← Alle artikelen

Titel 2. Verenigingen

Artikel 2:26 BW

In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)

(Bijna) gelijk aan art. 2:70 BWC (Curaçao)

1

De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel, anders dan een dat is omschreven in artikel 53 lid 1 of lid 2.

2

Een vereniging wordt bij meerzijdige rechtshandeling opgericht.

3

Een vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:26 BW (6)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 24 april 2020

    Verbod Bandidos-motorclub: corporatiebegrip en reikwijdte verbod voor zelfstandige chapters

    “[…] chapters wordt beëindigd, nu het OM daartoe had moeten verzoeken de lokale chapters verboden te verklaren en te ontbinden. Bij de beoordeling van het onderdeel – waarbij het OM belang heeft omdat de bestreden overwegingen de reikwijdte van het verbod bepalen – wordt het volgende vooropgesteld. 3.4.1 De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Uit art. 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen […]”

    r.o. 3.3 · lid 1

    “De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Uit art. 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of […]”

    r.o. 3.4.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2020:797

Conclusies van de A-G (5)

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 maart 2022

    Verbod en ontbinding Hells Angels-organisaties wegens strijd met openbare orde (artikel 2:20 BW)

    “In de onderhavige zaak richt het OM zich niet (ook) tegen de Hells Angels-charters, maar tegen HAMC als wereldwijde organisatie van de Hells Angels en tegen HAMC Holland als organisatie van alle Hells Angels in Nederland. Volgens het OM is HAMC een buitenlandse corporatie als bedoeld in art. 10:117, aanhef en onder a BW en HAMC Holland een informele vereniging als bedoeld in art. 2:26 BW. In de visie van het OM is HAM Corporation een onderdeel van HAMC. Het OM stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheid van deze organisaties in strijd is met de openbare orde. Met de ingediende verzoeken wil het OM bereiken dat de Nederlandse afdeling van de Hells Angels wordt verboden en ontbonden, dat er in de toekomst geen nieuwe afdelingen mogen worden opgericht en dat er ook door leden van buitenlandse afdelingen van HAMC en HAM Corporation geen clubactiviteiten in Nederland meer mogen worden verricht. Het doel van het OM is kortom dat aan de aanwezigheid van HAMC in Nederland, in welke hoedanigheid of verschijningsvorm ook, een definitief einde komt.”

    r.o. 1.3

    “Volgens artikel 2:26 lid 1 BW is de vereniging een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel. Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het Bandidos-arrest, volgt uit artikel 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een […]”

    r.o. 5.15 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2022:296

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2020

    Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW

    “Het thans geldende art. 2:20 lid 1 BW luidt als volgt: “Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.” In cassatie staat vast dat Satudarah een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid als bedoeld in art. 2:26 lid 1 jo. 2:30 lid 1 BW is (zie ook onder 1.1). Een dergelijke zogenoemde ‘informele vereniging’ bezit rechtspersoonlijkheid (zie ook art. 2:3 BW) en valt in zoverre onder de reikwijdte van art. 2:20 lid 1 BW.”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “In de Bandidos-zaak heeft de Hoge Raad voorts over de reikwijdte van een verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW het volgende vooropgesteld: “3.4.1 De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Uit art. 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende […]”

    r.o. 2.21 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2020:593

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 november 2019

    Verbod Bandidos: corporatiebegrip, informele vereniging en reikwijdte verbod ten aanzien van chapters

    “Art. 2:26 lid 2 BW vereist voor de oprichting van een vereniging een meerzijdige rechtshandeling. Ook voor het bestaan van een informele vereniging is een dergelijke oprichtingshandeling vereist. Bij gebreke daarvan kan de rechter de vereniging ontbinden, omdat aan haar totstandkoming gebreken kleven (art. 2:21 lid 1, onder a, BW). De oprichting van een informele vereniging is vormvrij, zodat voor een ‘club’ die zich als vereniging (rechtspersoon) is gaan gedragen moet worden aangenomen dat er een oprichtingshandeling is geweest. De oprichtingshandeling biedt dus weinig houvast voor het vaststellen dat een informele vereniging is ontstaan. De bestuurders van een informele vereniging kunnen haar doen inschrijven in het handelsregister (art. 2:30 lid 3 BW). Als inschrijving achterwege blijft, wat in de praktijk meestal het geval zal zijn, moet mede aan de hand van andere omstandigheden worden vastgesteld of een informele vereniging is ontstaan. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld dat sprake is van een informele vereniging.”

    r.o. 3.29 · lid 2

    “[…] eenheid. Alvorens van een dergelijke vormvrije oprichting kan worden gesproken, dient naar ons oordeel bovendien sprake te zijn van een interne, de essentialia van de vereniging weerspiegelende organisatie die werkzaam is ter realisering van een bepaald doel. Indien aan deze vereisten is voldaan kan genoegzaam worden geconcludeerd tot de oprichting van een vereniging op de voet van art. 2:26 lid 2 jo. art. 3:37 en 3:59 BW, ook al kan het exacte moment van oprichting wellicht niet met zekerheid worden bepaald’.”

    r.o. 3.31 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2019:1163

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 november 2024

    Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW

    “[…] een subvorm van de vereniging, die is geregeld in titel 2. De Wet van 16 juni 1988 (…) maakt de coöperatie (…) tot een eigen rechtsvorm naast de gewone vereniging. Coöperaties (…) worden geregeld in titel 3. Voor de toepasselijkheid van de bepalingen van verenigingsrecht op de coöperatie maakt dit echter geen verschil. De bepalingen van de titel ‘Vereniging’ zijn, met uitzondering van art. 2:26 lid 3 BW (winstuitkeringsverbod) en art. 2:44 lid 2 BW (beperking bestuursbevoegdheid) op de coöperatie (…) van toepassing voor zover daarvan in titel 3 niet wordt afgeweken (art. 2:53a lid 1 BW). Een groot aantal wettelijke bepalingen over verenigingen is met enkele retouches ontleend aan de Wet op de Coöperatieve Vereenigingen 1925.””

    r.o. 3.12 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2024:1156

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Conclusie: vernietiging statutenwijziging vereniging wegens strijd met redelijkheid en billijkheid; artikel 3:53 lid 2 BW

    “[…] – argumenten laat destilleren (nrs. 2.1.4-2.1.7). De meanderende gedachtegang van de VD in die nrs. 2.1.4-2.1.7 komt op het volgende neer. Ervan uitgaande dat het geen uitgemaakte zaak is of art. 2:8 toepassing vindt op de rechtsverhouding tussen “een vereniging (een rechtspersoon) en haar leden” (nr. 2.1.4), beroept de VD zich op: - de aantasting van “de kern van het verenigingsrecht (art. 2:26-2:52 BW)” (nr. 2.1.5); - de ondermijning van “het gezag van de ledenvergadering” en art. 2:42-2:43 BW (nr. 2.1.6); - de exclusiviteit van art. 2:8 lid 2 BW (nr. 2.1.6); - de beperking van art. 2:15 lid 1 sub b BW, “materieel bezien”, tot besluiten die “in objectiveerbare zin” in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid (nr. 2.1.7); - de door de rechter toe te passen terughoudendheid (nr. 2.1.7). Met dit betoog, dat haaks staat op het door de VD in feitelijke instanties gevoerde verweer als herhaald in subonderdelen 1.2 en 1.6, wil de VD het bereik van art. 2:8 BW nóg verder beperken dan al wordt voorgestaan in dat verweer en die subonderdelen. Immers, met dit betoog wil de VD (zelfs) ook individuele leden van een vereniging van dat bereik uitsluiten. Dit kan niet worden […]”

    r.o. 3.23

    ECLI:NL:PHR:2019:1178