Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:19 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2014, laatst gewijzigd bij Stb. 2013, 507
Een rechtspersoon wordt ontbonden:
a.door een besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is, door een besluit van het bestuur tenzij in de statuten anders is voorzien;
b.bij het intreden van een gebeurtenis die volgens de statuten de ontbinding tot gevolg heeft, en die niet een besluit of een op ontbinding gerichte handeling is;
c.na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie;
d.door het geheel ontbreken van leden, indien de rechtspersoon een vereniging, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is;
e.door een beschikking van de Kamer van Koophandel als bedoeld in artikel 19a;
f.door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt.
De rechtbank verklaart op verzoek van het bestuur, een belanghebbende of het openbaar ministerie, of en op welk tijdstip de rechtspersoon is ontbonden in een geval als bedoeld in lid 1 onder b of d. De beschikking is voor een ieder bindend. Is de rechtspersoon in een register ingeschreven, dan wordt de in kracht van gewijsde gegane uitspraak, inhoudende de verklaring, door de zorg van de griffier aldaar ingeschreven.
Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: in de gevallen als bedoeld in lid 1, onder a, b en d door de vereffenaar, indien deze er is en anders door het bestuur, in het geval als bedoeld in lid 1, onder c door de faillissementscurator, in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en in het geval als bedoeld in lid 1 onder f door de griffier van het betrokken gerecht.
Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.
De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie.
De rechtspersoon houdt in geval van vereffening op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. De vereffenaar of de faillissementscurator doet aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, daarvan opgaaf.
De gegevens die omtrent de rechtspersoon in de registers zijn opgenomen op het tijdstip waarop hij ophoudt te bestaan, blijven daar gedurende tien jaren na dat tijdstip bewaard.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:19 BW (52)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (10)
X.Y./Rabobank
Verjaring vordering op na faillissement opgehouden rechtspersoon: verlengingsgrond artikel 3:320 BW
“[…] de verjaringstermijn in dit geval al liep tot 26 november 2013, leidt het bepaalde in art. 36 Fw niet tot een verdere verlenging van de verjaringstermijn. (rov. 3.10.4) In een soortgelijke zaak tussen een borg en een bank is door het gerechtshof Den Haag als volgt geoordeeld. Indien de rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat hij op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer had (art. 2:19 lid 4 BW), blijft een eventuele vordering op deze rechtspersoon wel bestaan. Indien alsnog blijkt van het bestaan van een bate, kan deze vordering met toepassing van art. 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een dergelijk geval het verhaal door verjaring verloren zou gaan, is in art. 2:23c lid 2 BW bepaald dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan ten aanzien van de verjaring van de rechtsvordering een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW bestaat. Die verlengingstermijn loopt ook als nog niet is gebleken van een bate. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. Omdat de uitkomst van dat cassatieberoep voor de onderhavige zaak van belang is, zal het hof de zaak aanhouden totdat de Hoge Raad op het cassatieberoep heeft […]”
r.o. 2.5 · lid 4“[…] en er is geen reden voor een dergelijke ongelijke behandeling van schuldeisers. De door de Hoge Raad in het arrest van 30 juni 2017 neergelegde regel is niet beperkt tot de situatie dat een rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan door opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten. Deze regel geldt steeds ingeval een rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan op grond van de in art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c, BW genoemde gronden. Deze regel geldt dus ook indien een rechtspersoon op grond van art. 2:19 lid 4 BW ophoudt te bestaan doordat hij op grond van art. 137f Fw of art. 173 Fw in staat van insolventie komt te verkeren. (rov. 7.4.6) Het voorgaande betekent dat de vordering van Rabobank op [C] Holding niet is verjaard. (rov. 7.4.7)”
r.o. 2.6 · leden 1, 4“In deze zaak gaat het om een vordering op een rechtspersoon die op grond van art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c, BW na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en, nadat de vereffening van zijn vermogen in faillissement is geëindigd, op grond van art. 2:19 lid 6 BW is opgehouden te bestaan, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de vereffening in faillissement op grond van art. 194 Fw wordt heropend omdat, kort gezegd, nog van de aanwezigheid van baten blijkt.”
r.o. 3.3 · leden 1, 6“In art. 2:23c lid 2 BW en art. 2:19a lid 8 BW zijn verlengingsgronden als bedoeld in art. 3:320 BW opgenomen voor gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden en is opgehouden te bestaan, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de rechtspersoon op enig moment herleeft. Het gaat daarbij om (i) de gevallen waarin de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon heeft plaatsgevonden en nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt (art. 2:23c lid 2 BW) en om (ii) de gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden door een beschikking van de Kamer van Koophandel en die beschikking aan vernietiging blootstaat (art. 2:19a lid 8 BW). Voor deze gevallen geldt gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan een verlengingsgrond. In de wetsgeschiedenis zijn deze bepalingen aldus toegelicht dat een speciale voorziening moet worden getroffen voor het geval een verjaringstermijn zou aflopen in de periode dat de rechtspersoon had opgehouden te bestaan. De regeling van art. 2:23c lid 2 BW heeft de strekking om te voorkomen dat rechtsvorderingen op een niet meer bestaande […]”
r.o. 3.4Rambaldo/Rabobank
Verjaring vordering op opgehouden vennootschap en borgtocht; artikel 2:23c lid 2 BW
“[…] zou aflopen gedurende het faillissement van de vennootschap, is deze ingevolge artikel 36 lid 1 Faillissementswet voortgelopen tot zes maanden na afloop van het faillissement. De rechtsvordering kan derhalve niet tijdens het faillissement van de vennootschap verjaard zijn. Door de opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten is de vennootschap op 2 maart 2006 ontbonden ingevolge artikel 2:19 lid 1 onder c BW. Nu zij op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, heeft de vennootschap toen voorts opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De vordering van de bank op de vennootschap is na 2 maart 2006 wel blijven bestaan en kan, als nog blijkt van het bestaan van een bate, daarop met toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een geval als dit de mogelijkheid van verhaal door verjaring verloren zou gaan, bepaalt artikel 2:23c lid 2 BW dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 3:320 BW is ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen tegen de rechtspersoon. Het feit dat er thans nog geen bate is gebleken maakt dit niet anders. Dat brengt mee […]”
r.o. 4.3 · leden 1, 4“[…] heeft genomen dat de verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande vennootschap niet kan eindigen. Onderdeel 3.4 klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet de stelling van [eiser] heeft besproken dat Rabobank de stuitingsmogelijkheid van art. 54 lid 4 Rv heeft laten schieten. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.3.2 De vennootschap is ingevolge art. 2:19 lid 1 onder c BW ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Nu de vennootschap op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, is zij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW opgehouden te bestaan. Uit art. 2:23c lid 1 BW volgt dat indien na het tijdstip waarop de vennootschap is opgehouden te bestaan, nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen. In dat geval herleeft de vennootschap ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW volgt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen gedurende het tijdvak waarin de vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na […]”
r.o. 4.5 · leden 1, 4“De vennootschap is ingevolge art. 2:19 lid 1 onder c BW ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Nu de vennootschap op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, is zij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW opgehouden te bestaan. Uit art. 2:23c lid 1 BW volgt dat indien na het tijdstip waarop de vennootschap is opgehouden te bestaan, nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen. In dat geval herleeft de vennootschap ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW volgt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen gedurende het tijdvak waarin de vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na heropening van de vereffening, die verjaringstermijn voortloopt totdat zes maanden na die heropening zijn verstreken.”
r.o. 3.3.2 · leden 1, 4R.M. Trade
Verzet curator tegen faillissement op eigen aangifte; misbruik bevoegdheid en artikel 2:19 BW
“[…] aanvragen van het faillissement mogen worden overgegaan. Er zijn immers in het geheel geen baten. Alle activiteiten zijn reeds gestaakt, de contracten beëindigd en werknemers zijn niet meer in dienst. Aanwijzingen dat activa voor de boedel te verwerven zijn door toepassing van de faillissementspauliana of het geldend maken van bestuurdersaansprakelijkheid, ontbreken. De vennootschap had via art. 2:19 BW ontbonden kunnen worden. Te verwachten is dat het faillissement op grond van art. 16 Fw zal worden opgeheven bij gebrek aan baten. De schuldenlast zal alsdan alleen maar zijn toegenomen als gevolg van de werkzaamheden van de curator. De door de curator gemaakte kosten zullen niet vergoed kunnen worden. In deze omstandigheden levert het aanvragen van het faillissement misbruik van bevoegdheid op. iii) Het verzet is behandeld ter terechtzitting van 22 april 2015, waar de curator en de bestuurder hun standpunten hebben toegelicht. 4.2.1 De door de prejudiciële vragen aan de orde gestelde problematiek betreft het zich regelmatig voordoende verschijnsel dat de in een faillissement van een rechtspersoon benoemde curator nog binnen de in art. 10 lid 1 Fw bepaalde verzettermijn […]”
r.o. 4.1“De Hoge Raad zal de beantwoording van de vragen beperken tot het geval waarin het gaat om een faillissement van een rechtspersoon en dat faillissement op eigen aangifte is uitgesproken, zoals de rechtbank kennelijk ook voor ogen heeft gestaan. In dit verband is van belang dat (het bestuur van) de rechtspersoon, anders dan schuldeisers, in art. 2:19 BW een alternatieve weg ten dienste staat om, al dan niet na vereffening van het vermogen, de beëindiging van het bestaan van de rechtspersoon te bewerkstelligen. De prejudiciële vragen lenen zich voor gezamenlijke beantwoording.”
r.o. 4.2.2“[…] juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:48, NJ 2013/365). Hierbij is van belang dat het faillissement volgens het stelsel van de Faillissementswet verdeling beoogt door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers (HR 22 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3883, NJ 1988/912). In het geval als hier aan de orde, dient (het bestuur van) de rechtspersoon dan ook de weg van art. 2:19 BW te bewandelen. 4.7.2 De rechter zal zich moeten overtuigen van de juistheid van de aan het verzet van de curator ten grondslag te leggen stellingen omtrent de staat van de boedel, als vermeld hiervoor in 4.7.1. De Faillissementswet gaat ervan uit dat de curator met de nodige grondigheid een onderzoek instelt naar de aanwezigheid van een vermogen van de schuldenaar (vgl. HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8256, NJ 2001/249). Ten tijde van de behandeling van het verzet dient de uitkomst van dat onderzoek derhalve beschikbaar te zijn.”
r.o. 4.6“[…] juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:48, NJ 2013/365). Hierbij is van belang dat het faillissement volgens het stelsel van de Faillissementswet verdeling beoogt door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers (HR 22 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3883, NJ 1988/912). In het geval als hier aan de orde, dient (het bestuur van) de rechtspersoon dan ook de weg van art. 2:19 BW te bewandelen.”
r.o. 4.7.1Beslaglegger na einde bestaan rechtspersoon: vordering tegen verkrijger van beslagen goederen
“[…] weerwil van dat beslag zijn overgedragen, en vervolgens de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, voordat de op grond van art. 700 lid 3 Rv vereiste eis in de hoofdzaak is ingesteld. 3.5.2 In deze zaak gaat het om een rechtspersoon naar Russisch recht. Het hiervoor in 3.5.1 genoemde geval kan zich echter ook voordoen ten aanzien van een rechtspersoon naar Nederlands recht. Op grond van art. 2:19 leden 5 en 6 BW geldt immers dat een ontbonden rechtspersoon ophoudt te bestaan als hij geen te vereffenen vermogen heeft dan wel, als hij zulk vermogen wel heeft, op het tijdstip waarop de vereffening van dat vermogen eindigt. In dat geval is de omstandigheid dat beslag is gelegd op vermogensbestanddelen van de rechtspersoon die vervolgens zijn overgedragen aan een derde, geen grond voor het voortbestaan van de rechtspersoon. Een overdracht in weerwil van een beslag is immers rechtsgeldig in de onderlinge verhouding van de overdragende rechtspersoon en de verkrijger, zodat die overdracht tot gevolg heeft dat de vermogensbestanddelen niet langer deel uitmaken van het vermogen van de rechtspersoon (vgl. HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351, NJ 2009/154). 3.5.3 Een overdracht […]”
r.o. 3.2 · leden 5, 6“In deze zaak gaat het om een rechtspersoon naar Russisch recht. Het hiervoor in 3.5.1 genoemde geval kan zich echter ook voordoen ten aanzien van een rechtspersoon naar Nederlands recht. Op grond van art. 2:19 leden 5 en 6 BW geldt immers dat een ontbonden rechtspersoon ophoudt te bestaan als hij geen te vereffenen vermogen heeft dan wel, als hij zulk vermogen wel heeft, op het tijdstip waarop de vereffening van dat vermogen eindigt. In dat geval is de omstandigheid dat beslag is gelegd op vermogensbestanddelen van de rechtspersoon die vervolgens zijn overgedragen aan een derde, geen grond voor het voortbestaan van de rechtspersoon. Een overdracht in weerwil van een beslag is immers rechtsgeldig in de onderlinge verhouding van de overdragende rechtspersoon en de verkrijger, zodat die overdracht tot gevolg heeft dat de vermogensbestanddelen niet langer deel uitmaken van het vermogen van de rechtspersoon (vgl. HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351, NJ 2009/154).”
r.o. 3.5.2 · leden 5, 6Rifgat
Herroeping van ontbindingsbesluit BV: toelaatbaar onder rechterlijke toetsing en bescherming van derden
“[…] het oog op die bescherming van de belangen van derden alsook om praktische redenen dient, zolang de wetgever niet voorziet in een regeling, daarbij te worden gekozen voor controle van de herroeping door de rechter. (rov. 8) Een ontbindingsbesluit kan slechts worden herroepen door een rechtspersoon die nog bestaat. De vraag of Rifgat nog bestaat, dient te worden beantwoord aan de hand van art. 2:19 lid 5 BW, waaruit volgt dat een ontbonden rechtspersoon blijft bestaan voor zover nodig voor het vereffenen van zijn vermogen. Rifgat beschikte na haar ontbinding nog over vermogen dat niet is vereffend en is in zoverre blijven bestaan. Daarbij is voor de beoordeling niet relevant of dit voortbestaan indruist tegen de Servische openbare orde. Voor een in Nederland zetelende rechtspersoon is ten aanzien van haar (voort)bestaan slechts van belang of sprake is van schending van de Nederlandse openbare orde. (rov. 9) De herroeping van de ontbinding mag niet tot gevolg hebben dat derden die in gerechtvaardigd vertrouwen op de ontbinding en haar gevolgen zijn afgegaan in hun belangen worden geschaad. Of hiervan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder het […]”
r.o. 3.2 · lid 5“[…] gemotiveerd, gelet op de door Rodenstaal c.s. aangevoerde omstandigheden die volgens hen in dit geval aan herroeping in de weg staan. 5.2.1 Bij de beoordeling van de onderdelen wordt het volgende vooropgesteld. 5.2.2 Een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: besloten vennootschap) kan door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders worden ontbonden (art. 2:19 lid 1 BW). De wet bepaalt niet of het ontbindingsbesluit door (de algemene vergadering van aandeelhouders van) de besloten vennootschap kan worden herroepen, en zo ja, op welke wijze. De wet sluit echter niet uit dat een besloten vennootschap terugkomt van haar ontbindingsbesluit; dat stemt ook overeen met de mogelijkheid dat zij vernietiging kan vorderen van het besluit waarbij zij is ontbonden (art. 2:15 lid 3 BW). 5.2.3 In de rechtspraak in feitelijke instanties en in de literatuur, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder respectievelijk 4.8 en 4.6, wordt in meerderheid aangenomen dat een besloten vennootschap het ontbindingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders kan herroepen, mits is voldaan aan bepaalde voorwaarden in verband met de eisen van […]”
r.o. 5.1 · lid 1“Een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: besloten vennootschap) kan door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders worden ontbonden (art. 2:19 lid 1 BW). De wet bepaalt niet of het ontbindingsbesluit door (de algemene vergadering van aandeelhouders van) de besloten vennootschap kan worden herroepen, en zo ja, op welke wijze. De wet sluit echter niet uit dat een besloten vennootschap terugkomt van haar ontbindingsbesluit; dat stemt ook overeen met de mogelijkheid dat zij vernietiging kan vorderen van het besluit waarbij zij is ontbonden (art. 2:15 lid 3 BW).”
r.o. 5.2.2 · lid 1“Een besluit tot herroeping van een ontbindingsbesluit kan niet worden genomen door een besloten vennootschap die ingevolge art. 2:19 lid 4 of lid 6 BW niet meer bestaat. Voorts dienen de voor het rechtsgeldig nemen van besluiten geldende vereisten in acht te worden genomen (vgl. het hiervoor in 5.2.4 genoemde arrest van 10 maart 1995).”
r.o. 5.3.2 · lid 4Verbod en ontbinding vereniging wegens strijd met openbare orde (pedofielenvereniging)
“[…] voert aan dat ons burgerlijk procesrecht niet de regel kent dat een partij recht heeft op een beoordeling van haar zaak in twee feitelijke instanties, en voegt daaraan toe dat in elk geval een niet-bestaande rechtspersoon geen recht van hoger beroep heeft. Het hof heeft zijn oordeel als volgt gemotiveerd: “4.2.2. Bij beëindiging van een rechtspersoon onderscheidt de wetgever in de artikelen 2:19 en 2:20 BW het moment waarop de rechtspersoon wordt ontbonden van het moment waarop zij ophoudt te bestaan. Die twee momenten kunnen in de tijd samenvallen (art. 2:19 lid 4 BW) maar noodzakelijk is dat niet. De rechtspersoon blijft na haar ontbinding bijvoorbeeld voortbestaan, voor zover nodig voor de afwikkeling van haar vermogen (art. 2:19 lid 5 BW). Ook in de rechtspraak wordt het hier bedoelde onderscheid gehanteerd. Zo kan een ontbonden rechtspersoon strafrechtelijk worden vervolgd, zelfs zonder dat er bekende baten voorhanden zijn (HR 2 oktober 2007, LJN: BA5825, NJ 2008, 550 en HR 16 november 2010, LJN: BM3630, NJ 2010, 625). Ook kan van een ontbonden vennootschap het faillissement worden uitgelokt (Hof Amsterdam 31 maart 2011, LJN: BQ1156, JOR 2011, 307) en kan een ontbonden […]”
r.o. 3.1 · leden 4, 5“[…] voert aan dat ons burgerlijk procesrecht niet de regel kent dat een partij recht heeft op een beoordeling van haar zaak in twee feitelijke instanties, en voegt daaraan toe dat in elk geval een niet-bestaande rechtspersoon geen recht van hoger beroep heeft. Het hof heeft zijn oordeel als volgt gemotiveerd: “4.2.2. Bij beëindiging van een rechtspersoon onderscheidt de wetgever in de artikelen 2:19 en 2:20 BW het moment waarop de rechtspersoon wordt ontbonden van het moment waarop zij ophoudt te bestaan. Die twee momenten kunnen in de tijd samenvallen (art. 2:19 lid 4 BW) maar noodzakelijk is dat niet. De rechtspersoon blijft na haar ontbinding bijvoorbeeld voortbestaan, voor zover nodig voor de afwikkeling van haar vermogen (art. 2:19 lid 5 BW). Ook in de rechtspraak wordt het hier bedoelde onderscheid gehanteerd. Zo kan een ontbonden rechtspersoon strafrechtelijk worden vervolgd, zelfs zonder dat er bekende baten voorhanden zijn (HR 2 oktober 2007, LJN: BA5825, NJ 2008, 550 en HR 16 november 2010, LJN: BM3630, NJ 2010, 625). Ook kan van een ontbonden vennootschap het faillissement worden uitgelokt (Hof Amsterdam 31 maart 2011, LJN: BQ1156, JOR 2011, 307) en kan een ontbonden […]”
r.o. 3.3.1 · leden 4, 5“Aan het onderdeel ligt klaarblijkelijk het uitgangspunt ten grondslag dat de enkele omstandigheid dat de vereniging door de rechter is ontbonden, meebrengt dat zij - als niet langer bestaand - niet meer tegen de desbetreffende beslissing in beroep kon komen. Dit uitgangspunt is onjuist. Op grond van art. 2:19 lid 6 BW houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen eerst op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, NJ 2013/59). Omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de vereffening van het vermogen van de vereniging is geëindigd, dient tot uitgangspunt bij de beoordeling van het onderdeel dat de vereniging nog bestaat. Daarom kan het onderdeel niet tot cassatie leiden.”
r.o. 3.3.2 · lid 6Stuiting verjaring door betekening aan opgehouden rechtspersoon; heropening vereffening niet vereist
“[…] Tysco nastreeft en heropening alleen is aangewezen indien nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. In het geval dat alleen betekening van een akte aan een ontbonden rechtspersoon wordt nagestreefd, is heropening van de vereffening niet nodig. In een dergelijk geval blijft de ontbonden rechtspersoon niet voortbestaan op de voet van artikel 2:19, lid 5, BW en is artikel 2:23c BW niet van toepassing, aldus het hof. Aangezien niet is betwist dat aan de overige vereisten voor stuiting van de verjaring is voldaan, moet op grond van het voorgaande worden aangenomen dat de Ontvanger de verjaring van het recht tot dwanginvordering van de naheffingsaanslagen tijdig en rechtsgeldig heeft gestuit. Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat deze oordelen stroken met de opmerking van de minister van Financiën dat stuiting kan plaatsvinden door bekendmaking aan de officier van justitie en publicatie (Kamerstukken II, 2010/11, 32 505, nr. 3, blz. 46), en dat deze oordelen niet strijden met de opmerking van de minister van Justitie dat met gebruikmaking van artikel 2:23c BW de vereffening kan worden heropend waarna de verjaring kan worden […]”
r.o. 3.1 · lid 5“[…] Tysco nastreeft en heropening alleen is aangewezen indien nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. In het geval dat alleen betekening van een akte aan een ontbonden rechtspersoon wordt nagestreefd, is heropening van de vereffening niet nodig. In een dergelijk geval blijft de ontbonden rechtspersoon niet voortbestaan op de voet van artikel 2:19, lid 5, BW en is artikel 2:23c BW niet van toepassing, aldus het hof. Aangezien niet is betwist dat aan de overige vereisten voor stuiting van de verjaring is voldaan, moet op grond van het voorgaande worden aangenomen dat de Ontvanger de verjaring van het recht tot dwanginvordering van de naheffingsaanslagen tijdig en rechtsgeldig heeft gestuit. Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat deze oordelen stroken met de opmerking van de minister van Financiën dat stuiting kan plaatsvinden door bekendmaking aan de officier van justitie en publicatie (Kamerstukken II, 2010/11, 32 505, nr. 3, blz. 46), en dat deze oordelen niet strijden met de opmerking van de minister van Justitie dat met gebruikmaking van artikel 2:23c BW de vereffening kan worden heropend waarna de verjaring kan worden […]”
r.o. 3.2.2 · lid 5Unidek/HDI
Voortzetting procedure tegen ontbonden en vereffende vennootschap; verkeerde partij gedagvaard
“Voor zover het oordeel van het hof daarop berust dat HDI Holding niet meer bestaat, heeft het hof eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zoals onderdeel 2 terecht aanvoert. Op grond van art. 2:19 lid 6 BW houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen eerst op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt, terwijl art. 2:23c lid 1 BW voorziet in de mogelijkheid om de vereffening te heropenen, onder meer ingeval nog een schuldeiser opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. Hiermee strookt het om aan te nemen dat in een geval zoals het onderhavige, waarin een procedure tegen een rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van haar ontbinding en van de vereffening van haar vermogen, de procedure tegen de rechtspersoon kan worden voortgezet, mede in volgende instanties, ook indien de vereffening van haar vermogen inmiddels is geëindigd en daarvan opgaaf is gedaan door de vereffenaar aan de registers overeenkomstig art. 2:19 lid 6 BW. Dat HDI Holding niet meer bestaat in de door het hof bedoelde zin, staat dus niet in de weg aan voortzetting van de procedure en derhalve evenmin aan een inhoudelijke beoordeling van de […]”
r.o. 3.3.4 · lid 6Ontvankelijkheid in cassatie van wegens gebrek aan baten opgehouden besloten vennootschap
Een vennootschap die vóór het instellen van cassatieberoep is ontbonden en wegens gebrek aan baten is opgehouden te bestaan, kan volgens de Hoge Raad op grond van artikel 2:19 BW een vóór de ontbinding aangevangen procedure voortzetten, ook in cassatie. Zij is dus ontvankelijk. Het arrest wordt vernietigd vanwege een onvoldoende gemotiveerde afwijzing van een pleidooiverzoek en de toewijzing van niet gevorderde kosten.
Cassatie tegen DNB: ontbinding rechtspersoon en onrechtmatige daad, artikel 81 RO
Een rechtspersoon in liquidatie en haar bestuurder spreken de toezichthouder aan uit onrechtmatige daad. Volgens de inhoudsindicatie spelen onder meer de ontbinding van de rechtspersoon (artikel 2:19 BW) en de vraag of zij is opgehouden te bestaan een rol. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep zonder motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO.
Conclusies van de A-G (14)
Turboliquidatie met later gebleken bate: voortbestaan of heropening vereffening; arbitragebeding
“Het hof neemt daartoe in aanmerking dat volgens de meest recente uittreksels uit het handelsregister WVG Beheer en Belfort AM op dit moment staan geregistreerd als ontbonden en in liquidatie. Het hof leidt uit deze (gewijzigde) registratie af dat kennelijk is gebleken dat ten tijde van de turboliquidatie de beide vennootschappen nog over een bate beschikten en de vennootschappen na ontbinding zijn blijven voortbestaan (artikel 2:19 lid 5 BW). Het hof neemt voorts in aanmerking dat volgens het handelsregister ook de CV geregistreerd staat als in liquidatie en dat WVG Beheer in liquidatie tot haar vereffenaar is benoemd. Nu volgens de huidige opgave in het handelsregister WVG Beheer in liquidatie als vereffenaar van de CV staat vermeld, kan de door Capital Savings (als indirecte vereffenaar van WVG Beheer) aan SBBP afgegeven volmacht en bekrachtiging dienen als grondslag voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van SBBP. Daarbij wijst het hof er op dat anders dan de Vereffenaar lijkt te veronderstellen een heropeningsprocedure ex artikel 2:23c lid 1 BW volgens vaste rechtspraak niet nodig wordt geacht wanneer na turboliquidatie van een rechtspersoon alsnog blijkt van een bate.”
r.o. 5.8 · lid 5“Art. 2:19 lid 1 BW regelt op limitatieve wijze de manieren waarop een rechtspersoon kan worden ontbonden. Ontbindingsgronden zijn onder meer een besluit tot ontbinding (vrijwillige ontbinding) of opheffing van een faillissement bij gebrek aan baten (verplichte ontbinding van rechtswege). Het moment van ontbinding van een rechtspersoon valt niet per definitie samen met het einde van de rechtspersoon. Twee situaties kunnen worden onderscheiden: de reguliere ontbinding met vereffening en de turboliquidatie.”
r.o. 4.7 · lid 1“De eerste situatie doet zich voor als de rechtspersoon op het moment van haar ontbinding nog beschikt over ten minste één bate. Blijkens art. 2:19 lid 5 BW blijft de rechtspersoon in dat geval na ontbinding voortbestaan als rechtspersoon in liquidatie en houdt zij pas op te bestaan op het moment dat de vereffening eindigt (art. 2:19 lid 6 BW). Dat is op het moment waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn (art. 2:23b lid 9 BW).”
r.o. 4.8 · leden 5, 6“In de tweede situatie houdt een rechtspersoon op het moment van ontbinding direct op te bestaan. Die weg staat alleen open als de rechtspersoon op dat tijdstip geen baten meer heeft (art. 2:19 lid 4 BW). De rechtspersoon wordt ontbonden zonder dat vereffening plaatsvindt aangezien er dan niets te vereffenen valt. Een dergelijke ontbinding zonder een vereffening wordt aangeduid als turboliquidatie. De rechter kan echter het oordeel van het bestuur van de ontbonden rechtspersoon dat er geen baten (meer) aanwezig waren op juistheid onderzoeken.”
r.o. 4.9 · lid 4Bestuurdersaansprakelijkheid wegens verhaalsfrustratie door overdracht van activa en turboliquidatie
“[…] noemt geen enkele rechtsbron waaruit een dergelijke verplichting zou (kunnen) volgen. Daartoe volstaat niet de in het subonderdeel gememoreerde verwijzing door Vité c.s. in hoger beroep naar een vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, reeds omdat dit vonnis zag op een wezenlijk ander geval. 3.6.4 Aangenomen wordt dat de turboliquidatie van een rechtspersoon (dus toepassing van art. 2:19 lid 4 BW) tijdens een lopende procedure, zoals bij DPPT vóór het wijzen van het verstekvonnis en ná de betekening aan haar van de dagvaarding waarmee Global Pack die procedure had aangespannen,niet meebrengt dat die rechtspersoon met betrekking tot die procedure niet langer in rechte kan optreden (niet langer procesbevoegdheid heeft). In lijn daarmee maakte de turboliquidatie van DPPT niet dat zij zonder heropening van haar vereffening geen rechtsmiddel kon aanwenden tegen het verstekvonnis. Aangenomen wordt verder dat ingeval van zo’n turboliquidatie wat betreft daaropvolgende betekening van exploten aansluiting kan worden gezocht bij art. 54 Rv. Daarbij zij nog opgemerkt dat de verzetregeling in art. 143 e.v. Rv, waar het gaat om het aanvangen van de termijn waarbinnen het verzet […]”
r.o. 3.6 · lid 4“Aangenomen wordt dat de turboliquidatie van een rechtspersoon (dus toepassing van art. 2:19 lid 4 BW) tijdens een lopende procedure, zoals bij DPPT vóór het wijzen van het verstekvonnis en ná de betekening aan haar van de dagvaarding waarmee Global Pack die procedure had aangespannen,niet meebrengt dat die rechtspersoon met betrekking tot die procedure niet langer in rechte kan optreden (niet langer procesbevoegdheid heeft). In lijn daarmee maakte de turboliquidatie van DPPT niet dat zij zonder heropening van haar vereffening geen rechtsmiddel kon aanwenden tegen het verstekvonnis. Aangenomen wordt verder dat ingeval van zo’n turboliquidatie wat betreft daaropvolgende betekening van exploten aansluiting kan worden gezocht bij art. 54 Rv. Daarbij zij nog opgemerkt dat de verzetregeling in art. 143 e.v. Rv, waar het gaat om het aanvangen van de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan, meer mogelijkheden kent dan alleen betekening van het vonnis in kwestie (art. 143 lid 2-3 Rv). Over zo’n heropening rept die regeling niet.”
r.o. 3.6.4 · lid 4Faillietverklaring ontbonden BV: redelijk belang bij enige bate in vordering op aanvrager
“Een rechtspersoon kan worden ontbonden door een besluit van het daartoe bevoegde orgaan (art. 2:19 lid 1, aanhef en onder a, BW). Als de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt de rechtspersoon op dat moment op te bestaan (art. 2:19 lid 4 BW, ook wel ‘turboliquidatie’ genoemd). Zijn er op het tijdstip van ontbinding nog wél baten aanwezig, dan is vereffening nodig. De rechtspersoon blijft dan bestaan voor zover dit voor de vereffening van het vermogen nodig is; in stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd ‘in liquidatie’ (art. 2:19 lid 5 BW). In dat geval houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt (art. 2:19 lid 6 BW), zijnde het moment waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn (art. 2:23b lid 9 BW).”
r.o. 2.2 · leden 1, 4, 5, 6“Van het besluit tot ontbinding, van het ophouden te bestaan en van het einde van de vereffening dient door de daartoe bevoegde functionaris opgaaf te worden gedaan aan het handelsregister (art. 2:19 lid 3, 4 resp. 6 BW). Voor de beantwoording van de vraag of de rechtspersoon in liquidatie voortbestaat, is niet de inschrijving in het handelsregister van de status van de rechtspersoon, maar de werkelijke toestand beslissend. De rechtspersoon kan tegenover een wederpartij niet de onjuistheid of onvolledigheid van de in het register opgenomen gegevens inroepen, voor zover die wederpartij daarvan onkundig was (art. 2:6 lid 3 BW). Degene die weet dat er nog een bate is, zal echter niet mogen afgaan op de inschrijving in het handelsregister dat de vennootschap is opgehouden te bestaan.”
r.o. 2.3 · leden 3, 4Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW
“[…] mede gelet op het voorgaande, ook het karakter van de (in het wettelijk systeem met verbodenverklaring gepaard gaande) rechterlijke ontbinding van de rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW. Ontbinding heeft tot gevolg dat de rechtspersoon uitsluitend nog voortbestaat ten behoeve van de vereffening, ervan uitgaande dat de rechtspersoon op het tijdstip van de ontbinding baten heeft (art. 2:19 lid 1 onder f, lid 4 en lid 6 BW). Dit gevolg treedt ook in bij andere civielrechtelijke gronden voor ontbinding van de rechtspersoon dan art. 2:20 lid 1 BW gelet op art. 2:19 lid 1 BW, in welk verband bijvoorbeeld kan worden gewezen op rechterlijke ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 2 BW, art. 2:21 BW of art. 2:356 onder f BW. Dit is een algemene figuur in het civiele rechtspersonenrecht (Boek 2 BW), die niet specifiek is bedoeld als een ‘sanctie’ in voornoemde zin; ook niet in het kader van art. 2:20 lid 1 BW, zoals hiervoor uiteengezet. De vereffenaar draagt hetgeen na voldoening van de schuldeisers van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon is overgebleven, in verhouding tot ieders recht over aan hen die op grond van de statuten daartoe zijn […]”
r.o. 2.27 · lid 1Faillissement, ontbinding en ophouden te bestaan van rechtspersoon; ontvankelijkheid tegen DNB
“Op die basis (de boedel is van rechtswege in staat van insolventie komen te verkeren) heeft het hof geoordeeld dat [eiseres 1] is ontbonden. Volgens het hof heeft [eiseres 1] ingevolge art. 2:19 lid 4 BW ook opgehouden te bestaan, terwijl van een ‘herleving’ op de voet van art. 2:23c BW evenmin sprake is: “3.9 Ingevolge art. 2:19 lid 1, aanhef en sub c, BW is [eiseres 1] ontbonden na faillietverklaring door insolventie. Ingevolge art. 2:19 lid 4 BW is zij opgehouden te bestaan. Zij is niet herleefd op de voet van art. 2:23c BW. Daarom kan [eiseres 1] als niet meer bestaande rechtspersoon niet in enige vordering worden ontvangen.””
r.o. 2.11 · leden 1, 4“[…] 4 (waarvan onderdeel 4 een veegklacht behelst) hebben betrekking op het oordeel van het hof dat [eiseres 1] niet kan worden ontvangen in haar vorderingen, omdat zij geen bestaande rechtspersoon meer is. Dit oordeel nemen [eisers] vanuit verschillende invalshoeken onder vuur: - voor de beantwoording van de vraag of [eiseres 1] (bij gebrek aan baten) heeft opgehouden te bestaan op grond van art. 2:19 lid 4 BW, dient de rechter eerst onherroepelijk vast te stellen dat er op het tijdstip van de ontbinding van [eiseres 1] (op grond van art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c., BW) geen baten of potentiële baten meer aanwezig zijn. Een dergelijk onderzoek heeft het hof hier nagelaten, terwijl uit de stellingen van [eiseres 1] volgt dat er in elk geval een bate was ten tijde van de ontbinding, namelijk de onderhavige vordering van [eiseres 1] op DNB; daarmee is het oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk (onderdeel 1); - in het bijzonder geldt dat het hof heeft miskend dat de ontbinding of het ophouden van bestaan van de rechtspersoon op grond van art. 2:19 lid 4 BW niet van rechtswege plaatsvindt, althans dat de ontbinding/het opgehouden te bestaan als gevolg van rehabilitatie […]”
r.o. 3.1 · leden 1, 4“[…] aandacht aan de figuur van rehabilitatie (randnummers 3.32 e.v.). Daarop volgt een tussenbalans waarin ik terugkom op de hamvragen in de onderhavige ontvankelijkheidskwestie (randnummers 3.35 e.v.). Uiteindelijk leidt dat in dit geval tot de conclusie dat de boedel na de verificatievergadering van rechtswege in staat van insolventie is komen te verkeren, zodat [eiseres 1] is ontbonden (art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c., BW). Vervolgens is [eiseres 1] wegens het verbindend worden van de slotuitdelingslijst op 23 december 2014 opgehouden te bestaan (art. 2:19 lid 6 BW). Algemene opmerkingen”
r.o. 3.2 · leden 1, 6“Het rechtsgevolg van een in kracht van gewijsde gegane homologatiebeschikking is dat het faillissement eindigt (art. 161 Fw). Daarmee blijft de executoriale fase (vereffening van het vermogen) buiten beeld. Dit is het spiegelbeeld van art. 173 Fw (hiervoor randnummer 3.14): het akkoord voorkomt dat de boedel in staat van insolventie komt te verkeren en homologatie van het akkoord beëindigt het faillissement zonder die staat van insolventie. Als gevolg daarvan wordt de schuldenaar weer beschikkingsbevoegd over zijn vermogen. Voor de rechtspersoon geldt dat hij blijft voortbestaan; van ontbinding in de zin van art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c., BW (hierna randnummers 3.21 e.v.) is geen sprake. Afwikkeling mét verificatie en vereffening”
r.o. 3.19 · lid 1Verjaring vordering op in faillissement ontbonden en opgehouden rechtspersoon: verlengingsgrond ex artikel 2:23c lid 2 BW
“[…] dat de vordering van Rabobank op de hoofdschuldenaar [C] Holding zonder stuiting of het bestaan van een verlengingsgrond in beginsel op 26 november 2013 is verjaard; - in rov. 3.10.4 tussenarrest vaststelt dat tussen partijen niet in geschil is dat [C] Holding op 20 juli 2012 in staat van insolventie verkeerde waardoor de rechtspersoon op die dag is ontbonden (onder verwijzing naar art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c BW) en bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan (onder verwijzing naar art. 2:19 lid 4 BW); - in rov. 7.4.3 eindarrest overweegt dat, zoals volgt uit de onweersproken stellingen van [eisers] , de boedel van [C] Holding op grond van art. 137d Fw en art. 137f Fw op 20 juli 2012 in staat van insolventie is komen te verkeren door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst; daardoor is [C] Holding op grond van art. 2:19 lid 1 sub c BW op die dag ontbonden en, nu zij op dat moment geen baten meer had, vanaf dat moment op grond van art. 2:19 lid 4 BW opgehouden te bestaan; - in rov. 7.4.3 eindarrest verder overweegt dat tussen partijen voorts niet in discussie is dat de vordering van Rabobank op de borg [eiser 1] niet is verjaard; de vraag die partijen […]”
r.o. 3.24 · leden 1, 4“[…] of de Zevende (en Vijfde) afdeling van de Faillissementswet (“Van de vereffening des boedels”) is afgewikkeld, en een einde heeft genomen door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst (art. 193 lid 1 Fw), dan mist de Achtste afdeling van de Faillissementswet toepassing nu de rechtspersoon na die afwikkeling (in welk kader de grond voor ontbinding van de rechtspersoon ex art. 2:19 lid 1 onder c BW optreedt ten tijde van het intreden van de staat van insolventie, waarover art. 137f lid 1 Fw en art. 173 Fw) is opgehouden te bestaan. De gedachte van art. 193 lid 1 Fw is dan immers dat er ten tijde van het verbindend worden van de slotuitdelingslijst, behoudens het nog doen van vastgestelde uitkeringen aan de schuldeisers (waarover art. 137f lid 1 Fw en art. 192 Fw), niets meer te vereffenen valt. In de systematiek van de wet, zoals die mede tot uitdrukking komt in art. 2:19 lid 4-6 BW en art. 2:23b lid 9 BW (dit laatste ten aanzien van vereffening buiten faillissement), luidt het einde van de vereffening het ophouden te bestaan van de (ontbonden) rechtspersoon in. Hoe verhoudt dit zich tot het voorgaande in nr. 3.28 met betrekking tot art. 36 Fw?”
r.o. 3.29 · leden 1, 4, 5, 6“[…] gelang het hoofdgevalstype: a) dat het faillissement van de rechtspersoon is opgeheven op de voet van art. 16 Fw wegens gebrek aan baten (en er dus geen vereffening in faillissement heeft plaatsgevonden op basis van de Vijfde afdeling A van de Faillissementswet dan wel de Zevende (en Vijfde) afdeling van de Faillissementswet), waarna de rechtspersoon is opgehouden te bestaan op de voet van art. 2:19 lid 1 onder c BW (ontbinding op basis van de eerste grond) in verbinding met art. 2:19 lid 4 BW (ophouden te bestaan ten tijde van ontbinding, omdat de rechtspersoon op dat moment geen baten meer heeft); dan wel b) dat het faillissement van de rechtspersoon is afgewikkeld op basis van de Vijfde afdeling A van de Faillissementswet dan wel de Zevende (en Vijfde) afdeling van de Faillissementswet (en er dus wel dienovereenkomstig vereffening in faillissement heeft plaatsgevonden), waarna de rechtspersoon is opgehouden te bestaan op de voet van art. 2:19 lid 1 onder c BW (ontbinding op basis van de tweede grond) in verbinding met art. 2:19 lid 5-6 BW (ophouden te bestaan na vereffening, volgend op ontbinding). Een belangrijk gezichtspunt is daarbij dat de schuldeiser bezwaarlijk zijn […]”
r.o. 3.33 · leden 1, 4, 5, 6Faillissement ontbonden BV met baten; verjaring en artikel 2:23c lid 2 BW
“Voor de toepasselijkheid van deze verlengingsgrond komt het er dus aan of de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. Een ontbinding is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Een rechtspersoon blijft na ontbinding namelijk voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is (art. 2:19 lid 5 BW). De ontbinding heeft alleen (direct) tot gevolg dat de rechtspersoon ophoudt te bestaan als de rechtspersoon op het tijdstip van de ontbinding geen baten heeft (art. 2:19 lid 4 BW). In andere gevallen moet vereffening plaatsvinden en houdt de rechtspersoon pas op te bestaan wanneer de vereffening eindigt (art. 2:19 lid 6 BW). De vereffening eindigt als er geen aan de vereffenaar bekende baten meer zijn (art. 2:23b lid 9 BW).”
r.o. 2.9 · leden 4, 5, 6“In het arrest [...] /Rabobankwaar de curatoren in dit verband beroep op doen, heeft Uw Raad toepassing gegeven aan de verlenging van de verjaringstermijn volgens art. 2:23c BW jo. art. 3:320 BW. Het ging in die zaak om een rechtspersoon die op grond van art. 2:19 lid 1 onder c BW was ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Uw Raad overwoog dat de vennootschap op het tijdstip van ontbinding geen baten meer had, zodat zij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW heeft opgehouden te bestaan.”
r.o. 2.10 · leden 1, 4“Daarmee is denk ik het verschil met onze zaak gegeven. Dat [verzoekster] nog baten heeft, is naar het onbestreden oordeel van het hof immers voldoende aannemelijk (rov. 3.4). Zij is zodoende, zo volgt uit art. 2:19 BW, niet opgehouden te bestaan. Dit betekent dat de verlengingsgrond van art. 2:19a lid 8 en 2:23c lid 2 BW in onze zaak niet toepasselijk is.”
r.o. 2.11Verjaring vordering op opgehouden vennootschap en borgtocht: reikwijdte artikel 2:23c lid 2 BW
“[…] zou aflopen gedurende het faillissement van de vennootschap, is deze ingevolge artikel 36 lid 1 Faillissementswet voortgelopen tot zes maanden na afloop van het faillissement. De rechtsvordering kan derhalve niet tijdens het faillissement van de vennootschap verjaard zijn. Door de opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten is de vennootschap op 2 maart 2006 ontbonden ingevolge artikel 2:19 lid 1 onder c BW. Nu zij op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, heeft de vennootschap toen voorts opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De vordering van de bank op de vennootschap is na 2 maart 2006 wel blijven bestaan en kan, als nog blijkt van het bestaan van een bate, daarop met toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een geval als dit de mogelijkheid van verhaal door verjaring verloren zou gaan, bepaalt artikel 2:23c lid 2 BW dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 3:320 BW is ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen tegen de rechtspersoon. Het feit dat er thans nog geen bate is gebleken maakt dit niet anders. Dat brengt mee […]”
r.o. 4.3 · leden 1, 4Curatorenverzet tegen faillissement lege vennootschap en turboliquidatie als alternatief
“Bij verzetschrift van 14 april 2015 is mr. Hoeksma in verzet gekomen tegen de faillietverklaring van R.M. Trade B.V. Aan het verzet heeft mr. Hoeksma – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Weliswaar is voldaan aan de in de Faillissementswet gestelde eisen voor faillietverklaring, maar in dit geval had bij gebrek aan belang niet tot het aanvragen van het faillissement mogen worden overgegaan. Er zijn immers in het geheel geen baten. De vennootschap had via art. 2:19 BW ontbonden kunnen worden. Te verwachten is dat het faillissement op grond van art. 16 Fw zal worden opgeheven bij gebrek aan baten. De schuldenlast zal alsdan alleen maar zijn toegenomen als gevolg van de werkzaamheden van de curator. De door mr. Hoeksma gemaakte kosten zullen niet vergoed kunnen worden. In deze omstandigheden levert het aanvragen van het faillissement misbruik van faillissementsrecht op.”
r.o. 2.3“[…] het belang van de curator om verschoond te blijven van een benoeming in een faillissement waarbij op voorhand vaststaat dat alle kosten voor zijn eigen rekening zullen komen. Ik citeer de kernoverweging van één van de hier bedoelde uitspraken: “De rechtbank concludeert dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat JUVI over baten beschikt. Er had daarom ex artikel 2:19 lid 4 BW een besluit tot ontbinding van JUVI moeten worden genomen. Aan vereffening en in het bijzonder aan artikel 2:23a lid 4 BW wordt dan niet meer toegekomen. Het zou in die omstandigheden aan de ING Bank als materieel enige schuldeiser zijn om aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat zij bij vereffening (enige) betaling zou hebben ontvangen, dan wel het faillissement van JUVI aan te vragen. Het doen van een eigen aangifte faillissement levert in deze situatie misbruik van recht op. Er is immers een onevenredigheid tussen het gestelde belang bij de eigen aangifte van JUVI enerzijds, en het belang van een te benoemen curator anderzijds, om verschoond te blijven van een benoeming in een faillissement, waarbij op voorhand vaststaat dat alle kosten voor rekening van de […]”
r.o. 3.16 · lid 4“Andere uitspraken geven blijk van een andere opvatting. In deze uitspraken is de centrale gedachte dat de Faillissementswet niet als voorwaarde voor faillietverklaring stelt dat er (voldoende) baten zijn en dat die eis dus niet gesteld kan worden. De rechtbank Noord-Nederland overwoog bijvoorbeeld: “Teneinde het verzet tegen dit faillissement te laten slagen, dient de curator aan te tonen dat de toestand van te hebben opgehouden met betalen niet (meer) bestaat. De rechtbank is van oordeel dat het systeem van de Faillissementswet geen ruimte laat het verzet gegrond te verklaren op andere gronden dan deze. In het bijzonder ziet zij geen aanknopingspunten voor de kennelijk door de curator aan haar verzoek ten grondslag gelegde regel dat een schuldenaar in de door curator geschetste omstandigheden zich niet op eigen aangifte failliet mag laten verklaren, maar de weg zou moeten volgen van ontbinding volgens artikel 2:19 BW.””
r.o. 3.18“Ik ga tot slot in op het in de diverse rechterlijke uitspraken genoemde alternatief voor het faillissement ingeval van een vennootschap met een (vrijwel) lege boedel, namelijk de ontbinding op grond van art. 2:19 lid 4 BW, ook wel genoemd ontbinding zonder vereffening of “turboliquidatie”. Het bestaan van dit alternatief is in deze verzetuitspraken een belangrijk argument voor het uiteindelijk niet toelaten van het faillissement ingeval er geen baten zijn. Sommige auteurs zijn echter van mening dat vennootschappen die uitsluitend schulden hebben niet op grond van art. 2:19 lid 4 BW ontbonden (zouden moeten) kunnen worden. Bij deze kwestie wil ik stilstaan.”
r.o. 3.30 · lid 4Herroeping van ontbindingsbesluit bv: voorwaarden en rechterlijke toets
“[…] niet voorziet in een regeling, daarbij te worden gekozen voor controle van de herroeping door de rechter. Het standpunt van Rodenstaal c.s. dat een ontbindingsbesluit in het geheel niet kan worden herroepen, wordt verworpen. 9. Een rechtspersoon kan zijn ontbindingsbesluit slechts herroepen als hij nog bestaat. De vraag of Rifgat nog bestaat, dient te worden beantwoord aan de hand van art. 2:19 lid 5 BW, waaruit volgt dat een ontbonden rechtspersoon blijft bestaan voor zover nodig voor het vereffenen van zijn vermogen. Zoals het hof hierna zal overwegen, beschikte Rifgat na zijn ontbinding nog over vermogen dat niet is vereffend en is Rifgat in zoverre dus blijven bestaan. […] 10. De herroeping van de ontbinding mag niet tot gevolg hebben dat derden die in gerechtvaardigd vertrouwen op de ontbinding en haar gevolgen zijn afgegaan in hun belangen worden geschaad. Het antwoord op de vraag of hiervan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder het tijdsverloop sinds het moment van ontbinding. Voor het daarbij hanteren van een vaste termijn ziet het hof onvoldoende steun in het recht, ook niet als uitgangspunt. Ook voor aansluiting bij de vervaltermijn […]”
r.o. 2.5 · lid 5“Een besloten vennootschap kan worden ontbonden door een besluit daartoe van de algemene vergadering (zie art. 2:19 lid 1 aanhef en sub a BW). Van de ontbinding dient opgave te worden gedaan aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. Deze opgave dient, indien er een vereffenaar is, plaats te vinden door de vereffenaar en anders door het bestuur (zie art. 2:19 lid 3 BW; zie ook art. 18 Hrgw 2007 en artt. 6 en 40 Hrgb 2008).”
r.o. 4.2 · leden 1, 3“Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur daarvan opgave aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven (zie art. 2:19 lid 4 BW). Heeft de rechtspersoon op het tijdstip van ontbinding nog baten, dan blijft de rechtspersoon na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is (zie art. 2:19 lid 5 BW). Voor zover de rechter geen andere vereffenaars heeft benoemd en de statuten geen andere vereffenaars aanwijzen, worden de bestuurders vereffenaars van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon (zie art. 2:23 lid 1 BW). Iedere vereffenaar doet aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, opgaaf van zijn optreden als zodanig (zie art. 2:23 lid 4 BW). In geval van vereffening houdt de vennootschap op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt (zie art. 2:19 lid 6 BW). De vereffening eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn (zie art. 2:23b lid 9 BW). De vereffenaar doet van het tijdstip van het eindigen van de vereffening opgave aan de registers (zie art. 2:19 lid 6 […]”
r.o. 4.3 · leden 4, 5, 6“De boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van een ontbonden rechtspersoon moeten worden bewaard gedurende zeven jaren nadat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan (zie art. 2:24 lid 1 BW). De gegevens die omtrent de rechtspersoon in de registers zijn opgenomen op het tijdstip waarop deze rechtspersoon ophoudt te bestaan, blijven daar gedurende tien jaren na dat tijdstip bewaard (zie art. 2:19 lid 7 BW). Herroeping van een ontbindingsbesluit”
r.o. 4.4 · lid 7Verbod en ontbinding vereniging wegens strijd met openbare orde; ontwrichtingsvereiste
“Onderdeel 1 bestaat uit twee subonderdelen en richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.2.4 dat de vereniging ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep. De motivering daarvoor is te vinden in de rechtsoverwegingen 4.2.2 en 4.2.3, die als volgt luiden: “4.2.2. Bij beëindiging van een rechtspersoon onderscheidt de wetgever in de artikelen 2:19 en 2:20 BW het moment waarop de rechtspersoon wordt ontbonden van het moment waarop zij ophoudt te bestaan. Die twee momenten kunnen in de tijd samenvallen (art. 2:19 lid 4 BW) maar noodzakelijk is dat niet. De rechtspersoon blijft na haar ontbinding bijvoorbeeld voortbestaan, voor zover nodig voor de afwikkeling van haar vermogen (art. 2:19 lid 5 BW). Ook in de rechtspraak wordt het hier bedoelde onderscheid gehanteerd. Zo kan een ontbonden rechtspersoon strafrechtelijk worden vervolgd, zelfs zonder dat er bekende baten voorhanden zijn (HR 2 oktober 2007, LJN: BA5825, NJ 2008, 550 en HR 16 november 2010, LJN: BM3630, NJ 2010, 625). Ook kan van een ontbonden vennootschap het faillissement worden uitgelokt (Hof Amsterdam 31 maart 2011, LJN: BQ1156, JOR 2011, 307) en kan een ontbonden vennootschap bestuurder zijn van een […]”
r.o. 4.2 · leden 4, 5“[…] van de vereniging volledig is afgerond. Het gerechtshof heeft hierover niets vastgesteld; een en ander volgt evenmin uit de gedingstukken. Het door het OM bij het verweerschrift in appel gevoegde uittreksel van het handelsregister van de vereniging vermeldt alléén de datum (‘27-06-2012’) en reden van de ontbinding (‘rechterlijke uitspraak’), niet dat de vereffening is geëindigd (vgl. art. 2:19 lid 6 BW). De brief van 5 maart 2013 van de vereffenaar van de vereniging, die bij requisitoir in appel is overgelegd, stelt weliswaar dat er geen sprake is van enig actief in de vereniging, maar sluit niet geheel uit dat er in de toekomst nog werkzaamheden moeten worden verricht in verband met de vereffening (‘zullen er […] nauwelijks nog werkzaamheden hoeven te worden verricht’). Art. 2:19 lid 5 BW, waarin wordt bepaald dat de rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is, brengt bij deze stand van zaken mee dat aangenomen moet worden althans niet kan worden uitgesloten dat de vereniging thans nog voortleeft. Subonderdeel 1.2 is gegrond op de veronderstelling dat de opdracht tot het instellen van het hoger beroep is […]”
r.o. 4.4 · leden 5, 6“Onderdeel 1 faalt.”
r.o. 4.5Ontbonden bv zonder baten: toetsing bestaan baten buiten heropeningsprocedure artikel 2:23c BW
“De onderdelen 1 en 3 klagen in de subonderdelen 1a, 1b en 3a-3d dat het oordeel van het hof dat op [verzoekster] een verzwaarde stelplicht van het al dan niet bestaan van baten rust, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent stelplicht en bewijslastverdeling bij betwisting van het belangvereiste van art. 3:303 BW, alsmede van het in art. 2:19 en 2:23c BW neergelegde systeem.”
r.o. 2.2“Volgens subonderdeel 1a heeft het hof in strijd met de bedoeling van de wetgever(7) niet tot uitgangspunt genomen dat, nu [verzoekster] het belang van [verweerster] had betwist, [verweerster] had moeten bewijzen dat zij wel een voldoende belang heeft bij het op art. 474g Rv. gegronde verzoek tot verkoop van de aandelen in Ongo. Subonderdeel 1b klaagt dat het hof daarnaast blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht- en bewijslastverdeling op grond van het bepaalde in art. 149 en 150 Rv., althans in het licht van het bepaalde in art. 2:19 en 2:23c BW te zware eisen heeft gesteld aan de stelplicht en bewijslast van [verzoekster] met betrekking tot haar verweer in de zin van art. 3:303 BW dat [verweerster] geen belang (meer) heeft bij haar verzoek.”
r.o. 2.3“Subonderdeel 3a klaagt dat het hof door zijn oordeel in rechtsoverweging 4.5 in strijd met (de bedoeling van de wetgever ten aanzien van) het in art. 2:19 en 2:23c BW neergelegde systeem heeft bepaald dat - ondanks de overeenkomstig art. 2:19 lid 4 BW gedane opgaaf bij de Kamer van Koophandel - de in rechte betrokken aandeelhouder(s) van een (geldig) ontbonden vennootschap nogmaals moet(en) bewijzen dat deze vennootschap ten tijde van haar ontbinding (werkelijk) géén baten meer had en aanstonds is opgehouden te bestaan. Volgens subonderdeel 3b heeft het hof, door te oordelen dat de vennootschap bij wijze van fictie in een procedure als onderhavige kan worden geacht te blijven bestaan, miskend dat daarvoor een procedure tot heropening van de vereffening op de voet van art. 2:23c BW is vereist. Subonderdeel 3d voegt daaraan toe het hof aldus de dienende taak van het burgerlijk procesrecht heeft miskend. Subonderdeel 3c klaagt - samengevat - dat het hof heeft miskend dat de onderhavige zaak verschilt van het arrest van HR 27 januari 1995(8) waarin alleen een uitzondering is geformuleerd voor het geval dat een schuldeiser het faillissement verzoekt van een rechtspersoon die bij […]”
r.o. 2.4 · lid 4“Genoemde (sub)onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Alvorens daarop in te gaan, merk ik op dat vaststaat dat Ongo is ontbonden bij een op 18 januari 2011 genomen besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders en dat deze ontbinding op 31 januari 2011 is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. In de onderhavige procedure is de geldigheid van de ontbinding(9) en het voldoen aan de wettelijke vereisten met betrekking tot de inschrijving daarvan in het handelsregister, geen punt van geschil (meer)(10). Daarnaast heeft het hof in cassatie niet bestreden tot uitgangspunt genomen dat uit art. 2:19 lid 4 en 5 BW in samenhang met art. 2:23c lid 1 BW volgt dat een rechtspersoon na zijn ontbinding slechts ophoudt te bestaan indien hij op het tijdstip van zijn ontbinding geen (bekende) baten meer heeft(11). Zoals rechtbank en hof ook hebben beoordeeld, kan het inleidend verzoek van [verweerster] slechts worden toegewezen indien komt vast te staan dat Ongo ten tijde van haar ontbinding nog baten had.”
r.o. 2.5 · leden 4, 5Stuiting verjaring jegens opgehouden rechtspersoon: artikel 54 Rv of heropening vereffening
“Met betrekking tot de wijze van betekening heeft het hof als volgt heeft geoordeeld: "2.8 Ingevolge art. 2:19 lid 1, aanhef en sub c, BW wordt een rechtspersoon ontbonden na faillietverklaring door opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel. Indien de rechtspersoon dan geen baten meer heeft, houdt hij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW op te bestaan. In dat geval heeft de rechtspersoon geen kantoor, geen bestuurder en geen vereffenaar meer. Ook de faillissementscurator is dan geen vereffenaar meer. Niettemin kan dan nog wel betekening aan de niet meer bestaande rechtspersoon plaatsvinden. Art. 50 Rv kan dan niet worden toegepast, maar art. 54 lid 3 en/of lid 4 Rv wel. Betekening aan de niet meer bestaande rechtspersoon geschiedt aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie, terwijl een uittreksel van het exploot voorts bekend wordt gemaakt in een landelijk dagblad.”
r.o. 2.2 · leden 1, 4“Stuiting door de Ontvanger kan zinvol zijn in een geval waarin er geen reële kans meer bestaat dat de ontbonden rechtspersoon de belastingschuld zal betalen en de Ontvanger dat ook niet meer nastreeft, bijvoorbeeld indien de Ontvanger, zoals in casu, betaling van de belastingschuld door een ander dan de ontbonden rechtspersoon nastreeft. In dat geval streeft de Ontvanger geen vereffening van het vermogen van de rechtspersoon na en is heropening van de vereffening ook niet nodig. Heropening van de vereffening is immers slechts nodig indien nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. In het geval dat alleen betekening van een akte aan een ontbonden rechtspersoon wordt nagestreefd, is heropening van de vereffening niet nodig. Daarom blijft in dat geval de ontbonden rechtspersoon niet voortbestaan op de voet van art. 2:19 lid 5 BW en zijn dan art. 2:23-23c BW evenmin van toepassing. (...)”
r.o. 2.9 · lid 5Maagdenhuis: zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap of civiele stichting?
Een stichting met een charitatief doel en een bisschoppelijke band is in geschil met het bisdom over haar rechtskarakter: zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap (artikel 2:2 BW) of civiele stichting (artikelen 2:3 en 2:285 BW). Het hof oordeelde dat zij een zelfstandig onderdeel is, mede op basis van de statuten en het canonieke recht. De A-G concludeert dat dit oordeel in stand kan blijven en behandelt de criteria, waaronder de vereiste erkenning door het kerkgenootschap en het verbod op samenloop van beide rechtsvormen.
Hoven en Ondernemingskamer (5)
Bestuurder aansprakelijk wegens verhaalsfrustratie: activiteiten overgeheveld, vennootschap ontbonden bij gebrek aan baten
“[…] heeft overgeheveld naar een andere aan hem gelieerde vennootschap. Daarmee is waarde, bestaande uit activa en verdiencapaciteit, aan Hotzone Solutions onttrokken. Dat hier een reële vergoeding tegenover heeft gestaan, is niet gesteld of gebleken en lijkt ook niet aannemelijk gezien het feit dat de vennootschap per 19 oktober 2023 bij gebrek aan baten door [geïntimeerde] is ontbonden ex artikel 2:19 lid 4 BW. Dit komt feitelijk neer op een voortzetting van Hotzone Solutions in een andere gelieerde vennootschap, zij het met achterlating van schuldeisers, waaronder [appellant], en zijn daardoor onverhaalbaar geworden vordering. Het gebrek aan overleg met [appellant] als schuldeiser, de voortzetting van dezelfde activiteiten in een andere gelieerde vennootschap en het (turbo)liquideren van Hotzone Solutions kort na een veroordelend vonnis tegen de vennootschap, het leggen van executoriaal beslag en op het moment dat een faillissementsverzoek wordt aangekondigd, indiceren voldoende dat hij er bewust op uit is geweest om de vennootschap zonder verhaal achter te laten. [geïntimeerde]’s handelen en/of nalaten als bestuurder ten opzichte van [appellant] als schuldeiser is in die gegeven […]”
r.o. 6.7 · lid 4Bestuurder persoonlijk aansprakelijk wegens verhaalsfrustratie na overheveling activiteiten en turboliquidatie
“[…] heeft overgeheveld naar een andere aan hem gelieerde vennootschap. Daarmee is waarde, bestaande uit activa en verdiencapaciteit, aan Hotzone Solutions onttrokken. Dat hier een reële vergoeding tegenover heeft gestaan, is niet gesteld of gebleken en lijkt ook niet aannemelijk gezien het feit dat de vennootschap per 19 oktober 2023 bij gebrek aan baten door [geïntimeerde] is ontbonden ex artikel 2:19 lid 4 BW. Dit komt feitelijk neer op een voortzetting van Hotzone Solutions in een andere gelieerde vennootschap, zij het met achterlating van schuldeisers, waaronder [appellant] , en zijn daardoor onverhaalbaar geworden vordering. Het gebrek aan overleg met [appellant] als schuldeiser, de voortzetting van dezelfde activiteiten in een andere gelieerde vennootschap en het (turbo)liquideren van Hotzone Solutions kort na een veroordelend vonnis tegen de vennootschap, het leggen van executoriaal beslag en op het moment dat een faillissementsverzoek wordt aangekondigd, indiceren voldoende dat hij er bewust op uit is geweest om de vennootschap zonder verhaal achter te laten. [geïntimeerde] ’s handelen en/of nalaten als bestuurder ten opzichte van [appellant] als schuldeiser is in die […]”
r.o. 6.7 · lid 4Bestuurdersaansprakelijkheid wegens verhaalsfrustratie door overhevelen activiteiten en turboliquidatie
“[…] heeft overgeheveld naar andere aan hem gelieerde vennootschappen. Daarmee is waarde, bestaande uit activa en verdiencapaciteit, aan Hotzone Solutions onttrokken. Dat hier een reële vergoeding tegenover heeft gestaan, is niet gesteld of gebleken en lijkt ook niet aannemelijk gezien het feit dat de vennootschap per 19 oktober 2023 bij gebrek aan baten door [geïntimeerde] is ontbonden ex artikel 2:19 lid 4 BW. Dit komt feitelijk neer op een voortzetting van Hotzone Solutions in een andere gelieerde vennootschap, zij het met achterlating van schuldeisers, waaronder [naam 1] , en zijn daardoor onverhaalbaar geworden vordering. Het gebrek aan overleg met [naam 1] als schuldeiser, de voortzetting van dezelfde activiteiten in een andere gelieerde vennootschap en het (turbo)liquideren van Hotzone Solutions kort na een veroordelend vonnis tegen de vennootschap en op het moment dat een faillissementsverzoek wordt aangekondigd, indiceren voldoende dat hij er bewust op uit is geweest om de vennootschap zonder verhaal achter te laten. [geïntimeerde] ’s handelen en/of nalaten als bestuurder ten opzichte van [naam 1] als schuldeiser is in die gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig […]”
r.o. 6.8 · lid 4Faillietverklaring ontbonden vennootschap; vordering ex artikel 2:248 BW als potentiële bate
“[…] instellen. In dit kader merkt het hof op dat een vordering op grond van artikel 2:248 BW - hoewel deze vordering dogmatisch gezien van de gezamenlijke schuldeisers (de boedel) is en niet van de vennootschap - mede gelet op de toegelaten ruime uitleg van het begrip ‘bate’ en ook op het belang van het voorkomen van misbruik van de ‘turbo-liquidatie’, als (potentiële) bate in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW kan worden gezien. Ook de advocaat van UBC heeft dit ter zitting in hoger beroep erkend. Anders dan de rechtbank kan niet worden geoordeeld dat op voorhand vaststaat dat een aan te stellen curator al zijn werkzaamheden voor eigen rekening moet gaan doen omdat Uiterloo geen verhaal zou bieden. Het is zinvol dat een curator onderzoek doet naar (eventuele) vermogensbestanddelen. Dit onderzoek kan grondiger geschieden dan bij de summiere behandeling van de aanvraag als bedoeld in artikel 6 lid 3 Fw (HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8255). Dit klemt te meer nu de stelling van UBC dat Uiterloo geen verhaal biedt niet met stukken is onderbouwd en de enkele omstandigheid dat Uiterloo zich bevindt in een schuldhulpverleningstraject onvoldoende is aangezien geen informatie is […]”
r.o. 2.6 · lid 4“Verder is tussen partijen niet in geschil dat Carelease een opeisbare vordering op UBC heeft van in totaal € 63.297,86 en dat deze vordering reeds geruime tijd onbetaald wordt gelaten. Daarmee is summierlijk gebleken van een vorderingsrecht van de aanvrager van het faillissement. Tevens is summierlijk gebleken van een steunvordering van de Belastingdienst. Blijkens een brief van de Belastingdienst van 7 april 2026 bedroeg de belastingschuld op dat moment € 31.115,42. UBC heeft deze vordering ter zitting in hoger beroep erkend. Gelet erop dat deze vorderingen al langere tijd onbetaald worden gelaten en UBC op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW reeds is ontbonden zonder dat uitzicht bestaat op betaling van de hiervoor genoemde vorderingen binnen afzienbare termijn, moet worden geoordeeld dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat UBC verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.”
r.o. 2.8 · lid 4Medewerking aan turboliquidatie stichtingen via artikel 2:8 BW; geen persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder
Drie huisartsen zijn bestuurder van twee stichtingen en komen na het einde van hun samenwerking niet tot afwikkeling. Het hof oordeelt dat afwikkeling door de stichtingen eerst van hun activa te ontdoen en daarna te ontbinden is toegestaan, en dat de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW, ook tussen bestuurders onderling, de weigerende bestuurder verplichten mee te werken aan het ontbindingsbesluit. Persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders, zowel in conventie als in reconventie, wordt afgewezen bij gebrek aan een persoonlijk ernstig verwijt.
Rechtbanken (23)
Royement hypotheek ontbonden vennootschap; voortbestaan na turboliquidatie ex artikel 2:19 lid 5 BW
“[…] geen vereffening heeft plaatsgevonden, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [vennootschap 1] is opgeheven door middel van turboliquidatie. Uit de verklaring van [bestuurder] over de hypotheekschuld van [eiser] (aangegaan in 2008), volgt dat [vennootschap 1] ten tijde van de turboliquidatie (mogelijk) nog over een bate beschikte. Dit betekent dat [vennootschap 1] op grond van artikel 2:19 lid 5 BW is blijven voortbestaan. De inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel kan hieraan worden aangepast. De notaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderneming door middel van indiening van formulier 18 van de Kamer van Koophandel kan herleven, dat meteen daarna ondertekening van de royementsvolmacht kan plaatsvinden, waarna de hypotheekinschrijving kan worden geroyeerd. Anders dan [eiser] heeft gesteld, hoeft dat geen tijdrovend, ingewikkeld en duur traject te zijn. Niet valt in te zien waarom [bestuurder] – mede met het oog op de door hem gepretendeerde vordering en zijn bereidheid om een royementsvolmacht te ondertekenen – hiertoe niet bereid zou zijn, dan wel hiertoe niet (alsnog) bewogen kan worden.”
r.o. 4.4 · lid 5Nietig ontbindingsbesluit: besluit niet genomen door enig aandeelhouder; verklaring voor recht
“Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde stukken dat de algemene vergadering van [eiser] geen ontbindingsbesluit heeft genomen op de voet van artikel 2:19 lid 1 BW. Uit het als productie 1 overgelegde uittreksel van Kamer van Koophandel van [eiser] blijkt dat VastFlow enig aandeelhouder is van [eiser]. Echter blijkt uit het ontbindingsbesluit niet van een besluit of stem van VastFlow. De heer Pierik, ook bestuurder van VastFlow, is aanwezig geweest. Maar het ontbindingsbesluit vermeldt expliciet dat hij handelde als enig bestuurder van AmpGoed en daarmee kan zijn handelen niet aangemerkt worden als een besluit of stem van VastFlow. Dit betekent dat een besluit volgens de wet en de statuten bevoegde orgaan ontbreekt. Het ontbindingsbesluit is dan ook nietig op grond van artikel 2:14 lid 1 BW.”
r.o. 4.2 · lid 1Faillietverklaring na turboliquidatie: summierlijk gebleken baten
“Uit het ter zitting overgelegde aandeelhoudersbesluit van 14 september 2026 blijkt dat de aandeelhouder heeft besloten de vennootschap te ontbinden met ingang van 14 september 2026, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. De rechtbank dient het er dus voor te houden dat deze vennootschap inmiddels is opgehouden te bestaan op de wijze als bedoeld in artikel 2:19 lid 4 BW (de zogenoemde ‘turboliquidatie’). Het beoordelingskader bij een ontbonden rechtspersoon”
r.o. 3.3 · lid 4“Het oordeel van het bestuur – of de vereffenaar – van een ontbonden vennootschap dat geen baten meer aanwezig zijn en dat de rechtspersoon daarom op grond van artikel 2:19 lid 4 BW is opgehouden te bestaan, is vatbaar voor toetsing door de rechter als een schuldeiser – stellende dat de vennootschap nog baten heeft – het faillissement van die rechtspersoon aanvraagt. Komt de rechter tot het oordeel dat summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn, dan kan deze – als aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan – het faillissement uitspreken en moet de rechtspersoon geacht worden voor de afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan (Hoge Raad 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631). Verloop van de onderhandelingen”
r.o. 3.4 · lid 4Bestuurdersaansprakelijkheid wegens betalingsonwil en misbruik van turboliquidatie; onrechtmatige daad in groepsverband
“[…] 3] tijdens de zitting verklaard dat hij vanwege de financiële toestand van de vennootschap geen andere optie meer zag dan tot ontbinding over te gaan. De vennootschap beschikte niet meer over activa en had alleen nog schulden. [gedaagde 3] heeft daarom als bestuurder aan de Kamer van Koophandel opgegeven dat er op dat moment geen baten meer waren, zodat de vennootschap op grond van artikel 2:19 lid 4 BW vanaf de ontbinding is opgehouden te bestaan. Dat betekent dat er een zogeheten turbo-liquidatie van de vennootschap heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft vraagtekens geplaatst bij deze gang van zaken. Zij heeft erop gewezen dat de jaarrekening van de vennootschap in 2023 nog € 100.451,- aan activa omschreef en dat al deze activa verdwenen zijn op de jaarrekening over 2024. [eiser] stelt dat deze activa met het oog op het mogelijk maken van een turbo-liquidatie zijn weggemaakt en naar [gedaagde 2] zijn overgegaan. Dit alles om ervoor te zorgen dat [eiser] niet betaald zou worden en geen verhaalsmogelijkheden zou hebben voor de hierdoor ontstane schade. Zij wijst in dit verband op een e-mail, waaruit volgt dat blijkbaar ten tijde van de gesprekken over een betalingsregeling al […]”
r.o. 4.8 · lid 4Turboliquidatie staat voortzetting eerder aangevangen procedure niet in de weg
“ACS Camperdealer heeft de rechtbank bij brief van 23 juni 2026 geïnformeerd dat de vennootschap bij besluit van de algemene vergadering van 24 april 2026, per 23 juni 2026 ontbonden is (ex artikel 2:19 lid 1 onder a BW). Omdat de rechtspersoon op dat moment geen baten meer had is zij volgens ASC Camperdealer op 23 juni 2026 ook opgehouden te bestaan (ex artikel 2:19 lid 4 BW) waardoor zij niet in rechte kan verschijnen en, zo begrijpt de rechtbank, ACCH niet-ontvankelijk moet worden verklaard.”
r.o. 2.2 · leden 1, 4Bestuurdersaansprakelijkheid wegens Wft-vergunningsplicht en schending artikel 2:19b BW bij turboliquidatie
“Bestuurders van een vennootschap mogen, bij afwezigheid van baten, kiezen voor de route van turboliquidatie van die vennootschap. In beginsel kan een vennootschap dus worden ontbonden zonder dat vereffening plaatsvindt, onder de voorwaarde dat er geen baten zijn of te verwachten zijn. Dat geldt ook als de vennootschap schulden heeft. Ingevolgde artikel 2:19 leden 4 en 5 BW volgt immers geen vereffening en houdt de rechtspersoon terstond op te bestaan als er na de ontbinding geen baten (te verwachten) zijn. De vraag of er op het moment van de ontbinding nog openstaande schulden zijn, is daarbij niet van belang. Het achterwege laten van een vereffening na een ontbinding is alleen onrechtmatig jegens een schuldeiser als er op het moment van de ontbinding sprake is van (te verwachten) baten, die (al dan niet deels) kunnen leiden tot betaling aan die schuldeiser. In dat geval moet (wel) vereffening plaatsvinden. In beginsel leidt turboliquidatie van een vennootschap dus niet tot persoonlijke aansprakelijkheid van haar bestuurder. Alleen als de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden van het onbetaald blijven van een schuldeiser, is er grond voor persoonlijke […]”
r.o. 4.27 · leden 4, 5Benoeming vereffenaar van ontbonden stichting administratiekantoor na overlijden enig bestuurder
“[bedrijf] had derhalve nog baten in de vorm van aandelen in [verzoeker 4] ten tijde van het besluit tot ontbinding. Op grond van artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voor zover deze nog baten heeft en dit tot vereffening van haar vermogen nodig is. Verzoekers verwijzen tevens naar jurisprudentie waaruit blijkt dat [bedrijf], ondanks het besluit tot ontbinding en uitschrijving uit het handelsregister, is blijven voortbestaan in afwachting van haar (verdere) vereffening.”
r.o. 3.4 · lid 5Ontbinding van twee ouderraden (verenigingen) wegens ontbreken van leden
“Voordat de rechtbank het verzoek inhoudelijk kan beoordelen, moet de rechtbank eerst beoordelen of OOZ ontvankelijk is in haar verzoek. Het verzoek tot ontbinding van de verenigingen is ingediend op grond van artikel 2:19 lid 1 sub d Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 2:19 lid 2 BW kan een dergelijk verzoek door een belanghebbende worden ingediend. De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoekschrift blijkt dat OOZ belanghebbende is. OOZ houdt onder meer de scholen Openbare Basisschool De Tweemaster en Voortgezet Speciaal Onderwijs de Twijn in stand en is daarvan het bevoegd gezag. OOZ heeft aangegeven dat de verenigingen zijn opgericht met als doel de private gelden (zoals ouderbijdragen) en publieke gelden ten aanzien van deze scholen te scheiden en dat de noodzaak om deze gelden te scheiden inmiddels niet meer bestaat. OOZ heeft daarom besloten om de private gelden collectief te faciliteren. Hierdoor worden de verenigingen niet meer gebruikt. Inhoudelijke beoordeling: de verenigingen worden ontbonden”
r.o. 2.1 · leden 1, 2“De rechtbank zal het verzoek toewijzen. Op grond van artikel 2:19 lid 1 sub b BW kan een vereniging worden ontbonden door het geheel ontbreken van leden. Uit de verklaringen van de besturen van de verenigingen blijkt dat de verenigingen geen leden meer hebben. Uit het verzoekschrift blijkt ook dat de verenigingen geen bekende baten hebben, zodat vereffening niet nodig is en de verenigingen na ontbinding niet hoeven te blijven voortbestaan.”
r.o. 2.2 · lid 1“De rechtbank zal hierom verklaren dat beide verenigingen op grond van artikel 2:19 aanhef en lid 1 sub d BW zijn ontbonden per 19 juni 2026.”
r.o. 2.3“De rechtbank zal de griffier opdragen om op grond van artikel 2:19 lid 2 BW deze beschikking, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan, in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.”
r.o. 2.4 · lid 2Bestuurdersaansprakelijkheid na turbo-liquidatie: loonvordering werknemer tegen bestuurder afgewezen
“Het verwijt dat [gedaagde] ten onrechte is overgegaan tot turbo-liquidatie treft evenmin doel. Het besluit om over te gaan tot turbo-liquidatie kan in het onderhavig geval niet als een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW worden gekwalificeerd. Een turbo-liquidatie in de zin van artikel 2:19, vierde lid, BW is een snelle manier om een rechtspersoon te ontbinden. Een turbo-liquidatie mag alleen worden uitgevoerd als er geen baten meer in de onderneming zitten. Dat wil zeggen dat de rechtspersoon geen activiteiten meer uitvoert en geen bezittingen meer heeft. Het enkele feit dat turbo-liquidatie tot gevolg heeft dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen kan voldoen, is onvoldoende voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid. Gelet op de gemotiveerde stelling van [gedaagde] dat er geen baten aanwezig waren ligt op [eiser] de stelplicht en bewijslast dat daarvan wel sprake is. [eiser] volstaat slechts met de stelling dat het niet betalen van loon kwalificeert als een persoonlijk ernstig verwijt dat aan de bestuurder van de werkgever [onderneming] kan worden gemaakt, wetende dat er een loonprocedure loopt. Dat is niet het juiste criterium. Aldus moet worden aangenomen […]”
r.o. 4.8Bestuurdersaansprakelijkheid wegens selectieve betaling bij informele vereffening vóór turboliquidatie
“LGE is op 27 mei 2025 ontbonden via turbo-liquidatie in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW. De slotbalans van LGE van 30 april 2025 is hiervoor onder 3.10 weergegeven. Beoordeling van de aansprakelijkheid van Hordeum en [de gedaagde]”
r.o. 3.11 · lid 4Waardeloosverklaring hypotheekinschrijving; ontbonden vennootschap bestaat na einde vereffening niet meer
“Regiohold is ontbonden en de vereffening van haar vermogen is geëindigd. Een vennootschap in liquidatie houdt in geval van vereffening op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt (artikel 2:19 lid 6 BW). Voor Regiohold is dat per 1 april 2019. Regiohold bestaat dus niet meer. Een rechtspersoon die niet meer bestaat, kan geen partij meer zijn in een procedure. [eisers] zullen daarom, voor zover hun vordering is gericht tegen Regiohold, daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”
r.o. 4.3 · lid 6Voortbestaan vennootschap voor vereffening van na faillissement ontdekt perceel; vereffenaar benoemd
“Op grond van artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon echter voortbestaan voor zover (en zo lang) dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Dat geldt ook voor een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan doordat het faillissement wegens de toestand van de boel is opgeheven (gebrek aan baten). Het bestaan van de rechtspersoon eindigt (pas) nadat al haar bekende baten vereffend zijn en de vereffening is geëindigd (artikel 2:19 lid 6 BW).”
r.o. 3.4 · leden 5, 6“De rechtbank leidt uit het verzoekschrift en bijbehorende stukken af dat na het eindigen van het faillissement van PR Bouw is gebleken dat nog sprake is van een bate, maar dat deze bate – die bestaat uit de waarde van het perceel – ook voorafgaand aan het faillissement al behoorde tot het vermogen van PR Bouw. De curator was hiervan echter niet op de hoogte, zodat het niet in de afwikkeling van het faillissement is betrokken. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat PR Bouw voor de vereffening van deze bate is blijven voortbestaan (vgl. artikel 2:19 lid 5 BW). De weg van artikel 2:23c lid 1 BW hoeft en kan in een dergelijk geval niet gevolgd (te) worden, zodat de vereffening van PR Bouw alsnog ter hand kan worden genomen.”
r.o. 3.5 · lid 5Bestuurdersaansprakelijkheid na turboliquidatie wegens schending deponeringsplicht artikel 2:19b BW
“Uitgangspunt is dat alleen de rechtspersoon, in dit geval [bedrijf] , aansprakelijk is voor de schade die wordt veroorzaakt door wanprestatie of onrechtmatige daad. Onder bijzondere omstandigheden kan een uitzondering worden gemaakt en kan naast de rechtspersoon ook de bestuurder, en op grond van artikel 2:11 BW de indirect bestuurder van die rechtspersoon, aansprakelijk zijn. Daarbij gelden hoge eisen. Vereist is dat die bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Het gaat in dit geschil om de eisen die gesteld kunnen worden aan de bestuurder van een vennootschap bij een zogenoemde turboliquidatie op grond van artikel 2:19 lid 4 BW. In beginsel kan een vennootschap worden ontbonden zonder dat er een vereffening plaatsvindt, onder de voorwaarde dat er geen baten zijn of te verwachten zijn. Dat geldt ook als de vennootschap schulden heeft. Op zich leidt een turboliquidatie niet tot persoonlijke aansprakelijkheid van haar bestuurder. Alleen als de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden van het onbetaald blijven van een schuldeiser, is er grond voor een persoonlijke aansprakelijkheid jegens die schuldeiser.”
r.o. 4.2 · lid 4Waardeloosverklaring hypotheekinschrijving ten aanzien van ontbonden, niet meer bestaande vennootschap
“[eisers] . heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] per 31 juli 2023 is geliquideerd en ontbonden en dat er dat moment geen baten waren. Dat blijkt onder meer uit de liquidatiebalans in de overgelegde jaarstukken over 2023. Op grond van het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW houdt de vennootschap daarmee ook meteen op te bestaan.”
r.o. 4.1 · lid 4Bestuurdersaansprakelijkheid na turboliquidatie met selectieve betaling en gebrekkige transparantie
“Bij aandeelhoudersbesluit van 30 augustus 2024 is [bedrijf 2] per die datum ontbonden met toepassing van artikel 2:19 lid 4 BW (turboliquidatie). In het aandeelhoudersbesluit wordt overwogen dat er geen baten zijn. In het aandeelhoudersbesluit staat onder meer: “De voorzitter stelt aan de orde dat de activiteiten van de door de vennootschap gedreven onderneming in 2023 zijn komen stil te liggen. Er is bijna geen omzet meer en er zijn ook geen baten meer ter vereffening.””
r.o. 3.10 · lid 4“Een van de verwijten die Holding [gedaagden] maken is dat zij misbruik hebben gemaakt van turboliquidatie. Van turboliquidatie wordt gesproken, indien een rechtspersoon wordt ontbonden zonder vereffening van zijn vermogen. Dat is op grond van artikel 2:19 lid 4 BW mogelijk, indien de rechtspersoon op het moment van zijn ontbinding geen baten heeft. De rechtspersoon houdt in dat geval direct op te bestaan als het ontbindingsbesluit is genomen.”
r.o. 5.3 · lid 4Faillietverklaring van ontbonden vennootschap: aannemelijk dat nog baten te verdelen zijn
“Artikel 2:19 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een Ontrac Telemarketing ophoudt te bestaan zodra zij bij ontbinding geen baten meer heeft. Als Post Participaties c.s. vervolgens stelt dat er nog wel baten zijn en daarom faillissement aanvraagt, en als er op basis van de beschikbare feiten en omstandigheden voldoende aanwijzingen zijn dat die baten inderdaad nog aanwezig zijn, dan kan het faillissement worden uitgesproken. In dat geval wordt een rechtspersoon namelijk geacht voor de afwikkeling van het faillissement te blijven bestaan (HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631).”
r.o. 3.4 · lid 4Tussenvonnis: tegenstrijdig belang, pauliana en onrechtmatige daad bij doorstart modeketen
“FSCP is op 1 december 2021 ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Uit het uittrekstel uit het handelsregister blijkt dat de FSCP is opgehouden te bestaan bij gebrek aan baten als bedoeld in artikel 2:19 lid 4 BW. Nu gebleken is dat FSCP ten tijde van haar ontbinding en uitschrijving uit het handelsregister nog een bate had die op grond van art. 2:19 lid 5 BW vereffend had moeten worden, is zij blijven voortbestaan.”
r.o. 5.95 · leden 4, 5Ontbinding door KvK: voortbestaan voor vereffening en waardeloosverklaring hypotheekrecht
“Boundless is per 12 mei 2015 ontbonden. Op grond van het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW houdt de vennootschap op te bestaan indien op het moment van ontbinding geen baten meer aanwezig zijn. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 2:19a BW, de Kamer van Koophandel, daarvan opgaaf aan het Handelsregister. Uit artikel 2:19 lid 5 en lid 6 BW volgt dat de rechtspersoon (die nog wel over baten beschikt) na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is en dat de rechtspersoon in geval van vereffening ophoudt te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. De vereffenaar moet daarvan opgaaf doen aan het Handelsregister. Verder bepaalt artikel 2:23 lid 1 BW dat de bestuurder vereffenaar van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon wordt voor zover de rechter geen andere vereffenaar heeft benoemd en de statuten geen andere vereffenaar aanwijzen.”
r.o. 4.4 · leden 4, 5Herroeping ontbindingsbesluit B.V. toegewezen volgens criteria HR 2014
“ITB stelt dat het nooit de bedoeling was om haar te ontbinden. De bedoeling was namelijk om een andere vennootschap, ITB Management Köln Kalk B.V. te ontbinden, maar de naam van ITB is per abuis in het besluit opgenomen in plaats van de naam van deze vennootschap. Het bestuur van ITB wenst de gemaakte fout te herstellen en doet het onderhavige verzoek om de herroeping van het besluit tot ontbinding van ITB te effectueren door inschrijving van de uitspraak in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. ITB grondt haar verzoek op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3677 en stelt dat aan alle vereisten die de Hoge Raad stelt aan herroeping van een ontbinding is voldaan. Daarbij is volgens ITB nog van belang dat zij volgens haar niet is opgehouden te bestaan op grond van artikel 2:19 lid 4 BW, omdat er nog baten aanwezig waren ten tijde van het besluit tot ontbinding, en nog steeds zijn, zodat het vermogen van ITB nog moet worden vereffend alvorens zij kan ophouden te bestaan.”
r.o. 3.2 · lid 4“[…] die een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de vermogenstoestand. Ook anderszins zal de voor de beslissing relevante financiële informatie in het geding moeten worden gebracht, zoals jaarrekeningen of anders (financiële) gegevens van de ontbonden besloten vennootschap. Een herroepingsbesluit heeft eerst rechtsgevolg wanneer de rechter overeenkomstig artikel 2:19 lid 2 BW op verzoek van de betreffende rechtspersoon een daartoe strekkende verklaring heeft gegeven en de in kracht van gewijsde gegane uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 2:19 lid 2 BW door de zorg van de griffier is ingeschreven in de registers waar de betreffende rechtspersoon is ingeschreven.”
r.o. 4.4 · lid 2“gelast de griffier met overeenkomstige toepassing van artikel 2:19 lid 2 BW deze beschikking, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan, in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel,”
r.o. 5.2 · lid 2Waardeloosverklaring hypotheken na ontbinding hypotheeknemer; vennootschap opgehouden te bestaan
“[gedaagde] is ontbonden en had op het moment van ontbinding geen baten meer. Op grond van artikel 2:19 lid 4 BW is [gedaagde] opgehouden te bestaan. Een niet bestaande partij kan niet worden gedagvaard of op andere wijze worden betrokken in een procedure. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen tegen [gedaagde] onmiddellijk belanghebbenden”
r.o. 3.4 · lid 4Turboliquidatie: bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk voor onbetaalde boete en schade
“Per 1 augustus 2024 is [bedrijf] door middel van een turboliquidatie ex artikel 2:19 lid 4 BW ontbonden.”
r.o. 2.11 · lid 4“Op grond van artikel 2:19 lid 4 BW houdt een vennootschap, als deze ten tijde van de ontbinding geen baten meer heeft, alsdan op te bestaan en vindt geen vereffening plaats (turboliquidatie). Op het moment dat een vennootschap ten tijde van de ontbinding wel nog over baten beschikt, dient alvorens de vennootschap ophoudt te bestaan op grond van artikel 2:19 lid 5 BW eerst vereffening plaats te vinden. Het vorenstaande betekent dat wanneer tot een turboliquidatie is besloten terwijl de rechtspersoon op dat moment nog wel over baten beschikte, sprake is van een onterecht toegepaste turboliquidatie. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze situatie zich hier voordoet.”
r.o. 4.18 · leden 4, 5Faillissement ontbonden stichting na turboliquidatie: geen aannemelijke baten, verzoek afgewezen
Een schuldeiser vroeg het faillissement van een stichting die tijdens de aanhouding van het verzoek via turboliquidatie was ontbonden. De rechtbank past artikel 2:19 lid 4 BW toe: een ontbonden rechtspersoon kan failliet worden verklaard als summierlijk blijkt van (potentiële) baten. Baten van andere groepsentiteiten zijn geen baten van de stichting zelf, zodat het verzoek wordt afgewezen.
Faillissementsverzoek afgewezen na turboliquidatie: geen summierlijk gebleken baten
Een schuldeiser verzoekt het faillissement van een B.V. die na indiening van het verzoek via turboliquidatie (artikel 2:19 BW) is opgehouden te bestaan. De rechtbank oordeelt dat het niet uitmaakt of de ontbinding voor of na indiening van het verzoek plaatsvond: toewijzing is alleen mogelijk als summierlijk van baten blijkt. Omdat daarvan niet is gebleken, wijst zij het verzoek af.