiair stellen Verzoekers dat de Ondernemingskamer niet terughoudend moet zijn bij de beoordeling van het verweer dat het onderzoek, zo dit zou worden bevolen, toch niet zal plaatsvinden wegens onvoldoende financiering, zodat het verzoek zonder verdere inhoudelijke beoordeling dient te worden afgewezen. De Ondernemingskamer zal moeten nagaan of in voldoende mate is verzekerd dat, als zij het verzoek inhoudelijk zou behandelen en een onderzoek zou bevelen, het onderzoek ook daadwerkelijk (en op voldoende niveau) kan doorgaan. De verzoekers onderbouwen hun stelling met verwijzingen naar art. 2:8 BW, art. 3:303 BW, naar de beginselen van proceseconomie en naar de ingevolge art. 3:345 vereiste belangenafweging.”

    r.o. 8.3

    ECLI:NL:PHR:2009:BD5516

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 juni 2009

    Beklamel-aansprakelijkheid bestuurder bij ongeclausuleerde kapitaalinstandhoudingsverklaring; objectieve wetenschapsmaatstaf

    “[…] houdt. Deze betreft de vraag of [eiser 1] en [eiseres 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Eurocommerce III door te bewerkstelligen dat Vista voor kantoormeubelen een prijs betaalde die hoger was dan de marktprijs, welke hogere prijs ten goede zou zijn gekomen aan [eiseres 2] en/of een aan haar gelieerde onderneming. [Eiser 1] en [eiseres 2] zouden daarmee hebben gehandeld in strijd met art. 2:8 BW, terwijl Eurocommerce III als medeaandeelhouder (voor 50%) in Vista schade heeft geleden ten bedrage van de helft van de som van de door Vista gederfde korting (rov. 2.15). Het hof wijst deze vordering af, omdat zij uitsluitend is gebaseerd op een verklaring van [betrokkene 4] tijdens een voorlopig getuigenverhoor dat is geëntameerd door de curator van Vista tegen [eiseres 2] en Eurocommerce III. Deze verklaring moet volgens het hof op grond van art. 192 lid 2 Rv buiten beschouwing worden gelaten. Eurocommerce Holding heeft haar stelling dat de gebruikelijke kortingen 50 - 55% beliepen volgens het hof niet nader onderbouwd; zij heeft terzake hiervan evenmin voldoende gespecificeerd bewijs aangeboden, zodat het hof deze stelling passeert. Dit betekent dat het hof de stelling dat het […]”

    r.o. 2.6

    “Het incidentele cassatieberoep richt zich tegen rov. 2.17. Het hof geeft twee redenen voor de afwijzing van de vordering van Eurocommerce Holding. Ten eerste zou de vordering uitsluitend zijn gebaseerd op een verklaring van [betrokkene 4] die is afgelegd tijdens een voorlopig getuigenverhoor dat is geëntameerd op verzoek van de curator van Vista tegen [eiseres 2] en Eurocommerce III. Deze verklaring moet volgens het hof ingevolge art. 192 lid 2 Rv buiten beschouwing blijven. Ten tweede heeft Eurocommerce Holding haar stelling dat de gebruikelijke kortingen 50 - 55% beliepen, niet nader onderbouwd en evenmin voldoende bewijs van deze stelling aangeboden. Daarom kan volgens het hof de stelling dat het verlenen van 20% korting impliceerde dat [eiser 1] en [eiseres 2] in strijd met art. 2:8 BW hebben gehandeld, buiten bespreking worden gelaten. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [eiseres 2] wanprestatie heeft gepleegd en onrechtmatig heeft gehandeld. Beide redenen zijn zelfstandig dragend voor het oordeel van het hof.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:PHR:2009:BI0468

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 juni 2008

    Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid jegens aandeelhouder; ernstig verwijt, schending statutaire goedkeuringsplicht

    “[…] 2] en dat van ING heeft gemeend te moeten stellen (par. 11, onder ten zevende). Bovendien is onbegrijpelijk gemotiveerd het oordeel dat [eiser] c.s. zijn stelling dat NOM op het moment voor de surséance-aanvraag onbereikbaar was onvoldoende had onderbouwd (par. 12, onder ten achtste). Het hof heeft bovendien niet gerespondeerd op de stelling dat het vennootschappelijk belang op grond van art. 2:8 lid 2 BW dient te prevaleren boven de toepassing van de statuten (par. 14, onder ten negende).”

    r.o. 5.1 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2008:BC4959

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 maart 2008

    Conclusie: onmiddellijke voorzieningen OK en zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouders (Begemann)

    “[…] waarin de RvC respectievelijk het bestuur enige bevoegdheid toekomt, om beslissingen te nemen en om Begemann te vertegenwoordigen in ieder overleg en bij iedere rechtshandeling m.b.t. het vervreemden en verwerven van activa en het aantasten van besluiten en rechtshandelingen die zijn genomen of aangegaan na 14 oktober 2005. Een dergelijke uitsluitende bevoegdheid is in strijd met het aan art. 2:8 BW(13) ten grondslag liggende beginsel van collectief bestuur. Deze bevoegdheid is bovendien in strijd met art. 2:15 lid 3 onder b en art. 2:239 lid 2, tweede volzin BW. Eerstgenoemde bepaling schrijft voor dat een vordering tot vernietiging van een besluit wordt ingesteld krachtens bestuursbesluit. Art. 2:239 lid 2, tweede volzin BW bepaalt dat een bestuurder niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. Indien zittend bestuurder [betrokkene 9] zou stemmen tegen het instellen van een vordering tot vernietiging en de [betrokkene 11] vóór, zou de stem van laatstgenoemde de doorslag geven, hetgeen in strijd komt met art. 2:239 lid 2, tweede volzin, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel stelt dat de beschikking in dit opzicht onjuist en/of onbegrijpelijk is.”

    r.o. 3.30

    ECLI:NL:PHR:2008:BC2725

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 december 2007

    Loyaliteitsdividend DSM en onmiddellijke voorzieningen: cassatie in het belang der wet

    “Bij brief van 14 maart 2007 hebben Franklin c.s. een brief gezonden aan het bestuur van DSM. Daarin zijn de bezwaren van Franklin c.s. onder de aandacht van DSM gebracht. De conclusie was dat Franklin c.s. de introductie van het loyaliteitsdividend ongewenst achten en - zonder wettelijke grondslag - in strijd met (onder meer) de artikelen 2:8 en 2:92 BW. Franklin c.s. hebben erop aangedrongen dat het desbetreffende voorstel van de agenda van de algemene vergadering van aandeelhouders van 28 maart 2007 zou worden afgevoerd. 2. Procesverloop”

    r.o. 1.20

    “Het meest bekende voorbeeld van het rechtstreeks leggen van een plicht op een aandeelhouder zijn overigens de uit art. 2:8 lid 1 BW voortvloeiende redelijkheids- en billijkheidsmaatstaven waaraan een aandeelhouder zich dient te houden. Voor het bepalen van de intensiteit van de redelijkheids- en billijkheidsverplichtingen kan uiteraard de omvang van het aandelenbezit een rol spelen. Hoe meer aandelen, des te sterker wegen over het algemeen de verplichtingen die uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Men moet het aandeel en het aandeelhouderschap dus weliswaar onderscheiden, maar niet scheiden. DSM: geen nieuwe soort aandelen”

    r.o. 3.10 · lid 1

    “Ook Maeijer heeft in zijn noot onder HR 31 december 1993, NJ 1994, 436 (Verenigde Bootlieden) opgemerkt dat het gelijkheidsbeginsel voortvloeit uit de normen van redelijkheid en billijkheid die de vennootschap jegens de bij haar organisatie betrokkenen in acht dient te nemen (art. 2:8 BW): "Die normen zijn immers slechts voor een deel "gestold" in het in de wet verankerde gelijkheidsbeginsel." In dezelfde zin heeft mijn ambtsgenoot Wesseling-Van Gent zich uitgelaten in haar conclusie vóór HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 (RNA/Westfield): "3.74 In het Nederlandse vennootschapsrecht is het gelijkheidsbeginsel sinds 1981 voor de naamloze vennootschap in de wet neergelegd in artikel 2:92 lid 2 BW (en sinds 1986 voor de BV in art. 2:201 lid 2). Het bepaalde in artikel 2:92 lid 2 wordt gezien als het complement van het eerste artikellid en kan worden beschouwd als een "uitwerking" van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. (...)”

    r.o. 3.40

    ECLI:NL:PHR:2007:BB3523

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Uitstoting minderheid via driehoeksfusie en uitkoop; artikel 1 Eerste Protocol

    “De Ondernemingskamer is van oordeel dat onder de hiervoor beschreven omstandigheden in strijd zou worden gekomen met de op de voet van artikel 2:8 BW in acht te nemen maatstaven van redelijkheid en billijkheid indien de Minderheid tegen haar wil zou worden gedwongen in het kader van de Voorgenomen Fusie genoegen te nemen met de toekenning van tracking stock in de vorm van de B2 aandelen in Tele2 Holdings teneinde een kunstmatige scheiding van de ondernemingen van Tele2 en Versatel te kunnen handhaven, zonder die Minderheid in staat te stellen het realiteitsgehalte van een dergelijk scenario alsmede de vaststelling van de omvang en de waarde van de betrokken ondernemingen ten tijde van de fusie vooraf te toetsen en zonder haar de zekerheid te bieden dat die tracking stock ten volle meedeelt in de met het samengaan van de beide ondernemingen te behalen synergievoordelen. Op grond hiervan is de Ondernemingskamer van oordeel dat is gebleken van redenen om Versatel te verbieden - in de aandeelhoudersvergadering van 3 april 2006 of anderszins - over te gaan tot besluitvorming omtrent, uitvoering van of medewerking aan (rechts)handelingen strekkende tot de uitvoering van de Voorgenomen […]”

    r.o. 3.18

    “Het middel keert zich tegen de rechtsoverwegingen 3.16, 3.17, 3.20, 3.21 en 3.24 van de beschikking van de Ondernemingskamer. Deze overwegingen getuigen van een schending van het recht en/of verzuim van vormen, in het bijzonder van de artt. 2:8, 2:92, 2:92a, 2:201 en 2:201a BW, alsmede art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 14 EVRM, aldus het middel.”

    r.o. 4.1

    “Het middel bevat een uitwerking in een viertal onderdelen. De onderdelen 1, 2.1 tot en met 2.3 en onderdeel 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De onderdelen richten zich tegen rov. 3.16 en 3.17 van de bestreden beschikking. Ik citeer de bestreden rechtsoverwegingen gezamenlijk met de ermee verband houdende rechtsoverwegingen 3.14 en rov. 3.15: "3.14. De door Centaurus c.s. aan de orde gestelde kwestie van de (eventueel) voorgenomen juridische driehoek betreft, kort gezegd, de vraag of Tele2 Finance, na gestanddoening van het openbare bod, andere juridische instrumenten - waaronder fusie, splitsing, liquidatie of verkoop van activa - dan de uitkoopregeling mag benutten om zich de volledige zeggenschap over (en eigendom van de aandelen van) Versatel te verschaffen en Versatel ''van de beurs te halen''.”

    r.o. 4.2

    “De onderdelen voeren aan dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de voorgenomen wijze van uitstoting door Tele2 van de minderheidsaandeelhouders, zoals uiteengezet in het biedingsbericht na gestanddoening van het bod indien minder dan 95% van het geplaatste kapitaal is aangeboden - zie hetgeen de Ondernemingskamer daarover heeft vastgesteld (26)- onrechtmatig is jegens de minderheidsaandeelhouders. Door deze voorgenomen rechtshandelingen aan het bod te koppelen, komt dat bod volgens Centaurus c.s. in strijd met de inhoud en de strekking van de kapitaalsbeschermingsregel van art. 2:98c BW, met de uitkoopregeling (art. 2:92a BW dan wel met art. 2:201a BW), de regeling met betrekking tot juridische fusie (art. 2:309 en volgende BW), de noteringsovereenkomst tussen Versatel en Euronext, het Fondsenreglement en de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW).”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4117

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Enquête: reikwijdte onmiddellijke voorziening OK en onafhankelijkheid commissarissen bij minderheidsaandeelhouders

    “Het komt wellicht op het eerste gezicht enigszins vreemd voor dat de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen mag treffen in afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen. Men dient zich te realiseren dat in enquêtezaken vaak sprake is van een noodsituatie. Wat er mijns inziens gebeurt ingeval van onmiddellijke voorzieningen in afwijking van de wet, is niet veel meer dan een illustratie van het gezegde: "Nood breekt wet". De bevoegdheid van de Ondernemingskamer om soms buiten de wet om een onmiddellijke voorziening te treffen sluit aan bij het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW. Daarin is immers voorzien dat een tussen partijen krachtens wet geldende regel buiten toepassing kan blijven, als dit in de gegeven omstandigheden naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”

    r.o. 2.11 · lid 2

    “[…] de onderdelen - alleszins begrijpelijk en ook geoorloofd - zie III.2.2. sub f van de Code - dat leden van het bestuur van een groepsmaatschappij tot commissaris worden benoemd. Daaruit volgt nog niet dat de commissarissen het groepsbelang van Tele2 leidend zouden nemen dan wel doorslaggevend zouden achten. Met name niet nu ook deze commissarissen zich op grond van het bepaalde in de artt. 2:8, 2:149 jo. 2:9, en 2:140 lid 2 BW, alsmede het bepaalde in de Code in III.6 hebben te richten naar het vennootschappelijk belang.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4887

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Reikwijdte onmiddellijke voorziening OK; afwijking van dwingend recht en corporate governance code

    “Het komt wellicht op het eerste gezicht enigszins vreemd voor dat de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen mag treffen in afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen. Men dient zich te realiseren dat in enquêtezaken vaak sprake is van een noodsituatie. Wat er mijns inziens gebeurt ingeval van onmiddellijke voorzieningen in afwijking van de wet, is niet veel meer dan een illustratie van het gezegde: "Nood breekt wet". De bevoegdheid van de Ondernemingskamer om soms buiten de wet om een onmiddellijke voorziening te treffen sluit aan bij het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW. Daarin is immers voorzien dat een tussen partijen krachtens wet geldende regel buiten toepassing kan blijven, als dit in de gegeven omstandigheden naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”

    r.o. 3.11 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4888

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW

    “[…] aan de orde was ook bekend was dat er naast het door ABN AMRO Holding gesteunde bod van Barclays een andere serieuze gegadigde een aanmerkelijk hoger bod op het geheel van de onderneming van ABN AMRO wenste uit te brengen (r.ov. 3.22). In de rov. 3.23 en 3.24 komt de Ondernemingskamer tot de conclusie dat op grond van een analogische toepassing van art. 2:107a BW en op basis van art. 2:8 BW het bestuur van ABN AMRO voor de LaSalle-transactie aan haar aandeelhoudersvergadering goedkeuring had moeten vragen. Hiervan uitgaande legt de Ondernemingskamer ex art. 2: 349a BW een onmiddellijke voorziening op die ABN AMRO Bank verbiedt uitvoering te geven aan de LaSalle-transactie, voordat de aandeelhoudersvergadering van ABN AMRO Holding de betrokken transactie heeft goedgekeurd.”

    r.o. 2.7

    “Alvorens in te gaan op de cassatiemiddelen maak ik enige opmerkingen over: (i) de vraag in hoeverre het vervreemden van een deelneming door het bestuur van een vennootschap die het onderwerp is van een fusie of overname is geoorloofd in het recht van de Verenigde Staten, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk; (ii) de strekking van art. 2:107a BW en de wijze waarop de criteria voor besluiten die de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders behoeven dienen te worden verstaan; en (iii) de vraag in hoeverre art. 2:8 BW een grondslag kan bieden voor het aannemen van goedkeuringsbevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders. - De Verenigde Staten”

    r.o. 3.1

    “Ik stap nu over op het Nederlandse vennootschapsrecht. Ik besteed allereerst aandacht aan art. 2:107a BW. Daarna komt de vraag aan de orde of art. 2:8 BW een grondslag kan bieden voor het tot stand brengen van een bevoegdheid van een orgaan welke deze instantie niet aan wet of statuten kan ontlenen. - Art. 2:107a BW”

    r.o. 3.39

    “[…] voor een 1/3 criterium in onderdeel c van art. 2:107a BW. Hij heeft percentages van 50% (Commissie Vennootschapsrecht) of 25% (zoals in de Engelse Listing Rules) afgewezen. Voor de berekening van de waarde van een af te stoten deelneming is de wetgever uitgegaan van de boekwaarde ervan. Dit alles wijst erop dat de wetgever geen heel ruime opzet van art. 2:107a BW heeft voor ogen gestaan. - Art. 2:8 BW”

    r.o. 3.42

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7970

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    Conclusie A-G: ABN AMRO, onmiddellijke voorziening OK en goedkeuringsrecht AVA bij LaSalle-verkoop

    “Onderdeel 3 betoogt -kort gezegd- dat de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur doorkruist. Aldus krijgt een intern werkende vennootschappelijke norm van 2:8 BW een externe werking. Het vennootschapsrecht krijg zo aldus voorrang boven het contractenrecht. Dat interne bevoegdheidsbeperkingen aan te goeder trouw zijnde derden kunnen worden tegengeworpen is voorts in strijd met het Bibolini-arrest.(2)”

    r.o. 2.11

    “Ook deze klacht correspondeert met de onderdelen 7.1 tot en met 7.3 uit de zaak R07/102 en faalt om dezelfde redenen als uiteengezet in deze zaak bij de bespreking van deze onderdelen. - Onderdeel 4 (afbakening bevoegdheden Ondernemingskamer en "gewone"rechter)”

    r.o. 2.12

    “Ik begrijp het onderdeel zo dat de Ondernemingskamer niet een voorziening mag opleggen die inhoudt dat de algemene vergadering een goedkeuringsrecht wordt verleend. Een dergelijke voorziening doorkruist de wijze waarop de wet en de statuten de bevoegdheden over de organen verdelen. Ten minste geldt dat het de Ondernemingskamer niet vrij staat de algemene vergadering met een bevoegdheid te bekleden die haar op grond van de wet of de statuten niet toekomt. In beginsel is de gedachte van het onderdeel juist. De onderdelen miskennen dat de bestreden beschikking zich mijns inziens niet anders laat verstaan dan dat de Ondernemingskamer oordeelt dat de algemene vergadering op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW en op grond van een analogische toepassing van art. 2: 107a BW in dit geval het recht toekomt de de verkoop van LaSalle goed te keuren. De Ondernemingskamer heeft niet op grond van het bepaalde in art. 2:349a BW aan de algemene vergadering een goedkeuringsrecht gegeven buiten de wet en de statuten om. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.”

    r.o. 2.18

    “De onderdelen 4.5 en 4.6 zijn hiervoor reeds behandeld. 3. Conclusie Deze strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het verzoekschrift is op 15 mei 2007 ontvangen ter griffie van de Hoge Raad. 2 HR 17 december 1982, NJ 1983, 480.”

    r.o. 2.19

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7971

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO: onmiddellijke voorziening opschorting verkoop LaSalle; goedkeuringsrecht AVA

    “Onderdeel 5.2 voegt daaraan toe dat voor zover de Ondernemingskamer in rov. 3.24 op voet van art. 2:8 BW heeft aangenomen dat in onderhavig geval een goedkeuringsrecht voor de algemene vergadering van aandeelhouders bestaat, de Ondernemingskamer heeft miskend dat zulks niet aanvaardbaar is nu dit leidt tot onaanvaardbare rechtsonzekerheid.”

    r.o. 2.22

    “De onderdelen corresponderen met de onderdeel 5.1 uit de zaak R07/102 en slagen om dezelfde redenen als uiteengezet in deze zaak bij de bespreking van dit onderdeel.”

    r.o. 2.23

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7972

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 maart 2007

    Samenloop artikel 2:9, 7:661 en 6:162 BW bij aansprakelijkheid oud-bestuurder en werknemers

    “[…] (nr. 65 MvG). Daarnaast is NBW in de nrs. 66 t/m 71 van de MvG uitgebreid ingegaan op de aansprakelijkheid van [verweerder 1] op grond van schending van zijn verplichtingen als werknemer en als bestuurder. NBW heeft aangevoerd dat nu bij vonnis van 23 december 1998 is beslist dat [verweerder 1] zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling dit schendig oplevert van art. 2:9 en/of 2:8 BW (nr. 69 MvG). Subsidiair heeft NBW zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen van [verweerder 1] aansprakelijkheid opleveren in de zin van art. 7:661 BW (nrs. 70 en 71 MvG).”

    r.o. 2.7

    ECLI:NL:PHR:2007:AZ3535

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 februari 2007

    Aandeelhouder en afgeleide schade: aansprakelijkheid interim-bestuurder, artikel 2:8 BW

    “Het onderdeel voert aan dat het hof blijkens hetgeen is overwogen in rov. 4.5 heeft miskend dat [eiseres] in de onderhavige procedure uitdrukkelijk óók een beroep op schending van art. 2:8 lid 1 BW aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.”

    r.o. 4.11 · lid 1

    “Het onderdeel mist feitelijke grondslag. [Eiseres] heeft alleen in eerste aanleg - in de procedure tegen Houthoff c.s. - betoogd dat zij in hoger beroep schending van art. 2:8 BW als zelfstandige grondslag voor haar vordering jegens [B] zou hebben aangevoerd.(11) Anders dan [eiseres] dit kennelijk heeft bedoeld, heeft de rechtbank de gestelde schending van art. 2:8 BW vervolgens betrokken bij de beoordeling of sprake was van een onrechtmatige daad.(12) [Eiseres] heeft in hoger beroep geen grief gericht tegen het feit dat de rechtbank niet heeft onderzocht of schending van art. 2:8 BW zelfstandig een grondslag biedt voor een vordering van [eiseres] jegens [B]. Nu [eiseres] (i) geen grieven heeft gericht die zien op het door de rechtbank ten onrechte voorbij gaan aan haar stelling dat art. 2:8 lid 1 BW haar vordering kan dragen en (ii) rov. 4.5. ziet op de grief dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er geen contractuele verhouding zou hebben bestaan tussen [eiseres] en [B], faalt het onderdeel.”

    r.o. 4.12 · lid 1

    “Overigens heeft de rechtbank naar mijn mening terecht de vraag of sprake was van een schending van art. 2:8 lid 1 BW betrokken bij de vraag of sprake is geweest van een onrechtmatig daad van [B] jegens [eiseres]. Van Schilfgaarde heeft zich in het verleden over deze kwestie uitgelaten. Ik citeer: "Onder omstandigheden zal men wel een beroep kunnen doen op art. 2: 8 BW. In deze bepaling wordt gereflecteerd de iets nauwere band tussen bestuurder en aandeelhouder, vergeleken bij die tussen de aandeelhouder en een willekeurige wederpartij van de vennootschap. Art. 2:8 levert echter, op zich genomen, niet een erg specifieke norm op. In een voorkomend geval zal men dus concrete omstandigheden moeten stellen die, tegen de achtergrond van art. 2:8 BW op schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm duiden. Maar ook dan zijn we er nog niet. Poot-ABP leert ons immers dat ook indien schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm mag worden aangenomen, zodat er sprake is van een onrechtmatige daad jegens de aandeelhouder, daarmee nog niet is gezegd dat de schade door de waardevermindering van de aandelen voor vergoeding in aanmerking komt. Ik zie tenminste geen reden om voor de […]”

    r.o. 4.13 · lid 1

    “[…] repliek tevens houdende akte wijziging van eis 4 november 1998, onder 74. 12 Rov. 4.8 van het tussenvonnis d.d. 23 januari 2002. 13 Van Schilfgaarde, Acties van aandeelhouders in verband met onrechtmatige gedragingen tegenover de vennootschap in Rechtspleging in het ondernemingsrecht, 1997, p. 8. 14 In de literatuur wordt hierover verschillend gedacht, zie Huizink, Rechtspersonen (losbl.), art. 2:8 BW, aant. 8. 15 Asser-Van der Grinten-Maeijer, 2-II, nr. 46 (achtste druk). 16 Rov. 4.5 van het bestreden arrest. 17 In gelijke zin: A-G Hartkamp vóór 2 december 1994, NJ 1995, 288 m.nt. Ma (Poot/ABP), onder 12.”

    r.o. 4.22

    ECLI:NL:PHR:2007:AZ0419

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2006

    Enquête: zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouder en wanbeleid bij dividendbeleid

    “Deze zaak betreft de vraag naar de jegens een minderheidsaandeelhouder in acht te nemen zorgplicht. In HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 overwoog de Hoge Raad daarover het volgende; "3.4 Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De Ondernemingskamer is klaarblijkelijk uitgegaan van de in art. 2:8 BW neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Uit deze regel vloeit onder meer voort dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van de zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij zoals de Ondernemingskamer heeft gedaan, in aanmerking mag worden genomen dat het gaat om minderheidsaandeelhouders tegenover meerderheidsaandeelhouders en om familierechtelijke verhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokken personen. Onder deze omstandigheden, die zich hier voordoen, kan eerder dan in andere gevallen sprake zijn van de mogelijkheid van een vermenging van de belangen van de […]”

    r.o. 2.1

    “[…] het feit dat niet is gebleken dat Sirvana om informatie heeft gevraagd die zij niet van EMBA heeft gekregen. Het onderdeel klaagt onder I.3.b dat de Ondernemingskamer van Sirvana een actiever opstelling verlangt, terwijl zij tegelijkertijd oordeelt dat EMBA gehouden was informatie uit eigen beweging aan Sirvana te verstrekken. Ik meen dat deze klacht niet opgaat. Ook al zou een vennootschap uit 2:8 BW of enige andere rechtsregel verplicht zijn bepaalde informatie spontaan aan een aandeelhouder, zoals Sirvana, te verschaffen, dan kan een verzuim om aan die plicht te voldoen mijns inziens niet zonder meer de zware kwalificatie wanbeleid dragen. Veel zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Onderdeel 1.3.d noemt in dit verband de volgende omstandigheden. Het betreft hier een situatie met een minderheidsaandeelhouder die jaren achtereen tegenstemt bij het voorstel de winst aan de reserves toe te voegen. Daarbij zijn de verhoudingen binnen de vennootschap aan het verslechteren en is de toelichting op het dividendbeleid in jaarverslagen 'uiterst mager' tot 'zonder meer' mager (aldus de ondernemingskamer). Nu Sirvana op de jaarvergadering wel herhaaldelijk tegen het passeren […]”

    r.o. 3.5

    “[…] miskend impliceert, zoals het middel terecht stelt, dat EMBA volgens de Ondernemingskamer gehouden was bepaalde informatie spontaan te verschaffen. Anders dan het middel verdedigt, zou ik niet willen uitsluiten dat een plicht voor de vennootschap om uit eigen beweging aan een bepaalde aandeelhouder informatie te verschaffen afhankelijk van de omstandigheden van het geval uit bij voorbeeld art. 2:8 BW kan worden afgeleid. Ik meen dan ook dat de door het middel bestreden spontane informatieplicht die de ondernemingskamer aanneemt (de ondernemingskamer spreekt over het beginsel van een zelfstandig recht op informatie) er in beginsel en onder bepaalde omstandigheden kan zijn. De klacht dat het oordeel van de ondernemingskamer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting acht ik niet terecht. De Ondernemingskamer heeft niet aangeduid wat de precieze omvang van de op EMBA rustende spontane informatieplicht is. Ik acht dat aanvaardbaar. Mijns inziens is de Ondernemingskamer op dit punt niet tot een uitgebreide motivering van zijn beslissing gehouden, omdat zij van oordeel is dat er van wanbeleid bij EMBA geen sprake is ondanks dat de spontane informatieplicht niet is nageleefd.”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:PHR:2006:AX9708

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 juni 2006

    Conclusie: intrekking preferente aandelen Unilever en voeging in enquêteprocedure

    “Voorts biedt mijns inziens art. 2:8 BW voldoende mogelijkheden voor verzet tegen het gebruik van een bevoegdheid tot intrekking door de vennootschap die in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het niet van toepassing achten van art. 2:99 lid 5 BW op een besluit tot intrekking van aandelen maakt de uitoefening van deze bevoegdheid niet onbegrensd.”

    r.o. 3.12

    ECLI:NL:PHR:2006:AX6622

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 juni 2006

    Enquête: schending statuten en wet niet per se gegronde redenen voor twijfel aan beleid

    “[…] er twee tevens bestuurders van de vennootschap zijn, die bovendien tezamen de meerderheid van de aandelen bezitten, terwijl de derde aandeelhouder/ niet-bestuurder een minderheid van de aandelen bezit; (ii) het achterwege blijven van algemene vergaderingen van aandeelhouders ten behoeve van de vaststelling van de jaarrekeningen in deze omstandigheden van het geval, in strijd is met de uit art. 2:8 BW voortvloeiende verplichting van de vennootschap om zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders.”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:PHR:2006:AX6615

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 mei 2005

    Enquête: wanbeleid, territorialiteitsbeginsel en ontbinding door de OK als afwijkende voorziening

    “Zoals de HR heeft overwogen in zijn belangrijke Zwagerman-beschikking(5), vloeit uit 2:8 BW (de redelijkheid en billijkheid) voort dat binnen een vennootschap zorgvuldigheid moet worden betracht met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders, waarbij onder omstandigheden van een vennootschap extra zorgvuldigheid gevergd kan worden teneinde de belangen van minderheidsaandeelhouders te waarborgen.”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:PHR:2005:AT2829

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 april 2003

    Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal

    “[…] over benoeming, ontslag en bezoldiging van bestuurders en commissarissen (zie art. 2:359c). De ondernemingskamer wijst dit verzoek toe, tenzij de vennootschap aannemelijk maakt dat de voornemens van de verzoeker wezenlijk in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming of er grond is te verwachten dat de verzoeker zal handelen in strijd zijn met artikel 2:8 BW (zie art. 2:359f lid 1). Verdergaande maatregelen kunnen zijn: een andere wijziging van de statuten voorzover het geen afwijking inhoudt van dwingende wetsbepalingen; de intrekking van prioriteitsaandelen; de schorsing of vernietiging van besluiten van bijv. het bestuur, raad van commissarissen of de ava; de schorsing of ontslag en tijdelijke aanstelling van bestuurders of commissarissen (zie ar. 2:359d). Deze maatregelen - de "tweede groep" - kan de ondernemingskamer slechts toewijzen indien het achterwege blijven van de gevraagde maatregel, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van de verzoeker bij de maatregel en de belangen van de vennootschap of anderen die daardoor worden geschaad, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar is (zie […]”

    r.o. 2.46

    “Ten slotte heeft de ondernemingskamer - aldus RNA c.s. - met de bestreden beslissing en de gronden waarop deze berust "op grond van (een of meer van) de redenen die zijn uiteengezet in de middelen 1 tot en met 8 en de daarbij behorende middelonderdelen en/of uitwerkingen en toelichtingen" ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien en voorzover zij deze beslissing (mede) heeft gebaseerd op artikel 2:8 BW (middel 9).”

    r.o. 3.6

    “Bij besprekingen met o.a. de VvdE en de VEUO van de regeling voor een beperking van het gebruik van beschermingsconstructies door de beursvennootschappen heeft men ook steeds gediscussieerd over een periode waarbinnen ruimte zou worden geschapen voor het ondernemingsbestuur van een doelwitvennootschap en de overnemende (groot)aandeelhouder om serieuze onderhandelingen te voeren. Uiteindelijk is deze periode gesteld op één jaar. In het wetsvoorstel wordt daarmee beoogd te bevorderen dat het bestuur van de vennootschap en de overnemer (eerst) in onderling overleg tot een oplossing geraken. In dat jaar behoren het bestuur en de overnemer zich jegens elkaar redelijk en billijk te gedragen, zulks in overeenstemming met de algemene beginselen zoals neergelegd in de artikelen 2:8 en 2:15 BW(88). Deze verdere bevordering van het overleg tussen ondernemingsleiding en aandeelhouders van een (beurs)vennootschap ligt - zoals hiervoor onder 2.43 werd opgemerkt - in de lijn van het overheidsbeleid van de afgelopen jaren ten aanzien van corporate governance.”

    r.o. 3.13

    “Buiten discussie is n.m.m. dat "beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur" of (elementaire) "beginselen van verantwoord ondernemerschap" een rol spelen bij het normeren van handelen van - organen van - ondernemingen(111). Verdedigd wordt wel dat artikel 2:8 BW de rechtsgrond is voor de gelding van deze rechtsbeginselen(112). De gedachtevorming over de verhouding tussen beide is evenwel nog niet uitgekristalliseerd, net zo min als die over de verhouding tussen genoemde beginselen en het begrip wanbeleid. Uit de recente beschikking van de Hoge Raad in de zaak Zwagerman I(113) kan worden afgeleid dat wanbeleid niet alleen met behulp van genoemde beginselen kan worden ingevuld, maar tevens met behulp van de in artikel 2:8 neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig tegenover elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd(114).”

    r.o. 3.44

    ECLI:NL:PHR:2003:AF2161

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2003

    Conclusie A-G: wanbeleid HBG, consultatieplicht algemene vergadering van aandeelhouders bij afwijzing bod

    “Buiten discussie is n.m.m. dat beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur of beginselen van verantwoord ondernemerschap een rol spelen bij het normeren van handelen van (organen van) ondernemingen. Verdedigd wordt dat art. 2:8 BW de rechtsgrond is voor de gelding van deze beginselen(35). De gedachtevorming over de verhouding tussen beide is nog niet uitgekristalliseerd en evenmin die over de verhouding tussen genoemde beginselen en het begrip wanbeleid. De ondernemingskamer hanteert elementaire beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur bij het invullen van het begrip wanbeleid (art. 2:355)(36), hetgeen, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in de Ogem-beschikking geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip wanbeleid in art. 2:355 BW(37). Uit de recente Zwagerman I beschikking van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat wanbeleid niet alleen met behulp van meergenoemde beginselen kan worden ingevuld, maar tevens - rechtstreeks - op grond van de in art. 2:8 BW neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de […]”

    r.o. 2.40

    “[…] JORplus, 2002, blz. 9-15. 34 Ik wijs wel op commentaren waarin de onderhavige casus wordt gelegd op het voorgestelde art. 2:107a BW: S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2002-2, blz. 63; M. Brink in zijn noot onder de bestreden beschikking in JOR 2002, blz. 232; M.W. Josephus Jitta, a.w., blz. 74. 35 Van Leeuwen, a.w., blz. 4. W.J. Slagter, Compendium ondernemingsrecht, 1996, blz. 110, rekent art. 2:8 BW tot de beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur. Zie ook de conclusie van A-G Bakels in de zaak VIBA/VEB (R02/035). 36 Asser-Maeijer 2-III (2000), nr. 534 waaronder OK 21 juni 1979, NJ 1980, 71 (Batco). Zie hierover met name: L. Timmerman, De concretisering van vage normen in het ondernemingsrecht, in: Van vennootschappelijk belang, 1988, blz. 337-347. 37 HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 rov. 7.3. m.nt. Ma. 38 HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 rov. 3.2-3.6 m.nt. Ma. 39 Zie Losbladige Rechtspersonen, deel 2, Aanverwante wetten. Het concept/tussenrapport dateert van 28 oktober 1996. 40 TK 1997-1998, 25 732, nr. 5, blz. 2. 41 Zie par. 1.2 van het rapport. 42 TK 1997-1998, 25 732, nr. 5. 43 Zie ook het verslag van de eerste onderzoekers (Peters en Moerland). 44 Zodanige maatregelen […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2003:AF1486

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2003

    Enquête: wanbeleid door gebrekkige informatieverschaffing aan AVA en onvolledige jaarrekeningen

    “[…] rol heeft gespeeld". Ook de Hoge Raad heeft kort geleden in het kader van de regeling van art. 2:146 BW overwogen dat in tegenstrijdig-belangsituaties van het bestuur mag worden verwacht dat het de verschillende belangen gescheiden houdt en dat het zo veel mogelijk zorgvuldigheid en openheid betracht.(13) In zijn Zwagerman-beschikking heeft de Hoge Raad het begrip wanbeleid benaderd vanuit art. 2:8 BW (redelijkheid en billijkheid).(14) Hij schreef eerst, daartoe uitgenodigd door onderdeel 1 van het cassatiemiddel, aan de Ondernemingskamer toe dat zij haar oordeel, dat de vennootschap jegens haar minderheidsaandeelhouders een bijzondere zorgvuldigheid in acht moet nemen, had gebaseerd op art. 2:8 BW. Volgens het cassatiemiddel volgde daaruit dat op de vennootschap juist niet deze bijzondere zorgvuldigheidsplicht rust, nu art. 2:8 de norm bevat dat de vennootschap een zorgvuldigheidsplicht heeft jegens alle aandeelhouders, onverschillig of zij minderheids- dan wel meerderheidsaandeelhouders zijn. De Hoge Raad onderschreef dit uitgangspunt (uiteraard, nu de wettekst in deze zin luidt), maar voegde daaraan toe dat de uitwerking van de in deze normen besloten plicht mede afhankelijk […]”

    r.o. 2.5

    “De vraag rijst wat de verhouding is tussen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals bedoeld in art. 2:8 BW, het begrip wanbeleid en de in de rechtspraak ontwikkelde elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Een juiste rechtsopvatting zou naar mijn mening zijn de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in de praktijk niet zijn te onderscheiden van de normen van maatschappelijke zorgvuldigheid, als basisnorm te beschouwen(15) die echter, juist vanwege haar algemeenheid en vaagheid, wel richting, maar in concreto weinig houvast geeft. Het begrip wanbeleid zou dan zijn te beschouwen als een vorm van handelen in strijd met deze beginselen in een context waarin beleid wordt gevoerd, zoals onder meer in vennootschappelijke verhoudingen. Maar ook dit begrip is - zie de Ogem-beschikking - een vage norm. Teneinde dat meer reliëf te geven zijn, zo zou ik menen, de elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap ontwikkeld, die weer nader zijn te onderscheiden in een aantal deelnormen(16), waarbij o.m. het bestuursrecht inspiratie heeft geboden.”

    r.o. 2.6

    “[…] of die maatstaf expliciet in zijn beslissing is uitgespeld. In het onderhavige geval heeft de Ondernemingskamer klaarblijkelijk geoordeeld dat het feit dat directie en commissarissen van VIBA desgevraagd tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 9 oktober 2000 onvoldoende inlichtingen hebben verschaft, een ernstige schending is geweest van de uit de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) voortvloeiende zorgvuldigheidsnormen. Aldus verstaan geeft dit oordeel, tegen de achtergrond van de hiervoor besproken rechtspraak, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip 'wanbeleid'.(18) De motiveringsklacht faalt eveneens omdat de Ondernemingskamer haar oordeel zowel heeft gemotiveerd met het grote belang dat de aandeelhouders hadden bij deugdelijke informatie als met de noodzaak om de gewekte indruk van belangenverstrengeling weg te nemen. Deze motivering is glashelder en behoefde geen nadere uitwerking.”

    r.o. 2.10

    “Meer in het algemeen geldt, als de Hoge Raad heeft overwogen in zijn beschikking van 1 maart 2002, dat uit art. 2:8 BW onder meer voortvloeit(33): "dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders"(rov. 3.4).”

    r.o. 2.24

    ECLI:NL:PHR:2003:AF1797

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 september 2002

    Enquête: wanbeleid bij inbrengtransactie, kostenverhaal op commissaris, cassatieberoepen te verwerpen

    “Het middel gaat uit van de onjuiste veronderstellingen dat het niet voor de hand ligt om rekening te houden met de belangen van (alle betrokken) aandeelhouders, dat art. 2:8 BW (redelijkheid en billijkheid) niet van toepassing is op resp. jegens aandeelhouders(37), alsmede dat De Vries Robbé de belangen van aandeelhouders van andere bij de transactie betrokken vennootschappen even zwaar zou moeten laten wegen als de belangen van haar eigen aandeelhouders.”

    r.o. 5.7.2

    ECLI:NL:PHR:2002:AE7940

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 maart 2002

    Enquête: wanbeleid familievennootschap en grenzen aan OK-voorzieningen (structuurcommissaris)

    “[…] OK getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar mogen meerderheidsaandeelhouders geen misbruik maken van hun meerderheidsmacht, maar daarom gaat het in deze zaak niet. 3.2.3.1.Op zichzelf terecht betoogt subonderdeel 7 dat de verplichting van de vennootschap en de aandeelhouders zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (art. 2:8 BW) zowel jegens meerderheids- als jegens minderheidsaandeelhouders geldt. Evenwel zullen, zeker in een kleinere vennootschap, meerderheidsaandeelhouders doorgaans betere mogelijkheden hebben voor hun belangen op te komen dan minderheidsaandeelhouders. Dat geldt a fortiori wanneer zoals hier, de meerderheid in één hand is en wel - zij het indirect - in de hand van leden van het vennootschapsbestuur.”

    r.o. 1.2

    “[…] het middel gemaakte onderscheiding tussen schending van de zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders en misbruik van meerderheidsmacht niet zo scherp als het middel wil doen voorkomen(12). Men zou kunnen zeggen dat misbruik van meerderheidsmacht een ernstige vorm van onzorgvuldigheid jegens de minderheid is. 3.2.3.3.De toepassing van de redelijkheid en billijkheid, bedoeld in art. 2:8 BW, hangt af van de bijzondere omstandigheden en betrokken belangen van het geval. Art. 3:12 BW noemt onder meer "de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken" als factoren waarmee bij de toepassing van de redelijkheid en billijkheid rekening moet worden gehouden. De gegeven verhouding van de meerderheidsaandeelhouders t.o.v. de minderheidsaandeelhouders is een van deze omstandigheden(13). In dit licht is de overweging van de OK dat de jegens minderheidsaandeelhouders in acht te nemen zorgvuldigheid een bijzondere is, correct. . 3.2.4.1.Subonderdeel 8 brengt naar voren dat een algemene regel dat belangenverstrengeling moet worden voorkomen, niet bestaat. Waar het om gaat, is dat bepaalde groepen aandeelhouders niet onevenredig worden geschaad. […]”

    r.o. 3.2.3.2

    ECLI:NL:PHR:2002:AD9857

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 januari 1995

    Ontslag bestuurder en intrekking emissie door aandeelhouder: hoorplicht en redelijkheid en billijkheid

    “Vervolgens heeft het hof in ro. 4.9.2. beslist dat [verweerder 1] de besluiten van 1 of 2 maart 1993 (§ 1.6.) rechtsgeldig hebben kunnen nemen en dat deze niet in strijd met de op grond van art. 2:8 BW vereiste redelijkheid en billijkheid waren. Voorts oordeelde het hof (ro. 4.9.3.) dat de vennootschap [eiseres 1] de vrijheid had het op 16 november 1992 genomen besluit tot uitgifte van nieuwe aandelen te herroepen, tenzij bijzondere omstandigheden - waarvan niet gebleken was - een ander oordeel zouden wettigen. Ook achtte het hof (ro. 4.9.4.) de formele bezwaren tegen de besluitvormingsprocedure (waarbij o.m. directeur [eiser 6] van [eiseres 1] niet was gehoord) ongegrond. De middelen II-IV (in iets andere volgorde) bestrijden deze beslissingen.”

    r.o. 3.1.3

    “Ik zou menen dat een besluit tot intrekking van een eerder besluit aan de normale eisen voor besluitvorming moet voldoen. Het orgaan dat besluit tot intrekking zal tot het nemen van een dergelijk besluit bevoegd moeten zijn, aan alle overige eisen tot het nemen van een rechtsgeldig besluit zal moeten worden voldaan en de begrenzing van art. 2:8 BW is van toepassing. Is in een vennootschap, zoals hier, de a.v.a. bevoegd tot een emissie te besluiten, dan kan de a.v.a. zulk een besluit ook intrekken. De voorgenomen emissie gaat dan niet door. Derden zullen bescherming kunnen vinden in analogische toepassing van art. 2:16, lid 2. Het hof heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of de betrokken nieuwe aandeelhouders in rechte nakoming of schadevergoeding kunnen eisen. Kunnen die aandeelhouders (met succes) het eerste, dan zal de emissie alsnog moeten doorgaan.”

    r.o. 5.2.2

    “Onderdeel 3 bestrijdt de in ro. 4.9.4. voorkomende passage, luidend "het ontslag als vennootschappelijk bestuurder laat immers de mogelijkheid onverlet om de nietigheid van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst ( ... ) te vorderen, dan wel om in dat kader een passende schadevergoeding te vorderen." Het onderdeel voert aan dat het hof daarmee voorbij is gegaan aan het gedane beroep op art. 2:8 BW.”

    r.o. 6.3.1

    “Ook dit onderdeel treft doel. Voordat men aan de arbeidsrechtelijke gevolgen toekomt, dient het ontslag van een (statutair) bestuurder eerst vennootschapsrechtelijk te worden getoetst . Het hof heeft dit achterwege gelaten.”

    r.o. 6.3.2

    ECLI:NL:PHR:1995:50

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 februari 1992

    Redelijk belang bij vernietiging ALV-besluit tot goedkeuring bestuursbeleid en decharge vereniging

    “[…] en onder a, dat per 1 januari 1992 art. 2:11, lid 2, op dit punt zal vervangen). De auteur verwijst naar HR 19 mei 1989, NJ 1989, 652. Zie voorts: T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels en faillissementsrecht 1, 1984, nr. 4.368, p. 257. Vonnis in eerste aanleg, r.o. 4, voorlaatste al .; niet bestreden. Vgl. art. 22, lid 7 van de statuten van Buma, prod. 1 bij c.v.a. in prima. Dit volgt uit art. 2:8 (art. 2:9 nieuw) , BW. R.o. 4, laatste al., als zodanig niet bestreden. Bijv. een actie uit onrechtmatige daad tegen Buma. Die had waarschijnlijk wel tot een materiële beoordeling geleid. Welk resultaat zulk een beoordeling zou hebben gehad kan nu in het midden blijven.”

    r.o. 2.4

    ECLI:NL:PHR:1992:AD1631

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 mei 2023

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid: verjaring en toerekening van kennis aan rechtspersoon

    Een houdstervennootschap vorderde van haar voormalige indirect bestuurder schadevergoeding wegens interne bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 en 2:11 BW). Het hof wees de vorderingen af wegens verjaring, omdat de kennis van de bestuurder en van een financieel directeur aan de vennootschap werd toegerekend. De A-G concludeert dat de regel dat de wetenschap van een bestuurder in beginsel als wetenschap van de rechtspersoon geldt, ook van toepassing is bij een bestuurder met tegenstrijdig belang. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2023:490

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 februari 2017

    Omzetting kerkgenootschap in stichting; analoge toepassing artikel 2:18 BW

    Een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap wil zich omzetten in een stichting en vraagt de rechtbank om machtiging. De rechtbank legt prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad. De A-G concludeert dat artikel 2:18 BW via artikel 2:2 lid 2 BW overeenkomstig kan worden toegepast op kerkgenootschappen, in beide richtingen. De rechter toetst daarbij zoveel mogelijk gebruikelijk, maar onthoudt zich van inmenging in geloofszaken.

    ECLI:NL:PHR:2017:114

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 november 2013

    Enquête joint venture-vennootschap: vennootschappelijk belang, wanbeleid en verwatering

    In een enquêtezaak over een joint venture-vennootschap bespreekt de A-G cassatieklachten tegen de vaststelling van wanbeleid door de OK. Het bestuur moet zich ook bij een joint venture richten naar het belang van de vennootschap en de onderneming. Dat belang is niet zonder meer gelijk aan het belang van de joint venture-partners, en het bestuur heeft een eigen verantwoordelijkheid voor evenwichtige verhoudingen en informatieverschaffing. De klachten falen in het beschikbare deel van de conclusie.

    ECLI:NL:PHR:2013:1826

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 november 2005

    Enquêterecht bij vermogensrechtelijk geschil over conversie van preferente aandelen Unilever

    In deze conclusie bespreekt de A-G de reikwijdte van het enquêterecht in een zaak waarin preferente aandeelhouders van een beursgenoteerde vennootschap een enquête verzochten naar aanleiding van een voorgenomen conversie van hun aandelen. De A-G meent dat een vermogensrechtelijk geschil een enquête niet uitsluit, mits het verzoek kan bijdragen aan de redelijkheid en billijkheid binnen de rechtspersoon (artikel 2:8 BW). Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2005:AU2465

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 april 2003

    Conclusie: maatstaf ernstig verwijt artikel 2:9 BW en gewicht enquêtebeschikkingen

    In deze conclusie gaat het om de interne aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van artikel 2:9 BW en het gewicht van OK-beschikkingen over wanbeleid en enquêtekosten in een gewone civiele procedure. De A-G meent dat het hof een te strenge maatstaf hanteerde, omdat een ernstig verwijt de norm is, en dat het de gestelde feiten niet buiten beschouwing mocht laten. OK-beschikkingen binden de burgerlijke rechter niet. Hij concludeert tot vernietiging.

    ECLI:NL:PHR:2003:AF3419

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2000

    Directeur coöperatie persoonlijk aansprakelijk jegens leden wegens eigen schade (Heino Krause)

    Een stichting stelt namens 147 voormalige leden van een coöperatieve vereniging de directeur hoofdelijk aansprakelijk voor schade door wanbeleid. De A-G acht dat de leden een eigen vordering kunnen hebben, omdat hun schade niet is afgeleid van die van de coöperatie en hun belangen sterk met de coöperatie verweven waren. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2000:AA7491

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 mei 2000

    Rechterlijke statutenwijziging stichting; bindende adviesbevoegdheid geestelijk leider; geen ontbinding

    Het bestuur van een stichting wil de statuten wijzigen om de bindende adviesbevoegdheid en het vetorecht van een geestelijk leider te schrappen. Het hof wees dit af op grond van artikel 2:294 BW en zag geen reden de stichting te ontbinden, omdat het enkele bestaan van de bevoegdheid het doel niet onbereikbaar maakt. De A-G concludeert dat de cassatieklachten falen en dat het beroep moet worden verworpen.

    ECLI:NL:PHR:2000:AA5779

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 juli 1990

    Enquête: beleid van de rechtspersoon en verweer door verdeelde directie

    Aandeelhouders van een beleggingsmaatschappij vragen om een enquête, omdat een verdeelde directie en de algemene vergadering een statutenwijziging blokkeren die dividenduitkering moet mogelijk maken. De OK wees het verzoek af omdat dit gedrag niet onder het begrip beleid van artikel 2:350 lid 1 BW valt. De A-G acht het oordeel over de vertegenwoordiging van de vennootschap in de procedure juist, maar de motivering van het oordeel over de afspraak tussen de oprichters ontoereikend. Hij concludeert tot vernietiging.

    ECLI:NL:PHR:1990:AC0960

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2026

    Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)

    “Het voorgaande wordt naar de aard niet anders door het in de klacht (PI 97) geponeerde uitgangspunt, zo al juist, dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken (“vgl. art. 2:8 BW”) en door de OK als belanghebbenden worden aangemerkt. Daarbij zij bedacht dat de potentiële kring van belanghebbenden bij toepassing van de Scheipar-maatstaf niet beperkt is tot die van voornoemde partijen.”

    r.o. 4.62

    “[…] Voor zover de OK niet heeft miskend dat zij Nexperia’s vennootschappelijk belang tot uitgangspunt moest nemen, heeft zij in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschappelijk belang gehuldigd. De OK heeft in het bijzonder miskend dat Nexperia een zelfstandig belang erbij heeft dat normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW op juiste wijze zijn of worden nageleefd, en dat ook in aanmerking dient te worden genomen dat bestuurders van een vennootschap bij de vervulling van hun taak een zorgvuldigheidsnorm tegenover stakeholders, onder wie aandeelhouders zoals Yuching, in acht dienen te nemen en dat de belangen van een aandeelhouder zoals Yuching niet onnodig of onevenredig mogen worden getroffen of onder omstandigheden niet (noemenswaardig) mogen worden geschaad (PI 124). 4.92.3 Verder heeft de OK miskend dat het vennootschappelijk belang (dus: van Nexperia) ook wordt bepaald door de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel, waarvan Nexperia onderdeel vormt, en het belang van de [A] -groep bij het voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC. “Bij al het voorgaande” is ook relevant dat op […]”

    r.o. 4.92

    “Voor zover de OK niet heeft miskend dat zij Nexperia’s vennootschappelijk belang tot uitgangspunt moest nemen, heeft zij in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschappelijk belang gehuldigd. De OK heeft in het bijzonder miskend dat Nexperia een zelfstandig belang erbij heeft dat normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW op juiste wijze zijn of worden nageleefd, en dat ook in aanmerking dient te worden genomen dat bestuurders van een vennootschap bij de vervulling van hun taak een zorgvuldigheidsnorm tegenover stakeholders, onder wie aandeelhouders zoals Yuching, in acht dienen te nemen en dat de belangen van een aandeelhouder zoals Yuching niet onnodig of onevenredig mogen worden getroffen of onder omstandigheden niet (noemenswaardig) mogen worden geschaad (PI 124).”

    r.o. 4.92.2

    “[…] aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden (zoals het geval is bij Nexperia), wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bestuurders (en commissarissen) van een (N.V.) of B.V. richten zich bij hun taakvervulling naar het vennootschapsbelang. Bij die taakvervulling dienen zij (ook) zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Ik lees in het bestreden oordeel niet een andersluidende opvatting van de OK. 4.93.2 De klacht in PI 123 gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. De uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 bevatten immers geen enkele aanwijzing voor de lezing dat de OK aldaar niet het vennootschapsbelang van Nexperia (dus: het belang van Nexperia en de met […]”

    r.o. 4.93

    ECLI:NL:PHR:2026:584

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2026

    Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW

    “Het voorgaande wordt naar de aard niet anders door het in de klacht (PI 50) geponeerde uitgangspunt, zo al juist, dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken (“vgl. art. 2:8 BW”) en door de OK als belanghebbenden worden aangemerkt. Daarbij zij bedacht dat de potentiële kring van belanghebbenden bij toepassing van de Scheipar-maatstaf niet beperkt is tot die van voornoemde partijen.”

    r.o. 4.61

    “[…] aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden (zoals het geval is bij Nexperia), wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bestuurders (en commissarissen) van een (N.V. of) B.V. richten zich bij hun taakvervulling naar het vennootschapsbelang. Bij die taakvervulling dienen zij (ook) zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Ik lees in het bestreden oordeel niet een andersluidende opvatting van de OK. 4.106.2 De klacht in PI 76 gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. De uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 bevatten immers geen enkele aanwijzing voor de lezing dat de OK aldaar niet het vennootschapsbelang van Nexperia (dus: het belang van Nexperia en de met […]”

    r.o. 4.99

    “[…] aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden (zoals het geval is bij Nexperia), wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bestuurders (en commissarissen) van een (N.V. of) B.V. richten zich bij hun taakvervulling naar het vennootschapsbelang. Bij die taakvervulling dienen zij (ook) zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Ik lees in het bestreden oordeel niet een andersluidende opvatting van de OK. 4.106.2 De klacht in PI 76 gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. De uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 bevatten immers geen enkele aanwijzing voor de lezing dat de OK aldaar niet het vennootschapsbelang van Nexperia (dus: het belang van Nexperia en de met […]”

    r.o. 4.99.10

    ECLI:NL:PHR:2026:585

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 juli 2025

    Commissarisaansprakelijkheid wegens onbehoorlijk toezicht bij onvoorwaardelijke scheepsbouwverplichting; ernstig verwijt en disculpatie

    “[…] belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Is aan de vennootschap een onderneming verbonden, dan wordt dat belang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De vennootschap heeft verder een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen, of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. 3.27.4 Aangenomen wordt dat zo’n ernstig verwijt ziet op het complex van handelingen (nalaten daaronder begrepen) in samenhang beschouwd, waarvan de mate van schuld een belangrijk element is, maar niet het enige. Ik citeer Timmerman, toegesneden op een bestuurder: “Bij de beoordeling of sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid, waarbij de ernstig verwijt-maatstaf wordt toegepast, moeten door de rechter alle omstandigheden van het geval (verzwarende en verzachtende) in aanmerking worden genomen, maar ook de aard, de ernst en de frequentie van de normschending door de bestuurder, en de mate van schuld. Dit beginsel (rekening houdend met de aard van de normschending, de mate van schuld en de omstandigheden van het geval) geeft de structuur […]”

    r.o. 3.27

    “Ik wijs ook op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, waarnaar commissarissen zich dienen te richten bij hun taakvervulling (art. 2:140 lid 2 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Is aan de vennootschap een onderneming verbonden, dan wordt dat belang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De vennootschap heeft verder een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen, of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, op juiste wijze zijn of worden nageleefd.”

    r.o. 3.27.3

    ECLI:NL:PHR:2025:755

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2023

    Elektronische oproeping vve-vergadering en aanvang vernietigingstermijn; artikel 2:41 lid 5 BW

    “Bij inleidend verzoekschrift tot vernietiging ex art. 5:130 BW van 17 september 2020 heeft Fresch de kantonrechter Amsterdam verzocht de besluiten van de VvE van 2 juli 2020 te vernietigen.Zij heeft aan haar verzoek onder meer ten grondslag gelegd (i) dat zij niet, althans niet rechtsgeldig, is opgeroepen voor de vergadering (art. 2:15 lid 1, aanhef en sub a, BW) en (ii) dat het besluit tot plaatsing van het hek in strijd is met de redelijkheid en billijkheid ex art. 2:8 BW (art. 2:15 lid 1, aanhef en sub b, BW) omdat daardoor zonder goede reden de toegankelijkheid van de door haar ontwikkelde en te ontwikkelen bedrijfsunits wordt belemmerd.”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:PHR:2023:758

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 oktober 2020

    Artikel 2:248 BW: ontzenuwing bewijsvermoeden door niet-kennelijk onbehoorlijke bestuursdaden als andere oorzaak

    “[…] heeft geleid. In het derde lid wordt aan elke bestuurder de mogelijkheid gegeven, de aansprakelijkheid af te weren indien hem ter zake van het onbehoorlijk bestuur geen verwijt treft. Hierdoor wordt een individuele bestuurder voldoende beschermd. Ik zie dan ook geen aanleiding af te zien van het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid. (…) (…) ook al spreekt artikel 8 [gedoeld wordt op art. 2:8 BW oud, een voorloper van het huidige art. 2:9 BW, A-G] van een gehoudenheid van iedere individuele bestuurder tot behoorlijke taakvervulling, daarmee [wordt] uiteraard niet ontkend dat ook het bestuur als geheel tot een dergelijke behoorlijke taakvervulling gehouden is. Voorts stel ik (…) vast, dat in de theorie het beginsel van de collectieve verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van het bestuur voor het bestuursbeleid wordt aangenomen en dat die beleidsbepaling steeds een aangelegenheid is die, in de woorden van artikel 8, tot de werkkring van alle bestuurders behoort. In het voorgestelde artikel 138 (248) wordt op die gedachtengang voortgebouwd en uitdrukkelijk uitgegaan van een collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur voor met name het financiële beleid van de […]”

    r.o. 3.15

    ECLI:NL:PHR:2020:1012

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 april 2020

    Einde enquêteprocedure en niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen onmiddellijke voorzieningen (e-Traction)

    “[…] over te gaan nog verder afneemt. Daarbij komt dat [verweerder 2] de voorgeschreven uitkeringstoets niet kan doen omdat hij over onvoldoende gegevens beschikt; (ix) uitvoering van de VSO en toewijzing van de voorzieningen die DEM heeft verzocht een inbreuk vormt op het eigendomsrecht van JKS, [betrokkene 3] en STAK, (x) met het aangaan van de VSO ook [verweerder 4] in strijd handelt met artikel 2:8 BW.”

    r.o. 2.8

    “Tot slot overweegt de Ondernemingskamer dat het verwijt van JKS en STAK aan [verweerder 4] dat hij met het aangaan en uitvoeren van de VSO in strijd handelt met 2:8 BW in het licht van al het voorgaande onvoldoende gefundeerd is. Ook overigens ziet de Ondernemingskamer in het aangaan en uitvoeren van die overeenkomst geen strijd met artikel 2:8 BW.”

    r.o. 3.13

    ECLI:NL:PHR:2020:467

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 januari 2011

    Hoofdelijke bestuurdersaansprakelijkheid bij te late handelsregisterinschrijving bv; ratio artikel 2:180 lid 2 sub a BW

    “[…] toepassing' van art. 2:339 lid 1 BW meebrengt dat de benoeming van deskundigen achterwege kan worden gelaten, wanneer de statutaire blokkeringsregeling een maatstaf kent voor het bepalen van de waarde van de aandelen aan de hand waarvan de prijs door de rechter zonder meer kan worden vastgesteld. Dit arrest zou ik willen plaatsen in de sleutel van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW.(20) Voor het onderhavige geval kan in het arrest geen steun worden gevonden. Wel zijn in de lagere rechtspraak twee beslissingen te vinden, waarin de rechter geoordeeld heeft dat de sanctie van de hoofdelijke aansprakelijkheid buiten toepassing moet blijven op grond van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 BW.(21) Anders dan in deze rechtspraak, gaat het in het onderhavige geval om de vraag naar - wat ik zou willen noemen - de 'zuivere' toepassing van art. 2:180 lid 2 sub a BW, namelijk het geval waarin de bestuurder een rechtshandeling heeft verricht na oprichting maar vóór opgave ter eerste inschrijving in het handelsregister. Nu de wetgever voor een dergelijk geval de duidelijke sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid heeft gesteld en de bestuurder aan deze […]”

    r.o. 2.10

    ECLI:NL:PHR:2011:BO7122

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 november 2010

    Arbitrage managementovereenkomst en exclusieve rechtsmacht bij vernietiging bestuursbesluit

    “[…] (art. 2:16 lid 2 BW). Deze zogenaamde erga omnes-werking moet m.i. worden gezien in relatie tot de rechtspersoon als zelfstandig juridisch systeem. De rechtspositie en het handelen van de organen van de rechtspersonen en van hen die krachtens wet of statuten bij de rechtspersoon zijn verbonden wordt genormeerd door dit juridisch zelfstandige systeem dat wordt gevormd door wet (waaronder art. 2:8 BW), de statuten en de besluiten van de (verschillende organen van de) rechtspersoon. Dit zelfstandige systeem is in beginsel niet afhankelijk van de personen die krachtens wet of statuten bij de rechtspersoon zijn betrokken: zij duurt voort ook nadat bijvoorbeeld alle bestuurders zijn afgetreden en nieuwe zijn benoemd. De zelfstandig systeem-gedachte komt niet alleen in art. 2:16 lid 1 BW tot uitdrukking, maar ook in de uitleg van statuten, welke niet geschiedt aan de hand van de Haviltex-maatstaf, maar op een objectieve wijze aan de hand van de tekst. De strekking van de erga omnes-werking van de nietigverklaring en vernietiging is om het zelfstandig systeem van de rechtspersoon zo veel mogelijk intact te laten. Zo veel mogelijk wordt voorkomen dat een besluit jegens sommige […]”

    r.o. 3.9

    ECLI:NL:PHR:2010:BN8533

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 juli 2010

    Enquête ASMI: strategie, corporate governance en gegronde redenen voor twijfel aan juist beleid

    “N.m.m. zijn er geen goede redenen om een algemeen individueel informatierecht buiten de AVA bijv. aan art. 2:8 BW te ontlenen. Reeds nu bestaan er talloze algemene informatieverplichtingen buiten de AVA, hetzij regelmatig terugkerend, hetzij ad hoc. Gezien de bestaande onzekerheid in hoeverre informatie in zogenaamde one on one's mag worden verstrekt, zou een aan art. 2:8 BW ontleende algemene informatieplicht grote en ongewenste rechtsonzekerheid tot gevolg hebben en de bestuursautonomie kunnen aantasten. Daarbij moet worden bedacht dat beursvennootschappen duizenden aandeelhouders hebben en dat een algemeen informatierecht een ongewenst beslag op de vennootschap zou kunnen leggen. Aangezien een dergelijk recht in de ons omringende landen onbekend is, zou het opvragen van concurrentiegevoelige informatie de positie van Nederlandse vennootschappen ten opzichte van buitenlandse vennootschappen kunnen schaden.”

    r.o. 3.6.6

    “[…] beleid binnen de vennootschap heeft bepaald zal van geval tot geval verschillen. Een stichting die met behulp van een in de statuten geregelde beschermingsmaatregel door het verwerven van een aanzienlijk aantal aandelen de status quo in een vennootschap handhaaft en voorkomt dat zonder voldoende overleg de samenstelling van de leidende organen van de vennootschap wordt gewijzigd valt onder art. 2:8 BW. Het is verdedigbaar dat een dergelijke stichting voor die vennootschap met het oog op de toepassing van het enquêterecht het beleid (mede) kan bepalen. Dit alles laat onverlet dat het beleid en de gang van zaken van de vennootschap centraal staat.”

    r.o. 3.7.27

    ECLI:NL:PHR:2010:BM0976

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 maart 2003

    Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker

    “[…] kunnen zijn. Ik neem evenwel aan dat een door de ondernemingskamer op grond van art. 2:349a lid 2 BW benoemde bestuurder zich ervan bewust is dat hij in het kader van een voorlopige voorziening - met de door de Hoge Raad in voornoemde beschikking daaraan gegeven uitleg - is benoemd. Voorts merk ik op dat volgens de eigen stellingen van [verzoeker tot cassatie] (verweerschrift blz. 17) uit art. 2:8 BW voortvloeit dat [naam 1] zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van haar aandeel- en certificaathouder, ook wanneer het gaat om het gebruik maken van haar stem in SNF. Dit wordt niet anders wanneer [naam 1] wordt bestuurd door de door de ondernemingskamer benoemde bestuurder.”

    r.o. 2.51

    ECLI:NL:PHR:2003:AF9440

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 september 2000

    Conclusie: OK mag zonder enquête geen wanbeleid vaststellen of voorzieningen treffen (Gucci/LVMH)

    “Anderzijds heeft de OK overwogen dat, mede gezien art. 2:8 BW, de verwerver van een pakket aandelen als behoorlijk aandeelhouder bij de verkrijging van die aandelen opening van zaken geeft, met de vennootschap wier aandelen hij verwerft overleg pleegt en in zijn handelen niet alleen zijn eigen belangen maar ook de belangen van de vennootschap en belangen van de bij de vennootschap betrokken personen betrekt.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2000:AA7245

Hoven en Ondernemingskamer (38)

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 september 2026

    Selectiebesluit karatebond: marginale toetsing vernietigbaarheid ex artikel 2:15 BW in kort geding

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.”

    r.o. 3.12 · lid 1

    ECLI:NL:GHARL:2026:6984

  • Gerechtshof Amsterdam · 22 september 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid bestuursbesluit vakvereniging zonder voorafgaande goedkeuring vliegervergadering

    “Het hof stelt voorop dat op grond van art. 2:14 lid 1 BW een besluit nietig is indien het in strijd is met de wet of de statuten, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien het besluit naar inhoud of strekking strijdig is met de wet of de statuten, is genomen door een daartoe onbevoegd orgaan, of is genomen zonder een door de wet of statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen. Art. 2:15 lid 1 BW ziet op de vernietigbaarheid van besluiten en bepaalt dat een besluit vernietigbaar is wegens strijd met (onder meer) a) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, b) de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist, of c) een reglement. Bij de beoordeling van de vraag of een besluit nietig dan wel vernietigbaar is, komt het aan op de omstandigheden waaronder het besluit is genomen en die tot het besluit hebben geleid. Omstandigheden van na de totstandkoming zijn daarbij in beginsel niet van belang.”

    r.o. 6.3

    “Voor het beroep op art. 2:15 lid 1 sub b BW geldt dat moet worden getoetst of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Bij deze beoordeling dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten en kan hij niet te snel tot overschrijding van bedoelde norm besluiten. Van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW is sprake als de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ook bij deze beoordeling betracht de rechter de nodige terughoudendheid.”

    r.o. 6.29

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2674

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 3 september 2026

    OK beveelt enquête en schorst bestuurder bij vastgelopen samenwerking binnen DDC-groep

    “[…] van art. 2:10 BW, terwijl verzoekers als bestuurders geen toegang krijgen tot de administratie of onderliggende documenten. 3. DDCgroup handelt in strijd met de aandeelhouders- en dienstverleningsovereenkomsten door kosten door te belasten die op grond van deze overeenkomsten voor haar eigen rekening komen en door inzage in de administratie te weigeren. 4. DDCgroup handelt in strijd met art. 2:8 BW, onder meer door dwangsommen te executeren die geen steun vinden in het dictum van het tweede kortgedingvonnis, door schuldeisers mee te delen dat hun facturen niet worden voldaan met als kennelijk doel een faillissement uit te lokken, door verzoekers te dreigen met bestuurdersaansprakelijkheid en door onduidelijke en tegenstrijdige instructies te geven over wat DDCgroup precies verlangt.”

    r.o. 4.1

    “[…] met inbegrip van de dienstverleningsovereenkomst. C4D en I2B daarentegen meenden dat de dienstverleningsovereenkomst – die juist de bron was van de belangenconflicten – niet meer (onverkort) van toepassing was. Het is aan de civiele rechter om te beoordelen of de dienstverleningsovereenkomst opnieuw tussen partijen ging gelden, dan wel of deze inmiddels was beëindigd. Uit oogpunt van art. 2:8-2:10 BW is van belang dat de aandeelhouders klaarblijkelijk hadden besloten alsnog samen verder te gaan, wat vergde dat zij de inmiddels (gedeeltelijk) gescheiden administraties weer moesten (re)organiseren tot een geheel. Op dat punt roept de handelwijze van beide partijen vragen op. C4D en I2B verzochten DDCgroup op 6 november 2024 tot overlegging van de volledige boekhouding, waarna DDCgroup in kort geding op 21 november 2024 is veroordeeld tot afgifte van de elektronische boekhouding. Pas bij verweerschrift in deze procedure heeft DDCgroup de gevraagde informatie verstrekt (de enkele mededeling op zitting van mr. Van Ingen dat een usb-stick met de administratie zou zijn verstrekt is op zitting weersproken, terwijl in het dossier iedere verwijzing naar een usb-stick ontbreekt). […]”

    r.o. 4.11

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2498

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 september 2026

    Medewerking aan turboliquidatie stichtingen via artikel 2:8 BW; geen persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder

    “[appellant] meent dat artikel 2:8 BW niet geldt tussen de bestuursleden onderling, maar dat berust op een onjuiste lezing van lid 1 van dit artikel; de rechtspersoon en een ieder die krachtens de wet en de statuten daarbij zijn betrokken moeten zich ten opzichte van elkaar gedragen naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid vordert. Jaarrekening 2018”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:GHARL:2026:5723

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 28 augustus 2026

    OK wijst verzoek voorlopig getuigenverhoor af ter voorbereiding van uittreding en enquête

    “Bij deze informatie over het besluitvormingsproces heeft Corvallis in de gegeven omstandigheden niet een voldoende belang. Anders dan Corvallis meent, heeft zij op grond van de aandeelhoudersovereenkomst (inclusief de daarbij horende Schedule 6) en art. 2:8 BW niet een onbeperkt recht op informatie. Zij heeft er geen recht op dat de Vennootschap nagenoeg haar hele administratie openlegt voor kandidaat-kopers van Corvallis’ aandelen, inclusief concurrentiegevoelige informatie zoals franchise agreements en events agreements, zonder dat adequate waarborgen zijn getroffen om te voorkomen dat concurrenten van de Vennootschap met die informatie aan de haal gaan. De voorwaarden die de Vennootschap in dit verband heeft gesteld (zie 3.14) leveren geen strijd op met de aandeelhoudersovereenkomst of de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Ook anderszins biedt het dossier geen aanknopingspunten voor de stelling van Corvallis dat de Vennootschap het verkoopproces onnodig vertraagt of bemoeilijkt. De Vennootschap en/of haar aandeelhouders hebben Corvallis juist steeds uitgenodigd tot overleg over de vormgeving van het verkoopproces, constructieve voorstellen voor de inrichting […]”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2422

  • Gerechtshof Amsterdam · 28 juli 2026

    Geen dwangsomveroordeling tot naleving juridisch kader van bestuur en besluitvorming

    “De voorzieningenrechter was van oordeel dat [geïntimeerden] . hun belang bij toewijzing van hun vordering voldoende aannemelijk hadden gemaakt. Voorts heeft hij het volgende overwogen. Het is van belang dat de rust in het bestuur en de algemene vergadering weerkeert, opdat ZLH behoorlijk bestuurd kan worden. [appellanten] zullen ten opzichte van [geïntimeerden] . het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming van ZLH, in acht moeten nemen zoals daaraan vanaf 2016 uitvoering werd gegeven. Het verweer van [appellanten] dat de vordering te onbepaald is, zeker op straffe van een dwangsom, en dat zij bij toewijzing op hun beurt worden belemmerd in hun rol van bestuurders van ZLH, gaat niet op. [appellanten] en [geïntimeerden] . zullen zich tot elkaar moeten verhouden zoals artikel 2:8 BW voorschrijft.”

    r.o. 4.3

    “[…] inhoudelijk veel onduidelijkheid. Los daarvan is ‘collegialiteit van bestuur’ bij ZLH lastig en er heeft daarom ook altijd een taakverdeling bestaan. Partijen hebben sinds 2016 juist niet (strikt) gehandeld conform de corporate governance: zij hebben allerlei zaken en beslissingen aan elkaar overgelaten en er is geen althans nauwelijks formele besluitvorming geweest. Gebondenheid aan artikel 2:8 BW is evident, maar de vraag is hoe deze norm hier moet worden ingevuld. Kennelijk is er verschil van mening mogelijk of iets een bestuursaangelegenheid is of een kwestie die individuele aandeelhoudersrechten betreft. Als de afspraken dan ook nog eens onjuist en tegenstrijdig zijn en [geïntimeerden] . aantoonbaar onjuiste stellingen innemen, dient een veroordeling tot nakoming van – in zijn algemeenheid – ‘het vigerende juridisch kader’ eens te meer worden afgewezen. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter in strijd met artikel 23 Rv iets toegewezen wat niet is gevorderd. In hun inleiding hebben [appellanten] tevens nog aangevoerd dat in het kader van een bodemprocedure, waar de kortgeding rechter zich naar heeft te richten, de niet-geconcretiseerde vordering van [geïntimeerden] . […]”

    r.o. 5.2

    “Uit het vorenstaande volgt dat voortzetting van de wijze waarop het bestuur en de besluitvorming van ZHL sinds 2016 verliep, vanaf april 2024 niet goed mogelijk was. De wijze waarop dat voorheen verliep, ging uit van onderling vertrouwen en goede verhoudingen en die hebben te lijden gehad onder het conflict met Novaborch. Dat betekent dat een nieuwe werkwijze moest worden gezocht, met inachtneming van het vigerende juridisch kader van ZHL en in het licht van artikel 2:8 BW. Reeds deze constatering leidt ertoe dat de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling (zie 4.2) niet in stand kan blijven.”

    r.o. 5.5

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2110

  • Gerechtshof Den Haag · 28 juli 2026

    Statutaire aanbiedingsplicht bij indirecte wijziging van zeggenschap in 50/50-joint venture

    “[…] Dit neemt niet weg dat partijen al dan niet stilzwijgend iets anders kunnen zijn overeengekomen dan in de statuten staat, of met de statuten iets anders kunnen hebben bedoeld dan een objectieve uitleg daarvan meebrengt, of dat het door de één aan de ander tegenwerpen van (de objectieve uitleg van) een statutaire bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 2:8 BW). Als daarvan sprake is, kan dat ertoe leiden dat een partij een met die gemeenschappelijke partijbedoeling en/of met de redelijkheid en billijkheid strijdige objectieve uitleg van de statuten niet aan haar wederpartij mag tegenwerpen (vgl. ECLI:NL:PHR:2019:768). In het navolgende zal het hof ingaan op zowel de objectieve uitleg van de statutaire bepaling in kwestie, als de vraag of de in deze procedure aan de zijde van Inland Shipping gepresenteerde standpunten (die eventueel als niet tot de statuten herleidbare partijbedoeling zouden kunnen worden aangemerkt) tussen partijen eventueel een andere uitkomst rechtvaardigen dan een objectieve uitleg van de statuten meebrengt.”

    r.o. 6.6

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2465

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 16 juli 2026

    Enquête Grand Met: twijfel over inbreng in natura, governance en informatievoorziening; bestuurder en beheerder benoemd

    “[…] een minderheidsaandeelhouder die (anders dan de meerderheidsaandeelhouder) niet in het bestuur is vertegenwoordigd en die na februari 2025 ook niet meer in de RvC was vertegenwoordigd (3.11). Onder die omstandigheden diende Grand Met in elk geval vanaf februari 2025 uit eigen beweging en op vragen van VZB ook buiten de algemene vergadering voldoende transparantie te betrachten, zo volgt uit art. 2:8 BW. Nadat namens VZB in januari en februari 2025 al gedetailleerde vragen waren gesteld, had het op de weg van Grand Met gelegen in elk geval de informatie te verschaffen waarom VZB bij brieven van 7 oktober 2025 en 5 november 2025 had gevraagd (3.15 en 3.16). Ook met haar expliciete weigering op 4 december 2025 om de beschikbare jaarrekeningen te verstrekken, handelde Grand Met in strijd met haar informatieverplichting jegens VZB als minderheidsaandeelhouder (3.17). Dat geldt ook ten aanzien van de voorgenomen acquisitie van Voile d’Or Hotels and Resorts AG (3.13). VZB mocht zich redelijkerwijs op het standpunt stellen dat zij op basis van de Opinion of Value niet goed in staat was zich een beeld te vormen van de beoogde transactie. Het betreft een partijrapport, opgesteld in […]”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1934

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 14 juli 2026

    Enquêteverzoek afgewezen na belangenafweging ondanks gegronde twijfel aan juiste gang van zaken

    “In deze constellatie, waarin een grote verwevenheid tussen partijen bestaat en waarbij de belangen gedeeltelijk parallel lopen, gedeeltelijk botsen en waarin een scheiding der wegen niet goed mogelijk lijkt, worden ingevolge art. 2:8 BW hoge eisen gesteld aan de onderlinge samenwerking. Dat geldt voor alle betrokkenen. De beide bestuurders dienen onder ogen te zien dat het belang van ITA mede wordt bepaald door het belang van DDV om op voldoende buiten- en binnenbanen te kunnen blijven tennissen, ook als dat tot op zekere hoogte ten koste gaat van de winstgevendheid. Verder kan ITA een goede verstandhouding met haar huurder/aandeelhouder tot haar belang rekenen. DDV zal op haar beurt moeten erkennen dat het Frans Otten Stadion zich zal moeten aanpassen aan een veranderende vraag in de markt. Met het toelaten van padel-leden tot haar vereniging doet DDV dat zelf ook. Verder zal DDV zich moeten realiseren dat haar betoog dat het bij ITA niet alleen dient te gaan om het geld, op gespannen voet staat met haar eigen wensen: onverminderde baantoegang tegen lage prijzen, goed onderhoud van het complex én dividenduitkeringen. Bij dit alles vergen de eisen van redelijkheid en billijkheid […]”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1922

  • Gerechtshof Amsterdam · 23 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluiten funderingsherstel en dakrenovatie wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Bij de bespreking van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Het gaat in deze zaak om een op artikel 5:130 BW gebaseerd verzoek tot vernietiging van besluiten van een orgaan (de vergadering van eigenaars) van de VvE. De maatstaf die de rechter bij de beoordeling daarvan dient te hanteren is of dit orgaan, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen, in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (artikelen 2:15 lid 1 sub b en 2:8 BW). In zijn algemeenheid past de rechter terughoudendheid bij de beoordeling daarvan. Buitenschilderwerk en dakrenovatie (besluiten 8a en 8b)”

    r.o. 5.2

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1674

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 juni 2026

    Ontslag statutair bestuurder structuurvennootschap door RvC niet nietig of vernietigbaar

    “De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Het besluit van de raad van commissarissen is niet nietig of vernietigbaar; de commissarissen hadden geen tegenstrijdig belang, de raadgevende stem en het hoorrecht van [de bestuurder] zijn niet geschonden en het adviesrecht van de ondernemingsraad evenmin. Ook (anderszins) is het besluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. De rechtbank heeft de onderlinge rechten en verplichtingen van de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] vastgesteld en overwogen dat sommige aspecten van de rechtsverhouding weliswaar duiden op een arbeidsovereenkomst maar dat de rechtsverhouding toch overwegend als een overeenkomst van opdracht valt aan te merken. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen. De aan het slot van [geïntimeerde] ’s memorie van antwoord opgenomen “grief I”, is, zoals bij de mondelinge behandeling in hoger beroep besproken, niet op te vatten als een grief in een incidenteel hoger beroep; de daar opgenomen verweren van [geïntimeerde] komen vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep aan de orde als een grief van [de bestuurder] zou slagen.”

    r.o. 2.3

    “[de bestuurder] heeft aangevoerd dat het besluit van de raad van commissarissen waarbij hij is ontslagen als bestuurder nietig dan wel vernietigbaar is in verband met het bepaalde in artikel 2:14 en 2:15 BW. Hij heeft aangevoerd dat (i) de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had bij het besluit; (ii) de regels omtrent zijn raadgevende stem als bestuurder en zijn hoorrecht als bestuurder niet zijn nageleefd; (iii) het besluit (ook anderszins) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW; (iv) het besluit in strijd is met het belang van de onderneming; en (v) de ondernemingsraad niet tijdig (toen het advies nog van invloed kon zijn) om advies is gevraagd. Juridisch kader”

    r.o. 3.14

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Vernietiging kan onder meer worden gevorderd door iemand met een redelijk belang bij naleving van de geschonden verplichting. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie betrokken zijn, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.”

    r.o. 3.17 · lid 1

    “Op grond van artikel 2:227 lid 7 BW hebben bestuurders als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering. Dat geldt ook indien het ontslag van de bestuurder op de agenda staat en ook in een algemene vergadering waar het gaat over een voorgenomen ontslag waarover de raad van commissarissen bevoegd is te besluiten (na het horen van de algemene vergadering). Indien de bestuurder niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn raadgevende stem uit te oefenen, is het besluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Uit de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW vloeit voort dat een bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdedigen tegen zijn voorgenomen ontslag, tegenover het tot ontslag bevoegde orgaan. Dit wordt wel aangeduid als het hoorrecht. Schending van het hoorrecht leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW.”

    r.o. 3.19 · lid 1

    ECLI:NL:GHARL:2026:3978

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 11 juni 2026

    OK wijst enquête af en stoot aandeelhouder uit; prijs op bad leaver-basis

    “[…] bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming door middel van duurzame lange termijn waardecreatie, maar wordt vanwege haar publieke taken ook gekleurd door het publieke belang bij de continuïteit en toegankelijkheid van kwalitatief hoogwaardige geestelijke gezondheidszorg (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:3290, Centric en ECLI:NL:GHAMS:2023:1119, Estro). Ingevolge artikel 2:8 BW dienden IP-Beheer – en via IP Beheer [indirect aandeelhouder A] en AZG als organisatorisch verbonden (rechts)personen – zich dat belang mede aan te trekken (vgl. ECLI:NL:HR:2023:1283, Funda). [indirect aandeelhouder A] (en via hem: IP-Beheer en AZG) hebben Inter-Psy door hun welbewuste tekortkoming in de nakoming van het vrijwaringsbeding in grote financiële problemen gebracht en aarzelden vervolgens niet op uiterst korte termijn het faillissement aan te vragen toen Inter-Psy – mede als gevolg van de door [indirect aandeelhouder A] en de aan hem gelieerde rechtspersonen veroorzaakte financiële problemen – niet in staat was tijdig aan haar huurverplichtingen te voldoen. Daarmee hebben zij Inter-Psy tot speelbal gemaakt in het aandeelhoudersconflict, zelfs in een mate waarin het […]”

    r.o. 4.22

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1603

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 juni 2026

    Vernietiging inkoopbesluit door OK-bestuurder; uitkeringstest geen besluit; verhaal verweerkosten

    “[appellanten] vorderen in het principaal hoger beroep de vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW van het besluit van [geïntimeerde 2] dat [geïntimeerde 1] de [naam 1] aandelen inkoopt (zie 3.18, hierna: het inkoopbesluit) en van de vaststelling door [geïntimeerde 2] dat bij die inkoop is voldaan aan de vereisten van de uitkeringstest van artikel 2:207 lid 2 BW (zie 3.19). Volgens [appellanten] betreffen dit besluiten die [geïntimeerde 2] als bestuurder van [geïntimeerde 1] heeft genomen. [appellanten] stellen dat deze bestuursbesluiten zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.”

    r.o. 5.6

    “Bij een vernietigingsvordering op de voet van artikel 2:15 lid 1 sub b BW moet beoordeeld worden of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid, en met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit moet beoordeeld worden naar het moment waarop het besluit werd genomen. De rechter dient zich hierover een zelfstandig oordeel te vormen. Bij deze beoordeling past de rechter terughoudendheid. Inkoop van aandelen”

    r.o. 5.8

    “[…] [geïntimeerde 2] niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om, ter uitvoering van het inkoopbesluit, (een deel van) de [bedrijf 1] -gelden aan te wenden voor het betalen van de koopprijs voor de [naam 1] aandelen. Dit maakt in elk geval niet dat het inkoopbesluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, zoals [appellanten] betogen, of in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.”

    r.o. 5.16

    “Dit alles leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde 2] als bestuurder van [geïntimeerde 1] , bij afweging van alle bij dit besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid, en met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid, tot het inkoopbesluit heeft kunnen komen. De rechtbank heeft de daartegen gerichte vernietigingsvordering terecht afgewezen. Uitkeringstest”

    r.o. 5.17

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1540

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 26 mei 2026

    OK wijst uittredings- en enquêteverzoek af; maatstaf voorzieningen en afsplitsing samenhangende vorderingen

    “[…] opgenomen ter bescherming van de minderheidsaandeelhouders, door het verloop van vijf jaar zijn werking heeft verloren en daaruit afleidt dat de minderheidsaandeelhouders tegenover Russel Square als meerderheidsaandeelhouder geen enkele bescherming meer genieten, faalt dit betoog. Het einde van de werking van art. 16.1 doet immers niet af aan de bescherming die minderheidsaandeelhouders aan art. 2:8 en 2:239 lid 6 BW kunnen ontlenen (vgl. onder meer ECLI:NL:GHAMS:2026:318, Nexperia, rov. 3.9). Voor zover [verzoekster] betoogt dat Russell Square daadwerkelijk activa aan In Domo onttrekt, heeft zij haar betoog in het licht van het verweer van Russell Square onvoldoende feitelijk gestaafd. Russell Square heeft onder meer toegelicht dat zij en In Domo behoren tot de meer dan 2000 deelnemingen van WPP. De ondernemingen binnen het WPP-netwerk maken tegen marktconforme voorwaarden gebruik van gezamenlijke diensten en voorzieningen. Daarbij worden de diensten op het gebied van onder meer IT, HR, finance, legal en business development doorberekend op basis van de relatieve omzet binnen de WPP-groep. Naast de wettelijk vereiste winst- en verliesrekening (op basis van IFRS) worden de […]”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1473

  • Gerechtshof Den Haag · 26 mei 2026

    Geen aanbiedingsplicht minderheidsaandeelhouder na interne herstructurering (Permitted Transfer, change of control)

    “Dynamic Resources betoogt nog dat het beroep op artikel 9.2 SHA moet afstuiten op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals die door artikel 2:8 BW en artikel 6:248 BW wordt gevorderd, omdat [betrokkene 2] en OWIC bewust niet hebben gekozen voor een alternatieve structuur die wel voorhanden lag, en waardoor Dynamic Resources nu geconfronteerd is met een coöperatie als medeaandeelhouder en met [betrokkene 3] als medebestuurder daarvan. Ook de evidente schending van de Key Woman Clause in artikel 15 SHA brengt dit volgens Dynamic Resources mee.”

    r.o. 6.11

    ECLI:NL:GHDHA:2026:1806

  • Gerechtshof Amsterdam · 21 april 2026

    Herstructurering HEMA: geen onrechtmatige daad jegens houders achtergestelde obligaties; waardering nader onderzocht

    “Bij de beantwoording van de vraag of HEMA onrechtmatig heeft gehandeld door de LUA aan te gaan en zich daardoor te committeren aan het daaruit voortvloeiende herstructureringsplan, stelt het hof voorop dat het bestuur van HEMA zich bij de vervulling van haar taak naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming dient te richten. Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797). Problemen HEMA medio 2020”

    r.o. 5.9

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1068

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 14 april 2026

    OK gelast enquête en benoemt commissaris en beheerder wegens aandeelhoudersbemoeienis

    “[…] gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is. Bij het bepalen van de strategie van de vennootschap richt het bestuur zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Een aandeelhouder mag in beginsel zijn eigen belang tot richtsnoer nemen, waarbij de aandeelhouder zich wel moet gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 BW). Wat de redelijkheid en billijkheid vorderen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een aandeelhouder mag bij de uitoefening van zijn rechten het belang van de vennootschap in beginsel niet veronachtzamen, zo volgt uit artikel 2:8 BW. Ook de mate waarin een aandeelhouder rekening moet houden met andere belangen, hangt af van de omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid dient een aandeelhouder meer gewicht toe te kennen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid naarmate zijn invloed op de vennootschap en haar onderneming groeit en naarmate meer belangen van andere betrokkenen in het geding zijn. In bijzondere omstandigheden kan dit meebrengen dat een meerderheidsaandeelhouder het belang van de vennootschap dient te laten prevaleren boven zijn eigen belangen […]”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1007

  • Gerechtshof Amsterdam · 14 april 2026

    Stichting begraafplaats is zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap, geen burgerlijke stichting

    “De rechtbank heeft in de beschikking, voor zover relevant, (het bestuur van) de stichting niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek omdat de stichting moet worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap waarop de artikelen 2:8 en 2:294 BW niet van toepassing zijn en, op het tegenverzoek, voor recht verklaard dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de vorm van een publieke kerkelijke rechtspersoon als bedoeld in canon 116 paragraaf 1 van de CIC 1983.”

    r.o. 4.3

    “Met grief 1 bestrijdt het bestuur de vaststelling van de feiten. Uit deze grief volgt echter niet waarom de vastgestelde feiten onjuist zouden zijn, zodat deze grief faalt. Grief 2 kan niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, zoals volgt uit de beoordeling hierna. Met grieven 3 t/m 19 richt het bestuur zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de stichting moet worden beschouwd als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW, waarop de artikelen 2:8 en 2:294 BW – die ten grondslag liggen aan het verzoek van het bestuur – niet van toepassing zijn. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.”

    r.o. 5.3

    “Het hof is, op grond van het voorgaande, van oordeel dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K Kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW, en geen burgerlijke stichting in de zin van artikel 2:285 lid 1 BW. De artikelen 2:8 en 2:294 BW, die het bestuur ten grondslag heeft gelegd aan het verzoek tot wijziging van de statuten, zijn daarom niet van toepassing. De rechtbank heeft onder 5.23 daarom terecht geconcludeerd dat het verzoek van het bestuur van de stichting moet worden afgewezen. De grieven falen in zoverre. In haar beslissing heeft de rechtbank vervolgens onder 6.1 de stichting niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is geen grief gericht. Waar het aan de burgerlijke rechter is om te beoordelen of de stichting kan worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap (vgl. Hof Amsterdam, 30 juni 2020, GHAMS:2020:1834, (Maagdenhuis) rov. 3.7), moet het ervoor worden gehouden dat de stichting wel ontvankelijk was in haar verzoek. In zoverre kleeft er een gebrek aan de beslissing van de rechtbank. Nu dit geen gevolgen heeft, laat het hof dit verder rusten.”

    r.o. 5.14

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1043

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 april 2026

    Enquête: niet-ontvankelijkheid verzoek geschorste bestuurder en tegenverzoek bij ontbrekend belang

    “[…] hun betwisting van dit ontvankelijkheidsverweer er nog op dat de gang van zaken rondom de schorsing van [Bestuurder] en benoeming van Bogojević op 9 december 2025 onzorgvuldig is verlopen doordat [Bestuurder] niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a en b, BW in verbinding met art. 2:227 lid 7 BW) en dat hij niet is gehoord (art. 2:8 BW). Ook is de besluitvorming in de algemene vergadering van 23 december 2025 volgens [Bestuurder] onzorgvuldig verlopen doordat hij in verband met zijn ziekmeldingen onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen en gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord. In het midden kan blijven of dit betoog gegrond is – dit staat ter beoordeling van de civiele rechter. Indien gegrond zijn de besluiten tijdens de algemene vergaderingen van 9 en 23 december 2025 ten hoogste vernietigbaar en niet nietig. Voor de toepassing van het enquêterecht moet daarom ervan worden uitgegaan dat de besluiten de daarmee beoogde rechtsgevolgen hebben gehad zo lang zij niet zijn vernietigd. Dit brengt mee dat dit betoog niet kan leiden tot ontvankelijkheid van het […]”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1183

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 april 2026

    Enquête en schorsing bestuurder na gebrekkig besluit buiten vergadering en informatieverstrekking

    “Daar komt bij dat het hier gaat om een verzoek van minderheidsaandeelhouders die – anders dan de meerderheidsaandeelhouder – niet in het bestuur zijn vertegenwoordigd. Onder deze omstandigheden dient Digicorp uit eigen beweging en naar aanleiding van vragen van Momentum en/of Wonder ook buiten de algemene vergadering voldoende transparantie te betrachten, zo volgt uit artikel 2:8 BW (zie HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, Zwagerman en OK 31 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3921, Bosal). Digicorp dient Momentum en Wonder in beginsel ruimhartig van informatie te voorzien en hun vragen over het beleid en de gang van zaken te beantwoorden. In de onderhavige zaak lijkt het erop dat voor zover [bestuurder] /Inconet al informatie aan de minderheidsaandeelhouders heeft verstrekt, deze zodanig ondermaats was dat deze meer vragen opriep dan beantwoordde. De e-mail die [bestuurder] op 11 februari 2026 aan de andere aandeelhouders zond met willekeurige, niet toegelichte, bankafschriften die daarbij waren gevoegd, spreekt in dat verband boekdelen. Ook ter zitting heeft de beantwoording van vragen door [bestuurder] de verwarring over de gang van zaken geenszins doen afnemen.”

    r.o. 3.9

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1184

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 7 april 2026

    Enquêteverzoek joint venture afgewezen na belangenafweging ondanks onzorgvuldige schorsing en ontslag bestuurders

    “[…] en valse beschuldigingen. Schwarz Produktion tracht zich daarmee de waarde die besloten ligt in het patent van Blue Skies 1989, dat door MAC Beheer in de joint venture is ingebracht, volledig toe te eigenen. Meer specifiek komen deze bezwaren op het volgende neer: 1. Het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit zijn genomen in strijd met de statuten en de zorgvuldigheidsnorm van artikel 2:8 BW. Voor wat betreft het schorsingsbesluit geldt dat de schorsingsgronden niet vooraf met [oprichters M.A.C. Beheer] zijn gedeeld, niet duidelijk en deels gewoon onjuist zijn en, waar mogelijk, inhoudelijk weerlegd. Anders dan in het schriftelijke schorsingsbesluit is vermeld, heeft op 12 mei 2025 geen overleg plaatsgevonden tussen de bestuurders B van Blue Skies Group en [oprichters M.A.C. Beheer] . De uitkomst stond van tevoren al vast; de schorsing werd namelijk doelbewust ingezet als breekijzer om [oprichters M.A.C. Beheer] ertoe te bewegen het door Schwarz Produktion voorgestelde ‘settlement proposal’ te accepteren. 2. Voor het ontslagbesluit geldt dat (i) de oproepingstermijn van acht dagen voor de aandeelhoudersvergadering niet is nageleefd, (ii) het besluit buiten vergadering […]”

    r.o. 3.2

    “De schorsings- en ontslagbevoegdheid laat onverlet dat de aandeelhouders zich dienen te gedragen overeenkomstig de in artikel 2:8 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Deze eisen van redelijkheid en billijkheid worden in een joint venture als deze mede bepaald door de aard van de samenwerking die partijen zijn aangegaan. In de JVA zijn partijen overeengekomen dat deze gedurende de Initial Term slechts kan worden opgezegd in geval van een material breach van een verplichting uit de JVA en pas na ingebrekestelling met termijn van ten minste dertig kalenderdagen. Gebruikmaking van de schorsings- en ontslagbevoegdheid impliceert daarentegen de feitelijke beëindiging van de samenwerking met onmiddellijke ingang. Tegen deze achtergrond diende Schwarz Produktion (en dienden de door haar benoemde bestuurders B) zorgvuldigheid te betrachten bij uitoefening van de schorsings- en ontslagbevoegdheid. Die zorgvuldigheidsplicht ziet allereerst op het proces maar betreft ook de inhoud; beide kunnen niet altijd los van elkaar worden gezien.”

    r.o. 3.9

    “In deze zaak kan overigens in het midden blijven of het Schwarz Produktion er in wezen om te doen was gunstiger voorwaarden te verkrijgen dan oorspronkelijk overeengekomen. Ook indien Schwarz Produktion, zoals zij aanvoert, in de gegeven omstandigheden geen heil meer zag in de voortzetting van de samenwerking, lijkt de schorsing en het daarop volgend ontslag van [oprichters M.A.C. Beheer] als bestuurders niet te voldoen aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen die voortvloeien uit het bepaalde in artikel 2:8 BW. Hun schorsing (en het daarop volgende ontslag) als bestuurder van de BSG-dochterondernemingen vormt daarom een gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Blue Skies Group en de BSG-dochtervennootschappen.”

    r.o. 3.14

    ECLI:NL:GHAMS:2026:992

  • Gerechtshof Den Haag · 7 april 2026

    Vernietiging VvE-besluiten: termijn, e-mailoproeping en redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW)

    “De tweede pijler van het betoog van Badhuiskade is dat de op 28 november 2024 genomen besluiten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. De toetsingsmaatstaf ten aanzien van een besluit van een vergadering van eigenaars is of de vergadering van eigenaars bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit. Indien er een meerderheidseigenaar is eist de redelijkheid en billijkheid dat die rekening moet houden met de gerechtvaardigde belangen van de andere eigenaren. Besluit tot goedkeuring van de notulen van de vergadering van 7 november 2024”

    r.o. 6.9 · lid 1

    ECLI:NL:GHDHA:2026:558

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 maart 2026

    Enquête: afwijzing nadere onmiddellijke voorziening voor financiering cassatieberoep door ledenparlement

    “[…] heeft – samengevat – aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het interim-bestuur ten onrechte weigert om het ledenparlement in staat te stellen cassatieadvies in te winnen en cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 30 december 2025. Het standpunt van het interim-bestuur is volgens het ledenparlement niet in het belang van FNV en in strijd met de op grond van artikel 2:8 BW jegens het ledenparlement in acht te nemen zorgvuldigheid. Het interim-bestuur stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het ledenparlement niet bevoegd zou zijn om cassatieberoep in te stellen, omdat het per 31 december 2025 is opgehouden te bestaan en het ledenparlement als (voormalig) orgaan van FNV geen rechtspersoonlijkheid heeft en dus niet zelfstandig in rechte kan optreden. Het ledenparlement is in de procedure bij de Ondernemingskamer verschenen en kan daarom op grond van artikel 426 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) beroep in cassatie instellen van de beschikking van 30 december 2025. Daarnaast weigert het interim-bestuur ten onrechte om de kosten van het inwinnen van cassatieadvies en het voeren van de cassatieprocedure te voldoen. Het […]”

    r.o. 3.1

    “[…] en onzekerheid die de enquêteprocedure voor de vereniging en alle daaraan verbonden belanghebbenden heeft meegebracht, en dat het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van 30 december 2025 daarom niet in het belang van FNV is. Die afweging is goed te volgen en de Ondernemingskamer acht deze beslissing van het bestuur ook niet kennelijk onjuist of strijdig met de op grond van artikel 2:8 BW door het interim-bestuur jegens het (voormalig) ledenparlement in acht nemen zorgvuldigheid. Bij die stand van zaken kan niet worden aangenomen dat het treffen van de door het ledenparlement verzochte onmiddellijke voorzieningen vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. Het verzoek van het ledenparlement is daarom niet toewijsbaar.”

    r.o. 3.10

    ECLI:NL:GHAMS:2026:743

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 februari 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid van ALV-besluiten van een VvE: stookkosten, geluidsoverlast, lattenplafonds, windschermen

    “Een besluit van de algemene ledenvergadering van een vereniging van eigenaars is vernietigbaar wanneer het in strijd is met a) wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van een besluit regelen, b) de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of c) een reglement, niet zijnde het reglement dat ingevolge artikel 5:111 onder d BW is opgenomen in de splitsingsakte (artikel 2:15 BW in verbinding met artikel 5:124 BW en artikelen 5:129 lid 2 en 5:130 BW). Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt voor gevallen als dit dat de VvE en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken (de vergadering van eigenaars, het bestuur en de leden) zich tegenover elkaar moeten gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. Van vernietigbaarheid van een besluit is sprake als een besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de genoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf voor de rechter voor de inhoud van het besluit is of de algemene ledenvergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Stookkosten”

    r.o. 4.3 · lid 1

    “[…] een redelijke inschatting is van het gemeenschappelijke, van het gemeten individuele verbruik per woonruimte onafhankelijke deel van deze kosten, komt het hof gelet op het partijdebat aannemelijk voor. Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door de VvE gehanteerde percentage niet in strijd is met de wet in de zin van artikel 2:14 BW, noch onredelijk in de zin van artikel 2:8 BW en artikel 2:15 BW (vergelijk rechtsoverweging 4.2 en 4.3). De eerste grief slaagt dan ook niet. Geluidsoverlast”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:GHARL:2026:1066

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 februari 2026

    Enquête toegewezen: uitroken minderheidsaandeelhouder, commissaris en beheerder van aandelen benoemd

    “[…] te bewerkstelligen, zodat een constructie met een LTI (“langere termijn variabele beloning” zoals vastgelegd met behulp van de KPI’s) in dat geval nog minder voor de hand ligt. Alle hiervoor genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leiden het hof tot het oordeel dat de besluiten tot het vaststellen van deze KPI’s in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden vereist, zodat deze besluiten zullen worden vernietigd. In het dictum is dat vervolgens gebeurd.”

    r.o. 2.10

    ECLI:NL:GHAMS:2026:469

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 februari 2026

    OK wijst onmiddellijke voorzieningen af bij ontslag bestuurder door aandeelhouders

    “SemiBlocks, vertegenwoordigd door ICS, heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van SemiBlocks en dat de toestand van de vennootschap nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting heeft SemiBlocks – samengevat – aangevoerd dat (i) het ontslag van ICS als bestuurder niet in het belang is van SemiBlocks (ii) het ontslag strijdig is met de geldende governance en (iii) dat de aandeelhouders daarmee handelen in strijd met artikel 2:8 BW.”

    r.o. 3.1

    “Daarmee wordt toegekomen aan de beoordeling van het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen. De Ondernemingskamer stelt daarbij voorop dat indien, zoals hier, nog geen onderzoek is gelast, zij slechts onmiddellijke voorzieningen kan treffen indien naar haar voorlopig oordeel gegronde redenen bestaan te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van de vennootschap en er zwaarwegende redenen zijn die maken dat de toestand van de vennootschap het treffen van die onmiddellijke voorzieningen vereist. Verder geldt als uitgangspunt bij de beoordeling dat de algemene vergadering van SemiBlocks op grond van de wet (art. 2:244 BW) en de statuten (art. 17 lid 3) te allen tijde bevoegd is de bestuurder te ontslaan, tenzij dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 2:8 lid 2 BW).”

    r.o. 3.8 · lid 2

    ECLI:NL:GHAMS:2026:574

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 12 februari 2026

    OK gelast enquête en schorst COO; uitstotingsverzoek aangehouden

    “Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer voorlopig geen aanleiding. Met name is vooralsnog niet gebleken dat [aandeelhouder III Holding] het stemrecht op de door haar gehouden aandelen uitoefent in strijd met de eisen van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. De enkele omstandigheid dat [aandeelhouder III Holding] belangrijke besluitvorming zou kunnen blokkeren of vertragen gelet op de genoemde 75%-meerderheidseis uit de aandeelhoudersovereenkomst is onvoldoende om de aandelen van [aandeelhouder III Holding] over te dragen ten titel van beheer. Proceskostenveroordeling en aanhouding uitstotingsverzoek”

    r.o. 4.23

    ECLI:NL:GHAMS:2026:391

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 11 februari 2026

    OK wijst enquêteverzoek af in conflict tussen aandeelhouders-bestuurders apothekersgroep

    “Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (artikel 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.”

    r.o. 4.6

    “[…] de onderlinge relaties verharden. De stevige discussies en gespannen sfeer maken alleen niet dat de belangen van ZLH of van [aandeelhouder A] c.s. door het handelen van [aandeelhouder C] c.s. onnodig of onevenredig zijn geschaad. Het gedrag van [aandeelhouder C] c.s. is wellicht als minder prettig ervaren, maar dat levert nog geen strijd op met de zorgvuldigheidsnormen zoals bedoeld in artikel 2:8 BW.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:GHAMS:2026:316

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 11 februari 2026

    OK gelast enquête Nexperia; tegenstrijdig belang CEO en strategiewijziging

    “[…] in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming, door middel van duurzame lange termijn waardecreatie (vgl. OK 11 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3290, Centric Holding). De vennootschap heeft er bovendien een zelfstandig belang bij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.”

    r.o. 3.6

    “De omstandigheid dat de vennootschap een uitvoerend comité (hier het Executive Management Team) heeft gevormd, laat de taken en verantwoordelijkheden van bestuurders onverlet. De bestuurlijke verantwoordelijkheid houdt in dat geval mede in dat bestuurders zich in elk geval op hoofdlijnen op de hoogte stellen van de werkzaamheden van de leden van het uitvoerend comité. Vanwege zijn organisatorische verbondenheid met de vennootschap valt een lid van een uitvoerend comité in beginsel onder de reikwijdte van artikel 2:8 lid 1 BW. Dit brengt onder meer mee dat een lid van het uitvoerend comité tegenover de vennootschap is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak.”

    r.o. 3.8 · lid 1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:318

  • Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 10 februari 2026 · via art. 2:7 BWC (Curaçao)

    Aruba: afgifte jaarrekeningen en aandeelhouderschap bij niet-geleverde aandelen

    “Aandeelhouders moeten zich jegens elkaar gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (art. 2:7 lid 1 BW). Mede gelet daarop mag [geïntimeerde] er jegens [appellant] aanspraak op maken dat [appellant] zijn aandeelhoudersrechten niet langer uitoefent. Daarom heeft [appellant] sinds 2016 geen recht meer op de afgifte van jaarrekeningen. Uiteraard mag hij zijn recht om een schadestaatprocedure tegen [geïntimeerde] en [oprichter 1] te beginnen wel nog uitoefenen, maar het valt niet in te zien dat hij jaarrekeningen van 2016 of daarna nodig heeft om de schadestaat op te stellen voor de schadevergoeding waartoe [geïntimeerde] en [oprichter 1] bij vonnis van 23 maart 2011 veroordeeld zijn.”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:OGHACMB:2026:27

  • Gerechtshof Amsterdam · 27 januari 2026

    Geen onrechtmatig handelen bestuurder jegens investeerder die geen aandeelhouder of schuldeiser is

    “[appellant] heeft zich met grief 1 gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] . Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde 1] , zowel in zijn hoedanigheid van bestuurder van [geïntimeerde 2] als los daarvan juist wel onrechtmatig jegens hem gehandeld. [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde 1] het door [appellant] ingebrachte geldbedrag heeft gebruikt om de schulden van [bedrijf 1] uit de corona-periode weg te werken, met name de huurachterstand bij [geïntimeerde 1] zelf en de managementvergoeding, waarna de vennootschap werd leeggehaald en zonder noemenswaardige schulden kon worden gestaakt en de investering van [appellant] waardeloos werd. Dit terwijl [geïntimeerde 1] in december 2024 nog bereid was € 35.000,- voor de aandelen te betalen. Daarbij heeft [appellant] – bij de mondelinge behandeling in hoger beroep – het handelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] jegens hem tevens strijdig geacht met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW.”

    r.o. 6.6

    “Ook het hof komt echter tot het oordeel dat het door [appellant] beschreven handelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , hoe dit op zichzelf ook moet worden beoordeeld, in ieder geval niet als onrechtmatig handelen jegens [appellant] valt te kwalificeren. Partijen hebben ervoor gekozen [appellant] niet formeel bij [bedrijf 1] te betrekken. Hij is geen aandeelhouder van [bedrijf 1] , noch schuldeiser. De storting van € 20.000,- is agio op de aandelen van Uzuma, zoals ook de kantonrechter heeft overwogen. Voor zover het geld van [appellant] afkomstig is, maakt dit enkele feit nog niet dat hij met betrekking tot [bedrijf 1] rechtstreekse aanspraken heeft, dus ook niet op grond van artikel 2:8 BW. Grief 2 faalt derhalve. Gelet hierop kan grief 1 verder buiten bespreking blijven.”

    r.o. 6.8

    ECLI:NL:GHAMS:2026:286

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 januari 2026

    OK treft onmiddellijke voorzieningen bij transactie beursvennootschap met zustervennootschap van meerderheidsaandeelhouder

    “[…] te richten (artikel 2:129 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in artikel 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad (vgl. o.m. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, Cancun). In de Corporate Governance Code 2022 en 2025 is, in het verlengde van deze normen uit de jurisprudentie, bepaald dat bestuurlijk handelen gericht moet zijn op duurzame lange-termijn-waardecreatie. Het bestuur moet een visie vaststellen die daarop is gericht en een strategie formuleren die deze visie realiseert.”

    r.o. 4.11

    “Uit artikel 2:8 BW vloeit verder onder meer voort dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van de zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. In een situatie waarin minderheidsaandeelhouders tegenover een meerderheidsaandeelhouder staan, kan eerder dan in andere gevallen sprake zijn van de mogelijkheid van een vermenging van de belangen van de vennootschap en van de meerderheidsaandeelhouder, zodat er reden is daarop attent te zijn en met de nodige zorgvuldigheid te voorkomen dat ontoelaatbare verstrengeling van belangen ontstaat (vgl. o.m. HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, Zwagerman).”

    r.o. 4.13

    ECLI:NL:GHAMS:2026:118

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 15 januari 2026

    Enquête tweede fase: wanbeleid joint venture, ontnomen corporate opportunity, ontslag bestuurder en kostenverhaal

    “De omstandigheid dat Envig de kosten van installatie van de CFS-3000-units voor haar rekening heeft genomen en een uitgebreidere garantie heeft afgegeven op de werking van de units dan En-VFA in het eerste project had gedaan, vormen ten slotte ook geen redenen om op voorhand aan te nemen dat En-VFA de vervolgopdracht en de in dat kader gestelde voorwaarden niet had kunnen en willen aanvaarden. Artikel 2:8 BW”

    r.o. 6.31

    “Bij deze stand van zaken hadden [C] en [A] op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid die zij op grond van artikel 2:8 BW jegens En-VFA en [B] in acht dienen te nemen de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vervolgopdracht van Coastal Blooms moeten bespreken in het bestuur van En-VFA en in overleg met [B] moeten bezien of En-VFA die opdracht wilde en kon verkrijgen. In plaats daarvan hebben zij al in januari 2021 besloten En-VFA te laten “doodbloeden”, [B] daarvan met opzet onwetend gehouden en buiten haar zicht de vervolgopdracht van Coastal Blooms naar hun gezamenlijke vennootschap Envig (waarvan zij ook de gezamenlijk tot vertegenwoordiging bevoegde bestuurders waren) geleid. Deze gang van zaken is op zichzelf reeds strijdig met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Naar hierna zal worden toegelicht, hebben zij door zo te handelen En-VFA– mogelijk voor een aanzienlijk bedrag benadeeld ten gunste van Envig– en daarmee zichzelf. Nadeel”

    r.o. 6.32

    ECLI:NL:GHAMS:2026:289

  • Gerechtshof Amsterdam · 6 januari 2026

    VvE-besluit tot handhaving voorschotplicht deskundigenkosten bij uitbouw niet onredelijk

    “De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellanten] afgewezen en [appellanten] in de kosten van de procedure veroordeeld. De kantonrechter heeft daartoe onder verwijzing naar de artikelen 2:15 jo 2:8 BW en 5:121 BW onder meer overwogen, kort samengevat, dat niet kan worden geoordeeld dat de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en evenmin dat zij zonder redelijke grond als bedoeld in artikel 5:121 lid 1 BW het besluit heeft genomen om punt 15 van de verbouwingsovereenkomst te handhaven. In hoger beroep”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:GHAMS:2026:744

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 22 december 2017

    Intergamma

    Enquête Intergamma: gebrekkige besluitvorming overname Van Neerbos Groep, geen onmiddellijke voorzieningen

    “Naar het oordeel van de Ondernemingskamer heeft de raad van commissarissen daarmee blijk gegeven van een te beperkte opvatting van de ingevolge artikel 2:8 BW in acht te nemen zorgvuldigheid met betrekking tot de besluitvorming. Het project Guinness is een complexe transactie met de enig aandeelhouder van VNG, met een waarde van meer dan een half miljard euro (inclusief het vastgoed), resulterend in navenante risico’s en financieringslasten voor Intergamma, gepaard gaande met een ingrijpende wijziging van de structuur en de governance van de Intergamma-organisatie en met ingrijpende gevolgen voor haar franchisenemers. VNG en CRH enerzijds en Intergamma anderzijds hebben een tegenstrijdig belang bij de voorwaarden van de koopovereenkomst tussen CRH en Intergamma. Uit de ten behoeve van de besluitvorming door de raad van commissarissen opgestelde besluitvormingsnotitie (zie 2.14) blijkt bovendien dat in maart 2016 de door VNG benoemde commissarissen enkele malen met de (toenmalige) voorzitter van de raad van commissarissen hebben gesproken over de vraag of het vertrek van VNG als aandeelhouder/franchisenemer niet tot een voor beide partijen betere situatie zou kunnen leiden. Deze […]”

    r.o. 3.35

    ECLI:NL:GHAMS:2017:5354

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 29 mei 2017

    Elliott/AkzoNobel

    AkzoNobel/PPG: onmiddellijke voorzieningen in enquête afgewezen, bestuur behoudt primaat over strategie

    “Terecht heeft geen van partijen bestreden dat het bestuur van AkzoNobel (onder toezicht van de raad van commissarissen) zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming dient te richten, welk belang vooral bepaald wordt door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in artikel 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zie voor dit alles HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:799 (Cancun).”

    r.o. 3.12

    ECLI:NL:GHAMS:2017:1965

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 april 2026

    Vernietiging VvE-besluit over verduurzamingsscenario wegens strijd met redelijkheid en billijkheid afgewezen

    Een lid van een vereniging van eigenaars vroeg vernietiging van een ALV-besluit om een verduurzamingsscenario tot een detailplan uit te werken. Hij stelde dat de stemprocedure onduidelijk was en dat de financiële belangen onvoldoende waren meegewogen. Het hof toetst terughoudend aan artikel 2:15 jo. 2:8 BW via artikel 5:130 BW en bekrachtigt de afwijzing van het verzoek.

    ECLI:NL:GHARL:2026:2359

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 5 februari 2026

    Uitstoting aandeelhouder wegens onvoldoende openheid over sanctiekwesties; deskundige waardeert aandelen

    Een vennootschap verzocht de uitstoting van een buitenlandse aandeelhouder uit een dochteronderneming nadat de financier de financiering wilde beëindigen vanwege vragen over een dominante investeerder van die aandeelhouder. De OK oordeelt dat de aandeelhouder zich onvoldoende heeft ingespannen om openheid van zaken te geven, hetgeen de continuïteit van de onderneming acuut in gevaar brengt. De uitstoting wordt toegewezen, een deskundige waardeert de aandelen en de overdracht volgt bij voorlopige voorziening tegen een voorschot.

    ECLI:NL:GHAMS:2026:591

Rechtbanken (81)

  • Rechtbank Noord-Holland · 16 oktober 2026

    Kort geding: ontslag oprichter als STAK-bestuurder en geen herstel als bestuurder topholding

    “[…] feitelijkheden volgt dat [eiser] ook zelf ervan uitging geen bestuurder meer van [gedaagde 4] te zijn,  de bepalingen die betrekking hebben op het nemen van besluiten door het bestuur van [gedaagde 4] en de AVA in de statuten van [gedaagde 4] (artikel 11 lid 5 en artikel 18 van de statuten), is de voorzieningenrechter van oordeel dat (ook) de redelijkheid- en billijkheidsnorm van artikel 2:8 BW in de weg staat aan een succesvol beroep van [eiser] op het ontbreken van een conform de statuten van [gedaagde 4] formeel tot stand gekomen en vastgelegd besluit tijdens een vergadering van de AVA van [gedaagde 4] tot het ontslag van [eiser] als bestuurder dan wel het ontbreken van een door [eiser] opgesteld bericht of brief aan [gedaagde 4] waarin hij laat weten als bestuurder af te treden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond om [eiser] voorlopig in zijn positie als bestuurder van [gedaagde 4] te herstellen. Terugkeer van [eiser] in bestuur [gedaagde 1] ? Juridisch kader”

    r.o. 4.7

    “Naar gangbare uitleg is van gewichtige redenen sprake indien de aan de bestuurder verweten gedragingen en de daardoor ontstane situatie, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien meebrengen dat van [gedaagde 1] redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat de betrokkene nog langer als bestuurder aanblijft. Bij de beoordeling daarvan moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang worden meegewogen. De rechtsverhouding tussen [gedaagde 1] en haar bestuurders wordt daarbij mede beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Die bepaling verlangt dat degenen die bij de rechtspersoon zijn betrokken zich jegens elkaar gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Die norm wordt mede ingevuld door de aard van de rechtsverhouding, de wijze waarop de samenwerking is ingericht en de gerechtvaardigde verwachtingen die partijen redelijkerwijs over en weer mochten hebben.”

    r.o. 4.14

    ECLI:NL:RBNHO:2026:14236

  • Rechtbank Amsterdam · 8 oktober 2026

    VvE-besluit tot verwijdering te zware vloer: geen nietigheid of vernietigbaarheid

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement.”

    r.o. 4.2

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. Voor vernietiging van een besluit op deze grond is alleen plaats als de vereniging van eigenaars bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen, bijvoorbeeld als de meerderheid haar machtspositie misbruikt of op andere wijze onvoldoende rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van een minderheid. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:10086

  • Rechtbank Amsterdam · 7 oktober 2026

    Nietige aandeelhoudersbesluiten tot uitgifte en intrekking van aandelen in een B.V.

    “Dit geschil gaat in de kern over de wens van Bro-Founder1, Leslo en Vir Orientalis om de samenwerking met [eiser] te beëindigen. Wat voor reden zij daartoe ook hebben, de gekozen route van die beëindiging – intrekking van alle aandelen PMIR die bij de oprichting zijn uitgegeven en uitgifte van nieuwe aandelen PMIR zonder een aanbod aan [eiser] te doen – is in strijd met de statuten (artikelen 5 lid 2 en 7) en de wet (de artikelen 2:8 lid 1, 2:175, 2:206a en 2:208 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)). De hier genoemde besluiten van de aandeelhoudersvergadering van PMIR zijn daarom nietig (artikel 2:14 BW).”

    r.o. 4.2 · leden 1, 2

    ECLI:NL:RBAMS:2026:10340

  • Rechtbank Noord-Holland · 7 oktober 2026

    Onrechtmatige daad tussen 50%-aandeelhouders; directe schade; dividendbesluit en turboliquidatie afgewezen

    “[…] hiervan. De kennis en kwade opzet van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , de (feitelijke) bestuurders van HDT, hebben in het maatschappelijk verkeer ook te gelden als handelen van de rechtspersoon en moeten daarom ook aan HDT worden toegerekend. Zo hebben HDT c.s. in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm gehandeld en [gedaagde 2] in strijd met de op hem rustende verplichting van artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW). HDT c.s. zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade, dan wel subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking of meer-subsidiair vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde 2] van de verplichting dat hij bij gebruik van activa van MaMa Trading een vergoeding aan hem is verschuldigd, aldus [eiser] .”

    r.o. 3.2

    “[…] was geweest over het gebruik van de knowhow, goodwill en domeinnamen en daarvoor een redelijke prijs had betaald. [gedaagde 2] trekt via HDT wel profijt van het gebruik van de knowhow, goodwill en domeinnamen, zonder daarover transparant te zijn geweest tegenover [eiser] en zonder hem een redelijke vergoeding daarvoor te betalen. [gedaagde 2] heeft zodoende gehandeld in strijd met de in artikel 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid en met hun afspraken over de afwikkeling van de gezamenlijke vennootschap. Zo ga je niet met elkaar om. Dat gedrag is onder de geschetste omstandigheden onrechtmatig ten opzichte van [eiser] . Daarom is [gedaagde 2] gehouden de schade die [eiser] daardoor lijdt te vergoeden. Het verweer dat de door [eiser] gestelde schade zogeheten ‘afgeleide schade’ betreft – namelijk schade aan zijn aandelen in MaMa Trading die loopt via het vermogen van MaMa Trading – waarvan naar vaste rechtspraak een aandeelhouder geen vergoeding kan vorderen, wordt daarmee verworpen. In dit geval gaat het om schade die [eiser] niet via het vermogen van de vennootschap, maar rechtstreeks heeft geleden. Op de hoogte van de schadevergoeding zal de rechtbank verderop in dit […]”

    r.o. 4.14

    ECLI:NL:RBNHO:2026:13613

  • Rechtbank Overijssel · 6 oktober 2026

    Nietigheid VvE-besluiten: toestemming horeca in strijd met splitsingsakte en gezag van gewijsde

    “[…] van een meerderheidsbesluit buiten werking te stellen. Dat is reeds onherroepelijk beslist bij beschikking van de kantonrechter van 6 november 2023. De toevoeging dat het slechts een tijdelijke toestemming betreft, doet aan deze bevoegdheid niets af. Subsidiair stellen [verzoeker] en [verzoekster] dat de besluiten moeten worden vernietigd op grond van artikel 2:15 BW wegens strijd met artikel 2:8 BW. [verweerder] beschikt over een ruime meerderheid van stemmen binnen de VVE. Van die meerderheid maakt hij uitsluitend gebruik ter bescherming van zijn eigen commerciële belang, namelijk het voortzetten van een exploitatie waarvan inmiddels onherroepelijk is vastgesteld dat deze in strijd is met de splitsingsakte. Daarbij heeft [verweerder] geen rekening gehouden met de belangen van [verzoeker] en [verzoekster] bij naleving van de splitsingsakte en uitvoering van het arrest van het Gerechtshof.”

    r.o. 4.2

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.”

    r.o. 5.3

    ECLI:NL:RBOVE:2026:6221

  • Rechtbank Rotterdam · 23 september 2026

    Vernietiging VvE-besluiten verduurzaming en sancties: toetsing aan redelijkheid en billijkheid

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met het huishoudelijk reglement of de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.”

    r.o. 2.13

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich zodanig tegenover elkaar moeten gedragen naar wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Dit leidt tot het toetsingskader dat de vergadering van eigenaars bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het woord “zodanig” brengt mee dat in het toetsingskader moet worden betrokken de relatie tussen de vergadering van eigenaars en het betreffende lid, en dat vanwege het feit dat het om een verplicht lidmaatschap van een VvE gaat dat mee kan brengen dat een minderheid van de leden zich geconfronteerd kan zien met een door dat lid ongewenst besluit nu dit inherent is aan het democratische karakter van de VvE wat daarnaast meebrengt dat de minderheid zich in beginsel, ook al is ze het er niet mee eens, heeft te voegen naar het besluit. De besluiten van 24 maart 2025 zijn niet nietig”

    r.o. 2.14 · lid 1

    “[…] elk VvE-lid vrij om vragen te stellen, ook al zijn dat er veel. Dat er sprake is van extra kosten hierdoor is door VvE niet onderbouwd, ook is dat niet op andere wijze gebleken zodat aan dit argument voorbij wordt gegaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is hier, anders dan VvE aanvoert dan ook (nog) geen sprake van een strijd met de redelijkheid en billijkheid zoals opgenomen in artikel 2:8 BW. Laat onverlet dat [verzoekster] , gelet op wat onder 2.14 is overwogen, op een gegeven moment zich erbij neer zal moeten leggen dat de meerderheid van de leden vindt dat een te nemen besluit voldoende onderbouwd is en zich voldoende geïnformeerd acht. Het tweede besluit [verzoekster] ‘indien juridisch mogelijk aansprakelijk te stellen’ is voorbarig genomen. De formulering van het besluit toont al aan dat er nog geen sprake is van een daadwerkelijke overtreding, laat staan van concrete schade die VvE daardoor lijdt. Mocht daar in de toekomst onverhoopt wel sprake van zijn dan staat het VvE alsnog vrij daarover dan een besluit te nemen. Het is niet in redelijkheid en naar billijkheid dat al op voorhand te doen. Genoemde twee besluiten zullen dan ook worden vernietigd. De besluiten […]”

    r.o. 2.20

    ECLI:NL:RBROT:2026:12903

  • Rechtbank Rotterdam · 22 september 2026

    VvE-besluiten: negatieve besluiten, niet geagendeerde extra bijdragen vernietigd

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De besluiten zijn niet nietig”

    r.o. 2.13

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich zodanig tegenover elkaar moeten gedragen naar wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Dit leidt tot het toetsingskader dat de vergadering van eigenaren bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het woord “zodanig” brengt met zich mee dat in het toetsingskader moet worden betrokken de relatie tussen de vergadering van eigenaren en het betreffende lid, en dat vanwege het feit dat het om een verplicht lidmaatschap van een VvE gaat dat met zich mee kan brengen dat een minderheid van de leden zich geconfronteerd kan zien met een door dat lid ongewenst besluit nu dit inherent is aan het democratische karakter van de VvE wat daarnaast met zich meebrengt dat de minderheid zich in beginsel, ook al is ze het er niet mee eens, heeft te voegen naar het besluit.”

    r.o. 2.15 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:12871

  • Rechtbank Noord-Holland · 9 september 2026

    Bestuursbesluit tot opzegging commanditaire vennootschap vernietigd wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Het bestuursbesluit wordt wel vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist (artikel 2:15 lid 1 sub b BW).”

    r.o. 4.8

    “In artikel 2:8 lid 1 BW staat dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisaties zijn betrokken zich moeten gedragen naar wat door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Inco behoort tot de kring van betrokkenen die een beroep kunnen doen op artikel 2:8 BW. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.”

    r.o. 4.9 · lid 1

    ECLI:NL:RBNHO:2026:12213

  • Rechtbank Amsterdam · 8 september 2026

    VvE-besluit tot ontzegging gebruik appartement vernietigd wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement.”

    r.o. 4.2

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. Voor vernietiging van een besluit op deze grond is alleen plaats als de vereniging van eigenaars bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen, bijvoorbeeld als de meerderheid haar machtspositie misbruikt of op andere wijze onvoldoende rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van een minderheid. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:9075

  • Rechtbank Amsterdam · 7 september 2026

    Deadlock tussen 50/50-aandeelhouders over uitbreiding naar Duitsland; terughoudendheid voorzieningenrechter

    “[…] 1 van de managementovereenkomst (zie 2.3.1) noopt daar ook toe. Een verbod tot uitbreiding naar Duitsland is daarmee evident in strijd. [eisers] beroepen zich voorts op artikel 2:239 lid 5 BW. Het belang van de vennootschap zou mede het benutten van een concrete, goed voorbereide commerciële kans omvatten. In dat verband dient de weigerachtige houding van [naam 1] er, met een beroep op artikel 2:8 lid 2 BW, ook toe te leiden dat [eisers] de bevoegdheid krijgen om handelend op te treden zonder Defka’s statutair of contractueel vereiste goedkeuring en instemming. Een grammaticale interpretatie van het concurrentiebeding leidt er niet toe dat [eisers] geen concurrerende activiteiten in Duitsland mogen ontplooien. Het concurrentiebeding geldt immers alleen “anders dan in het belang van de Vennootschap”. [eisers] beroepen zich tot slot op artikelen 3:13 BW, 6:2 en 6:248 BW.”

    r.o. 3.3 · lid 2

    ECLI:NL:RBAMS:2026:9068

  • Rechtbank Amsterdam · 28 augustus 2026

    Vernietiging VvE-besluiten: jaarverslag vernietigd, bijdragebesluit nietig, geen besluit bij status quo

    “Een besluit genomen in de algemene ledenvergadering van een vereniging van eigenaars is op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (a), wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door 2:8 BW worden geëist (b), dan wel wegens strijd met een reglement (c).”

    r.o. 4.2

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die op grond van de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar als het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:9536

  • Rechtbank Rotterdam · 27 augustus 2026

    Kort geding: statutaire aanbiedingsregeling en verbod op ontslag bestuurder-aandeelhouder afgewezen

    “[…] situatie waarin een persoon zou kunnen worden aangemerkt als quasi-bestuurder, is gelet op de vereiste objectieve bepaalbaarheid en voorzienbaarheid van de situaties waarin de aanbiedingsclausule geactiveerd wordt een te onzekere omstandigheid. Ook voor zover een meer subjectieve uitleg van de clausule aan de orde is (in het kader van de verhouding tussen de aandeelhouders op grond van artikel 2:8 BW) leidt dit niet tot een andere uitkomst. Uit wat zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1] aanvoeren over de verhoudingen tussen (de onderliggende) partijen – namelijk dat zij hoofdzakelijk voor ogen hadden dat zij door de samenwerking gebruik konden maken van elkaars netwerk binnen hun groep, zij het voor toegang tot een specifieke markt of voor financiering – lijkt het belang van die samenwerking ook hoofdzakelijk te volgen uit het belang dat de joint-venture van [bedrijf 5] in handen zou blijven van dezelfde partijen en niet zozeer dat partijen beoogden dat [bedrijf 2] (of [bedrijf 1] ) dezelfde bestuurders moesten aanhouden bij die samenwerking. Niet voldoende aannemelijk dat [persoon E] of [persoon D] feitelijk bestuurder zijn”

    r.o. 5.8

    ECLI:NL:RBROT:2026:12375

  • Rechtbank Amsterdam · 19 augustus 2026

    Uitleg aandeelhoudersovereenkomst, statuten en vernietiging bezoldigingsbesluit zonder rechtspersoon in het geding

    “[…] betrekking tot het Bezoldigingsbesluit: I) Voor recht te verklaren dat het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 nietig is ex artikel 2:14 BW; II) Subsidiair, namelijk voor het geval de onder (I) gevorderde verklaring voor recht niet wordt toegewezen, voor recht te verklaren dat (i) het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vernietigbaar is ex artikel 2:15 lid 1 sub b juncto artikel 2:8 BW, althans vernietigbaar was ten tijde van de Vaststellingsovereenkomst, althans en op de datum van deze dagvaarding; en/of (ii) de via het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vermeend geldende regel dat [bedrijf 2] jegens [bedrijf 1] aanspraak kan maken op een hogere bezoldiging dan EUR 14.000 per maand (ook overigens) buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW; III) Meer subsidiair, namelijk voor het geval de onder (I) of onder (II) gevorderde verklaring voor recht niet wordt toegewezen, voor recht te verklaren dat het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vernietigbaar is ex artikel 2:15 lid 1 sub a BW, althans vernietigbaar was ten tijde van de Vaststellingsovereenkomst, althans op de datum van deze dagvaarding; Met […]”

    r.o. 4.1

    “Vogelgezang c.s. vorderen subsidiair een verklaring voor recht dat het Bezoldigingsbesluit vernietigbaar is of was op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW (strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW), dan wel dat de op grond van het Bezoldigingsbesluit geldende aanspraak op hogere bezoldiging buiten toepassing blijft. Meer subsidiair vorderen Vogelgezang c.s. een verklaring voor recht dat het Bezoldigingsbesluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW, waarin staat dat een besluit vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen.”

    r.o. 5.5

    “Ook de vordering om voor recht te verklaren dat de hogere bezoldigingsaanspraak op grond van het Bezoldigingsbesluit buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW is niet toewijsbaar. Mogelijke strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW had getoetst kunnen worden op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW, indien de vordering door of tegen [bedrijf 1] was ingesteld. Dat is niet gebeurd. Daarmee is toetsing aan artikel 2:8 BW in deze procedure niet aan de orde.”

    r.o. 5.7

    ECLI:NL:RBAMS:2026:8350

  • Rechtbank Den Haag · 12 augustus 2026

    Kort geding tegen opzegging verenigingslidmaatschap; toets aan artikel 2:8 BW en hoor en wederhoor

    “Bij de beoordeling of een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden geëist, komt het aan op de vraag of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de bij de vereniging betrokken personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5502, NJ 1987/959 (Vecolac)). Deze norm laat een zodanige marge dat de rechter niet al te snel - zeker niet wanneer het betrokken orgaan tegenstrijdige belangen heeft moeten afwegen - tot overschrijding daarvan kan besluiten (HR 21 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (KLM)). Toets aan redelijkheid en billijkheid”

    r.o. 4.12

    ECLI:NL:RBDHA:2026:22520

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 30 juli 2026

    Kort geding: medewerking ontslagen VvE-bestuurder aan bestuurswisseling en afgifte administratie

    “[bestuurder] stelt dat de genomen besluiten niet rechtsgeldig zijn omdat deze niet op de juiste wijze volgens artikel 32 lid 3 van het op de splitsing toepasselijke splitsingsreglement, zoals dat ingevolge de akte van splitsing luidt zijn geagendeerd. Er is volgens haar namelijk geen sprake van een “nauwkeurige schriftelijke opgave”, wat betekent dat het agendapunt moet zijn voorzien van een behoorlijke toelichting. De agendapunten ‘ontslag zittend bestuur’ en ‘benoeming nieuw bestuur’ zijn ingediend zonder enige nadere toelichting. Bovendien heeft er geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, wat in strijd is met artikel 2:8 BW. De rechtsgeldigheid van de aan de bestuurswisseling ten grondslag liggende besluiten moeten eerst door de kantonrechter worden beoordeeld alvorens daaraan feitelijk uitvoering wordt gegeven. Als de besluiten nietig zijn dan hebben deze immers nooit bestaan.”

    r.o. 5.13

    “Uit rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2027:3019)) volgt dat het bestuur op grond van artikel 2:10 BW verplicht is de administratie van de rechtspersoon te voeren en dat de gevoerde administratie toebehoort aan die rechtspersoon. Dit betekent dat als het bestuur wisselt, de administratie en alle bijbehorende documenten en gegevens aan het nieuwe bestuur moeten worden overgedragen. Dit leidt tot de conclusie dat een voormalig bestuurder in beginsel niet meer kan beschikken of zelfs toegang kan verkrijgen tot de administratie van een rechtspersoon. Ook uit artikel 2:8 lid 1 BW volgt dat nieuw gekozen bestuursleden door het oude bestuur in staat gesteld moeten worden hun taken naar behoren uit te oefenen. Dit impliceert dat er tussen [bestuurder] en de nieuwe bestuursleden een overdracht van alle informatie en stukken moet plaatsvinden, die het naar behoren uitoefenen van de bestuurstaken mogelijk maken.”

    r.o. 5.17 · lid 1

    ECLI:NL:RBZWB:2026:7230

  • Rechtbank Limburg · 29 juli 2026

    Vernietiging VvE-besluit kostenverdeling wegens strijd met redelijkheid en billijkheid afgewezen

    “Het verzoek van [verzoekende partij] strekt – samengevat – tot vernietiging van het besluit van de VvE om de rookgasafvoerkanalen van de woonruimtes te vervangen op kosten van de voltallige VvE en om voornoemd besluit van de VvE te schorsen totdat op het onderhavige verzoek onherroepelijk is beslist. Zij legt hieraan ten grondslag dat sprake is van strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).”

    r.o. 3.1

    “Aangezien met die nadere toelichting de vraag ter beoordeling voorligt of de met het besluit tot stand gekomen kostenverdeling ter vervanging van de rookgasafvoerkanalen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 BW, is de kantonrechter bevoegd van het verzoek kennis te nemen en is [verzoekende partij] ontvankelijk in haar verzoek (artikel 5:130 in samenhang gelezen met artikel 2:15 BW). Toetsingskader”

    r.o. 4.6

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW is een besluit vernietigbaar als het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. De wetsgeschiedenis geeft als toetsingsmaatstaf of een orgaan, in dit geval de ledenvergadering van de VvE, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (Kamerstukken II, 1984/1985, 17725, 7, p. 16). Enkel als kan worden aangenomen dat de VvE in redelijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen, is het besluit vernietigbaar. Het gaat daarbij om een marginale toetsing door de rechter. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid zijn afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen (Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, rov. 3.4.3.). Is het besluit vernietigbaar?”

    r.o. 4.7

    ECLI:NL:RBLIM:2026:6949

  • Rechtbank Amsterdam · 28 juli 2026

    Vernietiging VvE-besluit verduurzaming: marginale toets aan redelijkheid en billijkheid

    “Een besluit van een orgaan van een vereniging van eigenaars is kort gezegd vernietigbaar als het strijdig is met i) de wettelijke of statutaire bepalingen die de wijze van totstandkoming van besluiten regelen, ii) het reglement, of iii) met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBAMS:2026:7802

  • Rechtbank Rotterdam · 27 juli 2026

    VvE-weigering gebruik appartement door zorginstelling is geen vernietigbaar besluit

    “Op grond van artikel 5:130 lid 1 BW in samenhang met artikel 2:15 lid 1 sub b BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Er is geen sprake van een ‘besluit’”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:RBROT:2026:10158

  • Rechtbank Amsterdam · 22 juli 2026

    Prijs bij call optie in aandeelhoudersovereenkomst: geen derogatie door redelijkheid en billijkheid

    “[…] van de SSA en die de extreme gevolgen van de coronapandemie wegneemt. Daifuku moet dus een (veel) hogere aandelenprijs aan [eiser] betalen. Desondanks houdt Daifuku vast aan (een ongewijzigde vorm van) de prijsbepalingsregeling, waardoor Daifuku jegens [eiser] toerekenbaar tekortschiet, althans handelt in strijd met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW), althans misbruik van recht maakt en onrechtmatig handelt. [eiser] heeft berekend dat, na correctie, de prijs per aandeel € 96,48 (in plaats van € 40,69) zou moeten zijn. Dat resulteert er dan in dat [eiser] recht heeft op een nabetaling van € 3.138.187,50.”

    r.o. 3.2

    “[…] de EBITDA en cashpositie van [bedrijf 1] over de periode 2020 tot en met 2024 zijn uitgehold en licht dat als volgt toe. Op basis van beschikbare financiële gegevens van [bedrijf 1] is gebleken dat omzet en opbrengsten van [bedrijf 1] zijn terechtgekomen bij groepsvennootschappen van Daifuku, terwijl kosten van die vennootschappen voor rekening van [bedrijf 1] zijn gekomen. Op grond van artikel 2:8 BW en artikel 13.3 SSA mocht dit alleen onder redelijke en marktconforme voorwaarden, maar dat is niet gebeurd. Het gaat om activiteiten van [bedrijf 1] in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Beveiligingsdoorgangen die een dochteronderneming van [bedrijf 1] ([bedrijf 3] B.V., hierna: [bedrijf 3]) produceerde en installeerde voor klanten in de Verenigde Staten, konden vanaf 2020 alleen met een certificering van de Transportation Security Administration (hierna: TSA) worden geleverd. [bedrijf 3] heeft voor de TSA-certificering meer dan € 2,15 miljoen aan kosten gemaakt. Na verkrijging van die certificering eind 2022 werd de productie van de beveiligingsdoorgangen ondergebracht bij een Daifuku-groepsvennootschap (Daifuku North America, hierna: DNA). Ook heeft [bedrijf 3] veel […]”

    r.o. 4.18

    “[…] resultaten van [bedrijf 1] in de periode na 2022, maar die periode is niet relevant. Daarnaast kan in het midden blijven wat de waarde van de aandelen zou zijn geweest als deze in het economisch verkeer zouden zijn aangeboden, omdat de afgesproken prijsbepalingsregeling uit de SSA niet voorziet in een dergelijke manier (fair market value) van prijsbepaling. geen wanprestatie, strijd met artikel 2:8 BW, misbruik van recht of onrechtmatige daad”

    r.o. 4.21

    “[eiser] stelt dat Daifuku wanprestatie heeft gepleegd, in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW heeft gehandeld, misbruik van recht heeft gemaakt en onrechtmatig heeft gehandeld, omdat Daifuku vasthoudt aan (een ongewijzigde vorm van) de prijsbepalingsregeling uit artikel 17.1.2 SSA. Ook die grondslagen zullen worden afgewezen, omdat [eiser] is gebonden aan de afgesproken prijsbepalingsregeling. Daifuku mag dan ook nakoming van die regeling verlangen. proceskosten”

    r.o. 4.22

    ECLI:NL:RBAMS:2026:8200

  • Rechtbank Limburg · 22 juli 2026

    Artikel 2:8 lid 2 BW niet toepasbaar op stemmenvereiste artikel 5:140 lid 2 BW

    “OG Kwadraat betoogt dat deze voorwaarde op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 2 BW terzijde moet worden geschoven omdat een deel van de appartementseigenaars niet op de verzoeken van OG heeft gereageerd en zij anders nooit de benodigde goedkeuring kan verkrijgen. De kantonrechter volgt OG Kwadraat daarin niet.”

    r.o. 4.7 · lid 2

    “In artikel 2:8 BW staat: 1. Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. 2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:RBLIM:2026:7147

  • Rechtbank Gelderland · 21 juli 2026

    VvE-besluiten over reservefonds en lift-MJOP: geen vernietiging of nietigheid

    “[verzoeker] verzoekt primair om vernietiging van het genomen besluit. Volgens [verzoeker] is namelijk sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW/artikel 2:15 lid 1 sub b BW), strijd met de wet en de statuten (artikel 2:14 BW en artikel 5:126 BW) en van een ondeugdelijke afwijking van een vastgesteld uitvoeringsbesluit. Daartoe stelt [verzoeker] onder meer dat het besluit is genomen zonder deugdelijke technische of financiële onderbouwing, terwijl wordt afgeweken van een eerder door de ALV vastgesteld MJOP dat de wettelijke basis vormt voor het reservefonds.”

    r.o. 3.3

    “Ingevolge artikel 5:130 lid 1 BW in samenhang met artikel 2:15 BW kan een appartementseigenaar aan de kantonrechter verzoeken een besluit van een orgaan van de VvE te vernietigen. Artikel 2:15 lid 1 BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is (a) wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) wegens strijd met een reglement.”

    r.o. 4.5

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.”

    r.o. 4.6 · lid 1

    “Bij voornoemd oordeel acht de kantonrechter van belang dat de conditie van de liftinstallatie door VvE Belang tijdens haar inspectie als ‘goed’ is beoordeeld. Daarnaast is door de VvE benoemd dat de aanpassingen in het MJOP niet meebrengen dat bepaald onderhoud in het geheel niet meer zal worden uitgevoerd, maar slechts op een later moment. Door [verzoeker] is ook niet onderbouwd waarom direct onderhoud aan de liftinstallatie noodzakelijk is. Van belang is voorts dat hoewel door [verzoeker] op de ALV om aanhouding van het besluit is verzocht, niet is gebleken dat hij ten aanzien daarvan bijval van andere leden heeft gekregen en het besluit vervolgens met 79 stemmen voor en 1 stem tegen is aangenomen. Daarbij geldt bovendien dat door een van de belanghebbenden ( [belanghebbende 4] ) die ter mondelinge behandeling ook aanwezig was, uitdrukkelijk is bevestigd dat zij en ook andere leden van de VvE zich niet onvoldoende geïnformeerd achten en dat de besluitvorming zorgvuldig is verlopen. Strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW/ artikel 2:15 lid 1 sub b BW) is hier volgens de kantonrechter dan ook niet aan de orde.”

    r.o. 4.22

    ECLI:NL:RBGEL:2026:5955

  • Rechtbank Amsterdam · 16 juli 2026

    Inzagerecht gezamenlijk bevoegd bestuurder in administratie van twee vennootschappen

    “[eiser] vordert inzage in de administratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in zijn hoedanigheid van gezamenlijk bevoegd bestuurder. In die hoedanigheid heeft hij op grond van artikel 2:8, 2:9 en 2:10 BW een eigen, rechtens te respecteren belang. [eiser] hoeft daarbij niet letterlijk ‘in de hoedanigheid van bestuurder’ [gedaagde 1] in rechte te betrekken. Het beroep van [gedaagde 1] op artikel 2:239 lid 6 BW, dat er eerst door [gedaagde 2] een besluit had moeten worden genomen, gaat niet op. Die bepaling ziet op bestuursbesluitvorming, niet op het inzagerecht van (één van) de bestuurder(s).”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBAMS:2026:9124

  • Rechtbank Noord-Holland · 16 juli 2026

    VvE: nietig bestuursbesluit digitale eerste vergadering; vernietiging notulenbesluit wegens redelijkheid en billijkheid

    “In de zaak met zaak-/rekestnummer 12018281 \ EJ VERZ 25-64 verzoekt [verzoeker] dat de kantonrechter: primair: - het bestuursbesluit van 5 december 2025 vernietigt, subsidiair: - voor recht verklaart dat het bestuursbesluit van 5 december 2025 nietig is, meer subsidiair: - het bestuur verbiedt de aangekondigde digitale procedure toe te passen/herhalen en toekomstige ALV’s te beleggen zonder reglementswijziging en expliciete ALV-instemming per vergadering. uiterst subsidiair: bepaalt dat voor toekomstige digitale/hybride ALV’s cumulatief vereist is: - een reglementswijziging ex artikel 5:139 van het Burgerlijk Wetboek (BW), - ALV-instemming per vergadering, - procedurele waarborgen (identificatie, quorumcontrole, beraadslaging, stemverificatie), - materiële gelijkwaardigheid fysiek/digitaal (artikel 2:8/2:9 BW). en aanvullend: - het bestuur gelast toekomstige agenda-wijzigingen te melden conform artikel 33 lid 5 van het Modelreglement 1992; - het bestuur te veroordelen in de kosten van deze procedure.”

    r.o. 3.1

    “Op 6 januari 2026 heeft de algemene ledenvergadering de notulen van de vergaderingen van 12 november 2024 en 16 december 2024 vastgesteld. Dit is een besluit dat door de kantonrechter kan worden vernietigd wanneer de wijze van totstandkoming in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:RBNHO:2026:9777

  • Rechtbank Oost-Brabant · 16 juli 2026

    Vernietiging VvE-bestuursbesluit tot waarschuwing wegens onzorgvuldige totstandkoming

    “De kantonrechter is op grond van artikel 2:15 BW, in samenhang gelezen met artikel 5:130 BW, bevoegd een besluit van een orgaan van de VvE te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of de wijze van totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of het orgaan van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.”

    r.o. 4.6 · lid 1

    ECLI:NL:RBOBR:2026:5777

  • Rechtbank Midden-Nederland · 15 juli 2026

    Vernietiging ontslagbesluit statutair bestuurder wegens schending hoorplicht afgewezen

    “Artikel 2:15 BW bepaalt (voor zover hier van belang) dat een besluit van een orgaan van een vennootschap vernietigbaar is als het in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of als het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:RBMNE:2026:4781

  • Rechtbank Den Haag · 13 juli 2026

    Kort geding tussen aandeelhouders: schorsing ava-besluiten en schorsing als bestuurder afgewezen

    “Daartoe voeren [partij B] c.s. – samengevat – het volgende aan. Het besluit van de ava van 19 december 2025 om [partij B sub 1] haar titel als Algemeen Directeur te ontnemen is onrechtmatig omdat dit in strijd is met de samenwerkingsovereenkomst, maar ook met de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW)), de plicht tot behoorlijke taakvervulling door bestuurders (artikel 2:9 BW) en het verbod op misbruik van bevoegdheden (artikel 3:13 BW). Het besluit moet dan ook worden geschorst en de gevolgen daarvan moeten ongedaan worden gemaakt. [partij A sub 2] B.V. heeft daarnaast in strijd met wettelijke vereisten besloten zich een management fee uit te keren. Zij had op dit punt ook een tegenstrijdig belang. [partij B] c.s. hebben belang bij een verbod het doen van uitkeringen voor de toekomst. [partij B sub 1] heeft verder belang bij inzage in de bankafschriften van Marketing Strategies. Vermoedelijk is [partij B sub 1] op 20 juni 2026 door de ava geschorst als bestuurder van Marketing Strategies. Indien daarvan sprake dient het besluit geschorst te worden en dienen de bestuursbevoegdheden en – rechten van [partij B sub 1] te worden […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:RBDHA:2026:21811

  • Rechtbank Overijssel · 13 juli 2026

    Ontslag statutair bestuurder: schending raadgevende stem, voldongen feit, billijke vergoeding

    “[…] ontslag in vennootschapsrechtelijke zin is onderworpen aan de eisen die daaraan worden gesteld in boek 2 BW. Artikel 2:15 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat een besluit van een orgaan van een vennootschap vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Artikel 2:227 lid 7 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat bestuurders in de algemene vergadering van aandeelhouders een raadgevende stem hebben. Die raadgevende stem heeft de bestuurder ook in de algemene vergadering van aandeelhouders waar het gaat over zijn ontslag als bestuurder. Daarbij wordt algemeen aangenomen dat het uitbrengen van die raadgevende stem ook zin moet hebben. Onder “zinvol” verstaat de rechtbank in dit verband dat de bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld om zijn advies zodanig te motiveren dat van een gefundeerd advies sprake is. Daarnaast moet het advies nog reëel kunnen bijdragen tot de inhoud van het te nemen besluit. Het advies mag dus niet enkel nog voor de vorm worden uitgebracht, wat wel het geval is als het niets meer kan bijdragen aan de […]”

    r.o. 5.7

    ECLI:NL:RBOVE:2026:4528

  • Rechtbank Amsterdam · 10 juli 2026

    Nietig VvE-besluit dat vakantieverhuur toestaat in strijd met splitsingsakte

    “Als een besluit van de VvE in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dan is het besluit vernietigbaar (artikel 2:8 jo 2:15 lid 1 sub b BW). De vernietiging van een besluit geschiedt door een uitspraak van de kantonrechter. Deze toets is een marginale toets; het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. uitleg akte van splitsing”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBAMS:2026:7160

  • Rechtbank Overijssel · 8 juli 2026

    Schending non-concurrentiebeding aandeelhoudersovereenkomst; afgeleide schade aandeelhouders niet vergoedbaar (Poot/ABP)

    “Door eigen belang voorop te stellen, hebben zij gehandeld in strijd met artikel 2.5 van de aandeelhoudersovereenkomst en artikel 2:8 en 2:9 BW. SEKA en [partij B] zijn op die gronden schadeplichtig tegenover Synologies en [partij A] . De schade bestaat uit de mindere winstuitkering van Synologies en [partij A] . Ten aanzien van SEKA wordt aanspraak gemaakt op boete van € 500.000,00 (artikel 16.1 aandeelhoudersovereenkomst). Subsidiair wordt de schade bestaande uit verminderde winst gevorderd op grond van onrechtmatige daad.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBOVE:2026:4341

  • Rechtbank Midden-Nederland · 3 juli 2026

    Schorsing relatiebedingen aandeelhoudersovereenkomst op grond van artikel 2:8 BW

    “De advocaten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een vergelijking gemaakt met mensen die praten over de prijs van een stuk kaas, en nu weer over een auto. Die vergelijking snijdt geen hout. Uw onderlinge verhouding is namelijk een fundamenteel andere dan die van willekeurige personen die ergens over onderhandelen en het dan wel of niet eens worden. U heeft van alles met elkaar te maken. U bent medeaandeelhouders van [gedaagde sub 3] en u bent verschillende overeenkomsten met elkaar aangegaan: de aandeelhoudersovereenkomst en de managementovereenkomst. Daarom moet u over en weer rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Op grond van artikel 2:8 BW, maar ook op grond van artikel 6:2 en 6:248 BW. En daar komt bij, niet strikt juridisch maar meer moreel, dat u met zijn drieën mede-eigenaars bent van een kantoor met medewerkers en cliënten. Daar moet u met z’n drieën goed voor zorgen. En dat betekent dat u de belangen van die medewerkers en cliënten soms boven uw eigen belangen moet laten prevaleren.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:4249

  • Rechtbank Midden-Nederland · 1 juli 2026

    Kort geding: verbod algemene vergadering over ontslag bestuurder afgewezen, artikel 2:8 BW

    “Ik wijs vordering I (kort gezegd: een verbod op het houden van de algemene vergadering, dan wel [eiseres] dan te ontslaan of schorsen) af. Het is mij niet op voorhand duidelijk dat bij de oproep voor deze algemene vergadering of bij het enige agendapunt sprake is van schending van wettelijke of statutaire bepalingen, strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW of dat sprake is van misbruik van recht. Ik heb daarom geen reden om op voorhand al in te grijpen en deze algemene vergadering te verbieden. Zo’n ingrijpen vooraf in weerwil van de vennootschappelijke regels gaat erg ver, en zal een rechter alleen doen als de eiser met een heel stevig en duidelijk verhaal komt. Dat is hier zeker niet het geval. De onderbouwing in de dagvaarding is nogal beperkt. Er wordt verwezen naar afspraken waar niets over wordt gesteld (de zwarte passages) en er wordt voorbij gegaan aan de afspraken in de aandeelhoudersovereenkomst, waaruit niet volgt dat als [eiseres] vertrekt, zij iets van haar praktijk of een medewerker mag meenemen.”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:RBMNE:2026:4203

  • Rechtbank Midden-Nederland · 26 juni 2026

    Schorsing KNVB-besluit gemengd indelen amateurvoetbal afgewezen; toets artikel 2:15 en 2:8 BW

    “De KNVB is een vereniging en dus een rechtspersoon. Het gaat in dit kort geding om een besluit van de directeur-bestuurder amateurvoetbal van 16 juni 2025 (hierna: het bestuur en het besluit). Een besluit van een rechtspersoon is vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), als dat in strijd is met een reglement of als dat in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:RBMNE:2026:3685

  • Rechtbank Noord-Nederland · 19 juni 2026

    Verduurzamingsbesluiten VvE niet nietig of vernietigbaar; toets aan artikel 2:8 BW

    “[verzoeker] voert aan dat de besluiten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 lid 1 BW wordt geëist. Hij werpt op dat aanzienlijke bedragen worden besteed aan onderzoeken en adviezen, terwijl het verduurzamingsplan telkens wijzigt en onvoldoende inzichtelijk is welke energiebesparing realistisch mag worden verwacht en of de voorgenomen werkzaamheden binnen het begrote bedrag kunnen worden gerealiseerd. De terugverdientijd van de maatregelen is aldus [verzoeker] ook veel te lang en er moeten mogelijk ook nog kosten worden gemaakt voor brandwerende maatregelen. [verzoeker] meent dat de besluiten gelet op het enorme financiële belang en de gevolgen die deze voor hem hebben, (veel) te lichtvaardig zijn genomen. [verzoeker] berekent dat deze in een periode van twintig jaar een extra verplichting van circa € 52.614,39 voor hem meebrengen. Het belangrijkste bezwaar van [verzoeker] is dat een onevenredig groot deel van de kosten ten laste worden gebracht van de woningen en dat de garages te weinig moeten bijdragen. Dit is aldus [verzoeker] in strijd met de in artikel 23 Sr bepaalde verdeelsleutel, waarover reeds procedures bij de kantonrechter en het […]”

    r.o. 3.2 · lid 1

    “De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoeker] om de besluiten die de BALV op 23 maart 2026 heeft genomen, te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 lid 1 BW wordt geëist, ook af. De VvE onderzoekt al meerdere jaren of er energiebesparende maatregelen kunnen worden getroffen en vaststaat dat meer dan 90% van de leden zich tijdens die BALV voor de voorgestelde verduurzaming met een lening van het NWF heeft uitgesproken. De VvE heeft voldoende toegelicht en onderbouwd dat het voorstel aan de leden zorgvuldig is voorbereid en dat er voldoende en realistische, want op meerdere offertes en adviezen gebaseerde informatie aan de leden is gegeven, om over de wenselijkheid van de voorgestelde maatregelen en de financiering daarvan een afgewogen beslissing te kunnen nemen. Dat nog niet met zekerheid kan worden vastgesteld hoeveel energiekosten daarmee daadwerkelijk kunnen worden bespaard, is inherent aan het feit dat met prognoses moet worden gewerkt en dat kosten tijdens de uitvoering van een project onverhoopt hoger kunnen uitvallen dan verwacht, is eveneens een bekend gegeven. Dat de VvE nog geen besluit heeft genomen over eventuele […]”

    r.o. 4.4 · lid 1

    ECLI:NL:RBNNE:2026:3605

  • Rechtbank Midden-Nederland · 17 juni 2026

    VvE: geen besluit bij ontbrekende eenstemmigheid; vervangende machtiging achteraf

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig behalve wanneer uit de wet iets anders voortvloeit. Artikel 5:129 lid 1 BW bepaalt dat voor de toepassing van artikel 2:14 BW de akte van splitsing wordt gelijkgesteld met de statuten. Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Of een besluit nietig of vernietigbaar is hangt af van het antwoord op de vraag waarmee het besluit in strijd is. Als het besluit in strijd is met de wet, het splitsingsreglement, de openbare orde of de goede zeden is het besluit nietig. Besluiten in strijd met het huishoudelijk reglement of de redelijkheid en billijkheid zijn vernietigbaar.”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBMNE:2026:3528

  • Rechtbank Rotterdam · 17 juni 2026

    Ontheffing statutair quorum voor statutenwijziging vereniging op grond van redelijkheid en billijkheid

    “Op grond van artikel 2:8 lid 2 BW is een tussen een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie betrokken zijn krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”

    r.o. 4.1 · lid 2

    ECLI:NL:RBROT:2026:7721

  • Rechtbank Limburg · 15 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluit tot verhoging servicebijdragen afgewezen; toets redelijkheid en billijkheid

    “De kantonrechter stelt voorop dat vernietiging van een besluit van de VvE kan worden uitgesproken indien: het besluit in strijd is met de statutaire bepalingen (waaronder de bepalingen van de splitsingsakte en de daarvan deel uitmakende reglementen) die het tot stand komen van besluiten regelen; voor het overige leidt strijd met de statuten blijkens artikel 2:14 BW tot nietigheid van het besluit; het besluit is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de VvE en degenen die krachtens de wet en statuten bij haar organisatie zijn betrokken, jegens elkander in acht moeten nemen bij hun gedragingen (art. 5:130 BW jo art. 2:15 BW jo art. 2:8 BW). Oproeping eigenaren”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBLIM:2026:5256

  • Rechtbank Noord-Holland · 10 juni 2026

    Kort geding: ordemaatregelen, schorsing bestuurders en stemrecht meerderheidsaandeelhouder afgewezen

    “[…] 2:239 lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW) en moet daarom worden geschorst als bestuurder voor de duur van een nog te voeren bodemprocedure. Daarnaast dient het stemrecht van [gedaagde 2] als aandeelhouder te worden geschorst, of ten titel van beheer aan een onafhankelijke derde te worden overgedragen, voor de duur van een nog te voeren bodemprocedure. [gedaagde 2] heeft immers niet conform artikel 2:8 BW jegens [eiser] als minderheidsaandeelhouder gehandeld. Hij dreigt zijn positie als meerderheidsaandeelhouder te misbruiken door telkens in strijd met de wet en de statuten te handelen, aldus [eiser].”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBNHO:2026:6715

  • Rechtbank Rotterdam · 10 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluit over verdeling Tegemoetkoming Tijdelijke Blokverwarming; marginale toets redelijkheid en billijkheid

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het oordeel: besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid”

    r.o. 2.10

    ECLI:NL:RBROT:2026:6890

  • Rechtbank Limburg · 9 juni 2026

    Kort geding: schorsing opzegging verenigingslidmaatschap na overschrijding beroepstermijn interne Commissie van Beroep

    “[…] verder geen reëel uitzicht wanneer een nieuwe Commissie van Beroep wordt benoemd en het kan nog lang duren voor er een beslissing op het beroep van [eiser] komt. Gedurende al die tijd kan [eiser] geen gebruik maken van zijn lidmaatschapsrechten. De wet en de statuten van [gedaagde] bieden geen oplossing voor een situatie als de onderhavige. Op grond van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW kan deze situatie richting [eiser] niet in stand blijven, zo stelt hij. Dit klemt temeer nu in het schorsingsbesluit van 20 december 2025 de Commissie van Beroep woordelijk heeft opgenomen dat [eiser] van de overschrijding van de beroepstermijn geen nadeel mag ondervinden, hetgeen nu dus wel aan de orde is. Standpunt [gedaagde]”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBLIM:2026:5451

  • Rechtbank Limburg · 9 juni 2026

    Schorsing bij ordemaatregel van opzegging verenigingslidmaatschap wegens overschreden beroepstermijn

    “[eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij zijn vordering, daar de termijn van zes weken waarbinnen de Commissie van Beroep dient te beslissen op het beroepschrift van [eiser] van 26 november 2025 op zijn laatst is verstreken op 9 maart 2026. Bij het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding was nog onzeker of bij de verkiezing op 18 mei 2026 een nieuw bestuur gekozen zou worden. De benoeming van een Commissie van Beroep moet nog plaats vinden en het kan nog lang duren voor er een beslissing op het beroep van [eiser] komt. Gedurende al die tijd kan [eiser] geen gebruik maken van zijn lidmaatschapsrechten. De wet en de statuten van [gedaagde] bieden geen oplossing voor een situatie als de onderhavige. Op grond van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW kan deze situatie richting [eiser] niet in stand blijven, zo stelt hij. Standpunt [gedaagde]”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBLIM:2026:5459

  • Rechtbank Noord-Holland · 4 juni 2026

    Kort geding tegen voorgenomen ontslag stichtingsbestuurder door raad van toezicht afgewezen

    “[eiseres] legt aan de vordering -samengevat- het volgende ten grondslag. De bevoegdheid van de raad van toezicht om haar als bestuurder te ontslaan wordt begrensd door het belang van HGH en de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. De raad van toezicht kon in dit geval niet in redelijkheid tot het voorgenomen ontslagbesluit komen. [eiseres] is immers een goed functionerende bestuurder en HGH draait operationeel goed. Het communicatie- en rolconflict tussen [eiseres] en de raad van toezicht dat aan het voorgenomen ontslagbesluit ten grondslag ligt was al afgehandeld door het besluit van de raad van toezicht om zelf af te treden. Om dit nu alsnog als ontslaggrond te gebruiken is inconsistent, onzorgvuldig en in strijd met de in art 2:8 BW en de taaknorm van artikel 2:292a BW, aldus [eiseres]. De raad van toezicht handelt niet in het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie en heeft niet alle in aanmerking komende belangen naar de in art. 2:8 voorgeschreven redelijkheid en billijkheid afgewogen. Daarnaast zijn de aangevoerde ontslaggronden ondeugdelijk. Het conflict en de ontstane vertrouwensbreuk is immers mede veroorzaakt door de raad van […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:RBNHO:2026:6929

  • Rechtbank Oost-Brabant · 3 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid jegens minderheidsaandeelhouder na wanbeleid; verrekeningen en tegenstrijdig belang; bewijsopdracht

    “[…] zij samen met familieleden ook (indirect) aandeelhouder in [A] . Ook [eiseres] was in de betreffende periode aandeelhouder van [A] . Zij bezat 16,66% van de aandelen. De aandeelhouder van [eiseres] , [B] , is een neef van [gedaagde 2] . In deze procedure vordert [eiseres] vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het geconstateerde wanbeleid. Zij doet een beroep op artikelen 2:8, 2:9, 2:239 lid 6 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders een zorgvuldigheidsnorm jegens [eiseres] als minderheidsaandeelhouder hebben geschonden en dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ter toelichting op haar vordering verwijst [eiseres] onder meer naar het oordeel van de Ondernemingskamer. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij een aantal bestuurshandelingen in strijd met artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en 2:239 lid 6 BW hebben gehandeld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een door hen jegens [eiseres] in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm geschonden en hen kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Voor wat betreft het […]”

    r.o. 1.1

    “[eiseres] legt onder meer aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiseres] onrechtmatig hebben gehandeld, meer in het bijzonder hebben zij gehandeld in strijd met hun zorgplicht als bedoeld in artikel 2:8 BW in samenhang met artikel 2:9 BW. Daarnaast wijst [eiseres] op de bijzondere zorgplicht zoals geformuleerd in artikel 2:239 BW en op de groepsaansprakelijkheid zoals geformuleerd in artikel 6:166 BW. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] treft van hun handelen een persoonlijk ernstig verwijt omdat zij stelselmatig op basis van een vooropgezet plan [eiseres] als aandeelhouder van [A] hebben getroffen, onder bevoordeling van de aan hen gelieerde vennootschappen, [L] en [M] . [A] was een winstgevende onderneming totdat de familie [familienaam gedaagde 2] ruzie kreeg en [L] aan [D] en [gedaagde 2] werd toegedeeld. Daarna werd [B] feitelijk buitenspel gezet, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wilden [B] niets meer betalen. Thans is [A] ontbonden, bezit geen activa meer en de ondernemingsactiviteiten zijn gestaakt. Niet valt te verwachten dat de vereffenaar nog zal kunnen vereffenen, waardoor [eiseres] definitief haar schade als aandeelhouder heeft geleden.”

    r.o. 4.2

    “[eiseres] heeft, als minderheidsaandeelhouder van [A] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als (voormalig) bestuurders aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van hun handelen. Zij doet daarbij onder meer een beroep op artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en 2:239 lid 2 BW. Met het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van wanbeleid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] staat hun aansprakelijkheid jegens [eiseres] voor de door hen verrichtte handelingen niet al vast. De rechtbank moet hierover een eigen afweging maken. Het oordeel van de Ondernemingskamer moet bij deze afweging wel in aanmerking worden genomen en kan, mede gelet op de inhoud van het onderzoeksrapport en het in de procedure bij de Ondernemingskamer gevoerde debat, bewijsrechtelijke betekenis hebben.”

    r.o. 5.2

    “[…] tegenover de door hem bestuurde vennootschap wordt mede het belang van die vennootschap en de daarmee verbonden onderneming gediend omdat daardoor wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Gezien de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap, brengen de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat de hoge drempel van art. 2:9 BW overeenkomstig van toepassing is bij een door een individuele aandeelhouder tegen een bestuurder aanhangig gemaakte aansprakelijkheidsprocedure.”

    r.o. 5.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBOBR:2026:3929

  • Rechtbank Den Haag · 28 mei 2026

    Kort geding: schorsing bestuurder en verbod uitoefening prioriteitsrechten wegens schuld aan vennootschap

    “[…] als schuldenaar van [bedrijfsnaam] B.V. Gelet op de verwevenheid van de belangen van heer [gedaagde ] als prioriteitsaandeelhouder en schuldenaar van [bedrijfsnaam] B.V. kan een hoge(re) mate van zorgvuldigheid worden verlangd bij de besluitvorming door hem als enig prioriteitsaandeelhouder. Naar het voorlopig oordeel van het hof voldoet het bestreden besluit niet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW: de vergadering van prioriteitsaandeelhouders, bestaande uit de heer [gedaagde ] als enige prioriteitsaandeelhouder, heeft in het licht van alle hiervoor genoemde belangen naar redelijkheid en billijkheid niet tot het bestreden besluit kunnen komen, dat immers tot gevolg heeft dat de rechtmatige belangen van [bedrijfsnaam] B.V. worden gefrustreerd. Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk dat het bestreden besluit door de bodemrechter zal worden vernietigd. De (primaire) vordering tot schorsing van het besluit van de vergadering van prioriteitsaandeelhouders van [bedrijfsnaam] B.V. van 23 maart 2023 is om die reden toewijsbaar.” (randnummer 4.15) “Een bestuurder moet zich bij het vervullen van zijn taak richten naar het belang van de vennootschap. (…) De heer [gedaagde ] heeft […]”

    r.o. 2.8

    “[…] gedaan. Integendeel, hij heeft maatregelen getroffen in de vorm van voornoemd prioriteitsaandeelhoudersbesluit en voornoemde deelbesluiten, die [eiseres sub 1] hebben belet namens [bedrijfsnaam] B.V. executiemaatregelen te treffen. In kort geding en in de bodemprocedure is geoordeeld dat (in ieder geval) het prioriteitsbesluit en ook deelbesluit 2 niet voldoen aan de gedragsnorm van artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek. Inmiddels heeft het hof Den Haag bij arrest van 24 februari 2026 het eerste door de rechtbank tussen partijen gewezen vonnis bekrachtigd, en het heeft [gedaagde ] veroordeeld tot betaling van een nog hogere geldsom aan [bedrijfsnaam] B.V. dan de rechtbank had toegewezen. Ook van nakoming van deze uitspraak is het, ondanks de uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan, niet gekomen, zelfs niet deels. Hoewel het prioriteitsbesluit van 23 maart 2023 is geschorst en daarna vernietigd, geeft de vrees van [eiseres sub 1] c.s. dat [gedaagde ] (nogmaals) misbruik zal maken van zijn bevoegdheden als bestuurder en prioriteitsaandeelhouder door (soortgelijke) besluiten te nemen om aan de veroordeling te ontkomen, althans om deze op de lange baan te schuiven, hen een […]”

    r.o. 4.5

    “Op grond van a) de eerdere (vernietigde) besluitvorming door [gedaagde ] , b) de bestuurlijk impasse binnen [bedrijfsnaam] B.V. en c) het uitblijven van enige betaling op grond van de gerechtelijke uitspraken, bestaat bij [eiseressen] c.s. de – naar het oordeel van de voorzieningenrechter – gerechtvaardigde vrees dat [gedaagde ] zijn bevoegdheden als bestuurder en prioriteitsaandeelhouder van [bedrijfsnaam] B.V. zal aanwenden om verdere executiemaatregelen jegens hem in privé te frustreren. De redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek, die [eiseres sub 1] als certificaathouder en bestuurder, de STAK als aandeelhouder en [gedaagde ] als prioriteitsaandeelhouder en bestuurder bindt (en beschermt), dwingt er dan ook toe dat de bevoegdheden van [gedaagde ] hem worden ontnomen zolang hij een substantiële (opeisbare) schuld aan [bedrijfsnaam] B.V. heeft.”

    r.o. 4.7

    ECLI:NL:RBDHA:2026:15713

  • Rechtbank Amsterdam · 27 mei 2026

    Vernietiging en nietigheid VvE-besluiten; toetsing aan artikel 2:8 BW afgewezen

    “Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is in beginsel nietig als zij in strijd is met de wet of statuten. Een besluit van een vereniging van eigenaars is vernietigbaar als het strijdig is met i) de wettelijke of statutaire bepalingen die de wijze van totstandkoming van besluiten regelen, ii) het reglement, of iii) met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5410

  • Rechtbank Amsterdam · 22 mei 2026

    Vernietiging VvE-besluit tijdelijke bestemmingswijziging horeca afgewezen: geen strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Een besluit van een vereniging van eigenaars is vernietigbaar als het strijdig is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Daarbij moet de kantonrechter toetsen of de vergadering van eigenaars bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing door de rechter.”

    r.o. 1.5

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5421

  • Rechtbank Den Haag · 20 mei 2026

    Vve-besluiten: herbevestiging benoeming bestuurder, incassomandaat en additionele bijdrage niet nietig of vernietigbaar

    “Op grond van artikel 5:130 lid 1 BW, te lezen in verbinding met de artikelen 2:15 lid 1 en 2:8 BW, kan de kantonrechter een besluit van de vve vernietigen als het besluit: (a) tot stand is gekomen in strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) wat de wijze van totstandkoming betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, (c) wat de inhoud van het besluit betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.”

    r.o. 4.16

    ECLI:NL:RBDHA:2026:14519

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 mei 2026

    VvE-besluiten: nietigheid financieel overzicht, geen besluit, vervangende machtigingen afgewezen

    “Een besluit is op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met het huishoudelijk reglement. Financieel overzicht”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBZWB:2026:4840

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 mei 2026

    Kort geding: verkoop dochteraandelen door holding zonder unanimiteit minderheidsaandeelhouders toegestaan

    “[…] artikel 3 lid 3 aanhef en sub b van de aandeelhoudersovereenkomst met meerderheid van stemmen in de AVA worden genomen nu de bestuurders en aandeelhouders dezelfde personen zijn. Dat zou dit artikel zinledig maken. Daarnaast is het besluit tot verkoop van de aandelen van Apcon Groep in Apcon Adviesbureau gelet op de inleidende bepalingen in de aandeelhoudersovereenkomst in strijd met artikel 2:8 BW, op grond waarvan aandeelhouders zich jegens elkaar op grond van de redelijkheid en billijkheid hebben te gedragen naar het belang van de vennootschap. [eisende partij 1] en Camco zijn in 2021 toegetreden als aandeelhouders van Apcon Groep met als intentie om voor lange tijd werkzaam te zijn voor de onderneming en deze voort te zetten met [gedaagde partij 3] (ieder voor 33,33%) na het per 1 januari 2027 verwachte uittreden van Chiarezza en Case als aandeelhouders. Zij worden nu geconfronteerd met een gedwongen overname veroorzaakt door medeaandeelhouders die kort voor hun pensioen middels een sluwe manier flink willen ‘cashen’. Daarmee plaatsen Case c.s. het belang van zichzelf als aandeelhouder geheel boven het belang van de vennootschappen in de groep. Bovendien moeten zij als […]”

    r.o. 5.3

    “[…] verkoop. Door het besluit te nemen tot verkoop van de aandelen in Apcon Adviesbureau hebben Case c.s. niet gehandeld in strijd met de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst van Apcon Groep en ook niet met de statuten van Apcon Adviesbureau nu dat besluit niet is genomen als bestuur van Apcon Adviesbureau maar als besluit van het bestuur van Apcon Groep. Er is geen sprake van schending van 2:8 BW of van handelen in strijd met het vennootschapsrechtelijk belang. Case c.s. hebben juist vanaf het begin open kaart gespeeld en geprobeerd [eisende partij 1] en Camco bij het verkoopproces te betrekken. Vervolgens is de verkoop in de AVA besproken en heeft iedere aandeelhouder zijn stem uitgebracht. Zowel vennootschapsrechtelijk als contractueel is vastgelegd dat de meerderheid van de aandeelhouders van Apcon Groep tot verkoop kan beslissen. De omstandigheid dat dezelfde personen bestuurder en aandeelhouder zijn maakt daarin geen verschil. Case c.s. hebben als aandeelhouder en bestuurder van Apcon groep besloten tot verkoop in het belang van Apcon Groep en niet (indirect) in hun persoonlijk belang. Overwegingen voorzieningenrechter”

    r.o. 5.4

    “Statuten, neergelegd in een notariële akte dienen te worden uitgelegd op grond van de bewoordingen van de bepalingen, bezien in onderling verband en samenhang. De statuten van Apcon Groep of Apcon Adviesbureau bevatten geen bepalingen die gelet op de bewoordingen ervan de AVA en het bestuur van Apcon Groep verbieden de in geding zijnde besluiten te nemen. [eisende partij 1] en Camco hebben dat ook niet, althans niet gemotiveerd bepleit. Zij wijzen op hun uitleg van de aandeelhoudersovereenkomst van Apcon Groep en artikel 2:8 BW.”

    r.o. 5.6

    “[…] partijbedoeling volgt uit de bewoordingen van de aandeelhoudersovereenkomst, in onderling verband en samenhang bezien, en gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend, is met Case c.s. van oordeel dat de in geding zijnde besluiten niet in strijd met statuten, aandeelhoudersovereenkomst of artikel 2:8 BW zijn, en overweegt daartoe het volgende.”

    r.o. 5.10

    ECLI:NL:RBZWB:2026:6396

  • Rechtbank Gelderland · 13 mei 2026

    VvE: nietigheid herhaald besluit jaarstukken en decharge; Titel 9 Boek 2 niet van toepassing

    “Vast staat dat de VvE tot september 2020 de bijdragen feitelijk op basis van gelijke delen heeft geïnd, terwijl vanaf die datum en gedurende het gehele boekjaar 2021 de inning heeft plaatsvonden volgens de verdeelsleutel uit de splitsingsakte. Geen van de relevante grieven van verzoekers ten aanzien van de jaarstukken 2021 kan leiden tot de conclusie dat het besluit van de vergadering van eigenaars tot goedkeuring van die jaarstukken nietig dan wel vernietigbaar is. Hiervoor is redengevend dat gedurende het gehele kalenderjaar 2021 is geïnd overeenkomstig de splitsingsakte. Voor het treffen van enige voorziening of het opnemen van een vermelding van de gevolgen van de beschikking van het gerechtshof bestaat geen aanleiding. Voor het oordeel dat het besluit tot dechargeverlening aan het bestuur ten aanzien van het boekjaar 2021 nietig of vernietigbaar is bestaat evenmin enige grond. Een zodanig besluit is niet in strijd met de wet of de splitsingsakte, evenmin is sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Conclusie en proceskosten”

    r.o. 4.12

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3760

  • Rechtbank Noord-Holland · 6 mei 2026

    Nietig benoemingsbesluit voorzitter vereniging; geen rectificatie handelsregister via civiele rechter

    “Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon (zoals een vereniging) dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig tenzij uit de wet anders voortvloeit. Een besluit is vernietigbaar als het strijdig is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:RBNHO:2026:4892

  • Rechtbank Midden-Nederland · 4 mei 2026

    Kort geding: besluit KNVB wedstrijd met niet-speelgerechtigde speler niet over te laten spelen

    “Het gaat in dit kort geding om een besluit van een rechtspersoon. Namelijk het besluit van 8 april 2026 van het competitiebestuur betaald voetbal (hierna: het competitiebestuur). Het competitiebestuur is een orgaan van de KNVB en is belast met de vaststelling van en het toezicht op wedstrijden in de mannen eredivisie en eerste divisie. Een besluit van een rechtspersoon is vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als dat in strijd is met een reglement of als dat in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het besluit is niet in strijd met een reglement”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:RBMNE:2026:2166

  • Rechtbank Gelderland · 1 mei 2026

    Schorsing sluitingsbesluit schoolbestuur; ouders geen belanghebbende ex artikel 2:8 en 2:15 BW

    “Voor de vraag of een besluit op grond van artikel 2:15 BW vernietigd kan worden omdat het besluit is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist, geldt eveneens de norm of het besluit in redelijkheid genomen had kunnen worden. Voor zover de ouders c.s. zich hierop heeft willen beroepen, deze grondslag is door hen niet aangevoerd, geldt het volgende. In artikel 2:8 BW staat (lid 1) dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd en dat (lid 2) een tussen hen geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De vraag is of ouders in een rechtsbetrekking tot Groeisaam staan als in artikel 2:8 lid 1 BW bedoeld. Daarvoor is vereist dat zij krachtens de wet en de statuten bij Groeisaam zijn betrokken. Voor de ouder c.s. geldt dat zij als contractspartij van Groeisaam geen rechten ontlenen aan artikel 2:8 BW. Hen komt daarom geen beroep toe op artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Ook hier geldt dat een ander […]”

    r.o. 4.13 · lid 1

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3490

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 22 april 2026

    Vernietiging besluiten VvE-vergadering: artikelen 2:15, 2:8 en 2:48 BW, kascommissie

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement.”

    r.o. 4.7

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. De toetsingsmaatstaf is de vraag of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit is een marginale toets. De enkele omstandigheid dat een ander besluit ook mogelijk was geweest of wellicht zelfs wenselijker, maakt nog niet dat het genomen besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Uit vaststaande jurisprudentie volgt dat een VvE een bepaalde mate van vrijheid heeft om besluiten te nemen. Dit hangt samen met de democratische gedachte binnen een VvE, namelijk dat een besluit altijd wordt (aan)genomen met een meerderheid van stemmen. De minderheid die het niet eens is met het besluit, moet zich daarnaar schikken. Dat is alleen anders als de kantonrechter van oordeel is dat het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het gaat dus niet om een open belangenafweging, maar om de vraag […]”

    r.o. 4.8 · lid 1

    ECLI:NL:RBZWB:2026:3370

  • Rechtbank Rotterdam · 17 april 2026

    Kort geding: medewerking afwikkeling gestaakte tandartspraktijk op grond van artikel 2:8 BW

    “[bedrijf 1] vordert dat [bedrijf 2] wordt veroordeeld om mee te werken aan de door de verhuurder voorgestelde beëindiging van de huurovereenkomst (zie 3.4. hiervoor). Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het onthouden van die medewerking in strijd is met de op grond van artikel 2:8 lid 1 BW op bestuurders en aandeelhouders rustende verplichting om zich tegenover elkaar overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid te gedragen.”

    r.o. 5.3 · lid 1

    “Op grond van artikel 2:8 lid 1 BW dienen bestuurders de nodige zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Wat deze zorgvuldigheidsverplichting concreet inhoudt hangt af van de omstandigheden van het geval en de eisen van redelijkheid en billijkheid. Deze zorgvuldigheidsverplichting brengt met zich dat wanneer een vennootschap haar onderneming staakt, de bestuurders jegens elkaar gehouden zijn om op een voortvarende wijze over te gaan tot afwikkeling van de lopende verplichtingen van de onderneming om de nadelige gevolgen daarvan voor de vennootschap en de daarbij betrokkenen zoveel als mogelijk te beperken.”

    r.o. 5.5 · lid 1

    “De voorzieningenrechter is van oordeel dat [bedrijf 2] in strijd handelt met de op haar ingevolge artikel 2:8 lid 1 BW rustende zorgvuldigheidsplicht. Het voortzetten van de huurovereenkomst leidt tot een toename van schulden van de Vennootschap, omdat de onderneming is gestaakt en de huurpenningen niet meer worden voldaan. Daarnaast is niet gebleken en evenmin aannemelijk dat de Vennootschap nog enig redelijk belang heeft bij het aanhouden van de bedrijfsruimte, omdat daarin geen activiteiten meer worden ontplooid. De bezwaren van [bedrijf 2] tegen de beëindiging zijn praktisch van aard en geenszins onoverkomelijk. Ze rechtvaardigen in ieder geval niet dat de Vennootschap haar schuld aan de verhuurder nog meer laat oplopen wanneer er een alternatief voorhanden om de nadelige gevolgen daarvan te beperken. Dit geldt temeer omdat het gelet op de huidige huurachterstand aannemelijk is dat de verhuurder de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in een procedure kan bewerkstelligen. Dit zou ook tot gevolg hebben dat de huur van de bedrijfsruimte eindigt.”

    r.o. 5.6 · lid 1

    “Aan de door [bedrijf 2] gestelde voorwaarde voor de vordering in reconventie onder 1 is voldaan, zodat de voorzieningenrechter deze vordering dient te beoordelen. De vordering wordt afgewezen, omdat de verhuurder – die aanwezig was bij de mondelinge behandeling - kenbaar heeft gemaakt geen medewerking te willen verlenen aan een indeplaatsstelling. Zelfs als de verhuurder daar toe gedwongen zou kunnen worden, hetgeen nog te bezien valt, weegt het belang van [bedrijf 2] onvoldoende zwaar om de complicaties en vertraging die daardoor ontstaan te rechtvaardigen. De verhuurder heeft zich tot dusver coulant opgesteld en haar aanbod is, gelet op de situatie, alleszins redelijk. Voor toewijzing van deze vordering is in de door artikel 2:8 BW beheerste verhouding tussen partijen geen ruimte. [bedrijf 2] moet toestemming geven voor indienen aangifte loonheffingen”

    r.o. 5.8

    ECLI:NL:RBROT:2026:5244

  • Rechtbank Rotterdam · 15 april 2026

    Redelijkheid en billijkheid binnen VVE: geen verplichting tot deskundige en jaarafrekening

    “De rechtbank stelt voorop dat een vereniging van eigenaars van appartementsrechten een bijzondere vorm van gemeenschap is, waarop de bepalingen van titel 9 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. Besluitvorming binnen een VVE is geregeld in de wet, de splitsingsakte en/of het splitsingsreglement. Verder bepaalt artikel 2:8 lid 1 BW dat een rechtspersoon zoals de VVE en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zoals haar leden, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.”

    r.o. 4.4 · lid 1

    “[eisers] c.s. vorderen verder om (i) een periodieke jaarafrekening en (ii) jaarlijkse uitkering van het batig saldo. De rechtbank stelt bij beide onderdelen voorop dat van de VVE mag worden verwacht dat zij een deugdelijke administratie voert en verantwoording aflegt aan haar leden. Dit past op zichzelf binnen artikel 2:8 lid 1 BW en is ook een redelijke uitleg van artikel 2 en 4 van het reglement.”

    r.o. 4.6 · lid 1

    “[…] bezwaar van [eisers] c.s. is dat de VVE via voorschotbetalingen bedragen aan de torenflatbewoners in rekening brengt waar geen prestatie tegenover staat. Zo is het voorschot volgens [eisers] c.s. nog steeds mede gebaseerd op (eenmalige) kosten van een keuringsinstituut en een servicecontract voor de lift, terwijl die diensten sinds 2023 niet meer worden verleend. In het licht van artikel 2:8 lid 1 BW is dit een plausibel argument. Het is niet redelijk om bij de torenflatbewoners kosten in rekening te brengen voor werkzaamheden, leveringen of diensten die niet zijn verricht of niet aan hen ten goede komen. De VVE heeft tegen dit argument ingebracht dat zij de voorschotbijdrage wel wilde verminderen, maar dat het bewuste besluit op verzoek van de torenflatbewoners door de kantonrechter is vernietigd. Sindsdien heeft geen ALV plaatsgevonden waar dit punt aan de orde kon worden gesteld voor besluitvorming. Hoewel de rechtbank de achtergrond van de bezwaren van [eisers] c.s. begrijpt, hebben zij geen vordering ingesteld die ziet op het materiële aspect van al dan niet door te berekenen kosten, zodat de rechtbank daarover geen beslissing kan nemen. Al met al is er ook geen […]”

    r.o. 4.9 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:4542

  • Rechtbank Rotterdam · 1 april 2026

    Verbod ontslag mede-bestuurder bij twijfel over statutaire aanbiedingsplicht na change of control

    “De voorzieningenrechter weegt bij het voorgaande mee dat (er aanwijzingen zijn dat) [gedaagde] zich jegens [eiseres] niet heeft gehouden aan hetgeen de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 lid 1 BW vordert. Tijdens de mondelinge behandeling is immers gebleken dat [gedaagde] bewust [eiseres] niet heeft geïnformeerd over de verkoop van de K2 en de K3 aan een aan haar ([gedaagde]) gelieerde partij, ook niet nadat [eiseres] hierover vragen had gesteld. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat het verwijt dat [gedaagde] [eiseres]/[naam 1] maakt - namelijk dat [naam 1] namens [eiseres] niet kon meebeslissen over de verkoop van de K2 en de K3, omdat sprake is van een tegenstrijdig belang - haar bij die transactie ook zelf treft: IAM werd bij de verkoop aan een aan [gedaagde] gelieerde vennootschap immers door (de personen achter) [gedaagde] vertegenwoordigd. Dat [gedaagde] meent dat [eiseres] haar taken als bestuurder schromelijk heeft verwaarloosd en daarmee sprake is van onbehoorlijk bestuur doet daaraan niet af. Als hiervan aan de zijde van [eiseres] al sprake zou zijn - wat in dit kort geding niet zonder nader onderzoek en bewijs vast te stellen valt, net zo min […]”

    r.o. 5.8 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:3931

  • Rechtbank Rotterdam · 31 maart 2026

    Vernietiging VvE-besluit over hoogte erfafscheiding dektuinen wegens strijd met redelijkheid

    “De kantonrechter vernietigt het besluit van 17 april 2025, omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die artikel 2:8 BW eist (artikel 2:15 lid 1 onder b BW in combinatie met artikel 5:130 BW). Het besluit is niet nietig. Dit oordeel wordt hierna toegelicht. Het besluit van 17 april 2025 is niet nietig”

    r.o. 2.6

    ECLI:NL:RBROT:2026:4626

  • Rechtbank Noord-Holland · 12 maart 2026

    Ontheffing statutair quorumvereiste coöperatieve vereniging op grond van redelijkheid en billijkheid

    “De CVE legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij haar statuten wil aanpassen gelet op de bepalingen in de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen. Daarbij wil de CVE met de voorgestelde aanpassing van de statuten zorgen voor een slagvaardiger optreden en een tijds- en kostenbesparing realiseren. In de praktijk is het onmogelijk gebleken om – zoals volgens de huidige statuten vereist is - alle leden op de vergadering aanwezig dan wel vertegenwoordigd te hebben, zodat het wijzigen van de statuten ook onmogelijk is gebleken. Zowel de statuten als het Burgerlijk Wetboek (BW) kennen geen voorziening op basis waarvan de statuten alsnog kunnen worden gewijzigd. De CVE verzoekt de rechtbank daarom op grond van 2:8 lid 2 BW om een ontheffing van het in artikel 29 lid 4 en 5 van de statuten vereiste quorum.”

    r.o. 3.2 · lid 2

    “De CVE baseert haar verzoek aan de rechtbank op grond van artikel 2:8 lid 2 BW. Op grond van artikel 2:8 lid 2 BW is een tussen hen (een rechtspersoon en degenen die krachtens wet of statuten bij de organisatie betrokken zijn) krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”

    r.o. 4.7 · lid 2

    ECLI:NL:RBNHO:2026:6981

  • Rechtbank Rotterdam · 6 maart 2026

    Vernietiging vve-besluit en vervangende machtiging airco-unit afgewezen

    “De kantonrechter wijst het verzoek tot vernietiging van het besluit af. 2.7.1. Op grond van artikel 2:15 BW is een besluit van een orgaan van een vve vernietigbaar wegens 1) strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, 2) strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW of 3) strijd met een reglement. 2.7.2. Naar aanleiding van de stelling van [verzoekende partij] dat op de tweede vergadering (6 mei 2025) er feitelijk slechts 39% negatieve stemmen waren van alle breukdelen heeft de VVE gesteld dat het besluit rechtsgeldig is genomen. Daartoe heeft de VVE aangevoerd dat in de tweede vergadering 1958 stemmen aanwezig waren en het besluit met 1452 stemmen (tegen) is genomen. Volgens de VVE was slechts een meerderheid vereist om het besluit te kunnen nemen. [verzoekende partij] heeft dit niet betwist, zodat niet gebleken is dat het besluit in strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen of een reglement is genomen. 2.7.3. Wat betreft strijd met de redelijkheid en billijkheid wordt het volgende overwogen. 2.7.4. Uit artikel 2:8 BW volgt dat een vve en haar leden zich jegens elkaar moeten gedragen zoals de […]”

    r.o. 2.7

    “Op grond van artikel 2:15 BW is een besluit van een orgaan van een vve vernietigbaar wegens 1) strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, 2) strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW of 3) strijd met een reglement.”

    r.o. 2.7.1

    “Uit artikel 2:8 BW volgt dat een vve en haar leden zich jegens elkaar moeten gedragen zoals de redelijkheid en billijkheid vordert. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met deze verplichting. De toetsingsmaatstaf is of de vergadering van de vve bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.”

    r.o. 2.7.4

    ECLI:NL:RBROT:2026:4156

  • Rechtbank Amsterdam · 4 maart 2026

    Kort geding: schorsing zelfbenoemde bestuurder bij bestuurdersimpasse, redelijkheid en billijkheid

    “De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van [gedaagde 2] en de vennootschap aldus dat CW zich door de ‘zelfbenoeming’ niet heeft gedragen in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid, als bedoeld in artikel 2:8 BW. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben [gedaagde 2] en de vennootschap het volgende aangevoerd. (1) Bij de aandelenoverdracht was het uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen dat CW (net als HQM) de positie van statutair bestuurder zou verkrijgen. Uit de verklaring van de notaris (geciteerd onder punt 15 van de conclusie van antwoord) volgt weliswaar dat dit aanvankelijk wel de bedoeling was, maar dat [gedaagde 2] zich voor de leveringsdatum had bedacht en dat CW hiermee heeft ingestemd. CW zou zich eerst moeten ‘bewijzen’ alvorens statutair bestuurder te kunnen worden. (2) Na de aandelenoverdracht is de managementovereenkomst aangegaan, met daarin een beperkte volmacht voor CW als procuratiehouder. (3) Ook in de aandeelhoudersovereenkomst, die na de aandelenoverdracht is aangegaan, hebben partijen expliciet bepaald dat [gedaagde 2] (enig) statutair bestuurder is en CW (enkel) het management voert. Bovendien is in artikel 7.1 van de […]”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBAMS:2026:2456

  • Rechtbank Rotterdam · 23 februari 2026

    Inzagevordering aandeelhouder tegen feitelijk leidinggevende bij ontbreken statutair bestuur

    “De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval aan de vereisten van artikel 194 Rv is voldaan. Het volgende is daartoe van belang. 4.6.1. Aannemelijk is dat sprake is van een zekere rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagde] . Op grond van artikel 2:8 BW moeten een rechtspersoon en degenen die bij haar organisatie zijn betrokken zich immers tegenover elkaar overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid gedragen. In het licht van het bepaalde in artikel 2:217 lid 2 BW dient [gedaagde] daarom, in de situatie dat een formeel bestuur ontbreekt, als feitelijk leidinggevende die aangenomen als enige de rechtstreekse beschikking heeft of via de boekhouder kan krijgen over de administratie van de vennootschappen, aan de (indirect) aandeelhouder van de Nederlandse tak van de [bedrijf 1] inlichtingen verschaffen. Door zich te verschuilen achter formele argumenten om geen informatie te moeten verstrekken en intussen onder de vlag van de vennootschappen de onderneming voort te zetten, handelt [gedaagde] in de visie van de voorzieningenrechter ook onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] . [eiseres] dient in de gelegenheid te worden gesteld de ontstane bestuurdersimpasse te […]”

    r.o. 4.6

    “Aannemelijk is dat sprake is van een zekere rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagde] . Op grond van artikel 2:8 BW moeten een rechtspersoon en degenen die bij haar organisatie zijn betrokken zich immers tegenover elkaar overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid gedragen. In het licht van het bepaalde in artikel 2:217 lid 2 BW dient [gedaagde] daarom, in de situatie dat een formeel bestuur ontbreekt, als feitelijk leidinggevende die aangenomen als enige de rechtstreekse beschikking heeft of via de boekhouder kan krijgen over de administratie van de vennootschappen, aan de (indirect) aandeelhouder van de Nederlandse tak van de [bedrijf 1] inlichtingen verschaffen. Door zich te verschuilen achter formele argumenten om geen informatie te moeten verstrekken en intussen onder de vlag van de vennootschappen de onderneming voort te zetten, handelt [gedaagde] in de visie van de voorzieningenrechter ook onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] . [eiseres] dient in de gelegenheid te worden gesteld de ontstane bestuurdersimpasse te doorbreken en in de nabije toekomst te kunnen overgaan tot de benoeming van een statutair bestuurder (na aanvaarding door deze van de […]”

    r.o. 4.6.1

    ECLI:NL:RBROT:2026:3924

  • Rechtbank Midden-Nederland · 20 februari 2026

    Kort geding loonvordering: ontslagen statutair bestuurder, benoeming en vernietigbaarheid ontslagbesluit

    “[eiseres] heeft aangevoerd dat het ontslagbesluit van 24 oktober 2025 vernietigbaar is vanwege schending van artikel 2:227 lid 7 en artikel 2:8 BW omdat [eiseres] geen gebruik heeft kunnen maken van haar raadgevende stem respectievelijk niet is gehoord. [eiseres] heeft zich in de middag van 23 oktober 2025 ziek gemeld. De stelling van [eiseres] dat zij aantoonbaar ziek was en daardoor niet in staat was om fysiek of digitaal deel te nemen aan de BAVA, heeft [eiseres] niet onderbouwd terwijl Inntinn deze stellingen heeft weersproken. Anders dan [eiseres] stelt, had zij deze stelling wel kunnen onderbouwen of tenminste een begin van onderbouwing kunnen leveren door bijvoorbeeld een foto te overleggen van medicatie die zij volgens haarzelf op 24 oktober 2025 voorgeschreven heeft gekregen van haar huisarts. Op deze medicatie zou de datum van uitgifte staan en uit de aard van de medicatie zou kunnen volgen dat deelname aan de BAVA voor [eiseres] onmogelijk was. Dat het voor de aandeelhouder en commissarissen duidelijk was dat [eiseres] niet naar de BAVA kon komen en zij om uitstel heeft gevraagd, zoals [eiseres] heeft gesteld, heeft zij ook niet onderbouwd met stukken en Inntinn heeft […]”

    r.o. 4.10

    “Het voorgaande heeft tot gevolg dat het in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is dat een bodemrechter in een bodemprocedure op grond van deze feiten en omstandigheden tot het oordeel zou komen dat het ontslagbesluit van 24 oktober 2025 vernietigbaar is vanwege schending van artikel 2:227 lid 7 en artikel 2:8 BW. Geen onzorgvuldig besluit”

    r.o. 4.12

    “[eiseres] lijkt in haar dagvaarding ook te stellen dat het besluit onzorgvuldig is genomen in de zin van artikel 2:8 BW omdat zij pas op 6 oktober 2025 voor het eerst hoorde van een groot aantal verwijten in haar functioneren en de druk op haar werd opgevoerd waardoor zij zich op 23 oktober 2025 ziek heeft moeten melden en zij geen mogelijkheid heeft gekregen om de verwijten behoorlijk te bestuderen en zich daartegen te verweren. Ook dit standpunt heeft [eiseres] na de gemotiveerde en onderbouwde betwisting door Inntinn , niet verder onderbouwd en kan daarom niet leiden tot de conclusie dat het aannemelijk is dat een bodemrechter op deze grond tot het oordeel zou komen dat het ontslagbesluit vernietigbaar is. Bovendien volgt uit de stukken dat de advocaat van [eiseres] na de uitnodiging op 6 oktober 2025 voor de BAVA op 24 oktober 2025 met een brief van 20 oktober 2025 de verwijten aan [eiseres] en het voornemen om over te gaan tot haar ontslag inhoudelijk heeft weersproken. Proceskosten”

    r.o. 4.13

    ECLI:NL:RBMNE:2026:748

  • Rechtbank Amsterdam · 19 februari 2026

    Nietig VvE-besluit tot toestemming dakterras; benoeming kascommissielid niet vernietigd

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, voor zover relevant, vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement. Toestemming aanleggen dakterras”

    r.o. 4.11

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1949

  • Rechtbank Noord-Holland · 11 februari 2026

    Rechtsgeldigheid ontslagbesluit bestuurder B.V.: oproeping, agenda, raadgevende stem en hoorplicht

    “[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] is niet conform de wet uitgenodigd voor de algemene vergadering van 2 april 2025. Hij is pas op 30 maart 2025 uitgenodigd, terwijl artikel 2:225 BW een termijn van acht dagen voorschrijft. Bovendien staat in de agenda voor de vergadering slechts vermeld: “Samenstelling bestuur (inclusief benoeming en ontslag)”. Het was daarom niet duidelijk dat het ontslag van [eiser] aan de orde zou zijn. Omdat [eiser] niet aanwezig was bij de vergadering, is [eiser] dus ontslagen zonder kennisneming van zijn raadgevende stem (artikel 2:227 lid 7 BW). Het ontslagbesluit is ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW), omdat uit de notulen van de algemene vergadering blijkt dat [eiser] is ontslagen op grond van een aantal punten waarop hij niet heeft kunnen reageren.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:RBNHO:2026:1375

  • Rechtbank Amsterdam · 6 februari 2026

    VvE-besluiten: nietigheid en vernietiging; weigering te besluiten is geen besluit

    “Met betrekking tot de zolderruimte ligt de vraag voor of het besluit van de vergadering van 30 juni 2025 kan worden vernietigd. Op grond van de artikelen 2:15 en 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met i) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, ii) de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of iii) een reglement. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit artikel is geschreven voor besluiten die als rechtshandeling zijn aan te merken. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil (artikel 3:33 BW).”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1557

  • Rechtbank Midden-Nederland · 30 januari 2026

    Concurrerende activiteiten minderheidsaandeelhouder joint venture niet in strijd met artikel 2:8 BW

    “In de kern vragen eisers om een verbod op activiteiten die concurreren met de activiteiten van de joint venture. Er worden daarvoor twee juridische grondslagen aangevoerd. Ten eerste dat sprake zou zijn van wilsovereenstemming over het zich onthouden van concurrentie, omdat dit is opgenomen in een concept voor een aandeelhoudersovereenkomst. De andere grondslag is dat sprake is van een joint venture, en daarmee van een vennootschap met een zeer besloten verhouding en dat dan een versterkte loyaliteitsplicht geldt. Het handelen van gedaagden zou tegen die achtergrond in strijd zijn met artikel 2:8 BW en er zou sprake zijn van een onrechtmatige daad. Er is geen wilsovereenstemming over het zich onthouden van concurrentie”

    r.o. 3.1

    “In het concept van een aandeelhoudersovereenkomst stond een non-concurrentiebepaling. Maar dat was dus een concept. Ook als [gedaagde sub 1] nooit heeft gezegd dat ze dat artikel er niet in te wilde hebben, zijn partijen het erover eens dat er nooit een aandeelhoudersovereenkomst is gesloten. Dat betekent dat er geen afspraak is gemaakt over (het zich onthouden van) concurrentie. [gedaagde sub 1] c.s. handelt niet in strijd met artikel 2:8 BW en handelt niet onrechtmatig”

    r.o. 3.2

    “Dan de andere grondslag. Om te beginnen: het uitgangspunt is dat aandeelhouders mogen concurreren met de vennootschap waar zij aandelen in houden. Als je als aandeelhouder gaat concurreren met de vennootschap is dat niet, omdat je aandeelhouder bent, in strijd met artikel 2:8 BW, onoorbaar of onrechtmatig. Dat zou anders kunnen zijn, zoals [eiseres sub 2] c.s. aanvoert: als sprake is van een zeer besloten verhouding waar de aandeelhouders nauw samenwerken. Dan kun je inderdaad spreken van een versterkte loyaliteitsplicht en die kan maken dat het onoorbaar is dat een aandeelhouder met de vennootschap concurreert. als diegene die concurreert gebruik maakt van bepaalde knowhow van de onderneming of bepaalde informatie over klanten. Als je die informatie gebruikt, zou dat de concurrentie onrechtmatig kunnen maken.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:RBMNE:2026:453

  • Rechtbank Amsterdam · 23 januari 2026

    Nietigheid en vernietiging VvE-besluiten over doorbelasten reparatiekosten en verhaal ongemandateerde uitgaven

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.”

    r.o. 4.3

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.”

    r.o. 4.4 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1317

  • Rechtbank Amsterdam · 23 januari 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid van VvE-besluiten over bestuur, beheerder en jaarrekening afgewezen

    “Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, voor zover relevant, vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist of (c) strijd met een reglement.”

    r.o. 4.4

    “Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.”

    r.o. 4.5 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1318

  • Rechtbank Rotterdam · 13 januari 2026

    Vernietiging VvE-besluiten wegens strijd met redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW)

    “De kantonrechter vernietigt de besluiten die in de vergadering van 3 augustus 2025 zijn genomen, omdat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW zijn genomen. Artikel 2:15 lid 1 sub b BW bepaalt dat een besluit in zo’n geval vernietigbaar is. De besluiten van 3 augustus 2025 zijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat [persoon A] [verzoeker] niet de gelegenheid heeft geboden om bij de vergadering aanwezig te zijn en daarin zijn stem uit te brengen, terwijl dat wel van haar mocht worden verwacht. Daartoe wordt het volgende overwogen.”

    r.o. 2.4

    “[…] Na terugkomst van zijn verblijf in het buitenland constateerde [verzoeker] dat [persoon A] de verplaatste vergadering al had gehouden en wel op 3 augustus 2025. Alleen al het houden van de verplaatste vergadering op deze datum, ongeacht het feit dat [verzoeker] hiervoor een nieuwe uitnodiging zou hebben ontvangen, is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die voortvloeit uit artikel 2:8 BW. De redelijkheid en billijkheid brengen dan met zich dat [persoon A] rekening had moeten houden met de verhinderingen die door [verzoeker] waren opgegeven. Dit geldt temeer nu de VvE maar uit twee leden bestaat, zodat het ook eenvoudig is om rekening te houden met elkaars verhinderingen. Uit niets blijkt dat het ging om besluiten die op korte termijn moesten worden genomen en dat niet kon worden gewacht op de terugkomst van [verzoeker] .”

    r.o. 2.5

    ECLI:NL:RBROT:2026:904

  • Rechtbank Limburg · 12 januari 2026

    VvE-besluiten: nietig wegens quorum, vernietigbaar wegens oproeptermijn en besluitvorming

    “De besluiten van een VvE kunnen onder omstandigheden nietig zijn of vernietigbaar. Van nietigheid van een besluit van de VvE is sprake als het besluit in strijd is met de wet, de statuten of de akte van splitsing. Het splitsingsreglement (in dit geval het MR) maakt deel uit van de akte van splitsing. Een besluit van een VvE is vernietigbaar als het in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist of met een reglement, niet zijnde een splitsingsreglement.”

    r.o. 4.2

    “Subsidiair heeft [verzoeker] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van besluit 2 omdat niet voldaan is aan de oproeptermijn en omdat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals in artikel 2:8 BW is vereist.”

    r.o. 4.15

    ECLI:NL:RBLIM:2026:237

  • Gerecht in eerste aanleg van Curaçao · 28 maart 2025 · via art. 2:7 BWC (Curaçao)

    Beneficiary stichting particulier fonds: bevriezing vermogen en exhibitie afgewezen (Curaçao)

    “Het bestuur van Solid, respectievelijk van SFPF, is in beginsel het bevoegde orgaan tot het aangaan van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. Met betrekking tot SFPF geldt dat volgens de statuten het bestuur alle bevoegdheden heeft die niet zijn voorbehouden aan de beneficiaries of de protector. Artikel 7.2 van de statuten van SFPF voorziet erin dat bepaalde besluiten de unanieme goedkeuring van de beneficiaries vereisen. [eiseres] heeft gesteld dat de betalingen aan Solid door SFPF en de overdracht van de aandelen aan BGNIC vallen onder ‘distributions” en daarmee onder het goedkeuringsvereiste van de beneficiaries. De beneficiaries zijn volgens [eiseres] op grond van de statuten van SFPF betrokkenen in de zin van artikel 2:7 BW, daarnaast was het bestuur van Solid c.s. op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid gehouden tot het informeren van de beneficiaries over de voorgenomen vaststellingsovereenkomst en daarvoor goedkeuring te vragen.”

    r.o. 5.3

    “[eiseres] heeft een exhibitievordering ingesteld en deze gegrond op artikel 3:137 lid 3 BW, artikel 2:7 BW en artikel 843a RV. Verschoningsrecht”

    r.o. 5.11

    “Artikel 3:137 BW ziet onder meer op het afleggen van het rekening en verantwoording door de trustee over zijn bestuur van het trustvermogen aan de beneficiaries. Dit artikel is niet van toepassing op de rechtspersoon stichting particulier fonds. Bovendien is rekening en verantwoording afleggen van een andere orde dan het overleggen van allerlei bescheiden, zoals thans wordt gevorderd. Dit artikel kan niet als grondslag dienen voor toewijzing. Artikel 2:7 BW”

    r.o. 5.14

    ECLI:NL:OGEAC:2025:381

  • Rechtbank Amsterdam · 10 augustus 2017

    Elliott/AkzoNobel II

    Machtiging bijeenroeping bava voor ontslag commissaris AkzoNobel afgewezen als prematuur

    “Uitgangspunt is dat het bepalen van de strategie van de vennootschap een aangelegenheid is van het bestuur. De RvC houdt daarop toezicht. Op de algemene vergadering van aandeelhouders leggen het bestuur en de RvC achteraf verantwoording af over het gevoerde beleid en het toezicht daarop. Aan de vergadering komt de bevoegdheid toe om de leden van de RvC te ontslaan (zie artikel 2:254 lid 1 BW). Deze bevoegdheid tot ontslagverlening kan ook worden gehanteerd als sanctie die de algemene vergadering van aandeelhouders kan verbinden aan haar afkeuring van het toezicht op het door het bestuur gevoerde beleid. In een zodanig geval brengt hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd mee dat een besluit over een sanctie in stemming wordt gebracht nadat verantwoording is afgelegd en daarover een gedachtewisseling heeft plaatsgevonden tijdens de (b)ava (zie artikel 2:8 lid 1 BW; vergelijk ook artikel 2:15 lid 1, aanhef en onder b, BW).”

    r.o. 4.7 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2017:5845

  • Rechtbank Midden-Nederland · 7 oktober 2026

    Opzegging verenigingslidmaatschap na geëscaleerd conflict niet vernietigbaar of nietig

    Een schaakvereniging zegt het lidmaatschap van een lid op na een langdurig, geëscaleerd conflict met het bestuur. Het lid vordert vernietiging van het opzeggingsbesluit, nietigverklaring van de besluiten, schadevergoeding en rectificatie. De rechtbank toetst terughoudend aan de redelijkheid en billijkheid en oordeelt dat het bestuur in redelijkheid kon opzeggen. Het besluit is ook niet nietig, omdat het lid geen strijd met wet of statuten heeft onderbouwd, en de overige vorderingen worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:7177

  • Rechtbank Rotterdam · 28 september 2026

    Vereffenaar mag vorderingen op voormalige bestuurders verkopen via biedproces

    Een vereffenaar van een door de OK ontbonden vennootschap wil de vorderingen op de voormalige bestuurders verkopen via een biedproces. De bestuurders vorderen een verbod daarop en een gebod om exclusief met hen te onderhandelen over een minnelijke regeling. De rechtbank wijst dit af: de vereffenaar heeft binnen zijn beleidsvrijheid gehandeld, geen onvoorwaardelijke toezegging gedaan of overeenkomst gesloten, en de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW) verplichten hem niet tot exclusieve onderhandelingen.

    ECLI:NL:RBROT:2026:13959

  • Rechtbank Amsterdam · 18 augustus 2026

    Vernietiging VvE-besluit tot machtiging bestuur om procedure tegen lid te voeren afgewezen

    Een lid van een Vereniging van Eigenaars vraagt nietigverklaring of vernietiging van een ledenbesluit waarmee het bestuur is gemachtigd zo nodig een procedure tegen hem te voeren wegens geluidsoverlast. De kantonrechter toetst het besluit aan artikel 2:15 BW en artikel 2:8 BW en oordeelt dat de oproepingstermijn uit het Modelreglement niet is geschonden en dat onbehoorlijk bestuur en een tegenstrijdig belang niet zijn onderbouwd. Het besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid; het verzoek wordt afgewezen.

    ECLI:NL:RBAMS:2026:8685

  • Rechtbank Midden-Nederland · 26 juni 2026

    VvE weigert toestemming doorbraak dragende muur; marginale toets redelijkheid en billijkheid

    Appartementseigenaren vroegen vernietiging van het besluit van de vereniging van eigenaars dat toestemming weigerde voor het doorbreken van een dragende muur, en een vervangende machtiging. De kantonrechter oordeelt dat toestemming nodig is, ook met een omgevingsvergunning. Het besluit is niet vernietigbaar: bij marginale toetsing aan de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW, via artikel 5:130 jo. 2:15 BW) kon de vergadering in redelijkheid tot dit besluit komen. De verzoeken worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:4008

  • Rechtbank Noord-Holland · 10 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluiten wegens misbruik van meerderheidsmacht afgewezen

    Leden van een onder-VvE verzochten nietigheid of vernietiging van besluiten van de ALV van een hoofd-VvE en de onder-VvE, onder meer wegens misbruik van meerderheidsmacht. De kantonrechter toetst de besluiten aan de splitsingsakte en, via de artikelen 2:14, 2:15 en 2:8 BW, aan de redelijkheid en billijkheid, en oordeelt dat de toetsing marginaal is. Van strijd met de splitsingsakte of misbruik van meerderheidsmacht is niet gebleken; alle verzoeken worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBNHO:2026:7585

  • Rechtbank Oost-Brabant · 21 september 2026

    Nietigheid VvE-besluit tot verhuur gemeenschappelijke stoep voor horecaterras

    “Subsidiair verzoekt [verzoeker] om het besluit op grond van de artikelen 2:15 lid 1 sub b BW en 5:130 BW te vernietigen wegens strijd met artikel 2:8 BW. Het bestreden besluit is namelijk in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de VvE en haar leden tegenover elkaar in acht dienen te nemen. Op grond van de splitsingsakte en het modelreglement mocht [verzoeker] ervan uitgaan dat hij een stoep onder zijn appartement had en geen luidruchtig terras. Hoe goed de eigenaren de situatie ook onder controle zullen houden, een terras brengt altijd geluidsoverlast met zich mee. Het is juist deze geluidsoverlast die [verzoeker] niet wenst en ook niet hoefde te verwachten. Als hij van tevoren had geweten dat hij boven een luidruchtig terras zou komen wonen, dan had hij zijn appartementsrecht nooit gekocht. [verzoeker] en enkele direct boven het beoogde terras gelegen eigenaren zullen worden geconfronteerd met een intensieve en structurele belasting van hun woongenot. Inmiddels is bekend dat De Kantine de ambitie heeft een terras te exploiteren met ongeveer 70 zitplaatsen. De beoogde openingstijden liggen tussen 08.30 uur 's ochtends en 23:00 uur tot 24.00 uur 's avonds, vrijwel […]”

    r.o. 3.2.2

    ECLI:NL:RBOBR:2026:6785

  • Rechtbank Oost-Brabant · 9 september 2026

    Onbehoorlijk bestuur en onrechtmatige daad na enquête: terugbetaling managementfees, lening, bonus en schadestaat

    “[…] zijn hoofdverplichting zich te richten naar het belang van i3 Nederland zwaar aan te rekenen dat hij opnieuw handelde buiten de OK-bestuurder om. d. Aldus vergroot Bobeas c.s. doelbewust de liquiditeitsproblemen die i3 in haar voortbestaan bedreigen en belemmert hij de ordentelijke verkoop van i3. Daarmee handelt hij in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW en maakt hij zich schuldig aan ernstige (en naar de aard ontoelaatbare) belangenverstrengeling. Bobeas c.s. heeft immers als gevolg van een stapeling van uiteenlopende rollen en belangen een machtspositie in i3 en gebruikt deze ten nadele van i3 en verzoeksters als minderheidsaandeelhouders. Zo [B] (al dan niet handelend via Bobeas) het gebleken wanbeleid niet reeds voortzet, frustreert hij met zijn handelwijze in elk geval de sanering en het herstel van gezonde verhoudingen.” In de context van al het voorgaande (over de managementfees, de SAB-OO-NIS geldlening, de bonus en de tekenfee) is de rechtbank van oordeel dat i3 Holding terecht naar voren brengt dat zij het tegenstrijdig belang ook aan Bobeas mag tegenwerpen. Bobeas heeft haar wetenschap en haar handelwijze, zoals […]”

    r.o. 4.19

    ECLI:NL:RBOBR:2026:6480

  • Rechtbank Gelderland · 14 augustus 2026

    Ontslag bestuurder STAK wegens tegenstrijdig belang als privéschuldenaar van de B.V.

    “De rechtbank is van oordeel dat het prioriteitsbesluit niet voldoet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW, zodat het besluit moet worden vernietigd. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht. (…)”

    r.o. 3.8

    “De rechtbank is van oordeel dat Deelbesluit 1 en Deelbesluit 3 van de bestuursvergadering van [B.V.] . van 3 april 2023 niet vernietigd hoeven te worden. Deelbesluit 2 voldoet niet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW zodat het moet worden vernietigd. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht. (…)”

    r.o. 3.15

    ECLI:NL:RBGEL:2026:6421

  • Rechtbank Limburg · 18 februari 2026

    Nietig sanctiebesluit commissie van beroep golfvereniging; ontzetting en bestuursverkiezing

    “[eisende partij] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I Primair:voor recht verklaart dat het besluit van het bestuur van [ gedaagde partij] genomen in de vergadering van 20 november 2024 tot ontzetting van het lidmaatschap van [ gedaagde partij] van [eisende partij] nietig is ex artikel 2:14 BW en dat bijgevolg het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2024 ook nietig is op grond van artikel 2:14 BW; Subsidiair: voor recht verklaart dat het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2025 nietig is op grond van artikel 2:14 BW; Meer subsidiair: het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2025 op grond van artikel 2:15 lid 1 jo. artikel 2:8 jo. artikel 2:15 lid 3 BW vernietigt voor zover in dit besluit een sanctie aan [eisende partij] is opgelegd. II [ gedaagde partij] veroordeelt tot het plaatsen van een rectificatie in de eerstvolgende [naam nieuwsbrief] nieuwsbrief van [ gedaagde partij] ; III [ gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de proceskosten en nakosten.”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:RBLIM:2026:1540