← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:24b BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 1992, laatst gewijzigd bij Stb. 1989, 541

Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:24b BW (15)

Hoge Raad (2)

  • Hoge Raad · 3 april 2020

    SNS Reaal

    Maatstaf bevoegdheid concernenquête SNS Reaal en SNS Bank

    “Voor het aannemen van de bevoegdheid om een concernenquête te verzoeken, is vereist dat de vennootschap ten aanzien waarvan is voldaan aan de kapitaaleis van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b of c, BW en de rechtspersoon waarop het enquêteverzoek mede betrekking heeft, in een groep in de zin van art. 2:24b BW met elkaar zijn verbonden. Daarnaast is vereist dat eerstgenoemde vennootschap het beleid of de gang van zaken van laatstgenoemde rechtspersoon ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, mede heeft bepaald.”

    r.o. 3.4

    “In deze procedure staat vast dat SNS Reaal en haar dochtermaatschappij SNS Bank met elkaar waren verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.16 tot uitgangspunt genomen dat SNS Bank ten opzichte van SNS Reaal enige ruimte had voor het voeren van zelfstandig beleid. In dat oordeel ligt besloten dat SNS Reaal het beleid van SNS Bank mede heeft bepaald. In rov. 3.16-3.17 ligt bovendien besloten dat SNS Reaal in elk geval het beleid van SNS Bank ten aanzien van Property Finance mede heeft bepaald. Hieruit volgt dat de ondernemingskamer met juistheid heeft geoordeeld dat VEB c.s. als (voormalig) aandeelhouders van SNS Reaal bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek, ook betreffende SNS Bank. De klachten van onderdeel 1.1-1.8 stranden hierop.”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:HR:2020:478

  • Hoge Raad · 14 maart 2008

    COR TNT/TNT

    Medezeggenschap joint venture; groepsbegrip WOR niet gelijk aan artikel 2:24a/24b BW

    “Onderdeel 2 richt zich tegen het hiervoor in 3.2.b. en c. weergegeven oordeel van het hof met de klacht dat onjuist is de opvatting van het hof dat een joint venture waarin geen der deelnemende partners overwegende zeggenschap heeft noch tot de groep van de ene noch tot de groep van de andere partner behoort. Volgens het onderdeel moet uit de wetsgeschiedenis en de juridische literatuur worden afgeleid dat een joint venture, ook in een situatie waarin beide partners 50% van de aandelen houden, tot de groep van een van de partners kan behoren. Verder betoogt het onderdeel dat, voorzover bij de uitleg van art. 33 lid 3 WOR wel moet worden uitgegaan van het criterium van "overwegende zeggenschap", het hof dit criterium verkeerd heeft toegepast door geen aansluiting te zoeken bij het juridische groepsbegrip van art. 2:24a BW, dan wel bij het economische groepsbegrip van art. 2:24b BW.”

    r.o. 3.4.1

    “Het onderdeel mist feitelijke grondslag voorzover het ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat een joint venture waarin beide partners 50% van de aandelen houden nooit tot de groep van een van de partners kan behoren. In de gedachtegang van het hof kan dat wel degelijk het geval zijn.”

    r.o. 3.4.2

    “Bij het voorgaande verdient aantekening dat het hof bij de uitleg van het begrip "in een groep verbonden ondernemers" geen aansluiting behoefde te zoeken bij het juridische groepsbegrip van art. 2:24a BW, dan wel bij het economische groepsbegrip van art. 2:24b BW, omdat, zoals hiervoor vermeld, de wetgever een nadere wettelijke omschrijving van het in art. 33 lid 3 WOR bedoelde begrip "in een groep verbonden ondernemers" bewust achterwege heeft gelaten, en ook later geen aanleiding heeft gevonden voor het geven van een nadere omschrijving.”

    r.o. 3.4.4

    ECLI:NL:HR:2008:BC2202

Conclusies van de A-G (6)

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 februari 2023

    Enquête Funda: handelen van middellijk meerderheidsaandeelhouder en artikel 2:8 BW

    “[…] voor het beleid en/of de gedragingen van een (rechts)persoon (zoals in casu NVM) die slechts middellijk aandeelhouder is van de vennootschap en die (i) geen bestuurder is van de (directe) meerderheidsaandeelhouder (moedermaatschappij) van de vennootschap (in casu de directe meerderheidsaandeelhouder NVM Holding) en/of (ii) niet met de vennootschap is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. Dit is de tweede klacht.Indien de OK het voorgaande niet heeft miskend, is haar oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. In cassatie staat immers vast dat NVM geen orgaan van Funda vormt, geen deel uitmaakt van een orgaan van Funda, slechts middellijk aandeelhouder is van Funda, geen bestuurder is van NVM Holding, en niet met Funda is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. Dit is de derde klacht.Indien de OK van oordeel zou zijn dat NVM behoort tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Funda zijn betrokken in de zin van art. 2:8 lid 1 BW, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel niet naar behoren gemotiveerd vanwege de in subonderdeel 3.7 uiteengezette redenen. Dit is de vierde […]”

    r.o. 3.3.1

    “[…] van die vennootschap (en onderwerp kan zijn van het eventueel daarop volgende onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van die vennootschap in de zin van art. 2:345 lid 1 BW). Althans in ieder geval indien die (rechts)persoon geen bestuurder is van een onmiddellijke (meerderheids)aandeelhouder van die vennootschap en/of niet met die vennootschap is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. Dat staat niet in die parlementaire geschiedenis, noch in de regeling van het enquêterecht zelf. M.i. geeft die parlementaire geschiedenis veeleer blijk van een opener benadering, in lijn ook met de tekst van die regeling. Dus een benadering waarin de mogelijkheid bestaat, met inachtneming van de feiten en omstandigheden in het concrete geval, het doen en laten van een (rechts)persoon als middellijk (meerderheids)aandeelhouder van een vennootschap te laten vallen onder het bereik van het beleid en de gang van zaken van die vennootschap in enquêterechtelijke zin, en aldus van hetgeen in het kader van art. 2:350 lid 1 BW onderwerp kan zijn van een enquêteprocedure ten aanzien van die vennootschap (en onderwerp kan zijn van het eventueel daarop volgende onderzoek naar het beleid en […]”

    r.o. 3.5.3

    “[…] art. 2:350 lid 1 BW onderwerp kan zijn van deze enquêteprocedure (en onderwerp kan zijn van het bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Funda in de zin van art. 2:345 lid 1 BW), geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat de OK daarbij zou miskennen dat NVM (i) geen bestuurder is van NVM Holding en/of (ii) niet met Funda is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. De onder (i)-(ii) genoemde omstandigheden, waaraan de OK geenszins voorbijziet in de beschikking en die ter zake geen algemeen geldende, ‘harde’ voorwaarde(n) behelzen, staan niet zonder meer in de weg aan genoemd oordeel van de OK. Zie onder 3.5.1-3.5.7 hiervoor. 3.7.4 De derde klacht loopt dan vast in het voetspoor van de eerste klacht en de tweede klacht. Zie onder 3.7.2-3.7.3 hiervoor. De onderhavige klacht vertrekt immers vanuit de onjuiste premisse dat wat is aangevoerd in de eerste klacht althans de tweede klacht steun vindt in het recht en dat de OK “het voorgaande niet heeft miskend”. Dit in de eerste klacht en de tweede klacht aangevoerde staat evenwel niet in de weg aan genoemde oordeel van de OK. Waarbij zij - terecht - niet redeneert, evenmin in rov. 4.3, eerste […]”

    r.o. 3.7

    “Het subonderdeel loopt integraal stuk op een onjuiste lezing van de beschikking en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag, waar het subonderdeel een oordeel van de OK in rov. 4.3, eerste zin veronderstelt dat, naar ik begrijp, de OK daar in werkelijkheid niet huldigt. Zie onder 3.5.7 hiervoor. Dit spreekt voor zich. Ook indien die veronderstelling wel feitelijke grondslag zou hebben gehad, onder de aanname van een daartoe strekkend impliciet oordeel van de OK aldaar, was het subonderdeel gestrand. Ik licht dat toe voor alle klachten in het subonderdeel.”

    r.o. 3.7.1

    ECLI:NL:PHR:2023:360

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 januari 2023

    Concernenquête, zorgvuldigheidsplicht artikel 2:8 BW en onmiddellijke voorzieningen bij familiebedrijf met STAK

    “[…] in te zien dat (enkel) uit die omstandigheden afzonderlijk of in combinatie kan worden afgeleid dat [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] het beleid of de gang van zaken van Steenfabriek mede heeft bepaald, laat staan ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd. Uit die omstandigheden kan hooguit worden afgeleid dat sprake is van een groep in de zin van art. 2:24b BW (en dus aan het eerste vereiste voor een concernenquête is voldaan), maar niet dat sprake is van beleidsbepaling als bedoeld in het tweede vereiste voor een concernenquête. Dit is de tweede klacht.Behandeling”

    r.o. 4.2

    “[…] in te zien dat (enkel) uit die omstandigheden afzonderlijk of in combinatie kan worden afgeleid dat [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] het beleid of de gang van zaken van Steenfabriek mede heeft bepaald, laat staan ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd. Uit die omstandigheden kan hooguit worden afgeleid dat sprake is van een groep in de zin van art. 2:24b BW (en dus aan het eerste vereiste voor een concernenquête is voldaan), maar niet dat sprake is van beleidsbepaling als bedoeld in het tweede vereiste voor een concernenquête. Dit is de tweede klacht.Behandeling”

    r.o. 4.2.3

    “Het onderdeel faalt, gelet op het volgende. a. Inleidende opmerkingen”

    r.o. 4.3

    “In deze procedure staat vast dat SNS Reaal en haar dochtermaatschappij SNS Bank met elkaar waren verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.16 tot uitgangspunt genomen dat SNS Bank ten opzichte van SNS Reaal enige ruimte had voor het voeren van zelfstandig beleid. In dat oordeel ligt besloten dat SNS Reaal het beleid van SNS Bank mede heeft bepaald. In rov. 3.16-3.17 ligt bovendien besloten dat SNS Reaal in elk geval het beleid van SNS Bank ten aanzien van Property Finance mede heeft bepaald. Hieruit volgt dat de ondernemingskamer met juistheid heeft geoordeeld dat VEB c.s. als (voormalig) aandeelhouders van SNS Reaal bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek, ook betreffende SNS Bank. (…).” [onderstreping toegevoegd, A-G] 4.4.3 Blijkens rov. 3.4, eerste alinea heeft de OK in de bestreden beschikking duidelijk voor ogen dat wil [Beheersmaatschappij] (ook) kunnen worden ontvangen in haar verzoek jegens Steenfabriek, voldaan moet zijn aan die door de Hoge Raad in rov. 3.4 van zijn SNS-beschikking geformuleerde vereisten voor het aannemen van de bevoegdheid om een concernenquête te verzoeken. Te weten (i) dat [Beheer- en […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2023:89

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank; obligatiehouders als belanghebbenden

    “[…] sector beleggingsdiensten, en iii) zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de sector banken en de sector beleggingsdiensten significant in de zin van artikel 3, lid 2 of lid 3, van deze richtlijn;”. Het begrip financieel conglomeraat wijkt dus af van het groepsbegrip van art. 2:24b BW. Aan het begrip financieel conglomeraat komt betekenis toe in het kader van het onderling afstemmen en coördineren van groepstoezicht op banken en verzekeraars. Voor de vraag of een concernenquête kan worden gelast, is niet dit financieelrechtelijke groepsbegrip, maar het vennootschapsrechtelijke groepsbegrip van art. 2:24b BW beslissend. Voor zover de verwijzing naar het financieel conglomeraat in het verweerschrift van SNS Reaal c.s. aldus moet worden begrepen dat wel sprake is van een conglomeraat, maar niet van een groep (in de zin van art. 2:24b BW) wijs ik op de volgende passage uit het proefschrift van Van Achterberg: “In het spraakgebruik worden de begrippen concern en conglomeraat vaak door elkaar gebruikt. Behalve financiële verwantschap in de zin van het delen van de […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2019:1058

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank: maatstaf bevoegdheidsdoorbraak en reikwijdte onderzoek

    “[…] NV en BV (sub a); en de stichting en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid voor zover die stichting of vereniging kort gezegd een onderneming in stand houden (sub b). Naar de letter van de wet is een verzoeker niet bevoegd tot het indienen van een verzoek tot het instellen van een onderzoek bij dochtermaatschappijen (vgl. art. 2:24a BW) of groepsmaatschappijen (vgl. art. 2:24b BW) van de rechtspersoon: “Het onderzoek richt zich blijkens art. 2:345 lid 1 BW op de concrete rechtspersoon ten aanzien van wie het verzoek tot enquête is gedaan, en die de OK aanwijst in de beschikking waarbij zij de enquête gelast. Dit betekent dat de OK aan onderzoekers niet de opdracht kan geven om tevens het beleid en de gang van zaken van andere niet aangewezen groepsverbonden rechtspersonen formeel aan een enquête te onderwerpen. Deze rechtspersonen kunnen bij gebleken wanbeleid van de onderzochte vennootschap dan ook niet worden getroffen door voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a BW en art. 2:356 BW. Iets anders is dat de OK ingevolge art. 2:351 lid 2 BW de onderzoekers op hun verzoek bepaalde onderzoeksbevoegdheden kan verlenen ten aanzien van een rechtspersoon die […]”

    r.o. 3.3

    “[…] (naast de ontvankelijkheidsdrempel ex art. 2:346 BW ten aanzien van de moedermaatschappij) moeten stellen en zo nodig aantonen dat zijn verzoek betrekking heeft op het beleid en de gang van zaken bij de moedermaatschappij en bij een of meer groepsgenoten van die moedermaatschappij. Een enquêteverzoek bij een groepsgenoot is alleen mogelijk als die groepsgenoot onder het groepsbegrip van art. 2:24b BW valt, dus als sprake is van (i) een economische eenheid en (ii) organisatorische verbondenheid. Voor dat laatste kan worden aangesloten bij juridische criteria (vgl. art. 2:24a BW), zoals aandelenbezit van de moeder in de groepsgenoot of een personele unie. Dat impliceert dat 100% aandelenbezit van de moeder in de groepsgenoot niet is vereist voor de concernenquête en dat doorbraak naar kleindochtervennootschappen ook mogelijk is. Voor het eerste (economische eenheid) komt de economische werkelijkheid om de hoek kijken. Bij een economische eenheid gaat het immers om het (daadwerkelijk) uitoefenen van centrale leiding over de groepsgenoten. Daarbij merk ik op dat enige bestuursautonomie bij de groepsgenoot niet in de weg staat aan het aannemen van centrale leiding (en daarmee aan […]”

    r.o. 3.35

    “Ik heb hiervoor verdedigd dat om te kunnen worden ontvangen in een concernenquête moet worden aangesloten bij het groepsbegrip van art. 2:24b BW. Waar het kennelijk naar het oordeel van de ondernemingskamer aan schortte, is dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake was van het daadwerkelijk uitoefenen van centrale leiding ten aanzien van Property Finance. In dat licht is ook te begrijpen dat de ondernemingskamer in die beschikking niet verwijst naar het raken-vereiste uit de Landis-beschikking van de Hoge Raad. Dat komt immers pas aan de orde als is komen vast te staan dat is voldaan aan het groepsbegrip (zie onder 3.34-3.35 hiervoor). Aan het raken-vereiste zou overigens ten aanzien van Property Finance wel zijn voldaan, nu het gaat om een 100%-kleindochter.”

    r.o. 3.39

    “Bij de behandeling van de klachten van subonderdeel 1.1 stel ik voorop dat rov. 3.12-3.20 in onderlinge samenhang moeten worden gelezen. Ik heb hiervoor onder 3.35 uiteengezet hoe de voorwaarden voor het instellen van een concernenquête uit de Landis-beschikking moeten worden uitgelegd. De eerste voorwaarde voor het kunnen instellen van een concernenquête is het groepsbegrip van art. 2:24b BW. Van een groepsmaatschappij is sprake in geval van organisatorische verbondenheid én economische eenheid. Voor de organisatorische verbondenheid kan worden aangesloten bij de criteria van dochtermaatschappij in de zin van art. 2:24a BW. In het oordeel van de ondernemingskamer ligt besloten dat SNS Bank een dochtermaatschappij is van SNS Reaal. SNS Reaal hield alle aandelen in SNS Bank (rov. 3.15 sub a, vgl. art. 2:24a lid 1 onder a BW). Daar komt nog bij dat tussen de raden van commissarissen van SNS Reaal en SNS Bank een volledige personele unie bestond en gemiddeld de helft van de bestuurders van SNS Reaal zitting had in het bestuur van SNS Bank (rov. 3.15 sub d en e, vgl. art. 2:24a lid 1 onder b BW). Voor het kunnen instellen van een concernenquête bij een groepsgenoot is het kwalificeren […]”

    r.o. 3.53

    ECLI:NL:PHR:2019:1059

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 juni 2024

    Vereenzelviging van staatsoliebedrijf en dochters met Staat Venezuela; cassatie ongegrond

    Een investeerder met een onbetaald arbitraal vonnis op een staat vorderde betaling van het staatsoliebedrijf en vier dochtervennootschappen op grond van vereenzelviging met de staat. Het hof wees de vordering af; de A-G bespreekt de terughoudende Hoge Raad-rechtspraak (Rainbow, Maple Leaf) over vereenzelviging en misbruik van identiteitsverschil. Hij concludeert dat de cassatieklachten falen en strekt tot verwerping van het beroep.

    ECLI:NL:PHR:2024:645

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 september 2026

    Enquêtebevoegdheid indirect aandeelhouder: gelijkstelling met aandeelhouder via tussenholdings

    “Vijftien jaar later, in de SNS-beschikking uit 2020, is de Hoge Raad nader ingegaan op Landis. Daaruit blijkt mede dat hij in Landis een op het daar aan de orde zijnde geval toegespitst oordeel heeft gegeven en niet in algemene zin heeft geoordeeld over de vraag in welke omstandigheden een concernenquête mogelijk is. Dit laatste deed de Hoge Raad wel in SNS, en als volgt. Voor het aannemen van de bevoegdheid om een concernenquête te verzoeken, is vereist (i) dat de vennootschap ten aanzien waarvan is voldaan aan de kapitaaleis van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b of c (oud) BW en de rechtspersoon waarop het enquêteverzoek mede betrekking heeft, in een groep in de zin van art. 2:24b BW met elkaar zijn verbonden. Daarnaast is vereist (ii) dat eerstgenoemde vennootschap het beleid of de gang van zaken van laatstgenoemde rechtspersoon ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, mede heeft bepaald.”

    r.o. 3.10

    ECLI:NL:PHR:2026:846

Hoven en Ondernemingskamer (6)

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 mei 2026

    Groepsaansprakelijkheid bestuurders/aandeelhouders voor onrechtmatig financierings- en investeringsbeleid; ernstig verwijt

    “[…] de hieronder te noemen vennootschappen bestaat een samenhang en een zekere (economische) verbinding. [naam1] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat het de bedoeling was om naar een juridische ‘groep’ toe te werken, maar dat het nooit zover is gekomen. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat in het midden kan blijven of sprake is geweest van een ‘groep’ in de zin van artikel 2:24b BW, maar dat voor de leesbaarheid en begrijpelijkheid van dit arrest deze vennootschappen waar nodig gezamenlijk zullen worden aangeduid als ‘GFH Group’. Het verband laat zich uittekenen als volgt: - [naam1] , enig bestuurder/aandeelhouder van Bicknell Beheer en via Bicknell Beheer middellijk bestuurder en aandeelhouder van Bicknell Partners - [naam2] , enig bestuurder/aandeelhouder van Next Frontier en via Next Frontier middellijk bestuurder/aandeelhouder van [naam2] Werkmaatschappij en 50% aandeelhouder in en medebestuurder van Abacus - [naam3] , enig bestuurder/aandeelhouder van Blomzone en via Blomzone middellijk 50% aandeelhouder in en mede-bestuurder van Abacus - [naam4] , hoofd juridische zaken voor de GFH Group (zie rov. 4.20). Enig bestuurder/aandeelhouder van PIPO […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:GHARL:2026:3231

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 mei 2026

    Groepsaansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatig financierings- en investeringsbeleid; persoonlijk ernstig verwijt

    “[…] de hieronder te noemen vennootschappen bestaat een samenhang en een zekere (economische) verbinding. [naam1] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat het de bedoeling was om naar een juridische ‘groep’ toe te werken, maar dat het nooit zover is gekomen. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat in het midden kan blijven of sprake is geweest van een ‘groep’ in de zin van artikel 2:24b BW, maar dat voor de leesbaarheid en begrijpelijkheid van dit arrest deze vennootschappen waar nodig gezamenlijk zullen worden aangeduid als ‘GFH Group’. Het verband laat zich uittekenen als volgt: - [naam1] , enig bestuurder/aandeelhouder van Bicknell Beheer en via Bicknell Beheer middellijk bestuurder en aandeelhouder van Bicknell Partners - [appellant] , enig bestuurder/aandeelhouder van Next Frontier en via Next Frontier middellijk bestuurder/aandeelhouder van [appellant] Werkmaatschappij en 50% aandeelhouder in en medebestuurder van Abacus - [naam2] , enig bestuurder/aandeelhouder van Blomzone en via Blomzone middellijk 50% aandeelhouder in en mede-bestuurder van Abacus - [naam4] , hoofd juridische zaken voor de GFH Group (zie rov. 4.20). Enig bestuurder/aandeelhouder van […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:GHARL:2026:3233

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 mei 2026

    Groepsaansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatig financierings- en investeringsbeleid; persoonlijk ernstig verwijt

    “[…] de hieronder te noemen vennootschappen bestaat een samenhang en een zekere (economische) verbinding. [naam1] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat het de bedoeling was om naar een juridische ‘groep’ toe te werken, maar dat het nooit zover is gekomen. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat in het midden kan blijven of sprake is geweest van een ‘groep’ in de zin van artikel 2:24b BW, maar dat voor de leesbaarheid en begrijpelijkheid van dit arrest deze vennootschappen waar nodig gezamenlijk zullen worden aangeduid als ‘GFH Group’. Het verband laat zich uittekenen als volgt: - [naam1] , enig bestuurder/aandeelhouder van Bicknell Beheer en via Bicknell Beheer middellijk bestuurder en aandeelhouder van Bicknell Partners - [naam2] , enig bestuurder/aandeelhouder van Next Frontier en via Next Frontier middellijk bestuurder/aandeelhouder van [naam2] Werkmaatschappij en 50% aandeelhouder in en medebestuurder van Abacus - [naam3] , enig bestuurder/aandeelhouder van Blomzone en via Blomzone middellijk 50% aandeelhouder in en mede-bestuurder van Abacus - P. Koorn, hoofd juridische zaken voor de GFH Group (zie rov. 4.20). Enig bestuurder/aandeelhouder van PIPO […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:GHARL:2026:3234

  • Gerechtshof Den Haag · 24 februari 2026

    Actio pauliana: hypotheken groepsvennootschappen en artikel 2:247 lid 2 BW gewone bedrijfsuitoefening

    “Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de wetenschap van benadeling moet worden verondersteld op grond van artikel 43 lid 1 aanhef, en onder 6, Fw. De rechtbank overwoog in dit kader als volgt: “4.10.1. Op grond van artikel 2:24b BW zijn groepsmaatschappijen rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden en is een groep een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. De curator heeft ter comparitie zijn stelling dat DCB Projecten en Vakbouw 8 groepsmaatschappijen zijn, nader onderbouwd door te stellen dat die vennootschappen een economische eenheid vormen en organisatorisch zijn verbonden onder meer vanwege de financieringsconstructie, waarbij Vakbouw 8 indirect door DCB Projecten werd gefinancierd, dat DCB Projecten mede-oprichter is van Vakbouw 8 en 49,5 procent van de aandelen in Vakbouw 8 houdt.””

    r.o. 6.22

    ECLI:NL:GHDHA:2026:1772

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 februari 2026

    Enquête toegewezen: uitroken minderheidsaandeelhouder, commissaris en beheerder van aandelen benoemd

    “Hasbos c.s. vormt een groep in de zin van 2:24b BW, er is een organisatorische en economische eenheid onder gemeenschappelijke leiding. HAS is dus ook bevoegd een enquête te verzoeken bij SES en Nela. Ten aanzien van SES ontbreekt een investerings- en financieringsbeleid en roept de gang van zaken rondom de verdere verhoging van de bezoldiging van [broer] eind 2023 vragen op. Personeel van SES wordt ten behoeve van een andere onderneming ingezet, iets waarover [broer] geen transparantie heeft betracht. Ook de aankoop van grond in Duitsland door SES levert gegronde reden op. Als bestuurder van Nela heeft [broer] gehandeld in strijd met de met de bank gemaakte afspraken, aldus HAS.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:GHAMS:2026:469

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 mei 2026

    Groepsaansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatig financierings- en investeringsbeleid; persoonlijk ernstig verwijt

    “[…] de hieronder te noemen vennootschappen bestaat een samenhang en een zekere (economische) verbinding. [appellant] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat het de bedoeling was om naar een juridische ‘groep’ toe te werken, maar dat het nooit zover is gekomen. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat in het midden kan blijven of sprake is geweest van een ‘groep’ in de zin van artikel 2:24b BW, maar dat voor de leesbaarheid en begrijpelijkheid van dit arrest deze vennootschappen waar nodig gezamenlijk zullen worden aangeduid als ‘GFH Group’. Het verband laat zich uittekenen als volgt: - [naam1] , enig bestuurder/aandeelhouder van Bicknell Beheer en via Bicknell Beheer middellijk bestuurder en aandeelhouder van Bicknell Partners - [naam2] , enig bestuurder/aandeelhouder van Next Frontier en via Next Frontier middellijk bestuurder/aandeelhouder van [naam2] Werkmaatschappij en 50% aandeelhouder in en medebestuurder van Abacus - [naam3] , enig bestuurder/aandeelhouder van Blomzone en via Blomzone middellijk 50% aandeelhouder in en mede-bestuurder van Abacus - [naam4] , hoofd juridische zaken voor de GFH Group (zie rov. 4.20). Enig bestuurder/aandeelhouder van PIPO […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:GHARL:2026:3232

Rechtbanken (1)

  • Rechtbank Overijssel · 2 september 2026

    Curator kan geen nakoming van 403-verklaring vorderen namens schuldeisers

    “De primaire vordering van de curator berust op het standpunt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schulden van het gefailleerde [bedrijf 1] . Blijkens zijn eigen stellingen, vordert de curator – namens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] – nakoming van een 403-verklaring die in 1998 door [gedaagde] zou zijn afgegeven. Volgens de curator heeft [gedaagde] , als moedermaatschappij van [bedrijf 1] (en behorend tot dezelfde ‘groep’ als [bedrijf 1] in de zin van artikel 2:24b BW), schriftelijk verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van [bedrijf 1] voortvloeiende schulden.”

    r.o. 6.3

    ECLI:NL:RBOVE:2026:5514