← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:14 BW

In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)

1

Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.

2

Is een besluit nietig, omdat het is genomen ondanks het ontbreken van een door de wet of de statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, dan kan het door die ander worden bekrachtigd. Is voor de ontbrekende handeling een vereiste gesteld, dan geldt dat ook voor de bekrachtiging.

3

Bekrachtiging is niet meer mogelijk na afloop van een redelijke termijn, die aan de ander is gesteld door het orgaan dat het besluit heeft genomen of door de wederpartij tot wie het was gericht.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:14 BW (108)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (15)

  • Hoge Raad · 20 juni 2025

    Te vroeg begonnen aandeelhoudersvergadering: statutenwijziging vernietigbaar, niet nietig

    “[…] tot vernietigbaarheid. Als [broer 1] de vergadering te vroeg is begonnen en het besluit tot statutenwijziging al genomen was toen [eiser 2] en [eiser 3] op de stoep stonden, is het besluit gebrekkig tot stand gekomen. Dat maakt het besluit vernietigbaar in de zin van art. 2:15 BW. Dit gebrek is niet aan te merken als een fundamenteel totstandkomingsgebrek dat valt onder het bereik van art. 2:14 lid 1 BW. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering tot vernietiging is vervallen door het verstrijken van de termijn van art. 2:15 lid 5 BW en dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden. (rov. 4.13)”

    r.o. 2.4 · lid 1

    “[…] rechtsopvatting. Het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat [eiser 2] en [eiser 3] de vergadering niet hebben kunnen bijwonen en zij hun standpunt dus niet naar voren hebben kunnen brengen, betekent dat het besluit niet slechts lijdt aan een totstandkomingsgebrek dat tot vernietigbaarheid op grond van art. 2:15 BW leidt, maar aan een fundamenteel totstandkomingsgebrek dat op grond van art. 2:14 BW nietigheid van dat besluit tot gevolg heeft, aldus het onderdeel. 3.2.2 Het hof heeft in het midden gelaten of [eiser 2] en [eiser 3] , zoals [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben gesteld, de aandeelhoudersvergadering van 10 januari 2018 niet hebben kunnen bijwonen doordat [broer 1] de vergadering te vroeg is begonnen en het besluit tot statutenwijziging al was genomen voordat [eiser 2] en [eiser 3] arriveerden. In cassatie wordt daarom verondersteld dat die stelling juist is. 3.2.3 Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (art. 2:14 lid 1 BW). Een wettelijke bepaling waaruit iets anders voortvloeit is art. 2:15 BW.Een besluit is vernietigbaar als het strijdig is met […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het oordeel van het hof in rov. 4.13 dat het besluit tot statutenwijziging niet nietig maar slechts vernietigbaar is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat [eiser 2] en [eiser 3] de vergadering niet hebben kunnen bijwonen en zij hun standpunt dus niet naar voren hebben kunnen brengen, betekent dat het besluit niet slechts lijdt aan een totstandkomingsgebrek dat tot vernietigbaarheid op grond van art. 2:15 BW leidt, maar aan een fundamenteel totstandkomingsgebrek dat op grond van art. 2:14 BW nietigheid van dat besluit tot gevolg heeft, aldus het onderdeel.”

    r.o. 3.2.1

    “Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (art. 2:14 lid 1 BW). Een wettelijke bepaling waaruit iets anders voortvloeit is art. 2:15 BW.Een besluit is vernietigbaar als het strijdig is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW).”

    r.o. 3.2.3 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2025:978

  • Hoge Raad · 4 oktober 2024

    Matiging schadevergoeding interne bestuurdersaansprakelijkheid stichting Curaçao (artikel 2:14 BWC)

    “BZV heeft in deze procedure een verklaring voor recht gevorderd dat [de voorzitter] en [de secretaris] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de behoorlijke vervulling van hun bestuursfunctie zoals bedoeld in art. 2:14 BW Curaçao (hierna: BWC), en dat zij op die grond hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door BZV geleden schade. Daarnaast heeft BZV hoofdelijke veroordeling gevorderd van [de voorzitter] en [de secretaris] tot vergoeding van die schade ter hoogte van NAf 7.032.462,99.”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:HR:2024:1384

  • Hoge Raad · 10 juli 2020

    Ontbreken vereiste meerderheid bij VvE-besluit: nietig (2:14 BW), niet vernietigbaar (2:15 BW)

    “[…] is verklaard in zijn verzoek, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, deze verzoeken afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen: Voor zover [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag legt dat voor het besluit een gekwalificeerde meerderheid vereist was en deze niet is gehaald, doet hij een beroep op nietigheid van het besluit in de zin van art. 2:14 BW. Dit gestelde gebrek in de besluitvorming valt niet onder de in art. 2:15 BW bedoelde schending van bepalingen ‘die de totstandkoming van een besluit regelen’. Dit betekent dat [verzoeker] dit bezwaar, op zich beschouwd, in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank had moeten aankaarten. (rov. 19) [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift echter ook bezwaren tegen het besluit aangevoerd die een beroep op vernietiging daarvan in de zin van art. 2:15 BW impliceren. In zoverre moet het verzoek, gelet op art. 5:130 BW, in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter gedaan worden. (rov. 20) [verzoeker] heeft derhalve in dit geval naast het beroep op nietigheid van het besluit ook een beroep op vernietiging van het besluit gedaan, beide op basis van een samenhangend feitencomplex. […]”

    r.o. 2.3

    “Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof dat het betoog van [verzoeker] dat voor het besluit een gekwalificeerde meerderheid vereist was en deze niet is gehaald, een beroep op nietigheid van het besluit in de zin van art. 2:14 BW impliceert. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat een bepaling houdende een vereiste van een gekwalificeerde meerderheid is aan te merken als een bepaling die de totstandkoming van een besluit regelt als bedoeld in art. 2:15 BW, met als sanctie vernietigbaarheid.”

    r.o. 3.2.1

    “Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan belang, nu het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] zijn onder art. 2:14 BW vallende beroep op nietigheid in deze verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter mocht aankaarten, aangezien hij daarnaast een verzoek tot vernietiging deed op de voet van art. 5:130 lid 1 BW in verbinding met art. 2:15 BW. Overigens vindt de door het onderdeel verdedigde opvatting geen steun in het recht. Het ontbreken van een op grond van de wet of de statuten vereiste meerderheid van stemmen leidt tot een nietig besluit in de zin van art. 2:14 lid 1 BW, en niet tot een besluit dat vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen als bedoeld in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW.”

    r.o. 3.2.2 · lid 1

    “Opmerking verdient nog dat juist is het oordeel van het hof dat in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars op de voet van art. 5:130 lid 1 BW in verbinding met art. 2:15 BW, tevens een beroep op de nietigheid van dat besluit als bedoeld in art. 2:14 BW aan de orde kan worden gesteld. De procedure behoeft in een zodanig geval dus niet te worden gesplitst teneinde het beroep op nietigheid in een afzonderlijke (dagvaardings)procedure door de rechtbank te laten beoordelen.”

    r.o. 3.2.3

    ECLI:NL:HR:2020:1275

  • Hoge Raad · 10 oktober 2014

    FSM Europe

    Faillissement: bestuurdersaansprakelijkheid, maatstaf boekhoudplicht artikel 2:10 BW, onbehandelde grondslag

    “[…] op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. In het arrest Brens q.q./Sarper heeft de Hoge Raad niet een hiervan afwijkende maatstaf geformuleerd, maar slechts geoordeeld dat hetgeen de feitenrechter in die zaak omtrent de betekenis van de (deels gelijkluidende) voorganger van het artikel had overwogen (art. 2:14 (oud)BW), geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. 3.5.3 Het hiervoor in 3.5.2 overwogene brengt mee dat de verwijzing van het hof naar het arrest Brens q.q./Sarper niet betekent dat het hof de stellingen van de curator heeft beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan die van art. 2:10 lid 1 BW. Het hof heeft evenmin miskend, zoals blijkt uit rov. 4.9.2-4.9.3 van zijn arrest, dat voor het antwoord op de vraag of de boekhouding voldoet aan de daaraan aan te stellen eisen, ook andere elementen daarvan van belang kunnen zijn dan de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten. De klacht van het onderdeel kan dus niet tot cassatie leiden.”

    r.o. 3.3

    “Volgens art. 2:10 lid 1 BW is het bestuur verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. In het arrest Brens q.q./Sarper heeft de Hoge Raad niet een hiervan afwijkende maatstaf geformuleerd, maar slechts geoordeeld dat hetgeen de feitenrechter in die zaak omtrent de betekenis van de (deels gelijkluidende) voorganger van het artikel had overwogen (art. 2:14 (oud)BW), geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.”

    r.o. 3.5.2

    ECLI:NL:HR:2014:2932

  • Hoge Raad · 19 februari 2010

    Bevoegdheden van door de rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting

    “[…] bestuurder van de Stichting onaantastbaar is geworden. Het aan [eiseres] op 28 november 2005 verleende ontslag berustte, anders dan haar ontslag op verzoek van het OM, op een statutaire grond. (rov. 5.12) c) [Eiseres] heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het ontslagbesluit in strijd is met de wet en aldus nietig op grond van art. 2:14 BW. (rov. 5.13) d) De Stichting heeft onbetwist gesteld dat [eiseres] heeft nagelaten binnen de in art. 2:15 lid 5 BW vermelde vervaltermijn van één jaar, die is ingegaan rond 7 december 2005, de vernietigbaarheid van dit besluit in te roepen. (rov. 5.14) e) [Eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof ingevolge art. 2:8 BW anders zou moeten oordelen. (rov. 5.15)”

    r.o. 3.3

    “De benoeming van een tijdelijke bestuurder zal, tenzij de rechter anders heeft bepaald, tot gevolg hebben dat deze bestuurder voor de duur van zijn benoeming alle bevoegdheden heeft die de wet en de statuten aan de bestuurder(s) van de desbetreffende stichting toekennen. In het onderhavige geval heeft de rechtbank dit nog eens uitdrukkelijk in haar beschikking bepaald. Bestuursbesluiten waaraan de tijdelijke bestuurder heeft deelgenomen, zijn niet op grond van art. 2:14 lid 1 BW wegens onbevoegdheid van die bestuurder nietig.”

    r.o. 3.5.2 · lid 1

    “Als een tijdelijke bestuurder besluiten heeft genomen waartoe hij weliswaar bevoegd is, doch die verder gaan dan past bij de rol van tijdelijke bestuurder als hiervoor bedoeld, zijn deze besluiten niet op de voet van art. 2:14 BW nietig. Het hof heeft vastgesteld dat ook niet binnen de in art. 2:15 lid 5 BW bepaalde termijn tegen de gewraakte besluiten is opgekomen.”

    r.o. 3.6.2

    ECLI:NL:HR:2010:BK5989

  • Hoge Raad · 22 december 2009

    Vernietigbaar ontslagbesluit bestuurder buiten vergadering; raadgevende stem en terugwerkende kracht

    “[…] (vermeld hiervoor in 3.1 onder (ii) en (iii)) vernietigbaar zijn omdat niet alle bestuurders de gelegenheid hebben gehad hun raadgevende stem te laten horen. De vernietiging van het ontslagbesluit van 7 december 2003 heeft voorts tot gevolg dat het besluit van 9 februari 2004 (vermeld hiervoor in 3.1 onder (iv)) is genomen in strijd met het statutaire quorumvereiste, zodat het ingevolge art. 2:14 lid 1 BW nietig is.”

    r.o. 3.3 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2009:BK2001

  • Hoge Raad · 30 november 2007

    Relatieve bevoegdheid artikel 105 Rv bij externe werking van vennootschapsbesluit

    “Het middel richt zich tegen deze overwegingen van het hof en klaagt dat het hof de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage ten onrechte op grond van het bepaalde in art. 105 Rv. relatief bevoegd heeft geacht om van het tussen partijen gerezen geschil kennis te nemen. Het middel voert daartoe aan dat art. 105 Rv. strikt dient te worden geïnterpreteerd in die zin dat deze bepaling zich beperkt tot procedures over de (rechtsgevolgen van) besluiten van (organen van) rechtspersonen die de interne verhoudingen binnen de rechtspersoon betreffen, zoals de besluiten in de zin van de art. 2:14 en 2:15 BW, en niet ziet op procedures betreffende de rechtsgevolgen voor derden van dergelijke besluiten.”

    r.o. 3.4

    “[…] het Nederlandse vennootschaps- en rechtspersonenrecht blijkt niet alleen uit deze passage uit de parlementaire geschiedenis, maar tevens uit de hiervoor reeds genoemde verwijzing in de parlementaire geschiedenis van art. 105 Rv. naar het bepaalde in art. 2:15 BW, dat ziet op de wijze waarop een besluit van een rechtspersoon kan worden vernietigd. Gelet op de samenhang die bestaat tussen de art. 2:14 tot en met 2:16 BW, moet worden aangenomen dat de beoogde verruiming van het toepassingsbereik van art. 105 Rv. op het punt van de relatieve bevoegdheid ten opzichte van art. 16, onderdeel 2, EEX-Verdrag/EVEX mede betrekking heeft op de in art. 2:16 BW gegeven regeling inzake de rechtsgevolgen voor derden van een op art. 2:15 BW gebaseerde vernietiging. Dit brengt mee dat de in art. 105 Rv. gegeven alternatieve (relatieve) bevoegdheid van de rechter van de woonplaats of de plaats van vestiging van de rechtspersoon of de vennootschap, mede ziet op een geschil als het onderhavige, waarin omtrent de externe werking van een besluit slechts kan worden beslist nadat eerst een oordeel is gegeven over de interne werking van dat besluit. Opmerking verdient dat daarmee wordt voorkomen dat in […]”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:HR:2007:BA9611

  • Hoge Raad · 29 juni 2007

    Lidmaatschap vereniging zonder toelatingsbesluit; vertrouwensleer; belanghebbende artikel 23 Handelsregisterwet

    “[…] personen jaarlijks de in 3.1 onder (ix) bedoelde premiefoto aanschaft, nu deze vrijwillige aankoop geen contributieverplichting is, deze personen in de vereniging noch zeggenschap noch stemrecht hebben (uitgeoefend) en geen sprake is geweest van een geformaliseerde toetreding of opzegging. [eiser] c.s. hebben betoogd dat de statutenwijziging van 7 april 2004 een nietig besluit in de zin van art. 2:14 BW is, nu dit niet is genomen in een daartoe bijeengeroepen algemene ledenvergadering, en hebben verzocht te gelasten de inschrijving van de op 7 april 2004 vastgestelde statuten te laten doorhalen per 28 april 2004. De kantonrechter heeft het verzoek van [verweerder] c.s. toegewezen als hiervoor in 1 vermeld en heeft [eiser] c.s. in hun tegenverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft in zijn thans bestreden beschikking, onder aanhouding van de verdere behandeling van het hoger beroep, de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd wat betreft de toewijzing van het verzoek van [verweerder] c.s. Daartoe heeft het hof, kort samengevat en voorzover in cassatie van belang, met toepassing van het bepaalde in de statuten van 20 maart 1967, het betoog van [eiser] c.s. verworpen dat […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:2007:AZ7705

  • Hoge Raad · 19 oktober 2001

    Stichting gebonden door bestuursbesluit; statutaire machtiging gemeente niet vereist vooraf

    “Uitgaande van zijn onder 3.5.1 weergegeven oordeel heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de tussen de Stichting en [verweerster] tot stand gekomen overeenkomst niet wegens het ontbreken van de door art. 11, aanhef en onder d, van de statuten van de Stichting bedoelde toestemming nietig is. Aldus oordelende heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (memorie van toelichting bij art. 2:14 BW, Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 168 tweede volle alinea). 's Hofs oordeel is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.”

    r.o. 3.5.2

    ECLI:NL:HR:2001:ZC3647

  • Hoge Raad · 9 februari 2024

    Ontslag stichtingsbestuurder: cassatieberoep tegen afwijzing nietigheid/vernietiging ontslagbesluit verworpen

    Een stichtingsbestuurder vorderde nietigverklaring of vernietiging van het besluit tot zijn ontslag (artikel 2:14 en 2:15 BW). Het hof wees zijn vordering af. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO, zonder nadere motivering.

    ECLI:NL:HR:2024:221

  • Hoge Raad · 3 februari 2023

    Ernstig verwijt bij handelen in strijd met statuten zonder RvC-goedkeuring; motiveringsgebrek

    Een stichting spreekt haar voormalig statutair bestuurder aan voor schade omdat deze een overeenkomst sloot zonder de statutair vereiste goedkeuring van de RvC. De Hoge Raad herhaalt dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW een ernstig verwijt vereist is, waarbij strijd met beschermende statutaire bepalingen zwaar weegt maar alle omstandigheden moeten worden betrokken. Het hof heeft verklaringen over verleende toestemming en het verweer van de bestuurder onvoldoende betrokken; het vonnis wordt vernietigd en de zaak teruggewezen.

    ECLI:NL:HR:2023:146

  • Hoge Raad · 8 mei 2020

    Ontslag bestuurder bv zonder raadgevende stem: vernietigbaar of nietig?

    De Hoge Raad verwerpt met toepassing van artikel 81 lid 1 RO het cassatieberoep in een zaak over het ontslag van een bestuurder van een bv door de AVA, zonder dat diens raadgevende stem was gehoord. Het hof had geoordeeld dat het ontslagbesluit vernietigbaar is en niet nietig. Dat oordeel blijft daarmee in stand.

    ECLI:NL:HR:2020:832

  • Hoge Raad · 11 december 2009

    Nietigheid ontzettingsbesluit lid vereniging wegens strijd met statuten

    Een vereniging had in de algemene ledenvergadering besloten een lid te ontzetten en daarna vervolgbesluiten genomen. Rechtbank en hof verklaarden die besluiten nietig wegens strijd met de statuten (artikel 2:14 BW). De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vereniging met een korte motivering op grond van artikel 81 RO.

    ECLI:NL:HR:2009:BK0156

  • Hoge Raad · 5 september 2003

    Cassatie tegen bestuurdersaansprakelijkheid faillissementstekort; artikel 81 RO

    Een curator spreekt een bestuurder aan voor het tekort in twee faillissementen op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank en het hof wijzen de vordering toe. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO, zonder inhoudelijke motivering. De aansprakelijkheid van de bestuurder blijft daarmee in stand.

    ECLI:NL:HR:2003:AF7852

  • Hoge Raad · 11 juni 1993

    Brens q.q./Sarper

    Bestuurdersaansprakelijkheid: te late publicatie jaarrekening onbelangrijk verzuim; administratieplicht

    De curator in een faillissement vorderde op grond van artikel 2:248 BW dat twee bestuurders hoofdelijk het tekort in het faillissement zouden bijdragen, omdat de jaarrekeningen te laat waren gedeponeerd en de administratie ontoereikend zou zijn. De Hoge Raad oordeelt dat een overschrijding van de publicatietermijn die het gevolg is van het ontbreken van een geldig besluit tot verlenging van de opmaaktermijn, buiten beschouwing blijft bij de beoordeling van een onbelangrijk verzuim. Ook de administratie voldeed aan de wettelijke eis. Het cassatieberoep wordt verworpen.

    ECLI:NL:HR:1993:ZC0994

Conclusies van de A-G (30)

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 oktober 2026

    Ontslag van bestuurders door AVA: nietigheid, bijeenroeping en tegenstrijdig belang (A-G)

    “[…] rept het hof daarin ook wel van “oproeping”. Ik wijs in het bijzonder op rov. 2.8 en rov. 3.5, naast de feitenvaststelling in rov. 2.6 (zie onder 1.6 hiervoor, dit spreekt voor zich). 3.5.4 Het hof laat zich in het bestreden oordeel evenmin erover uit, anders dan de klacht verder veronderstelt, of de rechtbank bij de in rov. 3.2 samengevatte beslissing terecht redeneert vanuit nietigheid (art. 2:14 BW), niet vernietigbaarheid (art. 2:15 BW), van het ontslagbesluit van de algemene vergadering van Qati op 18 maart 2021. Blijkens ’s hofs uiteenzetting in rov. 3.3, gevolgd door rov. 3.4-3.7, is die vraag niet door Qati aan de orde gesteld in haar grief tegen die beslissing van de rechtbank. Op zo’n vraag respondeert het hof dan ook niet in het bestreden oordeel. Dit wordt niet anders door rov. 3.5, eerste en tweede zin (“Ook dan moet het verweer falen. Het hof schaart zich achter de verwerping ervan door de rechtbank en de daarbij gegeven motivering”). Dit slaat hooguit terug op rov. 3.3, waaruit dus blijkt dat volgens het hof voornoemde vraag niet voorligt bij de te beoordelen grief van Qati. Ook daarmee zegt het hof derhalve niets over voornoemde vraag. 3.5.5 Zou de klacht wel […]”

    r.o. 3.5

    “Het hof laat zich in het bestreden oordeel evenmin erover uit, anders dan de klacht verder veronderstelt, of de rechtbank bij de in rov. 3.2 samengevatte beslissing terecht redeneert vanuit nietigheid (art. 2:14 BW), niet vernietigbaarheid (art. 2:15 BW), van het ontslagbesluit van de algemene vergadering van Qati op 18 maart 2021. Blijkens ’s hofs uiteenzetting in rov. 3.3, gevolgd door rov. 3.4-3.7, is die vraag niet door Qati aan de orde gesteld in haar grief tegen die beslissing van de rechtbank. Op zo’n vraag respondeert het hof dan ook niet in het bestreden oordeel. Dit wordt niet anders door rov. 3.5, eerste en tweede zin (“Ook dan moet het verweer falen. Het hof schaart zich achter de verwerping ervan door de rechtbank en de daarbij gegeven motivering”). Dit slaat hooguit terug op rov. 3.3, waaruit dus blijkt dat volgens het hof voornoemde vraag niet voorligt bij de te beoordelen grief van Qati. Ook daarmee zegt het hof derhalve niets over voornoemde vraag.”

    r.o. 3.5.4

    “[…] geeft het hof niet in rov. 3.15-3.18 (en 3.1) of elders in het arrest. Daartoe bestond ook geen reden voor het hof. 3.31.3 In rov. 4.13 van het vonnis concludeert de rechtbank, onder verwijzing naar rov. 4.6 (inzake “de tijdens de vergadering van 18 maart 2021 genomen ontslagbesluiten”), dat ook de tijdens de algemene vergadering van Qati van 12 augustus 2021 genomen besluiten nietig zijn (art. 2:14 BW). In het dictum (rov. 5.1) verklaart de rechtbank dit voor recht, aldus “dat de op 18 maart 2021 en 12 augustus 2021 genomen ontslagbesluiten nietig zijn en dat [vader en zoon] niet zijn opgehouden bestuurder te zijn van Qati; (…)”. 3.31.4 Voor zover de rechtbank dit relateert aan het handelen van [betrokkene 1] als bestuurder van Qati op 31 juli 2021, strekkende tot bijeenroeping van een algemene vergadering van Qati voor 12 augustus 2021, zijn haar overwegingen te vinden in rov. 4.9-4.11 van het vonnis. Die overwegingen komen erop neer dat [betrokkene 1] , die hier in genoemde hoedanigheid alleen optrad, niet de daartoe vereiste wettelijke of statutaire bevoegdheid had, zodat het desbetreffende besluit van het bestuur van Qati van 31 juli 2021 nietig is., 3.31.5 In grief III […]”

    r.o. 3.31

    “In rov. 4.13 van het vonnis concludeert de rechtbank, onder verwijzing naar rov. 4.6 (inzake “de tijdens de vergadering van 18 maart 2021 genomen ontslagbesluiten”), dat ook de tijdens de algemene vergadering van Qati van 12 augustus 2021 genomen besluiten nietig zijn (art. 2:14 BW). In het dictum (rov. 5.1) verklaart de rechtbank dit voor recht, aldus “dat de op 18 maart 2021 en 12 augustus 2021 genomen ontslagbesluiten nietig zijn en dat [vader en zoon] niet zijn opgehouden bestuurder te zijn van Qati; (…)”.”

    r.o. 3.31.3

    ECLI:NL:PHR:2026:938

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 juni 2026

    Tegenstrijdig belang en interne bestuurdersaansprakelijkheid; kennistoerekening (Curaçao)

    “[…] afwijzing van de vorderingen van [verweerder] , met veroordeling van [verweerder] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. In reconventie vorderde Seguros, samengevat, dat het gerecht: (i) voor recht verklaart dat [verweerder] de aan hem opgedragen bestuurstaak heeft verzaakt en dat hem zodoende een ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt, hetgeen hem op de voet van art. 2:14 lid 1 BW-Curaçao (hierna: het BWC) in verbinding met art. 6:162 BWC aansprakelijk maakt ten opzichte van Seguros voor alle ter zake geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat; (ii) voor recht verklaart dat het aandeelhoudersbesluit (en alle daarop gebaseerde documenten, overeenkomsten, besluiten, etc.) nietig is in de zin van art. 2:21 lid 1 BWC althans reeds is vernietigd, althans het aandeelhoudersbesluit vernietigt op de voet van art. 6:228 lid 1, aanhef en onder a en b BWC; (iii) voor recht verklaart dat Seguros gerechtigd was en is om al haar eventuele betalingsverplichtingen aan [verweerder] op te schorten en dat Seguros gerechtigd is om haar vorderingen op [verweerder] in reconventie (zoals deels nader vast te stellen in een schadestaatprocedure) te verrekenen […]”

    r.o. 2.2 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2026:614

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 augustus 2025

    Enquête tweede fase: geen wanbeleidsoordeel bij ontbreken te respecteren belang

    “Subonderdeel 5.1 bevat, samengevat, de volgende klachten. a. Het oordeel van de OK in rov. 4.26 van de beschikking dat het niet aan haar, maar aan de gewone civiele rechter is om te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW miskent dat zij, in het kader van haar beoordeling op de voet van art. 2:355 lid 1 BW of uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken wel degelijk ook de door [eiser] - als onderdeel van de grondslag van zijn verzoek - gestelde (ver)nietig(baar)heden van de besluiten van mei/juni 2019 moest beoordelen. Als van die (ver)nietig(baar)heden sprake is, legde dit bij die beoordeling immers gewicht in de schaal voor de kwalificatie wanbeleid althans kon dit het geval zijn, te meer indien herstel/bekrachtiging van die gebreken/besluiten niet mogelijk was. In zoverre is het dus wel degelijk aan de OK om te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW. Hierbij is ook van belang dat de vennootschap een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele […]”

    r.o. 3.38

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.39

    “[…] niet in het midden of de besluiten uit mei/juni 2019 ongeldig waren ((ver)nietig(baar), althans non-existent) noch of herstel van de desbetreffende gebreken in 2023 door bekrachtiging heeft plaatsgevonden. Ik licht dit toe. 3.40.2 Na - terecht - te hebben overwogen dat niet zij, maar de gewone civiele rechter bevoegd is te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW, behandelt en verwerpt de OK als volgt het in rov. 4.26, eerste twee zinnen bedoelde (technisch-juridische) bezwaar van [eiser] . (i) Het is voor de OK ten tijde van de beschikking (“op dit moment”) geenszins evident dat [eiser] zich vóór 17 november 2023 al op de ongeldigheid van het besluit tot de Aandelenuitgifte en het besluit tot de Conversie had beroepen. (ii) Wat daarvan ook zij, dus van (i): het was in ieder geval alleszins te billijken dat ICTS heeft gekozen voor de hersteloperatie zoals deze is vormgegeven, met eerst een bekrachtiging in 2023 van de in mei/juni 2019 genomen besluiten en daarna een ongedaanmaking van de materiële gevolgen van die besluiten. 3.40.3 Bij die verwerping en behandeling hanteert de OK, veronderstellenderwijs, als vertrekpunt dát de […]”

    r.o. 3.40

    “Na - terecht - te hebben overwogen dat niet zij, maar de gewone civiele rechter bevoegd is te oordelen over de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op grond van art. 2:14-2:15 BW, behandelt en verwerpt de OK als volgt het in rov. 4.26, eerste twee zinnen bedoelde (technisch-juridische) bezwaar van [eiser] . (i) Het is voor de OK ten tijde van de beschikking (“op dit moment”) geenszins evident dat [eiser] zich vóór 17 november 2023 al op de ongeldigheid van het besluit tot de Aandelenuitgifte en het besluit tot de Conversie had beroepen. (ii) Wat daarvan ook zij, dus van (i): het was in ieder geval alleszins te billijken dat ICTS heeft gekozen voor de hersteloperatie zoals deze is vormgegeven, met eerst een bekrachtiging in 2023 van de in mei/juni 2019 genomen besluiten en daarna een ongedaanmaking van de materiële gevolgen van die besluiten.”

    r.o. 3.40.2

    ECLI:NL:PHR:2025:916

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 februari 2025

    Te vroeg begonnen aandeelhoudersvergadering: Wijsmuller-norm, vernietigbaarheid en geldigheid statutenwijziging bv

    “[…] gebeuren plaatsvindt op de locatie en het tijdstip waarvoor de algemene vergadering is uitgeschreven en de aandeelhouders zijn opgeroepen”. In het licht daarvan kan wat het hof vaststelt niet de conclusie dragen dat op 10 januari 2018 een aandeelhoudersvergadering heeft plaatsgevonden. Zonder bestuursbesluit daartoe op grond van art. 2:219 BW en/althans zonder oproeping kan, mede gelet op art. 2:14 en 2:225 BW, geen sprake zijn van een algemene vergadering waarin besluiten kunnen worden genomen. Dat sprake is van een bestuursbesluit en/althans een oproeping voor een algemene vergadering op 10 januari 2018 vóór 11.00 uur stelt het hof niet vast, en is overigens ook gesteld noch gebleken. Behandeling”

    r.o. 3.13

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.14

    “[…] die feitelijk plaatsvond, de bijeengeroepen bijeenkomst is (wat trouwens ook zou passen bij de al langer zichtbare trend, mede in het rechtspersonenrecht, waaronder het vennootschapsrecht, dat de sanctie van nietigheid op de terugtocht is). 3.17.18 Dit laatste biedt geen soelaas als een genomen besluit in ieder geval om een andere reden nietig is. Maar dan is dát, met normaaltypisch art. 2:14 BW als middelpunt, toch het geëigende beoordelingskader met consequenties van dien. Het is dan niet nodig dit kader te ecarteren, door vanwege die specifieke nietigheid in voornoemde casusposities ‘toch niet’ aan te nemen dat de bijeenkomst die feitelijk plaatsvond, de bijeengeroepen bijeenkomst is. De vraag of zo’n specifieke nietigheid aan de orde is, kan door een betrokkene in rechte ter beoordeling worden voorgelegd, desgewenst ook door degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Hetzelfde geldt als een genomen besluit niet door zo’n specifieke nietigheid wordt getroffen, maar vernietigbaar is, in het bijzonder in de zin van art. 2:15 BW. Dan is dát toch het geëigende beoordelingskader met consequenties van dien, waarbij zij bedacht dat vernietigbaar niet betekent: […]”

    r.o. 3.17

    “Dit laatste biedt geen soelaas als een genomen besluit in ieder geval om een andere reden nietig is. Maar dan is dát, met normaaltypisch art. 2:14 BW als middelpunt, toch het geëigende beoordelingskader met consequenties van dien. Het is dan niet nodig dit kader te ecarteren, door vanwege die specifieke nietigheid in voornoemde casusposities ‘toch niet’ aan te nemen dat de bijeenkomst die feitelijk plaatsvond, de bijeengeroepen bijeenkomst is. De vraag of zo’n specifieke nietigheid aan de orde is, kan door een betrokkene in rechte ter beoordeling worden voorgelegd, desgewenst ook door degene(n) die niet ter vergadering aanwezig was (waren). Hetzelfde geldt als een genomen besluit niet door zo’n specifieke nietigheid wordt getroffen, maar vernietigbaar is, in het bijzonder in de zin van art. 2:15 BW. Dan is dát toch het geëigende beoordelingskader met consequenties van dien, waarbij zij bedacht dat vernietigbaar niet betekent: nietig. De vraag of grond bestaat voor vernietiging kan door een betrokkene in rechte ter beoordeling worden voorgelegd (met inachtneming van de daarvoor geldende regels, zie vooral nader art. 2:15 BW), desgewenst ook door degene(n) die niet ter vergadering […]”

    r.o. 3.17.18

    ECLI:NL:PHR:2025:279

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 april 2024

    Nietigheid VvE-besluit ex artikel 2:14 BW bij dakopbouw en splitsing; oproeping appartementseigenaars

    “[…] (II) in de art. 5:130 BW-procedures het toestemmingsbesluit te vernietigen en (III) in de art. 5:140 BW-procedure het verzoek van de voorstemmers tot het verlenen van een vervangende machtiging alsnog af te wijzen. In hun beroepschrift hebben de tegenstemmers de “twee pijlers” van hun art. 5:130 BW-verzoek nader toegelicht. Volgens hen is het toestemmingsbesluit nietig op grond van art. 2:14 BW omdat het toestemmingsbesluit en het splitsingsbesluit zodanig met elkaar verbonden zijn dat voor beide het quorum van 80% geldt dat art. 5:139 lid 2 BW vereist voor aanpassing van de akte van splitsing. Omdat het toestemmingsbesluit niet met het quorum is aangenomen, handelt de VvE in strijd met deze bepaling, zodat het toestemmingsbesluit nietig is wegens strijd met de wet. Daarnaast, ik neem aan voor het geval het toestemmingsbesluit niet nietig mocht zijn, komt het toestemmingsbesluit volgens de tegenstemmers ook in aanmerking voor vernietiging op grond van art. 2:15 BW in samenhang met art. 5:130 lid 1 BW.”

    r.o. 2.7

    “Vervolgens is het hof ingegaan op de grief van de tegenstemmers tegen de afwijzing door de kantonrechter van hun verzoek tot vernietiging van het toestemmingsbesluit (rov. 5.13). Het hof heeft daarbij eerst het relevante kader geschetst: “5.14 Artikel 5:124 lid 2 BW bepaalt dat in het VvE-recht titel 1 van Boek 2 BW van toepassing is, behoudens de in dat artikellid genoemde uitzonderingen. Hieruit volgt dat artikel 2:14 BW van toepassing is op het VvE-recht. In artikel 2:14 lid 1 BW is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 5:129 lid 1 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.””

    r.o. 2.20 · lid 1

    “Het hof heeft geoordeeld dat het toestemmingsbesluit op grond van art. 2:14 lid 1 BW in verbinding met art. 5:129 lid 1 BW nietig is omdat het zonder bijbehorende (met de vereiste meerderheid aangenomen) wijziging van de akte van splitsing in strijd is met de bestaande akte van splitsing: “5.15 Zoals al eerder is vastgesteld, zijn partijen het erover eens dat het splitsen van de bedrijfsruimte en het realiseren van de dakopbouwen met dakterrassen (blijvende) gevolgen hebben voor de goederenrechtelijke situatie tussen de appartementsrechteigenaars en dat daarvoor dus ook een wijziging nodig is van de bestaande splitsingsakte. Dat betekent dat, indien hiertoe wordt besloten zonder de daarbij behorende wijziging van de akte van splitsing, dat besluit op grond van artikel 2:14 lid 1 BW in verbinding met artikel 5:129 lid 1 BW nietig is. Nu voor de desbetreffende wijzigingen in de splitsingsakte de vereiste versterkte meerderheid (van 80%) van de stemmen ontbrak is het in rechtsoverweging 3.3 onder (1) genoemde VvE-besluit [het toestemmingsbesluit, A-G] tot het geven van toestemming voor de dakopbouwen en de splitsing bedrijfsruimte in strijd met de bestaande akte van splitsing en dus […]”

    r.o. 2.21 · lid 1

    “Met onderdeel III bestrijden de voorstemmers rov. 5.15 van de bestreden beschikking. Volgens het onderdeel zijn de overwegingen van het hof in rov. 5.15 onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Hierin heeft het hof geoordeeld dat het besluit tot het splitsen van de bedrijfsruimte en het realiseren van de dakopbouw met dakterrassen op grond art. 2:14 lid 1 BW in verbinding met art. 5:129 lid 1 BW nietig is indien hiertoe is besloten zonder een daarbij behorende wijziging van de akte van splitsing en dat, nu voor de desbetreffende wijzigingen in de splitsingsakte de vereiste versterkte meerderheid van de stemmen ontbrak, het besluit tot het geven van toestemming voor de dakopbouw en de splitsing van de bedrijfsruimte in strijd met de bestaande akte van splitsing en dus nietig is. Door aldus te oordelen is het hof (in strijd met art. 24 Rv) buiten de rechtsstrijd van partijen dan wel het processuele debat getreden. De tegenstemmers hebben een en ander namelijk niet gesteld. Zij hebben niet gesteld dat het betreffende besluit in strijd met de akte van splitsing is. Zij hebben (slechts) gesteld dat het besluit in strijd is met art. 5:139 lid 2 BW. Hierbij […]”

    r.o. 3.33 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2024:433

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2024

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid stichting Curaçao: verjaring, matiging en hoofdelijkheid

    “Bij inleidend verzoekschrift van 19 maart 2018 is BZV een procedure gestart tegen [oud-bestuurder 1] en [oud-bestuurder 2] (hierna: [oud-bestuurders 1 en 2] ).BZV heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) verzocht voor recht te verklaren dat [oud-bestuurder 1] en [oud-bestuurder 2] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de behoorlijke vervulling van hun bestuursfunctie zoals bedoeld in art. 2:14 en 2:17 BW-CUR en dat zij op die grond hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door BZV geleden schade. Daarnaast heeft BZV een hoofdelijke veroordeling verzocht van gedaagden tot vergoeding van die schade ad NAf 7.032.462,99, te vermeerderen met wettelijke rente.”

    r.o. 2.2

    “[…] d, BW-CUR in verbinding met art. 3:320 BW-CUR neergelegde verlengingsgrond voor de verjaring tussen rechtspersonen en hun bestuurders. Die bepalingen behelzen niet dat wetenschap van een bestuurder in het maatschappelijk verkeer te gelden heeft als wetenschap van de rechtspersoon. (onder 4.8) Strijd met statuten e. De grondslag van de vorderingen van BZV betreft bestuursaansprakelijkheid ex art. 2:14 BW-CUR, het Curaçaose equivalent van art. 2:9 BW-NL dat ziet op de interne aansprakelijkheid van de bestuurder. Volgens BZV hebben [oud-bestuurders 1 en 2] , onder meer wat betreft de besluitvorming, in strijd gehandeld met de statuten. (onder 4.9) f. Richtinggevend zijn de arresten ‘ […] / […] ’ (ECLI:NL:HR:1997:ZC2243) en ‘ […] /Berghuizer Papierfabriek’ (ECLI:NL:HR:2002:AE7011). In het laatstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad overwogen: ‘3.4.5 (…) Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te […]”

    r.o. 2.7

    “Nader nog het volgende. Belangrijk dunkt mij dat de aansprakelijkheid uit hoofde van art. 2:14 BW-CUR veronderstelt dat [oud-bestuurders 1 en 2] van het onbehoorlijk bestuur een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat aan die maatstaf is voldaan is door het hof aangenomen (tussenvonnis onder 4.9 e.v.) en de tegen dat oordeel in het principaal beroep gerichte klachten falen. In de overwegingen met betrekking tot matiging besteedt het hof aan die aansprakelijkheidsgrondslag en het erdoor veronderstelde schuldverwijt geen kenbare aandacht. Bovendien komen in die overwegingen kwalificaties voor die de ernst van het verwijt onderstrepen zoals dat aan [oud-bestuurders 1 en 2] kan worden gemaakt. Ik denk aan de overweging over het ‘ongepaste blinde vertrouwen van de bestuurders’ in de minister van Volksgezondheid (onder 4.21) en over de onbegrijpelijkheid van het vertrouwen van [oud-bestuurders 1 en 2] in accountant [betrokkene 1] (onder 4.22). Subtieler van aard dunkt mij de overweging over het ‘extreem naïef’ zijn van de bestuurders (onder 4.23). Daarin is eventueel te lezen dat het Hof enigszins op het aan [oud-bestuurders 1 en 2] gemaakte verwijt afdingt. Dit dunkt mij echter zeer […]”

    r.o. 4.16

    “Voor zover het Hof (impliciet) heeft geoordeeld dat de vordering tot hoofdelijke verbondenheid van [oud-bestuurders 1 en 2] niet kan worden toegewezen vanwege zijn matigingsoordelen miskent het Hof volgens onderdeel 3.4 eveneens dat alle uit hoofde van art. 2:14 BW-CUR aansprakelijke personen hoofdelijk verbonden zijn om de schade te vergoeden, met dien verstande dat deze personen niet voor meer kunnen worden aangesproken dan voor het ten aanzien van hen gematigde bedrag aan schadevergoeding.”

    r.o. 4.29

    ECLI:NL:PHR:2024:382

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 januari 2024

    Conclusie: nietigheid of vernietigbaarheid van bestuursbesluiten bij ontslag stichtingbestuurder

    “Centraal bij dit onderwerp staan art. 2:14-2:15 BW. Art. 2:16 BW kan ik laten rusten.”

    r.o. 3.3

    “In de systematiek van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW bevat art. 2:14 lid 1 BW het strenge uitgangspunt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is. Dit uitgangspunt wordt in datzelfde art. 2:14 lid 1 BW evenwel meteen gerelativeerd: de nietigheid geldt niet, voor zover uit de wet iets anders voortvloeit.”

    r.o. 3.4 · lid 1

    “Voorbeelden van dit laatste die blijken uit de wet zijn art. 2:14 lid 2 BW en art. 2:15 lid 1 BW. Artikel 2:14 lid 2 BW ziet op bepaalde besluiten die nietig zijn op de voet van art. 2:14 lid 1 BW, maar bekrachtigd kunnen worden als bedoeld in art. 2:14 lid 2 BW met inachtneming van art. 2:14 lid 3 BW: de nietigheid van het besluit valt dan (met terugwerkende kracht) weg. Artikel 2:15 lid 1 BW ziet op besluiten die niet nietig zijn (art. 2:14 BW speelt niet), maar wel vernietigbaar, waarvoor het vervolg van art. 2:15 BW nadere regels bevat.”

    r.o. 3.5 · leden 1, 2, 3

    “Blijkens art. 2:15 lid 1, aanhef en sub a-c BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens strijd met: (a) een wettelijke of statutaire bepaling die het tot stand komen van besluiten regelt; (b) de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist; en/of (c) een reglement. Art. 2:15 lid 2 BW benadrukt nog eens dat tot de bepalingen als bedoeld sub a niet behoren “die welke de voorschriften bevatten” waarop in art. 2:14 lid 2 BW wordt gedoeld.”

    r.o. 3.6 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2024:17

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 september 2022

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid stichtingsbestuurder bij ontbreken statutair vereiste RvC-goedkeuring (Curaçao)

    “Met het slagen van onderdeel 1 wordt reeds het kleed weggetrokken onder de door het hof in rov. 3.27-3.32 en het dictum van het vonnis aangenomen bestuurdersaansprakelijkheid van [verzoekster] jegens SSC op de voet van art. 2:14 (oud) BW-C. Ik behandel volledigheidshalve ook de andere onderdelen. Onderdeel 2”

    r.o. 3.6

    “[…] kader van die vordering. Die verwijzing naar dat gedingstuk in eerste aanleg zijdens [verzoekster] baat haar niet, reeds gezien dat in hoger beroep onbestreden oordeel van het gerecht.Bij deze stand van zaken kon het hof oordelen, zoals het doet in rov. 3.32 van het vonnis, dat gegeven de dan vaststaande aansprakelijkheid van [verzoekster] als bestuurder van SSC jegens SSC op de voet van art. 2:14 (oud) BW-C zij aansprakelijk is jegens SSC “voor de nadelige financiële gevolgen van de overeenkomst die [verzoekster] namens SSC heeft gesloten met Experientia, onder andere het betalen van een substantiële vergoeding aan Experientia”. En kon het hof ervan uitgaan, zoals het mede doet in rov. 3.28, dat [verzoekster] geen grief heeft gericht tegen het hiervoor gecursiveerde oordeel van het gerecht in rov. 2.34. Gezien het voorgaande hoefde het hof evenmin elders in het vonnis aandacht te besteden aan genoemde stellingname van [verzoekster] in eerste aanleg. Onderdeel 3”

    r.o. 3.14

    “[…] kader van die vordering. Die verwijzing naar dat gedingstuk in eerste aanleg zijdens [verzoekster] baat haar niet, reeds gezien dat in hoger beroep onbestreden oordeel van het gerecht.Bij deze stand van zaken kon het hof oordelen, zoals het doet in rov. 3.32 van het vonnis, dat gegeven de dan vaststaande aansprakelijkheid van [verzoekster] als bestuurder van SSC jegens SSC op de voet van art. 2:14 (oud) BW-C zij aansprakelijk is jegens SSC “voor de nadelige financiële gevolgen van de overeenkomst die [verzoekster] namens SSC heeft gesloten met Experientia, onder andere het betalen van een substantiële vergoeding aan Experientia”. En kon het hof ervan uitgaan, zoals het mede doet in rov. 3.28, dat [verzoekster] geen grief heeft gericht tegen het hiervoor gecursiveerde oordeel van het gerecht in rov. 2.34. Gezien het voorgaande hoefde het hof evenmin elders in het vonnis aandacht te besteden aan genoemde stellingname van [verzoekster] in eerste aanleg. Onderdeel 3”

    r.o. 3.14.1

    “[…] spoedeisend was, waarop het hof daar wijst. 3.18.5 In zoverre zijn de klachten dan terecht voorgesteld. 3.18.6 Daarbij verdient het volgende nog opmerking. De ernstig verwijt-maatstaf is blijkens bestendige Hoge Raad-rechtspraak een verzwaarde maatstaf die leidt tot een hoge drempel voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid, in dit geval jegens de rechtspersoon op de voet van art. 2:14 (oud) BW-C. Voldoende voor het hier niet aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is dat, gezien de omstandigheden van het geval en alles afwegende, [verzoekster] ter zake geen ernstig verwijt te maken valt. Daarbij is dus nadrukkelijk ook plaats voor aangevoerde verzachtende omstandigheden, die kunnen meebrengen dat het door het hof aangenomen handelen van [verzoekster] in strijd met statutaire bepalingen (door de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder de door art. 8 van de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC) bezien vanuit de totaliteit van de te betrekken omstandigheden toch niet een ernstig verwijt oplevert, al is die strijd met statutaire bepalingen op zichzelf een zwaarwegende omstandigheid. Ik citeer Timmerman, waar hij met instemming benadrukt dat […]”

    r.o. 3.18

    ECLI:NL:PHR:2022:845

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2022

    Vernietigbaarheid ontslagbesluit lid algemeen bestuur stichting; belang ontbreekt, A-G concludeert tot verwerping

    “In rov. 3.5-3.6 van het arrest overweegt het hof als volgt: “3.5In zijn toelichting op deze grieven betoogt [eiser] , zakelijk weergegeven, dat het op 27 mei 2020 genomen ontslagbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en/of vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. [eiser] voert hiertoe aan: (i) dat in de oproep voor deze vergadering van 12 mei 2020 niet was vermeld dat zijn ( [eiser] ) ontslag als bestuurder op de agenda stond, maar dat dit pas op 26 mei 2020 aan de agenda is toegevoegd, hetgeen in strijd is met de artikelen 10 lid 3 en 12 lid 4 van de statuten; (ii) dat het besluit niet is genomen met het krachtens artikel 12 lid 2 van de statuten voorgeschreven quorum aan stemmen. ten aanzien van (i)”

    r.o. 3.6 · lid 1

    “Gezien 3.5-3.9 hiervoor brengt het falen van subonderdeel II.c reeds mee dat ’s hofs oordeel “ten aanzien van (i)” als bedoeld in rov. 3.5-3.6 van het arrest - erop neerkomend dat de daar bedoelde strijd met de statuten van SIO wordt beheerst door art. 2:15 lid 1 onder a BW (niet art. 2:14 lid 1 BW), en dat voor vernietiging van het op 27 mei 2020 genomen ontslagbesluit ten aanzien van [eiser] op de voet van art. 2:15 lid 1 onder a BW geen grond bestaat, omdat aan [eiser] een dergelijk beroep op vernietigbaarheid niet toekomt nu hij geen belang hierbij heeft - hoe dan ook stand houdt in cassatie, wat betekent dat subonderdelen II.a en II.b geen behandeling behoeven.”

    r.o. 3.10 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2022:134

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 januari 2022

    Is een werknemer door een benoemingsbesluit statutair bestuurder geworden en kon hij zo worden ontslagen?

    “[…] toegevoegd door mij, A-G). Indien slechts één aandeelhouder kon stemmen, was (en is) voldoende dat diens besluit schriftelijk wordt vastgelegd.De meeste auteurs nemen aan dat het schenden van het schriftelijkheidsvereiste van art. 2:238 BW (zowel in de oude als in de nieuwe redactie) leidt tot nietigheid van de stem en van het besluit (als bedoeld in art. 3:39 BW respectievelijk art. 2:14 lid 1 BW) en dus niet tot ‘slechts’ vernietigbaarheid van het besluit (op grond van art. 2:15 lid 1 onder a BW). Het bepalen van de inhoudelijke strekking van het bewuste geschrift (de stemverklaring of het integrale besluit) is een uitlegkwestie. Aangenomen wordt dat daarbij in beginsel objectieve maatstaven moeten worden aangelegd, waarbij slechts voor derden kenbare feiten en omstandigheden, in het bijzonder de tekst, een rol kunnen spelen.”

    r.o. 3.4 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2022:31

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 maart 2021

    Verlaging uittredingsleeftijd partners: AVA-besluit, leeftijdsdiscriminatie en onrechtmatige daad naast artikel 2:15 BW

    “[…] moet worden overgelaten en dat nietigheid geen verdere gevolgen heeft dan een doelmatig functioneren van de rechtsorde vergt. Art. 13 Wgbl gaat uitsluitend over een nietig beding. Daaruit volgt dat een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van een vennootschap, zoals het AVA-besluit, niet door de nietigheidssanctie van art. 13 Wgbl wordt geraakt. Boek 2 BW kent, met art. 2:14, 2:15 en 2:16 BW, een eigen regeling voor nietigheid en vernietigbaarheid van besluiten van een orgaan van de rechtspersoon, waarop het hof ook wijst in rov. 3.1-3.2 en 3.4 tussenarrest (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW jo. art. 2:8 BW). Op grond van art. 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van de rechtspersoon dat in strijd is met de wet in beginsel nietig. Die wet zou, afhankelijk van de inhoud van het besluit en de overige omstandigheden van het geval, ook de Wgbl kunnen zijn; een wet buiten het rechtspersonenrecht. Het gaat dan, in de systematiek van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW, om een besluit dat nietig is ex art. 2:14 lid 1 BW, zonder dat de in art. 2:14 leden 2 en 3 BW geregelde mogelijkheid van bekrachtiging speelt (“nietig zonder meer”). Aan de vraag of het […]”

    r.o. 3.13 · leden 1, 2, 3

    ECLI:NL:PHR:2021:272

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2020

    Toerekening van kennis aan koper-BV en afwijzing interne bestuurdersaansprakelijkheid na aandelentransactie

    “[…] dan wel vermeende exoneraties; - II.a. voor recht te verklaren dat de vermeende aandeelhoudersbesluiten van 1 december 2008, 15 mei 2009, 6 augustus 2009 en 7 augustus 2009 nietig zijn, alsmede dat alle daarop gebaseerde dividenduitkeringen eveneens nietig zijn, alsmede - voor zover nodig - dat de vermeende aandeelhoudersbesluiten van 6 en 7 augustus 2009 geen bekrachtiging inhouden ex artikel 2:14 BW en dat daaraan terugwerkende kracht kan worden verleend, zodat daarmee het vermeende aandeelhoudersbesluit met 1 december 2008 als datum niet als gesauveerd kan worden beschouwd; II.b. voor zover het hof van oordeel is dat de vermeende aandeelhoudersbesluiten niet nietig zijn, voor recht te verklaren dat de dividenduitkeringen en onttrekkingen die daarop zijn gebaseerd, onrechtmatig zijn tegenover de curatoren, dan wel dat er in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 2:216 lid 2 BW en [verweerders 1, 2 en 3] en [verweerders 4, 5, 6 en 7] op deze voet hoofdelijk verbonden zijn voor een bedrag van € 1.387.400 (€ 720.000 en € 120.000 wegens dividenden 2008 respectievelijk 2009 alsmede € 460.000 wegens managementvergoedingen met € 87.400 btw), althans het […]”

    r.o. 2.8

    ECLI:NL:PHR:2020:449

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 maart 2020

    Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager

    “[…] ziet op bestuursbesluiten waarvoor op grond van de statuten goedkeuring van de RvC vereist is. Hiervan is geen sprake. De “bezoldiging van bestuurders” wordt op grond van de statuten van Orthocenter vastgesteld door de RvC. De RvC is dus vertegenwoordigingsbevoegd. Besluiten (als hiervan sprake is) van bestuurder(s) van Orthocenter omtrent de bezoldiging van [verweerder] zijn nietig ex artikel 2:14 lid 1 BW.” [vet, cursief en onderstreept in origineel, voetnoot niet overgenomen in citaat, A-G]”

    r.o. 3.35 · lid 1

    “De klacht faalt.Mede in het licht van de stellingen van Orthocenter acht ik het oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6 (in verbinding met rov. 3.4 en 3.10) niet onbegrijpelijk. Ik begrijp het oordeel van het hof zo dat het - door het hof onderkende - beroep van Orthocenter op de vennootschapsrechtelijke regel uit het Imeko/ […]-arrest als bedoeld onder 3.6 en 3.9, waaruit zou volgen dat de RvC op grond van art. 2:135 lid 4 BW in verbinding met art. 13 lid 3 van de statuten (bij uitsluiting) bevoegd zou zijn [verweerder] ’s beloning vast te stellen ongeacht de aard van de door hem verrichte werkzaamheden, wordt verworpen. Het hof is er, met [verweerder] , terecht van uitgegaan dat inzake de invalwerkzaamheden die [verweerder] heeft verricht in hoedanigheid van VM/patiëntbehandelaar en de daarmee gepaard gaande vergoedingen (“afspraken (…) aangaande invalwerkzaamheden”, zie rov. 3.6) [betrokkene 1], als de algemeen statutair directeur van Orthocenter, bevoegd was om namens Orthocenter afspraken met [verweerder] te maken. Daarbij wijs ik erop dat tussen partijen niet in geschil was dat (van vaststelling door de RvC te onderscheiden) ‘goedkeuring’ door de RvC hiervoor niet was […]”

    r.o. 3.36

    “Onderdeel 3 klaagt dat Orthocenter heeft gesteld dat enig besluit van de bestuurder(s) van Orthocenter tot betaling van de aanvullende vergoedingen, alsmede enige daarop volgende vertegenwoordigingshandeling, nietig is op de voet van art. 2:14 lid 1 BW wegens tegenstrijdig belang. Het onderdeel wijst daartoe op de volgende stellingname: “Ook indien uw Rechtbank over het voorgaande anders zou oordelen, was slechts de RvC bevoegd Orthocenter te vertegenwoordigen aangezien sprake was van tegenstrijdig belang in de zin van artikel 2:146 BW (oud). Hierbij dienen alle geschetste omstandigheden in acht genomen te worden. Daar het zijn eigen beloning was, was [verweerder] niet in staat het belang van Orthocenter met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen. In de statuten van Orthocenter is en was het tegenstrijdig belang niet weggeschreven maar wordt de wettelijke regeling juist bevestigd: In geval van tegenstrijdig belang is iedere commissaris vertegenwoordigingsbevoegd. De onbevoegdheid van de bestuurder(s) heeft externe werking en [verweerder] was niet te goeder trouw (ex artikel 2:16 lid 2 BW, want [verweerder] kende als statutair directeur het besluitvormingsgebrek […]”

    r.o. 3.41 · lid 1

    “De klacht faalt.Het onderdeel gaat terecht ervan uit dat het hof niet met zoveel woorden is ingegaan op het beroep van Orthocenter dat slechts de RvC bevoegd was Orthocenter ter zake te vertegenwoordigen, aangezien sprake was van tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:146 (oud) BW. Het hof was hiertoe ook niet gehouden. De bewoordingen van de in het onderdeel aangehaalde passage uit de Spreekaantekeningen comparitie zijdens Orthocenter lijken weliswaar te duiden op toepassing van het […]-arrest, overigens zonder naar dat arrest te verwijzen (“alle geschetste omstandigheden in acht genomen”, “de vereiste integriteit en objectiviteit”). Zoals uiteengezet onder 3.17, volgt uit het […]-arrest dat een beroep op art. 2:146 (oud) BW slechts zou kunnen slagen, als een persoonlijk belang van [betrokkene 1] (die “in dezen” Orthocenter vertegenwoordigde, zie rov. 3.6 en 3.10) in de zin van rov. 3.4 van het […]-arrest tegenstrijdig was met het belang van Orthocenter op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op zijn besluitvorming met betrekking tot de met [verweerder] gemaakte afspraken over de aanvullende […]”

    r.o. 3.42

    ECLI:NL:PHR:2020:290

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 februari 2020

    Appartementsrecht: nietigheid of vernietigbaarheid VvE-besluit bij ontbrekende gekwalificeerde meerderheid

    “Na een mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bij beschikking van 27 oktober 2017 [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en hem in de proceskosten veroordeeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is het verzoek niet binnen de ingevolge art. 5:130 lid 2 BW geldende termijn ingediend (rov. 4.2). Verder – ‘geheel terzijde’ – heeft de kantonrechter overwogen dat het verzoek van [verzoeker] is gebaseerd op art. 2:14 BW, zodat, indien [verzoeker] ontvankelijk zou zijn in het verzoek, de kantonrechter niet bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen (rov. 4.3).”

    r.o. 2.3

    “[…] Daarvan was pas sprake na kennisname van de op 18 juli 2017 toegezonden concept-notulen en dat betekent dat [verzoeker] zijn verzoek tijdig heeft ingediend (rov. 18); - voor zover het verzoek van [verzoeker] is gebaseerd op de stelling dat voor het besluit een gekwalificeerde meerderheid vereist was en deze niet is gehaald, moet dat worden gezien als een beroep op nietigheid in de zin van art. 2:14 BW en dit bezwaar moet op zich beschouwd in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank worden aangekaart (rov. 19); - vast staat dat [verzoeker] naast het beroep op nietigheid van het besluit ook een beroep op vernietiging van het besluit heeft gedaan, beide op basis van een samenhangend feitencomplex. Met name gelet op deze samenhang mocht [verzoeker] beide kwesties tezamen in één verzoekschriftprocedure aankaarten en was de kantonrechter bevoegd om daarop te beslissen. Ook het hof zal in hoger beroep over beide kwesties beslissen in de bij hem aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure. Niet is gesteld of gebleken dat een van partijen hierdoor in zijn verdediging is of wordt benadeeld (rov. 20-21); - de ventilatieschacht vanuit de garage naar het dak behoort tot de […]”

    r.o. 2.6

    “Onderdeel 3 richt zich tegen rov. 19, waarin het hof als volgt heeft overwogen: “De VvE heeft terecht aangevoerd dat voor zover het verzoek van [verzoeker] is gebaseerd op de stelling dat voor het besluit een gekwalificeerde meerderheid vereist was en deze niet is gehaald, dat moet worden gezien als een beroep op nietigheid van het besluit in de zin van artikel 2:14 BW. Anders dan [verzoeker] heeft betoogd, kan dit gestelde gebrek in de besluitvorming niet worden geschaard onder de in artikel 2:15 BW bedoelde schending van bepalingen ‘die de totstandkoming van een besluit regelen’. Dit betekent dat [verzoeker] dit bezwaar, op zich beschouwd, in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank had moeten aankaarten.””

    r.o. 3.28

    “Het onderdeel klaagt, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat een bepaling houdende vereiste van een gekwalificeerde meerderheid is aan te merken als een bepaling als bedoeld in art. 2:15 BW die de totstandkoming van een besluit regelt.”

    r.o. 3.29

    ECLI:NL:PHR:2020:119

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2020

    Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig

    “Aan de vordering onder I heeft [eiseres] Holding ten grondslag gelegd dat het ontslagbesluit nietig is op grond van het bepaalde in art. 2:14 lid 1 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in haar hoedanigheid van bestuurder niet tijdig en op een correcte wijze is opgeroepen tot de bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van 17 juli 2017 en evenmin is gehoord over het te nemen ontslagbesluit of in de gelegenheid is gesteld om haar raadgevende stem te gebruiken, hetgeen in strijd is met de statuten van [verweerster] Beheer en het bepaalde in art. 2:227 lid 7 BW. [eiseres] Holding heeft voorts gesteld dat het besluit in ieder geval vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 onder a BW in samenhang met art. 2:8 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de bestuurder moet worden gehoord voordat hij wordt ontslagen. [eiseres] Holding heeft dit besluit dan ook bij brief van 11 augustus 2017 (verzonden per e-mail) op diezelfde dag vernietigd. Aan de vorderingen onder II en III heeft [eiseres] Holding ten grondslag gelegd dat de opzegging van de managementovereenkomst niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De […]”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “Naar het oordeel van het hof gaat het bij de door [eiseres] Holding bedoelde schending van wettelijke en statutaire bepalingen om bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder a BW, waarbij geen sprake is van een schending als bedoeld in artikel 2:14 lid 2 BW. Aldus is sprake van een vernietigbaar (ontslag)besluit. Het horen van de directeur over zijn ontslag tijdens de aandeelhoudersvergadering vindt zijn grondslag in artikel 2:8 BW, waarbij ook [eiseres] Holding ervan uitgaat dat het nalaten hiervan reden is voor vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Voor zover [eiseres] Holding nog stelt dat zij het ontslagbesluit heeft vernietigd bij brief van 11 augustus 2017 van haar advocaat, is van belang dat artikel 2:15 lid 3 BW voorschrijft dat vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank. Buitengerechtelijke vernietiging is niet mogelijk. Dit betekent dat op en na 17 juli 2017 sprake is geweest van een weliswaar vernietigbaar maar niet vernietigd en daarom vooralsnog als geldig te beschouwen ontslagbesluit, zodat (ook) de vordering onder I in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen. Voor zover [eiseres] […]”

    r.o. 6.21 · lid 2

    “Onderdeel 1 (p. 3-5 van de procesinleiding) bevat de rechtsklacht dat “[h]et oordeel van het hof in rov. 6.21, dat de geschonden statutaire bepalingen het ontslagbesluit vernietigbaar maken in de zin van art. 2:15 lid 1 onder a BW, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting”. Volgens [eiseres] Holding heeft het hof daarmee miskend dat “een dergelijk besluit nietig is in de zin van art. 2:14 lid 2 BW, in geval de bestuurder geen agenda heeft ontvangen, niet (tijdig) is opgeroepen en bijgevolg zijn raadgevende stem niet heeft kunnen laten horen ter aandeelhoudersvergadering zodat deze geen invloed heeft kunnen uitoefenen op dat besluit.” Gelet ook op de ST-M en de Repliek-M komt dit erop neer dat die sanctie van nietigheid in de zin van art. 2:14 lid 2 BW (en niet die van vernietigbaarheid in de zin van art. 2:15 lid 1 (onder a) BW) een (ontslag)besluit van de algemene vergadering treft, indien de bestuurder niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld om als zodanig ter aandeelhoudersvergadering zijn raadgevende stem in de zin van art. 2:227 lid 7 BW (althans een daarmee overeenstemmende statutaire bepaling) te gebruiken, doordat de algemene vergadering dat besluit “achter de rug […]”

    r.o. 3.2 · lid 2

    “De voorliggende materie van (ver)nietig(baar)heid van besluiten van organen van rechtspersonen is notoir weerbarstig. Voor een goed begrip, en gelet ook op de casus gedreven relevantie van diverse aspecten van B.V.-recht, zet ik het juridisch kader stapsgewijs en niet al te afgemeten uiteen. Mijn startpunt zijn de algemene regelingen van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW in Titel 1 van Boek 2 BW, die van dwingend recht zijn (art. 2:25 BW). In het onderhavige geval zijn in het bijzonder relevant art. 2:14 BW en art. 2:15 lid 1 en lid 2 BW. a. Tekst van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:PHR:2020:111

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 juni 2019

    Uitleg statutaire aanbiedingsregeling, aandeelhoudersovereenkomst en redelijkheid en billijkheid

    “[…] worden uitgelegd. In voorkomende gevallen zal de ene aandeelhouder ten opzichte van de andere(n) er zelfs aanspraak op kunnen maken dat statutenwijziging plaatsvindt. Dit is in het bijzonder van belang voor het geval waarin de aandeelhoudersovereenkomst verplicht tot besluiten van organen van de rechtspersoon die zonder statutenwijziging niet geldig kunnen worden genomen in verband met art. 2:14 BW. Bovendien zal door statutenwijziging voor de toekomst ook jegens derden kunnen gaan gelden wat op grond van de aandeelhoudersovereenkomst tussen de partijen bij die overeenkomst reeds geldt. Strijd met de inhoud van een aandeelhoudersovereenkomst leidt er echter in beginsel niet toe dat een overeenkomstig de statuten genomen besluit ongeldig is, al kunnen redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW), eventueel mede in het licht van de norm van het vennootschappelijk belang (art. 2:239 lid 5 BW), tot nuanceringen leiden (‘doorwerking’ van de aandeelhoudersovereenkomst naar de vennootschappelijke verhoudingen). Afgezien van die nuanceringen zijn de gewone regels van wanprestatie en schadevergoeding van Boek 6 BW van toepassing (art. 6:74 e.v. en 6:95 e.v. BW), met inbegrip van de […]”

    r.o. 3.16

    ECLI:NL:PHR:2019:768

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 maart 2015

    Statutaire uittreedvergoeding coöperatie: kenbaarheid en bepaalbaarheid onder artikel 2:60 BW

    “[…] moet blijken op welke wijze verplichtingen aan de leden kunnen worden opgelegd. De verplichting dient in het tweede geval overeenkomstig de op de door de statuten bepaalde wijze te worden opgelegd. Wanneer aan de leden een verplichting wordt opgelegd zonder statutaire grondslag, is het besluit om een dergelijke verplichting op te leggen in strijd met de statuten en derhalve nietig (artikel 2:14 lid 1 BW).” Hof ’s-Hertogenbosch 20 juni 2006 achtte een contractuele uittreedvoorwaarde neergelegd in de overeenkomst tussen de coöperatie en een lid ongeldig, omdat de statuten daarin niet voorzagen (rov. 4.2.6-4.2.8). literatuur 2.1.14 Dijk en Van der Ploeg menen dat de uittreedvoorwaarden in de statuten duidelijk omschreven moeten zijn. Niet mogelijk vinden zij een bepaald orgaan bevoegd te verklaren aan uittredende leden voorwaarden te stellen zonder nadere statutaire maatstaven, onder verwijzing naar het hiervoor besproken HR 21 juni 1918, NJ 1918, p. 777. Volgens Rensen is de strekking van uittreedvoorwaarden om een zekere ledenbinding te creëren. Argument daarvoor is dat de coöperatie haar bedrijfsvoering instelt op een bepaald ledenbestand. Leegloop kan die bedrijfsvoering […]”

    r.o. 2.1 · lid 1

    “[…] moet blijken op welke wijze verplichtingen aan de leden kunnen worden opgelegd. De verplichting dient in het tweede geval overeenkomstig de op de door de statuten bepaalde wijze te worden opgelegd. Wanneer aan de leden een verplichting wordt opgelegd zonder statutaire grondslag, is het besluit om een dergelijke verplichting op te leggen in strijd met de statuten en derhalve nietig (artikel 2:14 lid 1 BW).” Hof ’s-Hertogenbosch 20 juni 2006 achtte een contractuele uittreedvoorwaarde neergelegd in de overeenkomst tussen de coöperatie en een lid ongeldig, omdat de statuten daarin niet voorzagen (rov. 4.2.6-4.2.8). literatuur”

    r.o. 2.1.13 · lid 1

    “[…] volgt dat de statuten de “verplichtingen” moeten inhouden “die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd”. Verplichtingen van leden of de wijze waarop die verplichtingen kunnen worden opgelegd moeten dus een statutaire grondslag hebben. Ontbreekt een dergelijke grondslag, dan is een besluit waarbij ze opgelegd worden nietig (art. 2:14 BW). In het Ontwerp-Meijers (2.2.1.4 (e)) was aan de huidige wettekst nog de volgende volzin toegevoegd: “De aard van de verplichtingen moet in ieder geval in de statuten zelf zijn vermeld”. Met “aard” wordt volgens de parlementaire geschiedenis gedoeld op: “de aard der prestatie: het geven van geld, of van andere goederen, het verrichten van bepaalde handelingen of van het nalaten van bepaalde handelingen.”. Na kritiek op deze volzin in de Tweede Kamer, is deze weer geschrapt, waarover de regering bij memorie van antwoord het volgende heeft opgemerkt: “De ondergetekende acht de bepaling onder e in principe juist. Wie toetreedt tot een vereniging, uit het verband waarvan hij zich misschien slechts met moeite en schade kan losmaken, moet min of meer weten, welke verplichtingen […]”

    r.o. 2.1.15

    ECLI:NL:PHR:2015:229

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 februari 2010

    Bevoegdheden van door rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting; benoeming en ontslag bestuurders

    “Behoudens voor zover het de onbevoegdheid van het bestuur van de Stichting betreft haar te ontslaan, die volgens [eiseres] mede samenhangt met de onbevoegde benoeming door [betrokkene 1] van [verweerder] c.s. als nieuwe bestuursleden van de Stichting, en waaromtrent het hof hiervoor heeft beslist, heeft [eiseres] geen (andere) feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het besluit om haar te ontslaan in strijd is met de wet en aldus nietig op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).”

    r.o. 5.13

    ECLI:NL:PHR:2010:BK5989

  • Parket bij de Hoge Raad · 22 december 2009

    Vernietigbaarheid ontslagbesluit bestuurder buiten vergadering: raadgevende stem artikel 2:227 lid 4 BW

    “[…] waarbij de arbeidsovereenkomst van [verweerder] met HGIH met onmiddelijke ingang werd beëindigd "for good cause and Just and Reasonable cause" is genomen in strijd met het quorumvereiste van artikel 18 lid 3 van de statuten van HGIH nu op de vergadering van 9 februari 2004 niet tenminste 50 % van de in functie zijnde bestuurders vertegenwoordigd was. Dat besluit is derhalve ingevolge artikel 2:14 lid 1 BW nietig. (..)"”

    r.o. 3.13 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2009:BK2001

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 december 2007

    Loyaliteitsdividend DSM en onmiddellijke voorzieningen: cassatie in het belang der wet

    “De rechtsgeldigheid van een besluit van een orgaan, in dit geval het aan de aandeelhoudersvergadering voorgestelde besluit tot invoering van een loyaliteitsdividend, kan, nadat het is genomen, in rechte worden aangevallen met een beroep op art. 2:14 of art. 2:15 BW in een bodemprocedure die onder andere meer gelegenheid biedt tot uitgebreid partijdebat.”

    r.o. 3.91

    “Er was in het onderhavige geval m.i. geen voldoende dringende grond dat de Ondernemingskamer met behulp van haar bevoegdheid om een onmiddellijke voorziening op te leggen verhinderde dat besluitvorming over de invoering van het loyaliteitsdividend bij DSM zou plaatsvinden. Aandeelhouders die bezwaar tegen invoering van het loyaliteitsdividend hadden, hadden op de aandeelhoudersvergadering kunnen tegenstemmen. Als het besluit ondanks hun tegenstem wel genomen was, hadden zij met een beroep op art. 2:14 of art. 2:15 BW de invoering ervan kunnen proberen tegen te houden. Dit geldt in het onderhavige geval temeer, nu de eerste betaling van het loyaliteitsdividend pas in 2010 zou plaatsvinden.”

    r.o. 3.92

    ECLI:NL:PHR:2007:BB3523

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 juni 2007

    Lidmaatschap gewone vereniging zonder toelatingsbesluit; belanghebbende artikel 23 Handelsregisterwet

    “[Eiser] c.s. hebben vervolgens de kantonrechter verzocht de doorhaling te gelasten van de inschrijving, met ingang van 28 april 2004, van de op 7 april 2004 vastgestelde statuten. De statutenwijziging van 28 april 2004 is -zo stellen [eiser] c.s.- een nietig besluit ex art. 2:14 BW.”

    r.o. 1.12

    ECLI:NL:PHR:2007:AZ7705

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 oktober 2001

    Stichting: vertegenwoordiging, statutaire machtiging B&W en nietigheid bestuursbesluit

    “Schending van de de statutaire beperking van het nemen van besluiten heeft op grond van art. 2:14 lid 1 BW tot gevolg dat het desbetreffende besluit nietig is, alsmede dat het bestuur bij de op dat besluit gebaseerde rechtshandeling op grond van art. 2:292 lid 3 BW niet vertegenwoordigingsbevoegd was. Een beroep hierop kan ingevolge art. 2:292 lid 3 BW alleen worden gedaan door de stichting. Van belang is evenwel dat in het geval de statuten voor het nemen van een besluit de machtiging of toestemming van een ander - een ander orgaan van de rechtspersoon of een buitenstaander - voorschrijven, schending van dit voorschrift alleen dan tot nietigheid leidt indien het gaat om machtiging of toestemming vooraf. Het niet nakomen van een statutaire eis van toestemming achteraf heeft geen nietigheid van het besluit ten gevolge, doch staat slechts de uitvoering ervan in de weg totdat die toestemming is verkregen14.”

    r.o. 2.20 · lid 1

    “Voor zover art. 11 van de statuten toestemming vooraf vereist, kan het onderdeel evenmin slagen. Het gaat dan immers om een statutair voorschrift dat voor het nemen van een besluit een voorafgaande handeling van een ander voorschrijft. Een besluit dat met schending van een dergelijk voorschrift is genomen, is ingevolge art. 2:14 lid 1 BW nietig, maar kan ingevolge art. 2:14 lid 2 BW nog door die ander worden bekrachtigd.”

    r.o. 2.22 · leden 1, 2

    “Overigens dienen de rechten van de nieuwe huurder te worden geëerbiedigd. Weliswaar wordt door bekrachtiging als bedoeld in art. 2:14 lid 2 BW het besluit alsnog geldig en wel vanaf het moment dat het werd genomen16, doch op grond van art. 3:59 BW in verbinding met art. 3:58 lid 3 BW zal [verweerster], als partijen het eens worden over de koopprijs, moeten wachten tot de zittende huurder is vertrokken17.”

    r.o. 2.25 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2001:ZC3647

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 maart 1988

    Artikel 2:248 BW: vermoeden onbehoorlijke taakvervulling en faillissement van beleidsbepaler

    “Tegen het vonnis waarbij hij failliet is verklaard heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij de behandeling voor het gerechtshof is van de zijde van mr. Van Nie (bij pleidooi) expliciet verwezen naar art. 2:248 BW. Volgens mr. Van Nie was er geen boekhouding van [A] BV over 1987, noch een balans van 1986 verschaft. Daarmee had [verzoeker] (als beleidsbepaler van de BV) volgens de curator niet voldaan aan de verplichting op grond van art. 2:14 BW, zodat zou kunnen worden gesteld dat hij zijn taak onbehoorlijk had vervuld en dat wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [A]. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat een boekhouding over 1987 en een balans per 31 december 1986 ontbreken. In cassatie staat dit vast.”

    r.o. 2.4

    ECLI:NL:PHR:1988:AD0329

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 juni 2018

    Beloning commissaris die tijdelijk bestuurstaken verricht: alleen de AVA is bevoegd

    Een naamloze vennootschap vordert van haar voormalige commissaris terugbetaling van een managementvergoeding die de RvC had vastgesteld voor bestuurstaken die hij tijdelijk verrichtte. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: alleen de algemene vergadering kan de beloning van een commissaris vaststellen, ongeacht de aard van de werkzaamheden, en een tijdelijk bestuurstaken verrichtende commissaris blijft commissaris. Kennis van individuele aandeelhouders of bestuurders geldt niet als kennis van de algemene vergadering. De conclusie is contrair aan het latere arrest van de Hoge Raad.

    ECLI:NL:PHR:2018:578

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 mei 2014

    Inkoopverplichting eigen aandelen nv: statutaire grondslag niet vereist (artikel 2:98 BW)

    Beleggers in preferente aandelen van een nv stelden dat de vennootschap verplicht was de aandelen terug te kopen. De A-G concludeert dat een inkoopverplichting niet in beginsel uit de statuten hoeft te blijken, gelet op de wettelijke regeling van artikel 2:98 BW. Omdat het hof de juiste maatstaf toepaste en de statuten, de ontbrekende machtiging en het verbod op koersgarantie een verplichting uitsluiten, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2014:421

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 december 2009

    Cassatie over nietig ontzettingsbesluit van leden door verenigingsvergadering

    Een vereniging heeft enkele leden uit het lidmaatschap ontzet; rechtbank en hof achtten dat besluit en de vervolgbesluiten nietig of vernietigbaar wegens strijd met de statuten (artikel 2:14 en 2:15 BW). De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de feitenvaststelling en het ontbreken van een ontzettingsgrond falen, omdat de Hoge Raad aan de feiten is gebonden en het oordeel overwegend feitelijk is. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2009:BK0156

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 juli 2004

    Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW; enig aandeelhouder-bestuurder verbindt B.V. niet zonder expliciete aanwijzing

    Conclusie over de vraag of een enig aandeelhouder-bestuurder een B.V. kan binden aan transacties met een andere vennootschap waarin hij zelf belang heeft. De A-G beschouwt artikel 2:256 BW als vertegenwoordigingsregeling, waarop ook de curator zich kan beroepen. Daadwerkelijk nadeel is niet vereist. Een bijzonder vertegenwoordiger moet expliciet en schriftelijk worden aangewezen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2004:AP4394

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 december 2021

    Gezag van gewijsde van beschikking ex artikel 2:298 BW over ontslag stichtingbestuurder

    “Bij dagvaarding van 26 januari 2018 heeft [eiser] De Drie Geuzen en [verweerder 2] gedagvaard en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd dat de rechtbank, zakelijk weergegeven: - I. voor recht verklaart dat het besluit van 26 april 2017 tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder van De Drie Geuzen niet rechtsgeldig dan wel nietig is op grond van art. 2:14 BW, dan wel het besluit vernietigt ex art. 2:15 BW; - II. De Drie Geuzen en [verweerder 2] hoofdelijk veroordeelt om (uiterlijk) binnen drie dagen na betekening van het vonnis [eiser] met onmiddellijke ingang bij de Kamer van Koophandel in te (doen) schrijven als statutair bestuurder van De Drie Geuzen, een en ander op straffe van een dwangsom; - III. De Drie Geuzen en [verweerder 2] hoofdelijk veroordeelt om (uiterlijk) binnen drie dragen na betekening van het vonnis [betrokkene 1] met onmiddellijke ingang bij de Kamer van Koophandel uit te (doen) schrijven als statutair bestuurder van De Drie Geuzen, een en ander op straffe van een dwangsom; - IV. De Drie Geuzen en [verweerder 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure.”

    r.o. 2.1

    ECLI:NL:PHR:2021:1253

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 oktober 2020

    Artikel 2:248 BW: ontzenuwing bewijsvermoeden door niet-kennelijk onbehoorlijke bestuursdaden als andere oorzaak

    “[…] is verworpen, zoals de volgende twee uitspraken: “De rechtbank kan de gebrs. Van Gils [het bestuur, A-G] evenmin volgen in hun stelling dat de vraag - voor de toepasselijkheid van artikel 2:248 BW - of aan de administratieverplichting is voldaan, moet worden beoordeeld naar het moment waarop VGHR in surséance is komen te verkeren (dan wel failliet is verklaard). Uit de tekst van artikel 2:14 oud BW [een tot 1 januari 1994 geldende voorloper van art. 2:10 BW, A-G] blijkt immers expliciet dat ‘te allen tijde’ de rechten en de verplichtingen van de rechtspersoon uit de administratie moeten kunnen worden gekend, zodat niet kan worden volstaan met voldoende inzicht op de surséance- of faillissementsdatum.” “Van Doorn [die als bestuurder door de curator werd aangesproken, A-G] heeft erkend dat er van 1992 tot in 1994 sprake was van een zwarte kas, vervalste facturen, van zwarte betalingen aan personeel en dergelijke. Hij heeft onvoldoende betwist dat ook anderzins binnen het concern niet werd voldaan aan de verplichtingen ex artikel 2:10 BW. Daarnaast erkent hij dat ten aanzien van alle vennootschappen niet werd voldaan aan artikel 2:394 BW in de periode van maart/april 1992 […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2020:1012

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 november 2010

    Arbitrage managementovereenkomst en exclusieve rechtsmacht bij vernietiging bestuursbesluit

    “Praktische consequentie van het idee dat beslissingen geen besluiten in de zin van art. 2:14 - 16 BW zijn is dat zowel de beslissing als de externe rechtshandeling door arbitrage kunnen worden beslecht. Voor deze benadering pleit dat bij beslissingen het juridisch zwaartepunt als gevolg van art. 2:240 BW ligt op de externe rechtshandeling, niet op de interne besluitvorming. Zowel het besluit tot opzegging van een overeenkomst, als de daadwerkelijke opzegging zou bij arbitrage kunnen worden beslecht. Deze vaststelling is van belang voor een goed begrip van het hierna te bespreken Groenselect-arrest.(19) In die zaak werd een verklaring voor recht gevorderd dat een aantal aandeelhoudersbesluiten en (niet nader omschreven) bestuursbesluiten niet rechtsgeldig zijn; de overwegingen van de Hoge Raad zagen op de vernietiging van besluiten. Wanneer de Hoge Raad ooit zou oordelen dat beslissingen niet als besluiten kwalificeren, stelt hij buiten twijfel dat Groenselect geen betrekking heeft op beslissingen. Erga omnes-werking van (nietige of vernietigde) besluiten”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:PHR:2010:BN8533

Hoven en Ondernemingskamer (7)

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 6 oktober 2026

    OK: machtiging mededelingen uit enquêteverslag in civiele procedures toegewezen

    “[A] heeft bij verzoekschrift van 3 juli 2026 de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht: - hem machtiging te verlenen mededelingen te doen uit het verslag (inclusief de daarbij behorende bijlagen) aan; (a) de bevoegde gewone civiele rechter(s) in Nederland in het kader van een of meer procedures over: i. de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW, waaronder begrepen de besluiten ter zake van de aandelenuitgifte, het conversiebesluit, de bekrachtigingsbesluiten van 17 november 2023, de besluiten van de algemene vergadering van 20 december 2023 en daarmee samenhangende besluiten; en ii. daarmee samenhangende vorderingen tegen ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen tot verklaring voor recht, schadevergoeding of andere civielrechtelijke rechtsgevolgen wegens hun betrokkenheid bij, goedkeuring van, uitvoering van of toezicht op de hiervoor bedoelde besluitvorming en transacties en uitvoeringshandelingen; (b) de wederpartijen in die procedure(s), waaronder ICTS en de betrokken huidige en voormalige bestuurders en commissarissen, uitsluitend voor zover en zolang dat noodzakelijk is voor het voeren van die […]”

    r.o. 2.9

    “[…] zich daarnaast op het standpunt dat ICTS en de bij de genoemde besluiten betrokken (voormalige) bestuurders en commissarissen van ICTS aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door [A] geleden schade. [A] is voornemens om in een procedure bij de Nederlandse civiele rechter procedure(s) aanhangig te maken aangaande (i) de (ver)nietig(baar)heid van de besluiten op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW en (ii) daarmee samenhangende vorderingen jegens ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen. Ter onderbouwing van zijn stellingen in die procedures wenst [A] gemachtigd te worden om mededelingen te doen uit het verslag met bijlagen, al dan niet onder door de voorzitter van de Ondernemingskamer te stellen nadere voorwaarden en/of beperkingen.”

    r.o. 3.2

    “[…] te doen uit het verslag inclusief de daarbij behorende bijlagen, van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ICTS International N.V. zoals neergelegd ter griffie van de Ondernemingskamer op 13 november 2023, uitsluitend aan: (a) de bevoegde gewone civiele rechter(s) in Nederland in het kader van een of meer procedures over: i. de (ver)nietig(baar)heid op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW, van de besluiten ter zake van de aandelenuitgifte, het conversiebesluit, de bekrachtigingsbesluiten van 17 november 2023, de besluiten van de algemene vergadering van 20 december 2023 en daarmee samenhangende besluiten; en ii. daarmee samenhangende vorderingen tegen ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen tot verklaring voor recht, schadevergoeding of andere civielrechtelijke rechtsgevolgen wegens hun betrokkenheid bij, goedkeuring van, uitvoering van of toezicht op de hiervoor bedoelde besluitvorming en transacties en uitvoeringshandelingen; (b) de wederpartijen in die procedure(s), waaronder ICTS en de betrokken huidige en voormalige bestuurders en commissarissen, uitsluitend voor zover en zolang dat noodzakelijk is voor het voeren van die […]”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2961

  • Gerechtshof Amsterdam · 22 september 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid bestuursbesluit vakvereniging zonder voorafgaande goedkeuring vliegervergadering

    “[…] en dat medewerking van de voorzitter van de Martinair-vliegervergadering ontbreekt. Omdat art. 23.3 van de statuten toepassing mist, is het besluit van VNV in strijd met de wettelijke en/of statutaire totstandkomingsvereisten. De rechtbank heeft aldus ten onrechte geoordeeld dat het beroep van VNV op art. 23.3 van de statuten slaagt en heeft miskend dat de besluiten nietig zijn op grond van art. 2:14 lid 2 BW, en (voor zover nodig subsidiair) vernietigbaar zijn, aldus nog steeds [appellanten] . VNV heeft verweer gevoerd.”

    r.o. 6.2 · lid 2

    “Het hof stelt voorop dat op grond van art. 2:14 lid 1 BW een besluit nietig is indien het in strijd is met de wet of de statuten, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien het besluit naar inhoud of strekking strijdig is met de wet of de statuten, is genomen door een daartoe onbevoegd orgaan, of is genomen zonder een door de wet of statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen. Art. 2:15 lid 1 BW ziet op de vernietigbaarheid van besluiten en bepaalt dat een besluit vernietigbaar is wegens strijd met (onder meer) a) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, b) de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist, of c) een reglement. Bij de beoordeling van de vraag of een besluit nietig dan wel vernietigbaar is, komt het aan op de omstandigheden waaronder het besluit is genomen en die tot het besluit hebben geleid. Omstandigheden van na de totstandkoming zijn daarbij in beginsel niet van belang.”

    r.o. 6.3 · lid 1

    “Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in art. 23.3 van de statuten, zodat de uitzonderingsbevoegdheid om besluiten te nemen gold, en dat VNV afdoende mededeling van het besluit heeft gedaan. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat het besluit van VNV van 9 juli 2021 niet in strijd is met de statutaire totstandkomingsvereisten. Het besluit is tevens niet in strijd met de wettelijke totstandkomingsvereisten. Het besluit van VNV van 9 juli 2021 is daarom niet nietig op grond van art. 2:14 lid 1 en 2 BW, en ook niet vernietigbaar op grond van art. 2:15 BW. Grieven 2 tot en met 6 slagen niet. Is het besluit van VNV in strijd met de goede zeden?”

    r.o. 6.24 · leden 1, 2

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2674

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 augustus 2026

    Nietigheid VvE-besluit tot vestiging erfdienstbaarheden en aankoop grond zonder unanieme instemming

    “Dat de vergadering van eigenaars bevoegd zou zijn om met een gekwalificeerde meerderheid te besluiten om de VvE te verbinden tot vestiging van erfdienstbaarheden op de onroerende zaken die in de splitsing zijn betrokken, valt niet in te zien. Voor een dergelijke bevoegdheid is geen grondslag in de wet of in het reglement van de VvE (vgl. artikel 2:14 lid 1 BW en artikel 5:129 lid 1 BW). Uit wet en reglement volgt juist dat voor een dergelijk besluit instemming van alle leden is vereist (vgl. artikelen 5:117 lid 4 en 5:139 lid 1 BW). Dit betekent dat – zoals [geïntimeerden] betogen – het besluit van de vergadering van eigenaars tot goedkeuring van de vso en tot machtiging van het bestuur om de vso uit te voeren, nietig is (zie artikel 2:14 lid 1 BW). Verkrijging perceel grond met damwanden”

    r.o. 4.7 · lid 1

    ECLI:NL:GHARL:2026:5458

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 juni 2026

    Ontslag statutair bestuurder structuurvennootschap door RvC niet nietig of vernietigbaar

    “[de bestuurder] heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslagbesluit nietig is, althans vernietiging daarvan gevorderd, op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk 2:15 BW. Hij wil, kort gezegd, zijn bestuurderschap weer uitoefenen, ingeschreven worden in het Handelsregister, toegang tot de gebouwen en digitale omgeving van [geïntimeerde] en een rectificatie. Verder heeft [de bestuurder] een verklaring voor recht gevorderd dat de rechtsverhouding tussen hem en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is.”

    r.o. 2.2

    “[de bestuurder] heeft aangevoerd dat het besluit van de raad van commissarissen waarbij hij is ontslagen als bestuurder nietig dan wel vernietigbaar is in verband met het bepaalde in artikel 2:14 en 2:15 BW. Hij heeft aangevoerd dat (i) de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had bij het besluit; (ii) de regels omtrent zijn raadgevende stem als bestuurder en zijn hoorrecht als bestuurder niet zijn nageleefd; (iii) het besluit (ook anderszins) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW; (iv) het besluit in strijd is met het belang van de onderneming; en (v) de ondernemingsraad niet tijdig (toen het advies nog van invloed kon zijn) om advies is gevraagd. Juridisch kader”

    r.o. 3.14

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Vernietiging kan onder meer worden gevorderd door iemand met een redelijk belang bij naleving van de geschonden verplichting. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie betrokken zijn, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.”

    r.o. 3.17 · lid 1

    “[de bestuurder] heeft aangevoerd dat alle commissarissen een tegenstrijdig belang hadden bij het besluit hem te ontslaan als bestuurder van [geïntimeerde] . Daarom was het niet aan de raad van commissarissen om hem te ontslaan, maar op grond van artikel 2:250 lid 5 aan de algemene vergadering. Omdat het besluit door het verkeerde orgaan is genomen is dat nietig op grond van artikel 2:14 BW althans vernietigbaar vanwege een totstandkomingsgebrek als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Het tegenstrijdig belang van de commissarissen was volgens [de bestuurder] gelegen in het streven hun positie te behouden, in een situatie waarin die positie onder druk stond, ook ter voorkoming van gezichtsverlies. [de bestuurder] heeft aangevoerd dat een onderzoek naar de raad van commissarissen dreigde, dat de leden van [naam1] zich gesteld zagen voor de keuze “of de RvC eruit, of [de bestuurder] eruit”, en de commissarissen vreesden te worden weggestuurd door het opzeggen van vertrouwen door de aandeelhoudersvergadering. Bij wijze van vlucht naar voren zouden zij toen [de bestuurder] en zijn medebestuurder hebben willen ontslaan om hun eigen positie veilig te stellen. [de bestuurder] heeft […]”

    r.o. 3.21

    ECLI:NL:GHARL:2026:3978

  • Gerechtshof Den Haag · 17 maart 2026

    Nietig VvE-stembesluit over omvang appartementsrecht; artikel 2:14 BW jo 5:129 BW

    “Bij mondelinge uitspraak van 30 januari 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de onderhavige zaak geen verzoekschriftprocedure, maar een dagvaardingsprocedure betreft. De kantonrechter overwoog dat de splitsingsstukken bepalend zijn voor de omvang van het appartementsrecht en dat een besluit van de vergadering geen wijziging kan brengen in de omvang van de gedeelten die dienen tot het uitsluitend gebruik van een appartementseigenaar. Een dergelijk besluit is in strijd met de wet en dus nietig, art. 2:14 BW. Of Verknocht al dan niet eigenaar is van een recht met uitsluitend gebruik van de buitenruimte moet volgens de kantonrechter in een dagvaardingsprocedure in rechte worden vastgesteld. Om die reden heeft de kantonrechter bevolen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.”

    r.o. 4.3

    “De conclusie luidt dat het stembesluit van de VvE vergadering (onder agendapunt 4) van 2 november 2022 nietig is op grond van art. 2:14 lid 1 BW in verbinding met art. 5:129 BW, omdat het zonder bijbehorende (met de vereiste meerderheid aangenomen) wijziging van de akte van splitsing in strijd is met de bestaande splitsingsakte. Daaraan doet niet af dat art. 10 van het Modelreglement 1992 bepaalt dat indien er twijfel bestaat of een gedeelte van het gebouw of een zaak al dan niet tot de gemeenschappelijke gedeelten en/of de gemeenschappelijke zaken behoort, hierover wordt beslist door de vergadering, want een modelreglement kan niet in strijd met de wet een verandering laten aanbrengen in de omvang van de geleverde appartementsrechten. Omdat de nietigheid van het besluit voortvloeit uit de wet is naast de nietigverklaring geen aparte vernietiging van het besluit, zoals door Verknocht verzocht, nodig. De onder 4.4 weergegeven vordering ii) zal worden toegewezen en vordering iii) zal worden afgewezen. Maatstaf voor de bepaling van de omvang van appartementsindex [1]”

    r.o. 6.8 · lid 1

    ECLI:NL:GHDHA:2026:402

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 februari 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid van ALV-besluiten van een VvE: stookkosten, geluidsoverlast, lattenplafonds, windschermen

    “Een besluit van de algemene ledenvergadering van een vereniging van eigenaars is nietig, wanneer het in strijd met de wet, statuten en/of splitsingsakte is genomen, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (artikel 2:14 BW in verbinding met artikel 5:124 BW en artikel 5:129 lid 1 BW).”

    r.o. 4.2

    “[…] onvoldoende. Dat 35% van de kosten voor verwarming een redelijke inschatting is van het gemeenschappelijke, van het gemeten individuele verbruik per woonruimte onafhankelijke deel van deze kosten, komt het hof gelet op het partijdebat aannemelijk voor. Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door de VvE gehanteerde percentage niet in strijd is met de wet in de zin van artikel 2:14 BW, noch onredelijk in de zin van artikel 2:8 BW en artikel 2:15 BW (vergelijk rechtsoverweging 4.2 en 4.3). De eerste grief slaagt dan ook niet. Geluidsoverlast”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:GHARL:2026:1066

  • Gerechtshof Den Haag · 17 februari 2026

    Nietigheid onbevoegd annuleringsbesluit vereniging; geen bekrachtiging; geen volledig digitale ledenvergadering

    “[…] niet door de wet of de statuten aan de AC zijn opgedragen. In de statuten noch de wet is deze bevoegdheid aan de AC toegekend. De bevoegdheid om de toewijzing aan Madrid als de plaats voor het congres in 2025 te annuleren ligt daarom exclusief bij de EC. - Er mag in dit kort geding dan ook van uit worden gegaan dat het Annuleringsbesluit van de AC onbevoegd is genomen en daarmee nietig is (art. 2:14 lid 1 BW). Bekrachtiging en nieuw annuleringsbesluit”

    r.o. 5.5 · lid 1

    “Deze grief faalt op het punt van de bekrachtiging, om de volgende redenen. - De bekrachtiging op grond van art 2:14 lid 2 BW ziet op besluiten die nietig zijn, omdat zij zijn genomen ondanks het ontbreken van een door de wet of de statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen. Zo’n besluit kan door die ander worden bekrachtigd. Die situatie doet zich hier niet voor. - De bekrachtiging op grond van art 3:58 lid 1 BW ziet op nietigheid vanwege het niet vervuld zijn van een wettelijk vereiste. Daarvan is hier geen sprake. - Een andere juridische grondslag voor bekrachtiging is uit het processuele debat niet af te leiden.”

    r.o. 5.7 · lid 2

    ECLI:NL:GHDHA:2026:174

Rechtbanken (56)

  • Rechtbank Overijssel · 12 oktober 2026

    Nietig ontbindingsbesluit: besluit niet genomen door enig aandeelhouder; verklaring voor recht

    “Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde stukken dat de algemene vergadering van [eiser] geen ontbindingsbesluit heeft genomen op de voet van artikel 2:19 lid 1 BW. Uit het als productie 1 overgelegde uittreksel van Kamer van Koophandel van [eiser] blijkt dat VastFlow enig aandeelhouder is van [eiser]. Echter blijkt uit het ontbindingsbesluit niet van een besluit of stem van VastFlow. De heer Pierik, ook bestuurder van VastFlow, is aanwezig geweest. Maar het ontbindingsbesluit vermeldt expliciet dat hij handelde als enig bestuurder van AmpGoed en daarmee kan zijn handelen niet aangemerkt worden als een besluit of stem van VastFlow. Dit betekent dat een besluit volgens de wet en de statuten bevoegde orgaan ontbreekt. Het ontbindingsbesluit is dan ook nietig op grond van artikel 2:14 lid 1 BW.”

    r.o. 4.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBOVE:2026:6379

  • Rechtbank Amsterdam · 8 oktober 2026

    VvE-besluit tot verwijdering te zware vloer: geen nietigheid of vernietigbaarheid

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de vereniging van eigenaars de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:10086

  • Rechtbank Amsterdam · 7 oktober 2026

    Nietige aandeelhoudersbesluiten tot uitgifte en intrekking van aandelen in een B.V.

    “Dit geschil gaat in de kern over de wens van Bro-Founder1, Leslo en Vir Orientalis om de samenwerking met [eiser] te beëindigen. Wat voor reden zij daartoe ook hebben, de gekozen route van die beëindiging – intrekking van alle aandelen PMIR die bij de oprichting zijn uitgegeven en uitgifte van nieuwe aandelen PMIR zonder een aanbod aan [eiser] te doen – is in strijd met de statuten (artikelen 5 lid 2 en 7) en de wet (de artikelen 2:8 lid 1, 2:175, 2:206a en 2:208 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)). De hier genoemde besluiten van de aandeelhoudersvergadering van PMIR zijn daarom nietig (artikel 2:14 BW).”

    r.o. 4.2

    “De slotsom is dat beide besluiten van de aandeelhoudersvergadering in strijd zijn met de statuten van PMIR en de wet. De besluiten zijn daarom nietig (artikel 2:14 BW).”

    r.o. 4.14

    ECLI:NL:RBAMS:2026:10340

  • Rechtbank Overijssel · 6 oktober 2026

    Nietigheid VvE-besluiten: toestemming horeca in strijd met splitsingsakte en gezag van gewijsde

    “Aan het verzoek hebben [verzoeker] en [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Primair stellen [verzoeker] en [verzoekster] dat de besluiten 1 t/m 5 van de VVE nietig zijn op grond van artikel 2:14 BW jo. artikel 5:129 BW. De algemene ledenvergadering beschikt niet over de bevoegdheid een uitdrukkelijk verbod uit de splitsingsakte door middel van een meerderheidsbesluit buiten werking te stellen. Dat is reeds onherroepelijk beslist bij beschikking van de kantonrechter van 6 november 2023. De toevoeging dat het slechts een tijdelijke toestemming betreft, doet aan deze bevoegdheid niets af. Subsidiair stellen [verzoeker] en [verzoekster] dat de besluiten moeten worden vernietigd op grond van artikel 2:15 BW wegens strijd met artikel 2:8 BW. [verweerder] beschikt over een ruime meerderheid van stemmen binnen de VVE. Van die meerderheid maakt hij uitsluitend gebruik ter bescherming van zijn eigen commerciële belang, namelijk het voortzetten van een exploitatie waarvan inmiddels onherroepelijk is vastgesteld dat deze in strijd is met de splitsingsakte. Daarbij heeft [verweerder] geen rekening gehouden met de belangen van [verzoeker] en [verzoekster] bij naleving van de […]”

    r.o. 4.2

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig behalve wanneer uit de wet iets anders voortvloeit. Artikel 5:129 lid 1 BW bepaalt dat voor de toepassing van artikel 2:14 BW de akte van splitsing wordt gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 5.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBOVE:2026:6221

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 24 september 2026

    Afwijzing voorstel verdeelsleutel VvE is geen besluit in de zin van 2:14/2:15 BW

    “De VvE verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Als meest verstrekkende verweer heeft de VvE aangevoerd dat sprake is van een afwijzing van het verzoek, dat niet is gericht op een rechtsgevolg. Daarom valt de beslissing buiten de reikwijdte van de artikelen 2:14 en 2:15 BW.”

    r.o. 3.3

    “Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (artikel 2:14 BW). In artikel 2:15 BW staan de criteria op grond waarvan de kantonrechter een besluit van de VvE kan vernietigen. Deze artikelen gaan over besluiten die als rechtshandeling zijn aan te merken. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil (artikel 3:33 BW). De beslissing van de VvE om de verdeelsleutel niet aan te passen, is niet gericht op een rechtsgevolg, althans heeft geen rechtsgevolg. Opensapiens blijft immers gehouden om de elektriciteitskosten voor de lift te betalen, er verandert niets aan de huidige situatie. De beslissing van de VvE is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van de artikelen 2:14 - 2:15 BW. De verzoeken worden dan ook afgewezen. Proceskosten”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBZWB:2026:9394

  • Rechtbank Rotterdam · 23 september 2026

    Vernietiging VvE-besluiten verduurzaming en sancties: toetsing aan redelijkheid en billijkheid

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig behalve wanneer uit de wet iets anders voortvloeit. De akte van splitsing wordt gelijkgesteld met statuten (artikel 5:129 lid 1 BW) zodat een besluit dat strijdig is met de akte ook nietig is.”

    r.o. 2.12 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:12903

  • Rechtbank Rotterdam · 22 september 2026

    VvE-besluiten: negatieve besluiten, niet geagendeerde extra bijdragen vernietigd

    “Een rechtspersoon zoals een VvE kan uiteenlopende beslissingen nemen. Beslissingen die zijn gericht op een rechtsgevolg zijn daarmee besluiten in de zin van de artikelen 2:14 en 2:15 BW. De ‘besluiten’ in deze zaak te weten ad 3) het door de VvE afwachten van het door [persoon A] toe te sturen rapport en totdat dit rapport is ontvangen en beoordeeld geen opdracht te geven voor extern onderzoek/herstel op kosten van de VvE, ad 4) het vaststellen door de VvE dat er geen sprake is van een spoedeisende maatregel die directe actie vereist en dit punt te betrekken bij de toekomstige onderhoudsplanning, en ad 6) het innemen van het standpunt door de VvE dat zij niet aansprakelijk is voor (vermeende) gevolgschade, zijn geen besluiten, anders dan waarvan partijen uit gaan. Genoemde drie beslissingen zijn namelijk alle drie niet gericht op een rechtsgevolg omdat ze niet zijn gericht op het vestigen, wijzigen of teniet doen gaan van rechtsverhoudingen binnen de organisatie van de VvE. Met andere woorden, er verandert niets door die beslissingen. Estate 77 had geen toezegging dat haar schade vergoed zal worden door de VvE en heeft die na de vergadering van 1 februari 2026 nog steeds niet, ook […]”

    r.o. 2.10

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig behalve wanneer uit de wet iets anders voortvloeit. De akte van splitsing wordt gelijkgesteld met statuten (artikel 5:129 lid 1 BW) zodat een besluit dat strijdig is met de akte van splitsing ook nietig is.”

    r.o. 2.12 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:12871

  • Rechtbank Oost-Brabant · 21 september 2026

    Nietigheid VvE-besluit tot verhuur gemeenschappelijke stoep voor horecaterras

    “[verzoeker] verzoekt primair het goedkeuren van de concept huurovereenkomst nietig te verklaren op grond van de artikelen 2:14 lid 1 jo 5:129 BW jo 5:139 lid 2 BW. Hieraan heeft [verzoeker] – zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Artikel 4 van het modelreglement 1973 bepaalt: “Iedere eigenaar en gebruiker heeft het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken volgens de bestemming”. Het beoogde terras wordt geplaatst op de gemeenschappelijke stoep (volgens de splitsingstekening aangeduid als “pad”). Bij exclusieve toebedeling/verhuur kan [verzoeker] de stoep niet meer gebruiken. Uit de huurovereenkomst blijkt namelijk dat de stoep gedurende de looptijd van de verhuur exclusief in gebruik wordt afgestaan aan de exploitanten van het terras. Dit huurrecht is bovendien overdraagbaar aan rechtsopvolgers. Dit betekent dat de stoep niet meer gemeenschappelijk is. Omdat er sprake is van een exclusieve toebedeling van een deel van de gemeenschappelijke ruimte aan de exploitanten van het beoogde terras, is het besluit nietig. De VvE is buiten de grenzen van haar beheersbevoegdheid getreden want zo’n exclusieve toebedeling is een […]”

    r.o. 3.2.1 · lid 1

    “Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten. Het splitsingsreglement maakt onderdeel uit van de akte van splitsing, dus besluiten die in strijd zijn met het splitsingsreglement zijn eveneens nietig.”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBOBR:2026:6785

  • Rechtbank Noord-Holland · 9 september 2026

    Bestuursbesluit tot opzegging commanditaire vennootschap vernietigd wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Inco legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Het benoemingsbesluit is op grond van artikel 2:14 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nietig, omdat [commissaris] op grond van de statuten van ESNW Beheer niet tot commissaris mocht worden benoemd. [commissaris] is ook niet geworven op de manier die het reglement voorschrijft. Dit maakt het benoemingsbesluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub c BW. Het bestuursbesluit tot opzegging van de commanditaire vennootschap is nietig op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a en c BW vernietigbaar. Dit omdat [bestuurder] de tegenstrijdig belangregeling in de statuten van ESNW Beheer niet heeft gevolgd en het bestuursbesluit in strijd is met het reglement. Daarnaast is het bestuursbesluit vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 sub b BW).”

    r.o. 3.2 · lid 1

    “Inco stelt dat het benoemingsbesluit op grond van artikel 2:14 lid 1 BW nietig is omdat [commissaris] in strijd met artikel 17 lid 5 van de statuten van ESNW Beheer tot commissaris is benoemd. Vast staat dat de vennootschap van de echtgenote van [commissaris] , Studio Gespot B.V., drukwerk (zoals folders en briefpapier) voor ESNW verzorgt. Volgens Inco is [commissaris] functioneel betrokken bij Studio Gespot B.V., wat op grond van artikel 17 lid 5 van de statuten van ESNW Beheer niet is toegestaan.”

    r.o. 4.14 · lid 1

    ECLI:NL:RBNHO:2026:12213

  • Rechtbank Amsterdam · 8 september 2026

    VvE-besluit tot ontzegging gebruik appartement vernietigd wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de vereniging van eigenaars de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:9075

  • Rechtbank Den Haag · 26 augustus 2026

    Vernietiging VvE-besluiten over weigering toestemming dakterras en wijziging splitsingsakte

    “De door Lookhill verzochte vervangende machtiging op grond van artikel 5:121 BW kan niet worden gegeven, omdat, zoals gezegd, voor het behoud van het dakterras een wijziging van de splitsingsakte noodzakelijk is. Een besluit tot goedkeuring van (de aanleg en het behoud van) het dakterras houdt op zichzelf niet in dat het dakterras behouden kan blijven. Zonder wijziging van de splitsingsakte zou een dergelijk besluit immers in strijd zijn met de splitsingsakte en op grond van artikel 2:14 lid 1 BW jo. artikel 5:129 lid 1 BW nietig zijn. Hetzelfde geldt voor een rechterlijke machtiging die in de plaats treedt van een dergelijk goedkeuringsbesluit, zoals Lookhill die verzoekt. Lookhill heeft dan ook geen belang bij haar verzoek, omdat daarmee niet wordt bereikt wat Lookhill beoogt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Proceskosten”

    r.o. 4.10 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:26285

  • Rechtbank Amsterdam · 19 augustus 2026

    Uitleg aandeelhoudersovereenkomst, statuten en vernietiging bezoldigingsbesluit zonder rechtspersoon in het geding

    “Vogelgezang c.s. vorderen, letterlijk weergegeven, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Met betrekking tot het Bezoldigingsbesluit: I) Voor recht te verklaren dat het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 nietig is ex artikel 2:14 BW; II) Subsidiair, namelijk voor het geval de onder (I) gevorderde verklaring voor recht niet wordt toegewezen, voor recht te verklaren dat (i) het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vernietigbaar is ex artikel 2:15 lid 1 sub b juncto artikel 2:8 BW, althans vernietigbaar was ten tijde van de Vaststellingsovereenkomst, althans en op de datum van deze dagvaarding; en/of (ii) de via het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vermeend geldende regel dat [bedrijf 2] jegens [bedrijf 1] aanspraak kan maken op een hogere bezoldiging dan EUR 14.000 per maand (ook overigens) buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW; III) Meer subsidiair, namelijk voor het geval de onder (I) of onder (II) gevorderde verklaring voor recht niet wordt toegewezen, voor recht te verklaren dat het Bezoldigingsbesluit van 5 november 2024 vernietigbaar is ex artikel 2:15 lid 1 sub a BW, althans […]”

    r.o. 4.1

    “[gedaagde] heeft aangevoerd dat Vogelgezang c.s. kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [naam 3] en de notaris in de procedure betrokken hadden moeten worden. Dat Vogelgezang c.s. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet in de procedure hebben betrokken leidt niet tot niet-ontvankelijkheid. Zoals hierna zal blijken heeft dit wel gevolgen voor de gevorderde verklaringen voor recht dat het Bezoldigingsbesluit nietig is, dan wel vernietigbaar is of was. Primair: Verklaring voor recht dat het besluit nietig is (artikel 2:14 BW)”

    r.o. 5.2

    “Anders dan geldt voor een vordering tot vernietiging van een besluit, waarop hierna in 5.6 en verder zal worden ingegaan, vereist artikel 2:14 BW voor een verklaring voor recht dat een besluit nietig is niet dat een daartoe strekkende vordering wordt ingesteld door of tegen de rechtspersoon waarvan een orgaan het betreffende besluit heeft genomen. Wel geldt dat de (onherroepelijke) uitspraak waarbij die nietigheid wordt vastgesteld slechts voor eenieder bindend is (de erga omnes werking) als de rechtspersoon partij in het geding is geweest (artikel 2:16 lid 1 BW). Nu Vogelgezang c.s. ervoor hebben gekozen om [bedrijf 1] niet in de procedure te betrekken, zal een uitspraak dat het Bezoldigingsbesluit nietig is, voor zover inhoudelijk al toewijsbaar, geen erga omnes werking hebben. De vraag is welk belang Vogelgezang c.s. dan hebben bij deze vordering. Vogelgezang c.s. hebben weliswaar gesteld dat zij voldoende belang hebben omdat de niet-uitvoerend bestuurders van [bedrijf 1] een vso hebben getekend waarin zij aangeven uitvoering te zullen geven aan een rechterlijke uitspraak op dit punt, maar dat is niet voldoende – nog daargelaten of [bedrijf 1] door de niet-uitvoerend […]”

    r.o. 5.4

    ECLI:NL:RBAMS:2026:8350

  • Rechtbank Limburg · 29 juli 2026

    Vernietiging VvE-besluit kostenverdeling wegens strijd met redelijkheid en billijkheid afgewezen

    “Op 25 juni 2026 heeft de griffier van de rechtbank namens de kantonrechter aan de partijen en belanghebbenden medegedeeld dat als, zoals uit randnummer 9 alinea 4 van het verzoekschrift lijkt te volgen, [verzoekende partij] uitsluitend bedoeld heeft te stellen dat het genomen besluit in strijd is met de bepalingen uit de splitsingsakte omdat de rookgasafvoerkanalen niet gemeenschappelijk zouden zijn, de procedure met het verkeerde processtuk is ingeleid en had moeten worden ingediend bij de andere kamer dan kantonzaken (artikel 5:129 in samenhang gelezen met artikel 2:14 BW). Vervolgens zijn partijen en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBLIM:2026:6949

  • Rechtbank Rotterdam · 27 juli 2026

    VvE-weigering gebruik appartement door zorginstelling is geen vernietigbaar besluit

    “Een rechtspersoon zoals een VvE kan uiteenlopende beslissingen nemen. Sommige van die beslissingen zijn gericht op rechtsgevolg en zijn daarmee besluiten in de zin van de artikelen 2:14 en 2:15 BW. Het ‘besluit’ geen toestemming te verlenen voor het gebruik van het appartement gelegen aan de [adres 2] door [naam zorginstelling] is niet gericht op rechtsgevolg omdat het niet is gericht op het vestigen, wijzigen of teniet doen gaan van rechtsverhoudingen binnen de organisatie van de rechtspersoon. Er verandert namelijk niets. In dit geval had [verzoeker] geen toestemming en hij krijgt na de vergadering van 11 november 2025 nog steeds geen toestemming. Daarmee is het een beslissing die valt buiten de reikwijdte van de artikelen 2:14 en 2:15 BW. Nu het hier niet om een besluit gaat, kan van nietigheid of vernietigbaarheid geen sprake zijn. Het toetsingskader voor het geven van een vervangende machtiging”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:RBROT:2026:10158

  • Rechtbank Gelderland · 21 juli 2026

    VvE-besluiten over reservefonds en lift-MJOP: geen vernietiging of nietigheid

    “[verzoeker] verzoekt primair om vernietiging van het genomen besluit. Volgens [verzoeker] is namelijk sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW/artikel 2:15 lid 1 sub b BW), strijd met de wet en de statuten (artikel 2:14 BW en artikel 5:126 BW) en van een ondeugdelijke afwijking van een vastgesteld uitvoeringsbesluit. Daartoe stelt [verzoeker] onder meer dat het besluit is genomen zonder deugdelijke technische of financiële onderbouwing, terwijl wordt afgeweken van een eerder door de ALV vastgesteld MJOP dat de wettelijke basis vormt voor het reservefonds.”

    r.o. 3.3

    “[verzoeker] heeft zich in de onderhavige procedure ten aanzien van eenzelfde besluit zowel op de vernietigbaarheid als de nietigheid daarvan beroepen. Het beroep van [verzoeker] op strijd met de wet en de statuten (artikel 2:14 en artikel 5:126 BW) leidt, voor zover dit beroep slaagt en anders dan door [verzoeker] zelf is gesteld, namelijk tot nietigheid en niet tot vernietiging van een besluit.”

    r.o. 4.3

    “Daarnaast bepaalt artikel 2:14 lid 1 BW dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.8 · lid 1

    “Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen geldt daarnaast dat van het afwijken van het MJOP, zonder een inhoudelijke onderbouwing of nieuw ALV-besluit, zoals door [verzoeker] ook nog is gesteld, niet is gebleken, zodat van nietigheid van het besluit vanwege strijd met de wet en de statuten (artikel 2:14 BW en artikel 5:126 BW) ook geen sprake is. Ook de stelling van [verzoeker] , inhoudende dat sprake is van een ondeugdelijke afwijking van een vastgesteld uitvoeringsbesluit, treft hier om alle hiervoor genoemde redenen geen doel. Verzoek tot vernietiging besluit reservefonds 2026-2030”

    r.o. 4.23

    ECLI:NL:RBGEL:2026:5955

  • Rechtbank Amsterdam · 17 juli 2026

    Nietig VvE-besluit over vliering als privégedeelte van appartementsrecht

    “De kantonrechter concludeert dat de vliering onderdeel uitmaakt van het privégedeelte van A13. Het stembesluit van de VvE is nietig (artikel 2:14 BW jo. artikel 5:129 BW) omdat een meerderheidsbesluit niet goederenrechtelijk de omvang van een appartementsrecht kan wijzigen. Daarvoor is wijziging van de splitsingsakte met medewerking van alle eigenaars vereist (artikel 5:139 BW). De verzochte verklaring voor recht wordt dus toegewezen.”

    r.o. 4.7

    ECLI:NL:RBAMS:2026:7620

  • Rechtbank Oost-Brabant · 16 juli 2026

    Vernietiging VvE-bestuursbesluit tot waarschuwing wegens onzorgvuldige totstandkoming

    “De eerste vraag die voorligt, is of de door het bestuur op 23 april 2025 gegeven schriftelijke waarschuwing kwalificeert als een besluit dat vatbaar is voor vernietiging of nietig verklaring op grond van artikel 2:15 respectievelijk 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat er in de hiervoor genoemde artikelen niet nader is gedefinieerd wat moet worden verstaan onder een besluit, heeft de kantonrechter aansluiting gezocht bij het bestuursrechtelijke besluitbegrip. De kantonrechter heeft als uitgangspunt genomen dat er sprake moet zijn van een besluit van een orgaan van de VvE dat op een rechtsgevolg is gericht Tussen partijen is niet in geschil dat de waarschuwing op 23 april 2025 is gegeven door het bestuur. Het bestuur is een orgaan van de VvE waarmee aan het eerste vereiste is voldaan.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBOBR:2026:5777

  • Rechtbank Amsterdam · 10 juli 2026

    Nietig VvE-besluit dat vakantieverhuur toestaat in strijd met splitsingsakte

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 jo 5:129 lid 1 BW is een besluit van de VvE dat in strijd is met de akte van splitsing nietig.”

    r.o. 4.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:7160

  • Rechtbank Den Haag · 10 juli 2026

    Opzegging lidmaatschap volkstuinvereniging en ontruiming tuin in kort geding

    “Het opzeggingsbesluit kan door de bodemrechter nietig worden verklaard op grond van artikel 2:14 Burgerlijk Wetboek (BW) of worden vernietigd op grond van artikel 2:15 BW. De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag waarop het besluit aan [gedaagde] is meegedeeld. Er loopt geen procedure bij de bodemrechter tegen het opzeggingsbesluit.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBDHA:2026:19793

  • Rechtbank Midden-Nederland · 17 juni 2026

    VvE: geen besluit bij ontbrekende eenstemmigheid; vervangende machtiging achteraf

    “Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig behalve wanneer uit de wet iets anders voortvloeit. Artikel 5:129 lid 1 BW bepaalt dat voor de toepassing van artikel 2:14 BW de akte van splitsing wordt gelijkgesteld met de statuten. Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Of een besluit nietig of vernietigbaar is hangt af van het antwoord op de vraag waarmee het besluit in strijd is. Als het besluit in strijd is met de wet, het splitsingsreglement, de openbare orde of de goede zeden is het besluit nietig. Besluiten in strijd met het huishoudelijk reglement of de redelijkheid en billijkheid zijn vernietigbaar.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBMNE:2026:3528

  • Rechtbank Limburg · 15 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluit tot verhoging servicebijdragen afgewezen; toets redelijkheid en billijkheid

    “De kantonrechter stelt voorop dat vernietiging van een besluit van de VvE kan worden uitgesproken indien: het besluit in strijd is met de statutaire bepalingen (waaronder de bepalingen van de splitsingsakte en de daarvan deel uitmakende reglementen) die het tot stand komen van besluiten regelen; voor het overige leidt strijd met de statuten blijkens artikel 2:14 BW tot nietigheid van het besluit; het besluit is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de VvE en degenen die krachtens de wet en statuten bij haar organisatie zijn betrokken, jegens elkander in acht moeten nemen bij hun gedragingen (art. 5:130 BW jo art. 2:15 BW jo art. 2:8 BW). Oproeping eigenaren”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBLIM:2026:5256

  • Rechtbank Limburg · 9 juni 2026

    Schorsing bij ordemaatregel van opzegging verenigingslidmaatschap wegens overschreden beroepstermijn

    “In een bodemprocedure bij deze rechtbank is bij vonnis van 18 februari 2026 onder meer beslist dat de Commissie van Beroep statutair niet bevoegd is een sanctie op te leggen aan [eiser] . Het besluit van de Commissie van Beroep van 20 januari 2025 is daarom, voor zover zij daarin een sanctie heeft opgenomen, nietig verklaard op grond van artikel 2:14 lid 1 BW.”

    r.o. 2.4 · lid 1

    ECLI:NL:RBLIM:2026:5459

  • Rechtbank Den Haag · 22 mei 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid van VvE-besluiten na verbod op geluidsopnames

    “Een lid van de VvE kan binnen een maand na de dag waarop deze kennis heeft genomen van een besluit van de ALV de kantonrechter verzoeken om dit besluit te vernietigen (artikel 5:130 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dezelfde procedure kan ook worden gevraagd om vast te stellen dat een besluit nietig is. Een besluit is nietig wanneer het in strijd is met de wet of de statuten (artikel 2:14 lid 1 BW). Een besluit is onder andere vernietigbaar als het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij geldt een terughoudende toets: het gaat erom of de vergadering bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De besluiten zijn niet nietig”

    r.o. 4.1 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:15901

  • Rechtbank Den Haag · 20 mei 2026

    Opzegging lidmaatschap bewonersvereniging; geen nietigheid of vernietigbaarheid ledenbesluit

    “Daartoe voert [gedaagde] het volgende aan. Het besluit van de vereniging van 9 april 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] is in strijd met artikel 6 eerste lid en onder c van de statuten en dus nietig op grond van artikel 2:14 BW, omdat geen van de daarin genoemde opzeggingsgronden zich heeft voorgedaan. Voor zover wel aan één of meerdere van de in de statuten genoemde opzeggingsgronden is voldaan, dan is het besluit van 9 april 2025 vernietigbaar op grond van artikel 2:15 BW wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.”

    r.o. 3.5

    “In artikel 2:14 lid 1 BW is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of statuten nietig is.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    “Het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van 25 april 2025 is genomen door de algemene ledenvergadering, het bevoegde orgaan van de vereniging. Op 20 maart 2025 is een oproeping voor de algemene ledenvergadering met agenda verzonden. Het voorstel tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] is daarop als afzonderlijk agendapunt geagendeerd. In de vergadering is door de leden gestemd en het besluit is schriftelijk vastgelegd. De statuten voorzien expliciet in beëindiging van het lidmaatschap door opzegging door de vereniging op basis van een besluit van de algemene ledenvergadering wanneer redelijkerwijs niet van de vereniging gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren (artikel 6 lid 1 onder c). Van dit laatste is overigens niet gebleken, zo zal hieronder worden geoordeeld. Daarmee is voldaan aan de statutaire besluitvormingsvereisten. Verder is niet gebleken dat het besluit van 9 april 2025 in strijd is met de wet. Van nietigheid van het besluit als bedoeld in artikel 2:14 lid 1 BW is daarom geen sprake. Dit betekent dat het in reconventie primair onder 3.4. I gevorderde zal worden afgewezen.”

    r.o. 4.4 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:13514

  • Rechtbank Den Haag · 20 mei 2026

    Vve-besluiten: herbevestiging benoeming bestuurder, incassomandaat en additionele bijdrage niet nietig of vernietigbaar

    “[…] vergadering van 28 mei 2024 te vernietigen (artikel 2:15 BW); II. voor recht te verklaren dat het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van 17 november 2025 strekkende tot benoeming van [bedrijfsnaam] v.o.f. als bestuurder/administrateur en beheerder van de vve “overeenkomstig de eerder rondgestuurde offerte” dan wel “pakket I”, inclusief taken/werkomschrijving, nietig is (artikel 2:14 BW), althans subsidiair dit besluit te vernietigen (artikel 2:15 BW); III. primair voor recht te verklaren dat het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van 17 november 2025 strekkende tot goedkeuring van het financiële overzicht en tot verrekening en/of vergoeding van enerzijds door bepaalde leden in privé gestelde “voorgeschoten” kosten ten laste van de vve (natuursteen, opstalverzekering, boekhoudpakket, vve belang), anderzijds daaronder begrepen de impliciete vaststelling en omslag van een additionele ledenbijdrage ter grootte van onder meer € 7.920, alsmede de daarin opgenomen kostenposten (boekhoudprogramma 2025, gas/licht/water, riolering ontstopping), alsmede de opgenomen mutaties/posten “terugbetaling [bedrijfsnaam] ” en “terugbetaling Stedin”, nietig is […]”

    r.o. 3.1

    “In artikel 2:14 lid 1 BW is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd met de wet of de statuten is genomen, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Daarbij wordt de splitsingsakte gelijkgesteld met de statuten (artikel 5:129 lid 1 BW).”

    r.o. 4.7 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:14519

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 mei 2026

    VvE-besluiten: nietigheid financieel overzicht, geen besluit, vervangende machtigingen afgewezen

    “[…] volgt dat in de gemeenschappelijke kosten (zoals genoemd in het Modelreglement) moet worden bijgedragen in de verhouding tot de breukdelen van de drie appartementsrechten en dat de kosten van dagelijks onderhoud en het schoonhouden en dergelijke voor rekening van de eigenaren van de appartementsrechten komen die van die gemeenschappelijke ruimten gebruik (kunnen) maken. Uit artikel 2:14 lid 1 BW volgt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 5:129 lid 1 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten. Omdat het financieel overzicht over 2024 een afwijking inhoudt van de kostenverdeling zoals in de splitsingsakte is neergelegd, had de VvE niet kunnen besluiten tot goedkeuring daarvan. Omdat het besluit van rechtswege nietig is, kan de kantonrechter het besluit niet vernietigen. Verhoging maandelijkse bijdrage”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBZWB:2026:4840

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 mei 2026

    Kort geding: verkoop dochteraandelen door holding zonder unanimiteit minderheidsaandeelhouders toegestaan

    “De voorzieningenrechter acht de uitleg inhoudende dat de aandeelhoudersovereenkomst geen grond biedt voor het oordeel dat voor de hier in geding zijnde situatie unanimiteit is vereist redelijk. Partijen hebben voor dit geval niet voorzien in een concrete bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst. Het standpunt van [eisende partij 1] en Camco komt er dan op neer dat ondanks het ontbreken van een dergelijke concrete bepaling het standpunt van de meerderheid van de aandeelhouders en bestuurders van Apcon Groep niet mag worden gevolgd omdat de minderheid, en dat zou ook slechts een aandeelhouder met 1% van de aandelen kunnen zijn, een ander standpunt heeft. Een dergelijke uitleg van de inleidende bewoordingen en considerans van de aandeelhoudersovereenkomst is bij gebreke van een concrete bepaling daarom te verstrekkend en niet redelijk. Het gebrek aan een concrete bepaling brengt niet mee dat de minderheid geen enkele rechtsbescherming heeft. De artikelen 2:14 BW en 2:15 BW voorzien daarin.”

    r.o. 5.12

    ECLI:NL:RBZWB:2026:6396

  • Rechtbank Gelderland · 13 mei 2026

    VvE: nietigheid herhaald besluit jaarstukken en decharge; Titel 9 Boek 2 niet van toepassing

    “Alvorens aan de beantwoording van de vraag of de door verzoekers aangevallen besluitvorming nietig dan wel vernietigbaar is, dient te worden beoordeeld of sprake is van een besluit. Kan de instemming van de vergadering op 27 augustus 2025 met de jaarstukken over 2020 en 2021, alsmede de dechargeverlening aan het bestuur worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 2:14 en 2:15 BW? De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Met het dechargebesluit wordt aansprakelijkheid afgesneden en met het vaststellingsbesluit zijn de jaarstukken vastgesteld. In beide gevallen is sprake van een rechtsgevolg. Zijn de besluiten nietig dan wel vernietigbaar?”

    r.o. 4.1

    “Het gerechtshof heeft het volgende, voor zover relevant, overwogen in rov. 4.2 van de beschikking: “De kantonrechter heeft geoordeeld dat zowel de berekening van de servicekosten (tot september 2020) als de daarmee samenhangende financiële stukken van de VvE in strijd met artikel 2 lid 3 van (het splitsingsreglement opgenomen in) de splitsingsakte zijn, zodat de besluiten die daarmee samenhangen (over de jaarrekening 2020 en 2021, de decharge aan de bestuurders en goedkeuring van de conceptbegroting 2022) op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en artikel 5:129 lid 1 BW nietig zijn. (…) De VvE heeft geen verweer gevoerd tegen de nietigheid van de besluiten (ook niet bij de kantonrechter). Dat de besluiten nietig zijn, staat daarom vast.” Op basis van deze dragende overweging heeft het gerechtshof in de beschikking de besluiten van de vergadering van eigenaars van 4 april 2022 inzake de jaarrekeningen en décharge 2020 en 2021 en de conceptbegroting 2022 blijkens het dictum vernietigd.”

    r.o. 4.9 · lid 1

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3760

  • Rechtbank Gelderland · 13 mei 2026

    VvE: vergaderstemming over vrijwillige aanzuivering is geen besluit in de zin van 2:14/2:15 BW

    “Verzoekers leggen aan hun verzoek ten grondslag dat de instemming van de vergadering op 27 augustus 2025 met het bestuursvoorstel moet worden aangemerkt als besluit als bedoeld in de artikelen 2:14 BW en 2:15 BW. Zij voeren aan dat het verzoek aan een selecte groep van slechts acht eigenaren om te weinig betaalde bijdragen uit het verleden vrijwillig aan te zuiveren, impliciet een besluit tot kwijtschelding inhoudt voor de overige (ex-)eigenaren. Volgens verzoekers is dit besluit nietig omdat het in strijd is met het splitsingsreglement, waarin de verdeling naar rato van breukdelen dwingend is voorgeschreven, dan wel is het besluit vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.”

    r.o. 3.2

    “Alvorens te kunnen beoordelen of de door verzoekers aangevallen besluitvorming nietig dan wel vernietigbaar is, dient te worden vastgesteld of de instemming van de vergadering op 27 augustus 2025 met het voorstel van het bestuur, inhoudende dat een achttal eigenaren wordt verzocht de te weinig betaalde bijdragen uit het verleden vrijwillig aan te zuiveren, kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 2:14 en 2:15 BW. Indien deze instemming namelijk niet als besluit kwalificeert, kan van nietigheid of vernietigbaarheid geen sprake zijn.”

    r.o. 4.3

    “Voor een besluit in de zin van de artikelen 2:14 BW en 2:15 BW is vereist dat de beslissing van de vergadering van eigenaars is aan te merken als een rechtshandeling. Dit betekent – onder meer – dat de beslissing gericht moet zijn op het tot stand brengen van een bepaald rechtsgevolg. De juridische positie van de VvE moet door de stemming zijn gewijzigd of definitief zijn vastgesteld. Een louter feitelijke mededeling of een vrijblijvend verzoek van de vergadering aan de VvE mist een dergelijk rechtsgevolg.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3765

  • Rechtbank Noord-Holland · 6 mei 2026

    Nietig benoemingsbesluit voorzitter vereniging; geen rectificatie handelsregister via civiele rechter

    “[eiser] voert daarbij het volgende aan. Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon kan nietig of vernietigbaar zijn. Aan de benoeming en/of inschrijving in het handelsregister van [betrokkene 4] ligt geen besluit ten grondslag dat voldoet aan de statuten. Er is bijvoorbeeld geen bijeenroeping gestuurd, geen agenda opgesteld en geen notulen vastgesteld. Dat betekent dat de inschrijving nietig is op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dan wel vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Ook de uitschrijving van [eiser] per 21 augustus 2023 is onrechtmatig. Ontslag van een bestuurslid is volgens de statuten enkel mogelijk door een besluit van de algemene ledenvergadering met een meerderheid van twee derde. Zo’n besluit is er niet. Ook heeft [eiser] nooit ontslag genomen. Met het WhatsAppbericht wilde hij alleen afstand nemen van “het kamp Semerkand”. Omdat rechtsgeldige besluiten ontbreken, moeten de inschrijving van [betrokkene 4] en de uitschrijving van [eiser] ongedaan worden gemaakt. De situatie van voor 1 juni 2023 moet worden hersteld.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:RBNHO:2026:4892

  • Rechtbank Rotterdam · 23 april 2026

    VvE: geen besluit over balkonrenovatie, dus geen nietigheid of vernietiging mogelijk

    “Een besluit van de VvE is nietig als het in strijd is met de wet of de statuten (artikel 2:14 lid 1 BW). Daarnaast is de kantonrechter bevoegd om een besluit van de vergadering van de VvE te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang gelezen met artikel 5:130 lid 1 BW). Bij de beoordeling geldt als toetsingsmaatstaf of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Op de vergadering van 27 mei 2025 is geen besluit genomen over de renovatie van balkons”

    r.o. 2.5 · lid 1

    ECLI:NL:RBROT:2026:5076

  • Rechtbank Midden-Nederland · 22 april 2026

    Nietig VvE-besluit tot wijziging splitsingsakte: aanbiedingsplicht parkeerplaats is daad van beschikking

    “Het ontbreken van de vereiste medewerking van alle appartementseigenaren leidt tot een nietig besluit in de zin van artikel 2:14 lid 1 BW. [eiser] heeft echter alleen vernietiging van het besluit gevorderd (ondanks dat in de stukken meermaals aan nietigheid wordt gerefereerd.) Vernietiging op grond van artikel 5:140b BW is daarom niet aan de orde. Een nietig besluit kan immers niet worden vernietigd. Het verzoek tot vernietiging moet daarom worden afgewezen. De kantonrechter zal, nu partijen de beslissing van de kantonrechter hebben ingeroepen op grond van artikel 96 Rv, en [eiser] dit gevolg kennelijk ook heeft beoogd, het besluit nietig verklaren. Verklaring voor recht”

    r.o. 4.8 · lid 1

    ECLI:NL:RBMNE:2026:2135

  • Rechtbank Midden-Nederland · 22 april 2026

    VvE: vervangende machtiging splitsingsakte; negatief besluit niet vernietigbaar (2:14, 2:15 BW)

    “Tot slot moet het verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV van 4 juni 2025 worden afgewezen. Het gaat namelijk om een (negatief) besluit zonder rechtsgevolgen voor de rechtspersoon (hier: de VvE). Bij vernietiging van het besluit tot het niet verlenen van toestemming verandert er immers niets. Een beslissing die niet is gericht op rechtsgevolg is geen besluit in de zin van de artikelen 2:14, 2:15 en 5:130 BW en kan daarom niet worden vernietigd. De proceskosten moeten worden betaald door [verweerder]”

    r.o. 4.21

    ECLI:NL:RBMNE:2026:2145

  • Rechtbank Amsterdam · 8 april 2026

    Vernietiging bestuursbenoeming supportersvereniging wegens onjuiste oproeping ledenvergadering

    “Een besluit van de ledenvergadering is nietig als het in strijd is met de wet of de statuten, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Dat staat in artikel 2:14 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank oordeelt dat de benoeming van [naam 1] tot bestuurslid van de vereniging niet nietig is. De ledenvergadering heeft immers de wettelijke en statutaire bevoegdheid om het bestuur te benoemen. Dat geldt niet voor de aanwijzing van [naam 1] als voorzitter, maar [eisers] hebben op dat punt geen vordering ingesteld.”

    r.o. 5.1 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:3437

  • Rechtbank Gelderland · 18 maart 2026

    Nietigheid VvE-besluiten wegens afwijkende verdeelsleutel in strijd met splitsingsreglement

    “De besluiten van 9 december 2022 en 19 april 2024 bevatten een van artikel 2 van het splitsingsreglement afwijkende verdeelsleutel. In zoverre zijn deze besluiten in strijd met het splitsingsreglement. De besluiten zijn wat deze afwijkende verdeelsleutel betreft daarom nietig (artikel 5:129 lid 1 BW jo. artikel 2:14 lid 1 BW). De door [de eisers] gevorderde verklaringen voor recht (onder I. en II.) zullen daarom worden toegewezen.”

    r.o. 4.7 · lid 1

    ECLI:NL:RBGEL:2026:2513

  • Rechtbank Den Haag · 10 maart 2026

    Nietigheid en vernietiging VvE-besluiten over kosten toegangspoorten en brandveiligheid parkeergarage

    “De Gemeente is het niet eens met de genomen besluiten en verzoekt daarom in deze procedure dat de kantonrechter: primair I voor recht te verklaren dat het besluit van 30 juni 2025 van de VvE ten aanzien van de verdeling van de onderhoudskosten van de toegangspoorteninstallaties nietig is ex artikel 2:14 BW, omdat de onderhoudskosten van de toegangspoorteninstallaties op grond van artikel 2 lid 4 van de splitsingsakte verdeeld moet worden over alle VvE-leden naar rato van het breukdeel genoemd in artikel 1 lid 2 van de splitsingsakte, en de VvE te veroordelen tot medewerking aan die kostenverdeling overeenkomstig de voornoemde bepaling van de splitsingsakte; II voor recht te verklaren dat het besluit van 30 juni 2025 van de VvE ten aanzien van het plaatsen en de verdeling van de (onderhouds)kosten van het brandveiligheidssysteem nietig is ex artikel 2:14 BW omdat de kosten voor het plaatsen en het onderhoud van het brandveiligheidssysteem (bestaande uit de brandmeldinstallatie, brandmeldcentrale en de te nemen brandveiligheidsmaatregelen) op grond van artikel 2 lid 4 van de splitsingsakte verdeeld moet worden over alle VvE-leden naar rato van het breukdeel genoemd in artikel 1 lid […]”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:RBDHA:2026:4904

  • Rechtbank Midden-Nederland · 4 maart 2026

    Nietig VvE-besluit: dak ten onrechte als privégedeelte gekwalificeerd

    “Uit artikel 5:124 Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat op besluiten van de [verweerder sub 1] de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:993

  • Rechtbank Den Haag · 23 februari 2026

    VvE-besluiten vernietigd: gebrekkige kascommissie, décharge en doorbelasting kosten aan leden

    “Op grond van artikel 5:130 BW kan een lid van de VvE binnen een maand na de dag waarop deze kennis heeft genomen van een besluit van de algemene ledenvergadering bij de kantonrechter verzoeken om vernietiging van dat besluit. Volgens vaste rechtspraak kan in dezelfde procedure daarnaast aan de kantonrechter verzocht worden om de nietigheid van het besluit vast te stellen. Een besluit is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW nietig indien het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit vernietigbaar indien het tot stand is gekomen op een wijze die in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen (sub a), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (sub b) of in strijd is met een reglement (sub c).”

    r.o. 3.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBDHA:2026:3249

  • Rechtbank Amsterdam · 19 februari 2026

    Nietig VvE-besluit tot toestemming dakterras; benoeming kascommissielid niet vernietigd

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de VvE de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing met het daarvan deel uitmakende splitsingsreglement gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.10

    “De overige verzoeken van [verzoekers] (ro. 3.1. sub b., c. en e.) worden afgewezen, omdat de kantonrechter alleen bevoegd is om te oordelen over besluitvorming die valt binnen de reikwijdte van de artikelen 2:14 en 2:15 BW.”

    r.o. 4.18

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1949

  • Rechtbank Limburg · 18 februari 2026

    Nietig sanctiebesluit commissie van beroep golfvereniging; ontzetting en bestuursverkiezing

    “[eisende partij] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I Primair:voor recht verklaart dat het besluit van het bestuur van [ gedaagde partij] genomen in de vergadering van 20 november 2024 tot ontzetting van het lidmaatschap van [ gedaagde partij] van [eisende partij] nietig is ex artikel 2:14 BW en dat bijgevolg het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2024 ook nietig is op grond van artikel 2:14 BW; Subsidiair: voor recht verklaart dat het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2025 nietig is op grond van artikel 2:14 BW; Meer subsidiair: het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2025 op grond van artikel 2:15 lid 1 jo. artikel 2:8 jo. artikel 2:15 lid 3 BW vernietigt voor zover in dit besluit een sanctie aan [eisende partij] is opgelegd. II [ gedaagde partij] veroordeelt tot het plaatsen van een rectificatie in de eerstvolgende [naam nieuwsbrief] nieuwsbrief van [ gedaagde partij] ; III [ gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de proceskosten en nakosten.”

    r.o. 3.1

    “Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Commissie van Beroep zonder daartoe statutair bevoegd te zijn een sanctie heeft opgelegd aan [eisende partij] . Het besluit van de Commissie van Beroep van 20 januari 2025 is, voor zover zij daarin een sanctie heeft opgenomen (onder “opnieuw beslissend” op pagina 4 van het besluit), daarom nietig op grond van artikel 2:14 lid 1 BW. De vordering onder II van [eisende partij]”

    r.o. 4.25 · lid 1

    “verklaart voor recht dat het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] , voor zover zij daarin een sanctie heeft opgenomen (onder “opnieuw beslissend” op pagina 4 van het besluit), nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW;”

    r.o. 5.1 · lid 1

    ECLI:NL:RBLIM:2026:1540

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 februari 2026

    Tussenvonnis: tegenstrijdig belang, pauliana en onrechtmatige daad bij doorstart modeketen

    “Aan de (buitengerechtelijke) vernietiging van een groot aantal rechtshandelingen legt de curator ten grondslag dat deze rechtshandelingen vernietigbaar zijn op grond van artikel 42 of 47 Fw dan wel (ver)nietig(baar) zijn, omdat [persoon 1] handelde in verschillende hoedanigheden terwijl er sprake was van tegenstrijdig belang, zodat er op grond van artikel 2:14 BW althans artikel 2:15 BW geen rechtsgeldige besluiten konden worden genomen om Sandwich III te binden aan de desbetreffende overeenkomsten.”

    r.o. 4.4

    “[…] in verschillende hoedanigheden is opgetreden en dat voor hem kenbaar was dat er een tegenstrijdig belang bestond. Volgens de statuten van Sandwich III had hij niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. Er was steeds een besluit van de AVA van Sandwich III vereist. Het bestaan van dergelijke besluiten is niet gebleken. Daardoor zijn er volgens de curator, gelet op de artikelen 2:14 en 2:15 BW, geen rechtsgeldige besluiten genomen om Sandwich III te binden aan de betreffende overeenkomsten. 5.106. [persoon 1] betwist dat er sprake is geweest van tegenstrijdig belang. Hij voert daartoe aan dat [persoon 2] tot en met de ontbinding van FSCP 100% UBO is geweest van FSCP. In de periode dat Sandwich III contracteerde met FSCP in het kader van de financiering was [persoon 1] alleen bestuurder van FSCP. Hij had daarin geen financieel belang. Bij de onderhandelingen en gesprekken met FSCP zat [persoon 1] aan tafel met [persoon 2] en bij de besluitvorming over de financiering van Sandwich III heeft [persoon 1] zich als bestuurder van FSCP verschoond, vanwege zijn financiële belang in Sandwich III. Bij het aangaan van de financieringsovereenkomsten heeft [persoon 1] voor […]”

    r.o. 5.99

    ECLI:NL:RBZWB:2026:8750

  • Rechtbank Amsterdam · 6 februari 2026

    VvE-besluiten: nietigheid en vernietiging; weigering te besluiten is geen besluit

    “Verzoekers hebben onder andere verzocht dat de besluiten die tijdens de vergadering van 30 juni 2025 zijn genomen, nietig worden verklaard. Op grond van de artikelen 2:14 lid 1 en 5:129 BW is een besluit nietig wegens strijd met de wet of de akte van splitsing. Verzoekers hebben echter nagelaten in hun verzoekschrift per besluit te concretiseren welk wetsartikel dan wel welk artikel uit de splitsingsakte door het genomen besluit zou zijn geschonden. Verzoekers hebben enkel gesteld dat de besluiten in redelijkheid niet genomen hadden kunnen worden. Dit betreft een beroep op artikel 2:15 lid 2 onder b BW dat ziet op de vernietiging van besluiten en niet op de nietigheid. Gelet hierop zal de kantonrechter de verzoeken voor zover die betrekking hebben op de nietigheid van de besluiten afwijzen. De zolderruimte (verzoek onder I)”

    r.o. 4.3 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1557

  • Rechtbank Amsterdam · 23 januari 2026

    Nietigheid en vernietiging VvE-besluiten over doorbelasten reparatiekosten en verhaal ongemandateerde uitgaven

    “[verzoekster] verzoekt de kantonrechter: Primair 3.1.1. voor recht te verklaren dat de onder 6a en 11 van de notulen vermelde besluiten van de vergadering van de VvE van 16 juli 2025 nietig zijn op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW), Subsidiair 3.1.2. deze besluiten te vernietigen op grond van artikel 5:130 lid 1 jo. 2:15 lid 1 sub b BW, 3.1.3. te bepalen dat het bestuur van de VvE gehouden is het schadedossier van [verzoekster] administratief te verwerken conform de feitelijke en juridische afwikkeling zoals vastgelegd in 2022 en 2024, zonder hernieuwde kwalificaties of opname in toekomstige jaarrekeningen, zodat hernieuwde betwisting of besluitvorming via de vergadering van de VvE wordt voorkomen en de positie van [verzoekster] als lid van de VvE ondubbelzinnig vastligt, 3.1.4. de VvE te veroordelen in de proceskosten, inclusief eventuele nakosten.”

    r.o. 3.1

    “voor recht te verklaren dat de onder 6a en 11 van de notulen vermelde besluiten van de vergadering van de VvE van 16 juli 2025 nietig zijn op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW), Subsidiair”

    r.o. 3.1.1

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de VvE de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de splitsingsakte met het daarvan deel uitmakende splitsingsreglement gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.2

    “[verzoekster] heeft niet toegelicht op welke gronden genoemde besluiten nietig zouden zijn. De enkele verwijzing naar artikel 2:14 BW is daarvoor onvoldoende. Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om aan te geven met welke specifieke wettelijke regels en bepalingen uit de splitsingsakte danwel het splitsingsreglement de besluiten volgens haar in strijd zijn. Dat heeft zij nagelaten. Het verzoek tot nietigverklaring is daarom niet toewijsbaar. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek tot vernietiging van het besluit 6a: doorbelasten reparatiekosten lekkages”

    r.o. 4.7

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1317

  • Rechtbank Amsterdam · 23 januari 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid van VvE-besluiten over bestuur, beheerder en jaarrekening afgewezen

    “Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de VvE de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1318

  • Rechtbank Midden-Nederland · 21 januari 2026

    Bevoegdheid rechtbank bij nietigheid en vernietiging van VvE-besluiten (artikel 2:14 BW)

    “De rechtbank acht zich bevoegd om de vorderingen van [procesdeelneemster 1] te beoordelen. [procesdeelneemster 1] roept namelijk (zo leest de rechtbank die vorderingen) eerst de nietigheid in van bepaalde besluiten van de VvE. De rechtsbasis daarvoor is artikel 2:14 BW, waarover de rechtbank bevoegd is te beslissen. Voor zover die besluiten niet nietig zijn, vordert [procesdeelneemster 1] (de rechtbank leest: subsidiair) dat de rechtbank die besluiten vernietigt. De rechtsbasis daarvoor is artikel 5:130 BW, waarvoor (zo stelt VvE c.s. terecht) de kantonrechter bevoegd is en een dergelijke eis bij verzoekschrift moet worden ingediend. Maar naar het oordeel van de rechtbank blijft het belangrijkst het inroepen van de nietigheid. In het kader van doelmatigheid en procesorde zal de rechtbank ook beslissen, wanneer in de hoofdzaak de besluiten niet nietig zijn, of de besluiten vernietigd kunnen worden. Genoemde doelmatigheid en procesorde gaan in dit geval vóór de omstandigheid dat dergelijke eisen op zichzelf voor de kantonrechter bij verzoekschrift moeten worden ingediend. De incidentele vordering tot exceptie van absolute onbevoegdheid van VvE c.s. wordt daarom afgewezen.”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:RBMNE:2026:1134

  • Rechtbank Midden-Nederland · 16 januari 2026

    Vernietiging en nietigheid van ALV-besluiten VvE afgewezen; artikel 2:14 en 2:15 BW

    “Het verzoek van [verzoekster] strekt tot zowel vernietiging als nietigverklaring van (een aantal besluiten van) de ALV. In beginsel is de rechtbank bevoegd te oordelen over de nietigheid en de vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon (respectievelijk op grond van artikelen 2:14 en 2:15 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Bij een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars geschiedt de vernietiging daarentegen – in afwijking van artikel 2:15 BW – door de kantonrechter (artikel 5:130 BW). Voor het laten vaststellen van de nietigheid hiervan ontbreekt een soortgelijke, afwijkende regeling.”

    r.o. 4.1

    “Een ALV is echter geen besluit van een orgaan van een rechtspersoon in de zin van de artikelen 2:14, 2:15 en 5:130 BW en kan reeds daarom niet worden vernietigd of nietig worden verklaard op grond van die artikelen. Bovendien staat er geen sanctie op een overschrijding van de vijfmaandentermijn en gaat het slechts om een beperkte overschrijding (van nog geen twee weken). Daarnaast kan de reeds overschreden vijfmaandentermijn niet alsnog worden gehaald: een eventuele nieuwe ALV zal ook buiten die vijfmaandentermijn zijn. [verzoekster] heeft dan ook geen belang bij haar verzoeken tot nietigverklaring en vernietiging van de ALV’s.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:403

  • Rechtbank Limburg · 14 januari 2026

    VvE: nietigheid en vernietigbaarheid ALV-besluiten, te late vernietigingsvordering, ontslag bestuur

    “In beginsel is de rechtbank (en niet de kantonrechter) bevoegd te oordelen omtrent de nietigheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon (ex artikel 2:14 en artikel 2:15 BW). Omdat [lid VvE] de nietigheid heeft ingeroepen als verweer in reconventie, is de kantonrechter, gelet op het bepaalde in artikel 97 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wel bevoegd om hierover te oordelen.”

    r.o. 4.6

    “Uit artikel 2:14 lid 1 BW volgt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon nietig is, indien het in strijd is met de wet of de statuten. Uit artikel 5:129 lid 1 BW volgt dat met de statuten wordt gelijkgesteld de akte van splitsing. Met andere woorden: het beroep op nietigheid kan alleen slagen als die besluiten zélf, dus inhoudelijk en niet qua wijze van totstandkoming, nietig zijn. Uit de stellingen van [lid VvE] kan niet worden afgeleid dat de besluiten in strijd zijn met de wet of de splitsingsakte. Van nietigheid is dus geen sprake. Voor zover er - zoals [lid VvE] beweert - gebreken kleven in de agendering, informatievoorziening of verloop van de ALV, heeft te gelden dat dit allemaal de totstandkoming van de besluiten betreft. Dat kan hooguit tot vernietiging van de besluiten leiden.”

    r.o. 4.7 · lid 1

    ECLI:NL:RBLIM:2026:47

  • Rechtbank Noord-Holland · 14 januari 2026

    Nietige ALV-besluiten vereniging: opheffing kascommissie en goedkeuring jaarstukken zonder kascommissie

    “Het besluit van de ALV van 4 oktober 2023 tot opheffing van de kascommissie is nietig, omdat het is genomen in strijd met artikel 2:14 lid 1 BW in samenhang met artikel 16 lid 4 van de toenmalige statuten. De opheffing van de kascommissie stond niet op de agenda van de ALV; de enkele vermelding “kascommissie” leidt niet tot een ander oordeel. In de toelichting bij de agenda wordt evenmin gerept over een voorstel tot opheffing van de toenmalige kascommissie. Het ligt voor de hand dat de kascommissie op de agenda van een ALV staat in verband met de financiële afsluiting van een boekjaar, want het is de taak van de kascommissie de financiële stukken van de vereniging te controleren en daarover aan de ALV verslag uit te brengen. De opheffing van een orgaan van een rechtspersoon is een fundamenteel besluit dat duidelijk op de agenda moet staan. Omdat de opheffing van de kascommissie niet op de agenda stond, was voor de goedkeuring van het voorstel tot opheffing volgens artikel 16 lid 4, eerste en laatste volzin, van de toenmalige statuten nodig dat ten minste de helft van de stemgerechtigde leden, dus 34 leden, bij de ALV aanwezig dan wel vertegenwoordigd waren. Bij de ALV van 4 […]”

    r.o. 4.3 · lid 1

    “Het tijdens de ALV van 16 april 2024 genomen besluit tot goedkeuring van de jaarstukken van 2023 is nietig, omdat dit wel is genomen in strijd met artikel 2:48 BW. Er is namelijk geen raad van commissarissen, geen accountantsverklaring als bedoeld in artikel 2:393 BW en evenmin was er een kascommissie – ondanks het feit dat het besluit tot opheffing van de kascommissie nietig zal worden verklaard. Een kascommissie moet immers jaarlijks – telkens opnieuw – worden benoemd door de ALV, en dat was in dat jaar niet opnieuw gebeurd. Het besluit tot goedkeuring van de jaarstukken 2023 door de ALV is genomen ondanks het ontbreken van de door de wet voorgeschreven voorafgaande handeling – het onderzoek van de stukken – door de kascommissie en is daarom gelet op artikel 2:14 BW nietig. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht toewijzen. De vordering tot het verstrekken van stukken en informatie is niet toewijsbaar”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:RBNHO:2026:183

  • Rechtbank Limburg · 12 januari 2026

    VvE-besluiten: nietig wegens quorum, vernietigbaar wegens oproeptermijn en besluitvorming

    “[…] ruimten aanwezig en er is ook niet in voorzien in het meerjarenonderhoudsplan (hierna: MJOP). Voor het nemen van beide besluiten is dan vereist dat twee derde van de stemgerechtigden op de ALV aanwezig en/of vertegenwoordigd zijn. Omdat er maar 60,7% van de stemmen op de ALV vertegenwoordigd was, is het quorum niet behaald en zijn de besluiten volgens [verzoeker] nietig op grond van artikel 2:14 BW. 3.2.2. Daarnaast is [verzoeker] van mening dat het installeren van een camerasysteem in de gemeenschappelijke ruimte (besluit 1) ook nietig is op grond van artikel 6 lid 1 AVG. Het ontbreekt aan toestemming van de bewoners om de persoonsgegevens te verwerken en de VvE heeft geen gerechtvaardigd belang bij het plaatsen van de camera’s. Tot slot dient het belang van de bewoners op privacy zwaarder te wegen dan het belang van de VvE bij het plaatsen van de camera’s.”

    r.o. 3.2

    “[…] ruimten aanwezig en er is ook niet in voorzien in het meerjarenonderhoudsplan (hierna: MJOP). Voor het nemen van beide besluiten is dan vereist dat twee derde van de stemgerechtigden op de ALV aanwezig en/of vertegenwoordigd zijn. Omdat er maar 60,7% van de stemmen op de ALV vertegenwoordigd was, is het quorum niet behaald en zijn de besluiten volgens [verzoeker] nietig op grond van artikel 2:14 BW.”

    r.o. 3.2.1

    ECLI:NL:RBLIM:2026:237

  • Rechtbank Midden-Nederland · 13 oktober 2026

    VvE-besluiten over isolatieplicht nietig wegens niet gehaald quorum

    Een appartementseigenaar vecht besluiten van de vereniging van eigenaars aan die eigenaren verplichten hun enkel glas te vervangen. De kantonrechter verklaart de besluiten nietig, omdat het vereiste quorum van twee derde van de stemmen niet is gehaald en volmachten die na afloop van de vergadering binnenkwamen niet meetellen. Ten overvloede oordeelt zij dat de besluiten ook vernietigbaar zouden zijn wegens strijd met het Modelreglement, omdat kozijnen gemeenschappelijke delen zijn.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:7425

  • Rechtbank Midden-Nederland · 13 oktober 2026

    Nietigheid VvE-besluit over gaskostenverdeling in strijd met splitsingsakte en oproepingsvoorschriften

    Een vereniging van eigenaars nam een besluit over de verdeling van gaskosten dat afweek van de breukdelen in de splitsingsakte, zonder dat vooraf een agenda was verstuurd. De kantonrechter verklaart het besluit nietig op grond van artikel 2:14 BW, via artikel 5:129 BW, wegens strijd met de splitsingsakte. Ten overvloede zou het besluit ook vernietigbaar zijn geweest (artikel 2:15 BW) wegens het ontbreken van een oproeping met agenda.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:7426

  • Rechtbank Midden-Nederland · 7 oktober 2026

    Opzegging verenigingslidmaatschap na geëscaleerd conflict niet vernietigbaar of nietig

    Een schaakvereniging zegt het lidmaatschap van een lid op na een langdurig, geëscaleerd conflict met het bestuur. Het lid vordert vernietiging van het opzeggingsbesluit, nietigverklaring van de besluiten, schadevergoeding en rectificatie. De rechtbank toetst terughoudend aan de redelijkheid en billijkheid en oordeelt dat het bestuur in redelijkheid kon opzeggen. Het besluit is ook niet nietig, omdat het lid geen strijd met wet of statuten heeft onderbouwd, en de overige vorderingen worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:7177

  • Rechtbank Noord-Holland · 16 juli 2026

    VvE: nietig bestuursbesluit digitale eerste vergadering; vernietiging notulenbesluit wegens redelijkheid en billijkheid

    Een lid van een vereniging van eigenaars bestrijdt een bestuursbesluit om de eerste ledenvergadering digitaal te houden en te beperken tot openen en sluiten, en een besluit tot vaststelling van notulen. De kantonrechter verklaart het bestuursbesluit nietig, omdat het bestuur daartoe niet bevoegd was en de rechten van de leden wezenlijk worden ingeperkt. Het notulenbesluit wordt vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW, omdat de bezwaren van het lid niet kenbaar bij de besluitvorming waren betrokken.

    ECLI:NL:RBNHO:2026:9777

  • Rechtbank Noord-Holland · 10 juni 2026

    Vernietiging VvE-besluiten wegens misbruik van meerderheidsmacht afgewezen

    Leden van een onder-VvE verzochten nietigheid of vernietiging van besluiten van de ALV van een hoofd-VvE en de onder-VvE, onder meer wegens misbruik van meerderheidsmacht. De kantonrechter toetst de besluiten aan de splitsingsakte en, via de artikelen 2:14, 2:15 en 2:8 BW, aan de redelijkheid en billijkheid, en oordeelt dat de toetsing marginaal is. Van strijd met de splitsingsakte of misbruik van meerderheidsmacht is niet gebleken; alle verzoeken worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBNHO:2026:7585

  • Rechtbank Amsterdam · 27 mei 2026

    Vernietiging en nietigheid VvE-besluiten; toetsing aan artikel 2:8 BW afgewezen

    Appartementseigenaren vragen de kantonrechter besluiten van hun vereniging van eigenaars nietig of vernietigbaar te verklaren en te schorsen, onder meer wegens onbevoegde oproeping, onvoldoende stemmen en vermoede fraude. De kantonrechter toetst aan de artikelen 2:14, 2:15 en 2:8 BW en de marginale toets van de redelijkheid en billijkheid. Zij ziet geen strijd met wet, reglement of redelijkheid en billijkheid, en wijst de verzoeken af voor zover zij ontvankelijk zijn.

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5410

  • Rechtbank Midden-Nederland · 17 februari 2026

    Geen vernietigbaar besluit VvE bij inventarisatie ledenvergadering; vervangende machtiging gewijzigd gebruik afgewezen

    Eigenaren van de enige kantoorruimte in een appartementencomplex willen deze als woning gebruiken en vragen de kantonrechter het besluit van de vergadering van eigenaars te vernietigen op grond van artikel 5:130 juncto 2:15 BW, dan wel een vervangende machtiging te verlenen. De kantonrechter oordeelt dat een inventarisatie van de wil van de leden om te stemmen geen op rechtsgevolg gericht besluit is, zodat er niets te vernietigen valt. Een vervangende machtiging wordt ook geweigerd, omdat het gebruik niet tijdelijk, persoonlijk en eenvoudig herstelbaar is en dus een wijziging van de splitsingsakte vereist.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:694