Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:16 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2002, laatst gewijzigd bij Stb. 2001, 581
(Bijna) gelijk aan art. 2:22 BWC (Curaçao)
De onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of die zulk een besluit vernietigt, is voor een ieder, behoudens herroeping of derdenverzet, bindend, indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest. Herroeping komt ieder lid of aandeelhouder toe.
Is het besluit een rechtshandeling van de rechtspersoon, die tot een wederpartij is gericht, of is het een vereiste voor de geldigheid van zulk een rechtshandeling, dan kan de nietigheid of vernietiging van het besluit niet aan die wederpartij worden tegengeworpen, indien deze het gebrek dat aan het besluit kleefde, kende noch behoefde te kennen. Niettemin kan de nietigheid of vernietiging van een besluit tot benoeming van een bestuurder of een commissaris aan de benoemde worden tegengeworpen; de rechtspersoon vergoedt echter diens schade, indien hij het gebrek in het besluit kende noch behoefde te kennen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:16 BW (20)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (2)
Relatieve bevoegdheid artikel 105 Rv bij externe werking van vennootschapsbesluit
“[…] vennootschaps- en rechtspersonenrecht blijkt niet alleen uit deze passage uit de parlementaire geschiedenis, maar tevens uit de hiervoor reeds genoemde verwijzing in de parlementaire geschiedenis van art. 105 Rv. naar het bepaalde in art. 2:15 BW, dat ziet op de wijze waarop een besluit van een rechtspersoon kan worden vernietigd. Gelet op de samenhang die bestaat tussen de art. 2:14 tot en met 2:16 BW, moet worden aangenomen dat de beoogde verruiming van het toepassingsbereik van art. 105 Rv. op het punt van de relatieve bevoegdheid ten opzichte van art. 16, onderdeel 2, EEX-Verdrag/EVEX mede betrekking heeft op de in art. 2:16 BW gegeven regeling inzake de rechtsgevolgen voor derden van een op art. 2:15 BW gebaseerde vernietiging. Dit brengt mee dat de in art. 105 Rv. gegeven alternatieve (relatieve) bevoegdheid van de rechter van de woonplaats of de plaats van vestiging van de rechtspersoon of de vennootschap, mede ziet op een geschil als het onderhavige, waarin omtrent de externe werking van een besluit slechts kan worden beslist nadat eerst een oordeel is gegeven over de interne werking van dat besluit. Opmerking verdient dat daarmee wordt voorkomen dat in bepaalde gevallen […]”
r.o. 3.8Lidmaatschap vereniging zonder toelatingsbesluit; vertrouwensleer; belanghebbende artikel 23 Handelsregisterwet
“[…] op grond van verklaringen of gedragingen van het daartoe bevoegde orgaan van een vereniging heeft aangenomen, en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen aannemen, dat een besluit is genomen hem als lid van de vereniging toe te laten, in dit vertrouwen bescherming verdient, in die zin dat hij op die grond als lid van de vereniging heeft te gelden. Mede gezien het bepaalde in art. 2:16 lid 2 BW moet geoordeeld worden dat de aard van de betrokken rechtshandeling van toelating als lid zich hiertegen niet verzet. Het voorgaande kan [eiser] c.s. echter niet baten. [Eiser] c.s. hebben hun beroep op gewekt vertrouwen dat zij als lid van de vereniging waren toegelaten, uitsluitend gebaseerd op hun stelling dat zij afnemers van de premiefoto waren en dat in diverse stukken van de vereniging de indruk werd gewekt dat afnemers van de premiefoto leden van de vereniging waren. Het hof heeft echter op goede gronden betekenis toegekend aan het als onweersproken aangemerkte feit - dat ook reeds in rov. 2.4 in andere bewoordingen was vastgesteld - dat het degenen aan wie jaarlijks een premiefoto wordt aangeboden, vrijstaat van afname af te zien, zodat aan het betalen voor de foto […]”
r.o. 5.2.2 · lid 2
Conclusies van de A-G (15)
Conclusie: nietigheid of vernietigbaarheid van bestuursbesluiten bij ontslag stichtingbestuurder
“Centraal bij dit onderwerp staan art. 2:14-2:15 BW. Art. 2:16 BW kan ik laten rusten.”
r.o. 3.3“[…] gewijsde als bedoeld in art. 236 lid 1 Rv dat in de onderhavige zaak zou toekomen aan enige in het vonnis van 15 juni 2022 genomen beslissing betreffende een in die bodemprocedure in geschil zijnde rechtsbetrekking. 3.49.2 Wat het hof daar m.i. wel doet, is iets anders. Want, uitgaande van het onder 3.47-3.47.8 hiervoor weergegeven processuele debat en gezien art. 25 Rv: het bepaalde in art. 2:16 lid 1 BW toepassen, althans naar analogie. En wel aldus dat nu in genoemd vonnis het onder 3.47.4 hiervoor bedoelde oordeel is geveld, dit oordeel is blijven staan in de betreffende bodemprocedure (waarin ook SIO dus partij was) en die procedure een einde heeft genomen, de uit dit oordeel volgende rechtsgeldigheid van het besluit van 2 juni 2020 tot ontslag van [betrokkene 1] in beginsel voor eenieder bindend is, dus ook in de onderhavige zaak (“in rechte vast [staat], nu hierover inhoudelijk en onherroepelijk in rechte is beslist”). Nu over dit oordeel van het hof in cassatie niet wordt geklaagd, kan ik een en ander verder laten rusten.”
r.o. 3.49 · lid 1“Wat het hof daar m.i. wel doet, is iets anders. Want, uitgaande van het onder 3.47-3.47.8 hiervoor weergegeven processuele debat en gezien art. 25 Rv: het bepaalde in art. 2:16 lid 1 BW toepassen, althans naar analogie. En wel aldus dat nu in genoemd vonnis het onder 3.47.4 hiervoor bedoelde oordeel is geveld, dit oordeel is blijven staan in de betreffende bodemprocedure (waarin ook SIO dus partij was) en die procedure een einde heeft genomen, de uit dit oordeel volgende rechtsgeldigheid van het besluit van 2 juni 2020 tot ontslag van [betrokkene 1] in beginsel voor eenieder bindend is, dus ook in de onderhavige zaak (“in rechte vast [staat], nu hierover inhoudelijk en onherroepelijk in rechte is beslist”). Nu over dit oordeel van het hof in cassatie niet wordt geklaagd, kan ik een en ander verder laten rusten.”
r.o. 3.49.2 · lid 1Decharge bij jaarrekening en uitleg van besluiten; interne bestuurdersaansprakelijkheid
“[…] een ieder die bij de rechtspersoon zijn betrokken, waaronder ook tegen toekomstige aandeelhouders en bestuurders. Dat dit verder gaat dan de werking die een obligatoire overeenkomst heeft tegenover een bijvoorbeeld krachtens derdenbeding bij de overeenkomst betrokken derde respectievelijk tegenover een partij aan wie een aan de overeenkomst ontleend vorderingsrecht is gecedeerd, blijkt uit art. 2:16 lid 1 BW. Volgens die bepaling is de onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of zulk een besluit vernietigt, bindend voor een ieder indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest, behoudens herroeping of derdenverzet. Slechts voor besluiten met externe werking bevat het tweede lid van art. 2:16 BW een uitzondering op dit uitgangspunt ten behoeve van wederpartijen van de rechtspersoon te goeder trouw. De werking erga omnes van een rechterlijke uitspraak die de nietigheid van een besluit vaststelt of dit besluit vernietigt, veronderstelt spiegelbeeldig dat geldige besluiten eveneens erga omnes werken jegens allen die krachtens wet of statuten bij de rechtspersoon zijn betrokken. Anders gezegd, besluiten van een orgaan van een […]”
r.o. 3.3 · leden 1, 2Verlaging uittredingsleeftijd partners: AVA-besluit, leeftijdsdiscriminatie en onrechtmatige daad naast artikel 2:15 BW
“[…] overgelaten en dat nietigheid geen verdere gevolgen heeft dan een doelmatig functioneren van de rechtsorde vergt. Art. 13 Wgbl gaat uitsluitend over een nietig beding. Daaruit volgt dat een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van een vennootschap, zoals het AVA-besluit, niet door de nietigheidssanctie van art. 13 Wgbl wordt geraakt. Boek 2 BW kent, met art. 2:14, 2:15 en 2:16 BW, een eigen regeling voor nietigheid en vernietigbaarheid van besluiten van een orgaan van de rechtspersoon, waarop het hof ook wijst in rov. 3.1-3.2 en 3.4 tussenarrest (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW jo. art. 2:8 BW). Op grond van art. 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van de rechtspersoon dat in strijd is met de wet in beginsel nietig. Die wet zou, afhankelijk van de inhoud van het besluit en de overige omstandigheden van het geval, ook de Wgbl kunnen zijn; een wet buiten het rechtspersonenrecht. Het gaat dan, in de systematiek van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW, om een besluit dat nietig is ex art. 2:14 lid 1 BW, zonder dat de in art. 2:14 leden 2 en 3 BW geregelde mogelijkheid van bekrachtiging speelt (“nietig zonder meer”). Aan de vraag of het besluit voor […]”
r.o. 3.13Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager
“[…] met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen. In de statuten van Orthocenter is en was het tegenstrijdig belang niet weggeschreven maar wordt de wettelijke regeling juist bevestigd: In geval van tegenstrijdig belang is iedere commissaris vertegenwoordigingsbevoegd. De onbevoegdheid van de bestuurder(s) heeft externe werking en [verweerder] was niet te goeder trouw (ex artikel 2:16 lid 2 BW, want [verweerder] kende als statutair directeur het besluitvormingsgebrek althans behoorde dit te kennen). [verweerder] had melding moeten maken van het (mogelijk) tegenstrijdig belang, zowel aan zijn medebestuurder als aan de RvC, en Orthocenter diende door de RvC vertegenwoordigd te worden. Enig besluit van de bestuurder(s) van Orthocenter is ook om deze reden nietig ex artikel 2:14 lid 1 BW.” Onder 3.1 van het middel wordt geklaagd dat het hof deze essentiële stellingen van Orthocenter ten onrechte heeft gepasseerd, althans zonder toereikende motivering, want ongemotiveerd, heeft verworpen. Motivering was temeer vereist, nu [verweerder] geen kenbaar verweer heeft gevoerd tegen Orthocenters beroep op tegenstrijdig belang.”
r.o. 3.41 · lid 2“De klacht faalt.Het onderdeel gaat terecht ervan uit dat het hof niet met zoveel woorden is ingegaan op het beroep van Orthocenter dat slechts de RvC bevoegd was Orthocenter ter zake te vertegenwoordigen, aangezien sprake was van tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:146 (oud) BW. Het hof was hiertoe ook niet gehouden. De bewoordingen van de in het onderdeel aangehaalde passage uit de Spreekaantekeningen comparitie zijdens Orthocenter lijken weliswaar te duiden op toepassing van het […]-arrest, overigens zonder naar dat arrest te verwijzen (“alle geschetste omstandigheden in acht genomen”, “de vereiste integriteit en objectiviteit”). Zoals uiteengezet onder 3.17, volgt uit het […]-arrest dat een beroep op art. 2:146 (oud) BW slechts zou kunnen slagen, als een persoonlijk belang van [betrokkene 1] (die “in dezen” Orthocenter vertegenwoordigde, zie rov. 3.6 en 3.10) in de zin van rov. 3.4 van het […]-arrest tegenstrijdig was met het belang van Orthocenter op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op zijn besluitvorming met betrekking tot de met [verweerder] gemaakte afspraken over de aanvullende […]”
r.o. 3.42Conclusie: vernietiging statutenwijziging vereniging wegens strijd met redelijkheid en billijkheid; artikel 3:53 lid 2 BW
“[…] het rechtspersonenrecht met art. 6:2 lid 2 BW of art. 6:248 lid 2 BW corresponderende rol. Ter vergelijking: waar het rechtsgevolg van een succesvol beroep op art. 2:15 lid 1 sub b BW bestaat uit de vernietiging van een besluit van een orgaan van de rechtspersoon wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist (en met erga omnes werking als aan art. 2:16 lid 1 BW is voldaan), bestaat het rechtsgevolg van een succesvol beroep op art. 2:8 lid 2 BW eruit dat een geldende regel (bijvoorbeeld krachtens een genomen besluit van een orgaan van de rechtspersoon) alleen in het concrete geval niet wordt toegepast. De maatstaf van art. 2:15 lid 1 sub b BW bestrijkt toetsing aan naleving van de in art. 2:8 lid 1 BW neergelegde regel, dus de eis dat met het desbetreffende besluit van (het orgaan van) de rechtspersoon de betrokkenen, niet in de laatste plaats de rechtspersoon, in de relevante verhoudingen handelen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd en zich in die zin van hun ‘zorgvuldigheidsplicht’ kwijten. De voornoemde terughoudendheid die van de rechter wordt gevraagd, en die toepassing vindt bij de beoordeling of de […]”
r.o. 3.25 · lid 1Arbitrage managementovereenkomst en exclusieve rechtsmacht bij vernietiging bestuursbesluit
“Het begrip indirect externe werking dateert van vóór de invoering van art. 2:16 lid 2 BW en is met de invoering ervan niet van betekenis veranderd.(13) Op grond van art. 2:16 lid 2 BW kan de nietigheid en vernietiging van bepaalde besluiten niet aan een derde worden tegengeworpen, wanneer deze het gebrek dat aan het besluit kleefde, kende noch behoefde te kennen. Het begrip 'besluit met indirect externe werking' is sinds de invoering van art. 2:16 lid 2 BW bron van verwarring, omdat art. 2:16 lid 2 BW op enkele besluiten met indirect externe werking wel, maar op de meeste niet van toepassing is. Art. 2:16 lid 2 BW ziet op besluiten met direct externe werking, alsmede op besluiten die een vereiste vormen voor de geldigheid van een rechtshandeling die tot een derde is gericht. Art. 2:16 lid 2 BW heeft slechts betekenis voor een kleine categorie besluiten met indirect externe werking die, wanneer zij worden vernietigd of nietig verklaard, onder de voorwaarden van art. 16 lid 2 aan een derde kunnen worden tegengeworpen (vgl. art. 44 lid 2 en 291 lid 2 BW).”
r.o. 3.4 · lid 2“Het begrip besluit met indirect externe werking is breder. Verreweg de meeste besluiten met indirect externe werking bereiden weliswaar voor op een externe rechtshandeling, maar vormen voor de geldigheid van deze rechtshandeling geen voorwaarde. Als gevolg van de in beginsel onbeperkte en onvoorwaardelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders (art. 2:45, lid 2 BW; art. 130, 240 en 292 lid 3 BW) kan de vernietiging van het besluit niet aan derden worden tegengeworpen.(14) Art. 2:16 lid 2 BW is op deze categorie niet van toepassing. Dit betekent dat de externe rechtshandeling in alle omstandigheden geldig is, ook ingeval het eraan ten grondslag liggende besluit wordt vernietigd.”
r.o. 3.5 · lid 2“De rechterlijke uitspraak die de nietigheid van een besluit vaststelt of dit besluit vernietigt, is in beginsel voor eenieder bindend, indien de rechtspersoon in het geding betrokken is geweest (art. 2:16 lid 2 BW). Deze zogenaamde erga omnes-werking moet m.i. worden gezien in relatie tot de rechtspersoon als zelfstandig juridisch systeem. De rechtspositie en het handelen van de organen van de rechtspersonen en van hen die krachtens wet of statuten bij de rechtspersoon zijn verbonden wordt genormeerd door dit juridisch zelfstandige systeem dat wordt gevormd door wet (waaronder art. 2:8 BW), de statuten en de besluiten van de (verschillende organen van de) rechtspersoon. Dit zelfstandige systeem is in beginsel niet afhankelijk van de personen die krachtens wet of statuten bij de rechtspersoon zijn betrokken: zij duurt voort ook nadat bijvoorbeeld alle bestuurders zijn afgetreden en nieuwe zijn benoemd. De zelfstandig systeem-gedachte komt niet alleen in art. 2:16 lid 1 BW tot uitdrukking, maar ook in de uitleg van statuten, welke niet geschiedt aan de hand van de Haviltex-maatstaf, maar op een objectieve wijze aan de hand van de tekst. De strekking van de erga omnes-werking van de […]”
r.o. 3.9 · leden 1, 2“Boersma uit kritiek op de overweging van de Hoge Raad over erga omnes-werking van interne besluiten. Een dergelijk besluit beoogt volgens Boersma per definitie de interne organisatie van een rechtspersoon te regelen en van erga omnes is de facto dan ook geen sprake.(26) Van Schilfgaarde plaatst vraagtekens bij de koppeling tussen enerzijds de vernietiging en vaststelling van de nietigheid, anderzijds de werking erga omnes. Het praktisch nut moet volgens hem niet worden overschat: "De regel is alleen van betekenis voor de gevallen waarin een derde als wederpartij bij een rechtshandeling van de rechtspersoon, of anderszins als betrokken derde, de vernietiging of vastgestelde nietigheid van een besluit zou willen negeren. Maar juist voor deze gevallen wordt de derdenwerking nader gereguleerd - enerzijds beperkt, anderzijds verruimd - door o.m. de art. 2:6 en 2:16 lid 2 BW, de bepalingen van de Handelsregisterwet en de art. 3:36 en 3:61 lid 2 BW (...). Ook de vervaltermijn van één jaar in art. 2:15 lid 5 (...) is in dit verband van belang. Het is moeilijk een regel te bedenken waarin de erga-omnes-regel, ondanks deze bepalingen, nog een rol speelt."”
r.o. 3.15 · lid 2ABN AMRO: onmiddellijke voorziening opschorting verkoop LaSalle; goedkeuringsrecht AVA
“Onderdeel 1.2 werkt de vorige klacht nader uit door te wijzen op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW, art. 2:16 lid 2 BW, art. 2:130 lid 3, 2:164 lid 2 BW en art. 9 van de Eerste EG-richtlijn (68/151/EEG), die allen tot uitdrukking brengen dat interne bevoegdheidsbeperkingen in beginsel geen externe werking hebben.”
r.o. 2.3 · lid 2“De onderdelen 1.3. en 1.4 voeren in de kern genomen aan dat de VEB c.s. ook niet hebben gesteld dat de Bank of America in dit geval in strijd met redelijkheid en billijkheid zou handelen indien Bank of America ABN AMRO aan de geldigheid van de overeenkomst zou houden.”
r.o. 2.4Benoeming bestuurder B.V. zonder AVA-besluit; doorhaling handelsregisterinschrijving; vertrouwensleer
“Ik zou menen dat wat in dit verband voor een secretaris-penningmeester van een coöperatie geldt, ook moet gelden voor de bestuurder van een besloten vennootschap. Sinds 1977 is zowel het rechtspersonenrecht als het handelsregisterrecht ingrijpend gemoderniseerd, maar ik zie in de wijzigingen van de wetgeving geen grond om in de onderhavige materie een andere lijn te kiezen dan in 1977. De uitzondering die art. 2:16, lid 2, tweede zin, BW maakt op de hoofdregel van dat artikel(12) (een verbijzondering van art. 3:35) wijst er veeleer op dat de in 1977 door de Hoge Raad gegeven beslissing past in de gedachtengang van de latere wetgever.”
r.o. 3.2.7 · lid 2Vernietigbaarheid ontslagbesluit bestuurder buiten vergadering: raadgevende stem artikel 2:227 lid 4 BW
In deze conclusie gaat het om de vraag of een besluit van de enig aandeelhouder buiten vergadering om tot ontslag van een bestuurder vernietigbaar is omdat de bestuurder niet in de gelegenheid is gesteld een raadgevende stem uit te brengen. De A-G meent dat artikel 2:227 lid 4 BW ook geldt bij besluitvorming buiten vergadering en dat een op grond van artikel 2:15 BW vernietigd besluit van meet af aan niet rechtsgeldig is geweest. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Ontslag bestuurder en intrekking emissie door aandeelhouder: hoorplicht en redelijkheid en billijkheid
In een kort geding over de zeggenschap in een concern heeft de nieuwe grootaandeelhouder de bestuurder van een subholding ontslagen en een emissiebesluit ingetrokken zonder de bestuurder te horen. De A-G meent dat dit in strijd is met de hoorplicht van artikel 2:227 lid 4 BW en met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW, en dat de uitslag van de wedloop naar de notaris niet beslissend mag zijn. Hij concludeert tot vernietiging van het arrest van het hof.
Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: geen klachtplicht artikel 6:89 BW, décharge, ernstig verwijt
“[…] van de HR doet denken aan art. 3:59 BW in verband met art. 3:35 BW: dit laatste artikel vindt buiten het vermogensrecht geen overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet.Omdat art. 3:35 BW niet rechtstreeks op besluiten van een rechtspersoon van toepassing werd geacht, heeft de wetgever op 1 januari 1992 in een nieuw art. 2:16 lid 2 BW geregeld in hoeverre de rechtsschijn die de rechtspersoon door het nemen van het nietige of vernietigde besluit tegenover een wederpartij op zich heeft geladen, aan hem kan worden toegerekend. Zie Parl. Gesch. Inv. Boeken 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 176. De tweede zin van lid 2 van art. 2:16 BW maakt een uitzondering op de eerste zin van dit lid die aansluit bij de strekking van art. 3:35 BW; nietigheid of vernietiging van een besluit tot benoeming van een bestuurder of commissaris kan door de rechtspersoon aan de ‘benoemde’ worden tegengeworpen. Met Timmerman, preadvies Ver. Handelsrecht 1991, p. 99, neem ik aan dat uit de strekking van deze bepaling volgt dat iemand die is ‘benoemd’ op grond van een nietig c.q. non-existent of vernietigd besluit, geen bestuurder is ook […]”
r.o. 3.27 · lid 2“[…] van de HR doet denken aan art. 3:59 BW in verband met art. 3:35 BW: dit laatste artikel vindt buiten het vermogensrecht geen overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet.Omdat art. 3:35 BW niet rechtstreeks op besluiten van een rechtspersoon van toepassing werd geacht, heeft de wetgever op 1 januari 1992 in een nieuw art. 2:16 lid 2 BW geregeld in hoeverre de rechtsschijn die de rechtspersoon door het nemen van het nietige of vernietigde besluit tegenover een wederpartij op zich heeft geladen, aan hem kan worden toegerekend. Zie Parl. Gesch. Inv. Boeken 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 176. De tweede zin van lid 2 van art. 2:16 BW maakt een uitzondering op de eerste zin van dit lid die aansluit bij de strekking van art. 3:35 BW; nietigheid of vernietiging van een besluit tot benoeming van een bestuurder of commissaris kan door de rechtspersoon aan de ‘benoemde’ worden tegengeworpen. Met Timmerman, preadvies Ver. Handelsrecht 1991, p. 99, neem ik aan dat uit de strekking van deze bepaling volgt dat iemand die is ‘benoemd’ op grond van een nietig c.q. non-existent of vernietigd besluit, geen bestuurder is ook […]”
r.o. 3.27.12 · lid 2“In het tweede arrest oordeelt de Hoge Raad, inzake het lidmaatschap van een vereniging: “Aan de onderdelen ligt ten grondslag de opvatting dat [B.] c.s. als lid van de vereniging dienen te worden aangemerkt omdat zij op grond van een verklaring of gedraging van de vereniging of haar bestuur hebben aangenomen en mochten aannemen dat zij door het bestuur als lid zijn toegelaten. Hoewel voor toelating als lid een besluit van het bestuur vereist is, neemt dat, mede gezien het in art. 3:35 BW - in verbinding met art. 3:59 - vervatte beginsel, inderdaad niet weg dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon die op grond van verklaringen of gedragingen van het daartoe bevoegde orgaan van een vereniging heeft aangenomen, en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen aannemen, dat een besluit is genomen hem als lid van de vereniging toe te laten, in dit vertrouwen bescherming verdient, in die zin dat hij op die grond als lid van de vereniging heeft te gelden. Mede gezien het bepaalde in art. 2:16 lid 2 BW moet geoordeeld worden dat de aard van de betrokken rechtshandeling van toelating als lid zich hiertegen niet verzet.””
r.o. 3.27.13 · lid 2“NJ-annotator Maeijer merkt daarover treffend op: “Art. 3:59 BW eist voor de overeenkomstige toepassing van art. 3:35 BW dat de aard van de rechtshandeling zich hiertegen niet verzet. De HR verwijst naar art. 2:16 lid 2 BW en oordeelt mede op grond van deze bepaling dat de aard van de betrokken rechtshandeling van toelating als lid zich niet verzet tegen een dergelijke toepassing.In het verleden is ten aanzien van de benoeming van bestuurders anders geoordeeld mede gelet op de tweede zin van art. 2:16 lid 2 waarin een uitzondering wordt gemaakt op de hierboven aangeduide regel van de eerste zin: nietigheid (c.q. non-existentie) of vernietiging van een besluit tot benoeming van een bestuurder of commissaris kan wel (altijd) aan de benoemde worden tegengeworpen. Het belang van de rechtspersoon dient hier te overwegen; vgl. Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6; Aanpassing BW, p. 176. Zie in dit verband r.o. 3.2.2 van HR 15 december 2000, NJ 2001, 109, welke uitspraak in het verlengde ligt van HR 2 juni 1977, NJ 1978, 238.””
r.o. 3.27.14 · lid 2Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW
“[…] uitspraak tot verboden-verklaring van een rechtspersoon geen privaatrechtelijke betekenis meer heeft, en dan ook niet meer gevraagd kan worden. Hierbij zij ten overvloede nog opgemerkt dat ook voor de toepassing van het strafrecht (artikel 140 Wetboek van Strafrecht) aan de mogelijkheid van een dergelijke uitspraak geen behoefte bestaat.” [curs. in origineel, A-G] De regeling in art. 2:15 en 2:16 BW luidde in 1976 als volgt: Art. 2:15 BW: “Een rechtspersoon is verboden, wanneer haar doel of werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.” Art. 2:16 BW: “1. De rechtbank kan een verboden rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie ontbinden. 2. (…).” Het toenmalige art. 140 lid 2 Sr luidde: “Deelneming aan een andere rechtspersoon die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de ten hoogste zeshonderd gulden.” Aanvankelijk werd de ontbindingsprocedure zonder verbodenverklaring in de literatuur gezien als “[e]en gelukkige oplossing waarmede ook de gevolgen van ’s rechters beslissing duidelijk zijn komen vast te liggen.” Ik wijs ook op Eskes: “Het is van belang […]”
r.o. 2.6“[…] wel kunnen ontbinden, maar niet verboden kunnen verklaren. Wanneer de rechter evenwel vaststelt, dat de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, mag hij de verbodenverklaring en ontbinding niet achterwege laten. Op deze wijze wordt ook het tweede bezwaar ondervangen dat aan de bestaande wet blijkt te kleven.” Het wetsvoorstel leidde tot de samenvoeging van art. 2:15 en 2:16 BW tot een nieuw art. 2:15 BW, waarvan het eerste lid in 1988 als volgt kwam te luiden: “Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde wordt door de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.” Hoewel dit niet blijkt uit de wettekst, werd het karakter van de verbodenverklaring gewijzigd van een vaststellende (declaratoire) betekenis naar een rechtscheppende (constitutieve) betekenis. Dat wil zeggen dat de verboden verklaarde rechtspersoon “voor de toekomst als verboden zal gelden en niet (…) dat de rechtspersoon al sinds enige tijd een verboden karakter heeft.” Deze wijziging strookt met het pleidooi van Elzinga, die erop wees dat in het bijzonder voor politieke partijen een constitutieve verbodenverklaring de […]”
r.o. 2.8Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“Zowel art. 2:14 BW als art. 2:15 BW heeft betrekking op een besluit van een orgaan van een rechtspersoon: zie art. 2:14 lid 1 BW en art. 2:15 lid 1, aanhef BW. Zoals ook art. 2:16 lid 2 BW laat zien, wordt daarmee in essentie gedoeld op een rechtshandeling van de rechtspersoon in de vorm van zo’n besluit. Daarop doel ik ook hier waar ik verwijs naar een besluit (van een orgaan van een rechtspersoon), dat rechtens uiteindelijk geldt als een besluit (rechtshandeling) van de rechtspersoon. Daarin schuilt dus een gemeenschappelijk kenmerk van deze bepalingen. Een voorbeeld van zo’n besluit (rechtshandeling) van de rechtspersoon staat in het onderhavige geval centraal: het besluit van de algemene vergadering van [verweerster] Beheer van 17 juli 2017 tot ontslag van [eiseres] Holding als bestuurder van [verweerster] Beheer, oftewel het ontslagbesluit (dat rechtens uiteindelijk dus geldt als besluit van [verweerster] Beheer). Zie nr. 1.7. Een dergelijk besluit wordt wel geduid als een besluit met (naast ‘interne werking’) ook ‘direct externe werking’, of in de woorden van art. 2:16 lid 2 BW: “een rechtshandeling van de rechtspersoon, die tot een wederpartij is gericht”. Er hoeft dan […]”
r.o. 4.6 · lid 2“[…] te herleiden tot een opvatting die breder in het privaatrecht wordt gehuldigd en insluit dat nietigheid van rechtshandelingen zoveel mogelijk dient te worden teruggedrongen ten gunste van vernietigbaarheid (of andere sancties), mede gelet op het feit dat de nietigheid van een rechtshandeling (zoals een besluit van een orgaan van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:14 BW, art. 2:15 BW en art. 2:16 BW) van rechtswege werkt en meebrengt dat de rechtshandeling van meet af aan niet rechtsgeldig is. Zie nrs. 4.5-4.8. Die opvatting wordt in de literatuur wel als volgt verwoord: Het betreft “een opvatting die ook tegenwoordig veel in het privaatrecht wordt gehuldigd. Zij houdt in dat nietigheid van rechtshandelingen zoveel mogelijk dient te worden teruggedrongen ten gunste van vernietigbaarheid. Dit zou met name van belang zijn voor de geldigheid van rechtshandelingen die beogen voort te bouwen op de nietige rechtshandeling. Het voordeel van vernietigbaarheid is dat zij niet tot nietigheid behoeft te leiden, dat zij doorgaans slechts binnen een betrekkelijk korte periode kan worden ingeroepen en dat de rechter de gevolgen van de vernietiging – zoals de terugwerkende kracht – kan […]”
r.o. 4.39Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW: uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit bij financier-bestuurder
“Volgens onderdeel 2.3 zou zijn gebleken dat [betrokkene 1] de op rechtsgevolg gerichte wil had (art. 3:33 jo. 3:37 lid 1 jo. art. 3:59 en 2:16 BW) dat [betrokkene 2] c.q. Slifosco als indirecte bestuurder van [A] BV ook bij tegenstrijdig belang vertegenwoordigingsbevoegd zou zijn, ook bij het effectueren van de met [betrokkene 2] overeengekomen financiering. In elk geval heeft het hof miskend dat Bovast gerechtvaardigd heeft vertrouwd op het bestaan van een voldoende uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit, aldus onderdeel 2.3.”
r.o. 5.2.10“Dit onderdeel kan m.i. niet slagen, nu niet blijkt wanneer in feitelijke instanties de door het onderdeel verdedigde stelling is voorgedragen. Het onderdeel lijkt bovendien te miskennen dat slechts aandeelhoudersbesluiten kunnen worden genomen ter vergadering of schriftelijk (mits de statuten daartoe de mogelijkheid openen, terwijl geen certificaten zijn uitgegeven met medewerking van de vennootschap; art. 2:238 BW). Een op rechtsgevolg gerichte wil van de aandeelhouder kan daarom niet op de door het onderdeel voorgestelde wijze worden geuit, ook niet indien er slechts één aandeelhouder is.”
r.o. 5.2.11ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW
“[…] en besluiten binnen de vennootschap en niet (ook) op extern werkende rechtsverhoudingen en/of besluiten. Schending van art. 2:8 BW kan via art. 2:15 BW leiden tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vennootschap, maar laat de onvoorwaardelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of een bestuurder (art. 2:130 lid 3 BW) onverlet, mede gezien het bepaalde in art. 2:16 lid 2 BW en in art. 2:107a lid 2 BW. Voorts valt niet in te zien waarom de regel van art. 26 lid 5 WOR "Een voorziening van de Ondernemingskamer kan door derden verworven rechten niet aantasten", in het enquêterecht niet zou gelden.”
r.o. 4.34 · lid 2“[…] pleegt onder een overeenkomst met derden. De eis dat een getroffen voorziening proportioneel dient te zijn, omvat mede een beoordeling van de gevolgen die een getroffen voorziening heeft voor derden, in het licht van hetgeen met de voorziening is beoogd. De eis van proportionaliteit, zoals deze door Uw Raad in de Skygate beschikking is ontwikkeld(60), maakt wettelijke voorzieningen, zoals art. 2:16, lid 2 BW en art. 26, lid 5 van de Wet op de ondernemingsraden, overbodig. In de Skygate-beschikking overwoog Uw Raad: "3.6. Met haar hiervóór in 3.5 weergegeven overwegingen die moeten worden gelezen in het licht van de overige door haar vastgestelde omstandigheden, heeft de Ondernemingskamer tot uitdrukking gebracht dat zij onder ogen heeft gezien dat het bij de beoordeling van de aan haar voorgelegde verzoeken op de voet van het tweede lid van art. 2:349a BW, gaat om de vraag of, in dit geval, in verband met de toestand van de rechtspersoon een onmiddellijke voorziening is vereist en dat het treffen van een zodanige voorziening slechts geldt voor de duur van het geding.(...) Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat de Ondernemingskamer de vrijheid heeft zodanige […]”
r.o. 4.35 · lid 2
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Interne bestuurdersaansprakelijkheid voor bezoldiging zonder statutair AVA-besluit
“[…] aan [eenmanszaak geïnt. 1] . Compensatievergoeding of management fee vanwege ziekte [persoon A ] . - Uit de beschikking van de OK van 23 december 2021 (rov. 3.17.) leidt de rechtbank af dat aan de betaling van € 108.000,00 een besluit van de AVA van [Y] van 23 juli 2020 ten grondslag ligt, welk besluit door de OK in zijn beschikking van 2 december 2020 is vernietigd. Op grond van artikel 2:16 BW is de uitspraak echter voor een ieder bindend, ook voor niet bij de procedure betrokken partijen, nu de OK een besluit van de AVA van [Y] heeft vernietigd en deze vennootschap partij in het geding is geweest. [geïntimeerde 1] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de door haar ontvangen beloning (die zij naar eigen zeggen kreeg op basis van functie en niet op basis van tijdsbesteding) niet genoeg was en dit geen redelijke beloning was voor het geheel aan werkzaamheden die zij in de bewuste periode heeft verricht. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de betaling van [Y] aan [eenmanszaak geïnt. 1] van € 108.000,00 onverschuldigd is verricht (rov. 4.43.-4.45.). * Overigens ten aanzien van de grondslag van de vorderingen van [X en […]”
r.o. 5.10“[…] aan [eenmanszaak geïnt. 1] . Compensatievergoeding of management fee vanwege ziekte [persoon A ] . - Uit de beschikking van de OK van 23 december 2021 (rov. 3.17.) leidt de rechtbank af dat aan de betaling van € 108.000,00 een besluit van de AVA van [Y] van 23 juli 2020 ten grondslag ligt, welk besluit door de OK in zijn beschikking van 2 december 2020 is vernietigd. Op grond van artikel 2:16 BW is de uitspraak echter voor een ieder bindend, ook voor niet bij de procedure betrokken partijen, nu de OK een besluit van de AVA van [Y] heeft vernietigd en deze vennootschap partij in het geding is geweest. [geïntimeerde 1] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de door haar ontvangen beloning (die zij naar eigen zeggen kreeg op basis van functie en niet op basis van tijdsbesteding) niet genoeg was en dit geen redelijke beloning was voor het geheel aan werkzaamheden die zij in de bewuste periode heeft verricht. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de betaling van [Y] aan [eenmanszaak geïnt. 1] van € 108.000,00 onverschuldigd is verricht (rov. 4.43.-4.45.). * Overigens ten aanzien van de grondslag van de vorderingen van [X en […]”
r.o. 3.2.7“[…] zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen (HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010).” Voormelde beschikking geldt ook voor vorderingen die op artikel 2:9 BW zijn gebaseerd, hetgeen blijkens de inhoud van hun processtukken ook het standpunt van partijen is. 3.9.5. Artikel 2:16 lid 1 BW luidt als volgt. De onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of die zulk een besluit vernietigt, is voor een ieder, behoudens herroeping of derdenverzet, bindend, indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest. Herroeping komt ieder lid of aandeelhouder toe. De perioden 1, 2 en 3: beoordeling van de vordering van [X en Y] en de verweren c.q. (voorwaardelijke) reconventionele vordering van [geïntimeerden]”
r.o. 3.9 · lid 1“Artikel 2:16 lid 1 BW luidt als volgt. De onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of die zulk een besluit vernietigt, is voor een ieder, behoudens herroeping of derdenverzet, bindend, indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest. Herroeping komt ieder lid of aandeelhouder toe. De perioden 1, 2 en 3: beoordeling van de vordering van [X en Y] en de verweren c.q. (voorwaardelijke) reconventionele vordering van [geïntimeerden]”
r.o. 3.9.5 · lid 1
Rechtbanken (2)
Uitleg aandeelhoudersovereenkomst, statuten en vernietiging bezoldigingsbesluit zonder rechtspersoon in het geding
“[…] voor recht dat een besluit nietig is niet dat een daartoe strekkende vordering wordt ingesteld door of tegen de rechtspersoon waarvan een orgaan het betreffende besluit heeft genomen. Wel geldt dat de (onherroepelijke) uitspraak waarbij die nietigheid wordt vastgesteld slechts voor eenieder bindend is (de erga omnes werking) als de rechtspersoon partij in het geding is geweest (artikel 2:16 lid 1 BW). Nu Vogelgezang c.s. ervoor hebben gekozen om [bedrijf 1] niet in de procedure te betrekken, zal een uitspraak dat het Bezoldigingsbesluit nietig is, voor zover inhoudelijk al toewijsbaar, geen erga omnes werking hebben. De vraag is welk belang Vogelgezang c.s. dan hebben bij deze vordering. Vogelgezang c.s. hebben weliswaar gesteld dat zij voldoende belang hebben omdat de niet-uitvoerend bestuurders van [bedrijf 1] een vso hebben getekend waarin zij aangeven uitvoering te zullen geven aan een rechterlijke uitspraak op dit punt, maar dat is niet voldoende – nog daargelaten of [bedrijf 1] door de niet-uitvoerend bestuurders bevoegd is vertegenwoordigd bij het sluiten van de vso. Het Bezoldigingsbesluit gaat over de bezoldiging van [bedrijf 2] door [bedrijf 1] , en beide […]”
r.o. 5.4 · lid 1Geen vernietigbaar besluit VvE bij inventarisatie ledenvergadering; vervangende machtiging gewijzigd gebruik afgewezen
Eigenaren van de enige kantoorruimte in een appartementencomplex willen deze als woning gebruiken en vragen de kantonrechter het besluit van de vergadering van eigenaars te vernietigen op grond van artikel 5:130 juncto 2:15 BW, dan wel een vervangende machtiging te verlenen. De kantonrechter oordeelt dat een inventarisatie van de wil van de leden om te stemmen geen op rechtsgevolg gericht besluit is, zodat er niets te vernietigen valt. Een vervangende machtiging wordt ook geweigerd, omdat het gebruik niet tijdelijk, persoonlijk en eenvoudig herstelbaar is en dus een wijziging van de splitsingsakte vereist.