← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:2 BW

In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)

1

Kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten rechtspersoonlijkheid.

2

Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van artikel 5 gelden de volgende artikelen van deze titel niet voor hen; overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:2 BW (14)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (5)

  • Hoge Raad · 17 mei 2024

    Kerkelijk statuut en voorlopig getuigenverhoor: burgerlijke rechter en kerkelijke rechtsgang

    “Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat op grond van het toepasselijke statuut (als bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW) van de Rooms-Katholieke Kerk voor [verweerder] een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Daarom is geen taak voor de burgerlijke rechter weggelegd en is het hof buiten het toepassingsgebied van art. 186 Rv getreden door het verzoek van [verweerder] toe te wijzen, aldus het onderdeel.”

    r.o. 4.1 · lid 2

    “De burgerlijke rechter dient degene die bij hem opkomt met een vordering betreffende een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van een kerkgenootschap, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren indien de gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld.”

    r.o. 4.3 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2024:718

  • Hoge Raad · 4 oktober 2019

    Ontslag predikant: inrichtingsvrijheid kerkgenootschap en dwingend arbeidsrecht (artikel 2:2 BW)

    “In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.24. Deze komen samengevat op het volgende neer. (i) NGK Hattem is een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 BW. Het bestuur van NGK Hattem wordt gevormd door de kerkenraad. De predikant maakt deel uit van de kerkenraad. (ii) NGK Hattem kent eigen regelingen. Daartoe behoort het Akkoord voor Kerkelijk Samenleven van de Nederlands Gereformeerde Kerken (hierna: AKS). Art. 31 lid 2 AKS bepaalt onder meer dat naburige kerken samen een regio vormen en door afgevaardigden bijeenkomen in een regiovergadering, en dat alle kerken gezamenlijk door afgevaardigden bijeenkomen in een landelijke vergadering. Een regiovergadering en een landelijke vergadering zijn bevoegd commissies te benoemen en te ontslaan. (iii) Tot de eigen regelingen van NGK Hattem behoren ook de ‘Richtlijnen voor de voorwaarden behorende bij de verbintenis tussen gemeente en predikant ten behoeve van de vervulling van het predikantsambt’ (hierna: de WAP-richtlijn). In de versie die in deze procedure van toepassing is, is over de verhouding tussen predikant en gemeente onder meer het volgende […]”

    r.o. 2.1

    “De NGK Hattem werpt [de predikant] in verband met de vraag of ter zake sprake is van een arbeidsovereenkomst in het bijzonder nog tegen artikel 2:2 BW, op grond waarvan kerken worden geregeerd door hun eigen statuut. Dit eigen statuut geldt volgens artikel 2:2, lid 2 BW ‘voor zover het niet in strijd is met de wet’. Het arbeidsrecht volgens het BW evenwel is, zoals [de predikant] ook aanvoert, in hoge mate dwingendrechtelijk van aard. Aldus zal het hof het ontslag van [de predikant] toetsen aan het arbeidsrecht volgens het BW voor zover dit, als dwingend recht, het kerkelijke statuut ter zijde stelt. Het zal daarbij (…) gaan om een toetsing van het ontslag van [de predikant] op de gestelde kennelijke onredelijkheid en/of onregelmatigheid ervan. (…).””

    r.o. 5.10 · lid 2

    “De onderdelen 1 en 2 van het middel komen in de kern erop neer dat het hof in de rov. 5.9 en 5.10 een verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij zijn oordeel of sprake is van strijd met de wet in de zin van art. 2:2 lid 2 BW. Als het hof was uitgegaan van de juiste maatstaf, had het niet anders kunnen oordelen dan dat de rechtsverhouding tussen NGK Hattem en de predikant wordt beheerst door het eigen statuut van NGK Hattem en niet door titel 10 van Boek 7 BW.”

    r.o. 3.1 · lid 2

    “Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap, waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s). Uit art. 2:2 lid 2 BW volgt dat het eigen statuut alleen geldt voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip ‘wet’ in deze bepaling verwijst naar bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’, waarbij is gedacht aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’.”

    r.o. 3.2 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2019:1531

  • Hoge Raad · 21 april 2017

    Omzetting kerkgenootschap in stichting en omgekeerd: overeenkomstige toepassing artikel 2:18 BW

    “NIISA is een zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge te Amsterdam. NIISA bezit rechtspersoonlijkheid ingevolge art. 2:2 lid 1 BW.”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “NIISA heeft de rechtbank verzocht om een rechterlijke machtiging in de zin van art. 2:18 lid 4 BW teneinde zich te kunnen omzetten in een stichting in de zin van art. 2:285 BW. In overeenstemming met art. 2:18 lid 5 BW heeft NIISA bij dat verzoek een notarieel ontwerp overgelegd van de akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat. In verband met dit verzoek heeft de rechtbank de hiervoor in 2 vermelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De aanduiding ‘kerkgenootschappen’ omvat in het hiernavolgende ook hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd (vgl. art. 2:2 lid 1 BW). Vragen a en b: overeenkomstige toepassing van art. 2:18 BW op omzetting van of in een kerkgenootschap 3.3.1 Art. 2:18 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon zich kan omzetten in een andere rechtsvorm. Na een dergelijke omzetting bestaat de rechtspersoon voort in die andere rechtsvorm. Voor omzetting moet worden voldaan aan de vereisten van art. 2:18 BW. Art. 2:18 BW maakt deel uit van Titel 1 (Algemene bepalingen) van Boek 2 BW en is als zodanig van toepassing op privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW. Kerkgenootschappen behoren niet tot deze categorie […]”

    r.o. 3.2 · lid 1

    “Art. 2:18 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon zich kan omzetten in een andere rechtsvorm. Na een dergelijke omzetting bestaat de rechtspersoon voort in die andere rechtsvorm. Voor omzetting moet worden voldaan aan de vereisten van art. 2:18 BW. Art. 2:18 BW maakt deel uit van Titel 1 (Algemene bepalingen) van Boek 2 BW en is als zodanig van toepassing op privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW. Kerkgenootschappen behoren niet tot deze categorie rechtspersonen. Art. 2:18 BW is daarom niet rechtstreeks van toepassing bij omzetting van of in een kerkgenootschap (vgl. ook art. 2:2 lid 2 BW).”

    r.o. 3.3.1 · lid 2

    “Art. 2:2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid bezitten en dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van art. 2:2 BW en art. 2:5 BW, gelden de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW niet voor kerkgenootschappen. Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt evenwel dat overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen. Zie in dit verband ook de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:2 BW, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2. Uit de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen en de daarin voorziene mogelijkheid van overeenkomstige toepassing van de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW volgt dat een geloofsgemeenschap de vrijheid heeft zich te verenigen in een kerkgenootschap en in een kerkgenootschap activiteiten te ontplooien, maar evenzeer de vrijheid heeft te kiezen voor een privaatrechtelijke rechtsvorm. Noch de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:2 lid 2 BW, noch de inrichtingsvrijheid van een kerkgenootschap verzetten zich […]”

    r.o. 3.3.2 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2017:771

  • Hoge Raad · 19 december 2003

    Gebondenheid van vrij-beheergemeenten aan kerkordewijziging en kerkelijke geschillenbeslissing; artikel 2:2 BW

    “In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De Nederlandse Hervormde Kerk (hierna: de Kerk) heeft als kerkgenootschap op grond van art. 2:2 BW rechtspersoonlijkheid en wordt geregeerd door een eigen statuut, de Kerkorde 1951. Deze Kerkorde bestaat uit de Kerkorde in enge zin, de daarop berustende ordinanties, overgangsbepalingen en generale regelingen. Ordinantie 16 bevat regels terzake van de kerkelijke financiën, waarbij de hoofdstukken I (het college van kerkvoogden) en II (de zorg voor de gelden en goederen der gemeente) zijn gericht op de gemeenten. Ordinantie 18 bevat regels voor het toezicht op het financiële beheer van de gemeenten door provinciale commissies en een generaal college van toezicht. Dit toezicht houdt onder meer in dat toestemming dient te worden gevraagd voor diverse in de Ordinantie genoemde rechtshandelingen. Ordinantie 19 regelt de behandeling van bezwaren en geschillen door kerkelijke geschillencommissies. (ii) De Gemeenten zijn zelfstandige, rechtspersoonlijkheid bezittende onderdelen van de Kerk en behoren tot de ongeveer 1350 gemeenten die de Kerk omvat. (iii) Sinds 1951 kent de Kerk wat betreft het beheer van de kerkelijke goederen en […]”

    r.o. 3.1

    “Het hof 's-Gravenhage heeft in zijn arrest van 18 september 1997 het bestreden vonnis van 29 oktober 1995 vernietigd en de gemeenten niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Het hof heeft daartoe geoordeeld dat de gemeenten als zelfstandige onderdelen van de Kerk dienen te worden aangemerkt en dat zij uit dien hoofde krachtens artikel 2:2 BW in het algemeen gebonden zijn aan de op dit artikel gebaseerde of daaruit voortvloeiende regelgeving van de Kerk. Voor de vrij-beheergemeenten geldt volgens het hof slechts - bij uitzondering - een afwijkende regeling voor het beheer van en het toezicht op hun vermogen. Deze uitzondering geldt evenwel niet, aldus het hof, voor Ordinantie 19 die een regeling geeft voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Het hof heeft geoordeeld dat de gemeenten het geschil eerst op de voet van Ordinantie 19 ter beoordeling en beslechting aan de Generale Commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen (hierna: de Generale Commissie) dienen voor te leggen en dat de rechtbank de gemeenten vooralsnog niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in hun vorderingen. Het hof heeft daarnaast overwogen dat de gemeenten, nadat zij de kerkelijke […]”

    r.o. 3.2.2

    “In rov. 22 heeft het hof de in zijn rov. 21 geschetste overweging van de Generale Commissie onderschreven, waar met betrekking tot de positie van de plaatselijke gemeenten onder verwijzing naar art. 2:2 BW werd overwogen, dat kerkelijke organisaties weliswaar rechtssubject kunnen zijn, maar tevens onderworpen (kunnen) zijn aan de regels van de Kerk en dat voor die gebondenheid aanvaarding door de gemeenten en haar organen niet is vereist en dat zulks niet alleen geldt voor bestuurlijke aangelegenheden maar ook voor tal van bepalingen inzake het beheer van goederen en fondsen van de gemeenten. Het hof heeft daarbij voorts verwezen naar rov. 11 van zijn arrest van 18 september 1997, waartegen geen cassatieberoep is ingesteld, inhoudende dat de gemeenten als zelfstandige onderdelen van de Kerk dienen te worden aangemerkt en dat zij uit dien hoofde krachtens art. 2:2 BW in het algemeen gebonden zijn aan de op dit artikel gebaseerde of daaruit voortvloeiende regelgeving van de Kerk, waaronder de Kerkorde 1951 en de Kerkorde 1991. Daarmee is verworpen, aldus het hof, het standpunt van de Gemeenten dat zij in vermogensrechtelijk opzicht (wat betreft het beheer van hun goederen en […]”

    r.o. 3.4.1

    “Onderdeel 3.1 bevat een in algemene bewoordingen gestelde klacht tegen rov. 22, namelijk dat het hof daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechts-opvatting, onder meer en vooral betreffende art. 2:2 BW, dan wel een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerde beslissing heeft gegeven. Deze klacht wordt nader uitgewerkt in de onderdelen 3.2-3.5. Voor zover onderdeel 3.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 2:2 BW geen bron is van regelgevende bevoegdheid en de kerkelijke regelgeving dan ook niet op die bepaling kan zijn gebaseerd, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 22 tot uitdrukking gebracht dat het de overweging van de Generale Commissie aldus heeft uitgelegd - welke uitleg het heeft onderschreven - dat art. 2:2 BW de erkenning behelst dat kerkgenootschappen autonoom zijn en dat het dan ook (uitsluitend) het 'statuut' van een kerkgenootschap is dat bindend is voor de zelfstandige onderdelen daarvan. Voor zover het onderdeel de klacht behelst dat het hof geen inzicht heeft gegeven in de wijze waarop het tot oordeel is gekomen dat de Gemeenten wat betreft het beheer van hun goederen en fondsen, althans hun kerkvoogdijen, niet buiten het kerkverband staan, […]”

    r.o. 3.4.2

    ECLI:NL:HR:2003:AN7818

  • Hoge Raad · 25 maart 2022

    Stichting of zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap; artikel 2:2 BW; art. 81 RO

    Geschil over de vraag of een rechtspersoon een stichting naar burgerlijk recht is of een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap (artikel 2:2 BW), en over de benoeming van bestuurders. De cassatieklachten betreffen de gehanteerde maatstaf en de uitleg van de statuten. De Hoge Raad verwerpt het beroep zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO, conform de conclusie van de A-G.

    ECLI:NL:HR:2022:458

Conclusies van de A-G (6)

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 september 2026

    Kerkgenootschap en burgerlijke rechter: bevoegdheid, ontvankelijkheid en toetsing onrechtmatige daad (artikel 2:2 BW)

    “CGJG is een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW en bezit civielrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Jehovah’s getuigen komen voor de eredienst bijeen in gemeenten, waarvan er in Nederland ongeveer 350 zijn. De religieuze activiteiten van Jehovah’s Getuigen in Nederland worden gecoördineerd vanuit hun nationaal religieus bijkantoor, gevestigd te Emmen. Dit bijkantoor, dat verantwoordelijk is voor de geestelijke, bestuurlijke en wettelijke leiding van het kerkgenootschap, is algemeen bekend bij Jehovah’s Getuigen als ‘Bethel’ (hierna ook wel: het Bijkantoor of Bethel). De werkzaamheden op het Bijkantoor staan onder toezicht van een religieus bijkantoorcomité dat is samengesteld uit ervaren ouderlingen en dat het bestuur van CGJG vormt. De betrokken afdelingen van het Bijkantoor die gemeenteouderlingen bijstaan bij het behandelen van beschuldigingen van seksueel kindermisbruik zijn de Dienstafdeling, die de gemeenteouderlingen bijstaat bij de uitvoering van het beleid van Jehovah’s Getuigen voor het beschermen van kinderen en de Juridische Afdeling, die juridisch advies geeft aan het Bijkantoor en aan gemeenteouderlingen. Een zogeheten ‘lichaam van ouderlingen’ wordt […]”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “Tot het statuut van CGJG in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW behoren haar statuten, het ‘Ouderlingenboek’ en het orgaan van de ‘Wachttoren’.”

    r.o. 2.3 · lid 2

    “Tussen partijen staat vast dat tot het statuut van CGJG in de zin van art. 2:2 BW behoren: de Statuten, het Ouderlingenboek en het orgaan van de Wachttoren (weergegeven onder 2.3-2.6) (rov. 3.27).”

    r.o. 3.11

    “Het cassatiemiddel bestaat uit zes onderdelen, die elk uiteenvallen in meerdere subonderdelen en een veegklacht (onderdeel 7). Onderdeel 1 betoogt dat het hof niet bevoegd was in deze kerkelijke zaak. Het onderdeel doet daarbij een beroep op art. 2:2 lid 2 BW, art. 6 Grondwet, art. 9 jo. 11 Europees Verdrag voor de Rechten van Mens (EVRM), het beginsel van scheiding van kerk en rechtspraak Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over art. 6 EVRM, waaronder de uitspraak Károly Nagy/Hongarije. Voor het geval dat het oordeel over de bevoegdheid van het hof in stand blijft, klaagt onderdeel 2 dat het hof de zaak had moeten terugwijzen naar de rechtbank, althans dat het een verrassingsbeslissing heeft gegeven door CGJG niet de gelegenheid te bieden haar inhoudelijke verweer aan te vullen. Ook klaagt dit onderdeel over schending van het door art. 8 EVRM beschermde recht op reputatie en het Verdrag van Istanbul, omdat het hof X, Y en de ouderlingen niet heeft gehoord. Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof dat het Z ontvankelijk acht in zijn vorderingen. De onderdelen 4 en 5 klagen over de inhoudelijke beoordeling dat sprake is van onrechtmatig handelen, onder meer dat het […]”

    r.o. 4.1 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2026:919

  • Parket bij de Hoge Raad · 22 december 2023

    Kerkgenootschap, artikel 2:2 BW en ontvankelijkheid bij voorlopig getuigenverhoor

    “Deze zaak betreft een verzoek van [verweerder] om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Aan dit verzoek heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat [de bisschop] onrechtmatig heeft gehandeld door hem te betichten van imprudent gedrag jegens kinderen, andere minderjarigen en kwetsbaren, en daaraan ruchtbaarheid te geven door middel van het doorzenden van een brief van 14 februari 2019 aan de Congregatie voor de Clerus te Rome en de intrekking van die brief niet (schriftelijk) te melden aan de Congregatie.De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en het hof heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen.In cassatie wordt in de kern geklaagd dat het hof art. 2:2 BW heeft miskend door een voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van de civiele rechter toe te wijzen voor een interne kerkelijke kwestie.”

    r.o. 1.2

    “Art. 188 lid 2 Rv bepaalt dat voor zover een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen, geen hogere voorziening is toegelaten. Een dergelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden wordt aangevoerd. In cassatie wordt gesteld dat het hof ten onrechte art. 2:2 lid 2 BW buiten toepassing heeft gelaten en dat is een van de doorbrekingsgronden.”

    r.o. 3.1 · lid 2

    “Onderdeel 1 bestaat uit twee subonderdelen.In subonderdeel 1.1 wordt, zakelijk en verkort weergegeven, geklaagd dat het hof ten onrechte heeft verzuimd art. 2:2 lid 2 BW toe te passen, ambtshalve, dan wel op de voet van art. 25 Rv, en met inachtneming van de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof heeft volgens de klacht nagelaten te beoordelen of met de voorgenomen vordering van [verweerder] een inhoudelijke beoordeling door de burgerlijke rechter in een civiele procedure gerechtvaardigd en geboden is. Subsidiair wordt geklaagd dat het hof art. 2:2 lid 2 BW en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van scheiding van kerk en staat heeft geschonden en met zijn oordeel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door art. 186 in verbinding met art. 166 Rv toe te passen op het verzoek van [verweerder] . Subonderdeel 1.2 bevat een motiveringsklacht.”

    r.o. 4.3 · lid 2

    “[…] laten geen andere conclusie toe dan dat de brief van 14 februari 2019 - die zoals het hof vaststelt, deel uitmaakt van het dossier in de canoniekrechtelijke procedure - en het (verweten) handelen van [de bisschop] met betrekking tot die brief in het kader van de lopende kerkelijke procedures onmiskenbaar onder de reikwijdte vallen van het statuut van het kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 2 BW, aldus de toelichting.”

    r.o. 4.4 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2023:1199

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 november 2021

    Maagdenhuis: zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap of civiele stichting?

    “[…] 3.1) - Het hof overweegt dat de grieven van het Bisdom zich lenen voor gezamenlijke behandeling. (rov. 3.2) - Vervolgens richt het hof zich op het onderscheid tussen kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen enerzijds en stichtingen naar burgerlijk recht (‘civiele stichtingen’) anderzijds. (rov. 3.3-3.25) - In dat verband stelt het hof voorop dat voor rechtspersonen in de zin van art. 2:2 BW (waaronder zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap) als uitgangspunt geldt dat zij, in tegenstelling tot rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW (zoals stichtingen in de zin van art. 2:285 lid 1 BW), niet worden geregeerd door het burgerlijk recht, maar door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. (rov. 3.3) - Het hof overweegt dat wat in een concreet geval behoort tot het statuut van (een zelfstandig onderdeel van) een kerkgenootschap afhangt van de omstandigheden van het geval, en dat, naar tussen partijen niet in geschil is, bij een zelfstandig onderdeel daartoe in elk geval de statuten behoren. (rov. 3.4) - Het hof overweegt dat niet ter discussie staat dat het R.K. Kerkgenootschap een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW is en […]”

    r.o. 2.14 · lid 1

    “Volledigheidshalve citeer ik hier alvast het bepaalde in art. 2:2 BW: “1. Kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten rechtspersoonlijkheid. 2. Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van artikel 5 gelden de volgende artikelen van deze titel niet voor hen; overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.” en art. 2:3 BW: “Verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten rechtspersoonlijkheid.” a. Aanloop: Meijers en het preadvies van Duynstee”

    r.o. 3.2

    “[…] onderdelen van een kerkgenootschap hier dus van (civiele) stichtingen of verenigingen op een religieuze grondslag. Dergelijke (civiele) stichtingen of verenigingen kunnen weliswaar samenhangen met het kerkgenootschap, maar kunnen niet worden aangemerkt als zelfstandig onderdeel in de zin van de desbetreffende bepaling. De bepaling uit het ontwerp-Meijers komt overeen met het thans geldende art. 2:2 lid 1 BW (zie onder 3.2 hiervoor).”

    r.o. 3.5 · lid 1

    “In het kader van het wetsvoorstel Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 Nieuw BW, zesde gedeelte, bevattende de aanpassing van de Boeken 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek kwam de kwalificatievraag met betrekking tot het zelfstandige onderdeel in de zin van art. 2:2 lid 1 BW wederom aan de orde. Ik citeer ook nu weer uit het voorlopig verslag: “Bedoelde leden [van de PvdA-fractie, A-G] vroegen voorts nog op basis van welke criteria moet worden beoordeeld of er sprake is van een zelfstandig onderdeel in de zin van het onderhavige artikel, en wel met name in die gevallen waarin het interne recht van een kerkgenootschap niet te traceren is.” De toenmalige minister van Justitie Korthals Altes gaf hierop blijkens de memorie van antwoord het volgende antwoord: “Deze c[r]iteria zijn kerkrechtelijk, d.w.z. zij vloeien voort uit het statuut en eventueel de reglementen van het individuele kerkgenootschap, waarbij voor het burgerlijk recht in geval van twijfel betekenis kan worden toegekend aan bijv. (de regeling van de bevoegdheid tot) beschikking over een eigen vermogen.””

    r.o. 3.8 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2021:1039

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 april 2019

    Ontslag predikant: kerkelijk statuut versus dwingend arbeidsrecht, artikel 2:2 lid 2 BW

    “Met de vraag of de rechtsverhouding tussen een predikant en zijn kerkgenootschap een arbeidsovereenkomst is, hangt de vraag samen of dan wel in welke mate de arbeidsrechtelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wel van toepassing kunnen zijn. Invulling begrip ‘wet’ in art. 2:2 BW a. parlementaire geschiedenis”

    r.o. 2.3

    “Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut voor zover dit niet in strijd is met de wet. Hiermee wordt de grens aangegeven van het toepassingsbereik van het kerkelijk statuut. In de toelichting van Meijers is over art. 2:2 lid 2 BW het volgende opgemerkt: “T.M. (…) Het tweede lid beantwoordt evenals het eerste lid aan de tegenwoordige rechtspraak. Men vergelijke o.a. HR 29 december 1911, W. 9272; 4 maart 1921, NJ 1921, p. 510 en 23 juli 1946, NJ 1947/1.””

    r.o. 2.4 · lid 2

    “Tijdens de verdere parlementaire behandeling van de aanpassing van het BW kwam de betekenis van het begrip wet als bedoeld in art. 2:2 lid 2, eerste zin BW nog een aantal malen aan de orde, vooral naar aanleiding van de opvatting van Maeijer. Deze had zich afgezet tegen de hiervoor vermelde opvatting van de minister en – naar eigen zeggen: in navolging van Diepenhorst – betoogd dat het begrip ‘wet’ slechts betrekking heeft op die voorschriften van dwingend recht waarbij zulke grote belangen van de Nederlandse rechtsorde zijn betrokken dat zij voorrang hebben boven het eigen statuut van het kerkgenootschap: dat zij (in een terminologie geïnspireerd door het IPR) voorrangpretentie kunnen hebben.”

    r.o. 2.7 · lid 2

    “Het lijkt er dus op dat de wetgever bij de invulling van het begrip ‘wet’ in art. 2:2 BW lid 2 eerste zin BW tussen 1960 en 1990 is opgeschoven van ‘gewoon’ dwingend recht naar ‘sterk’ dwingend recht. b. Literatuur”

    r.o. 2.9

    ECLI:NL:PHR:2019:434

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 februari 2017

    Omzetting kerkgenootschap in stichting; analoge toepassing artikel 2:18 BW

    “De door de rechtbank Amsterdam ter beantwoording voorgelegde vragen gaan over de kwestie of kerkgenootschappen en zelfstandige onderdelen of lichamen daarvan (hierna verkort aangeduid als: “kerkgenootschappen”) in de zin van art. 2:2 lid 1 BW, door toepassing van art. 2:18 BW kunnen worden omgezet in een andere rechtsvorm en omgekeerd.”

    r.o. 1.1 · lid 1

    “Artikel 2:2 lid 1 BW bepaalt dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten.”

    r.o. 4.2 · lid 1

    “Artikel 2:2 lid 2, eerste volzin, BW bepaalt dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW volgt dat de artikelen 2:3 en 2:4 alsmede 2:6 tot en met 2:25 BW niet gelden voor kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd. Uit artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW volgt voorts dat overeenkomstige toepassing van die artikelen geoorloofd is voor zover deze te verenigen is met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.”

    r.o. 4.3 · lid 2

    “Op grond van artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW geldt artikel 2:18 BW niet voor kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen (zoals NIISA) en hun lichamen.”

    r.o. 4.5 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2017:114

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 december 2003

    Marginale toetsing van kerkelijke geschilbeslissing; binding van vrij-beheergemeenten aan kerkorde

    “De Hervormde Kerk (verder te noemen De Kerk) heeft als kerkgenootschap op grond van art. 2:2 BW rechtspersoonlijkheid. Deze wordt geregeerd door haar eigen statuut. Dit Statuut is de Kerkorde 1951.(2) Deze bestaat uit de Kerkorde in enge zin, de daarop berustende ordinanties, overgangsbepalingen en generale regelingen. Ordinantie 16 bevat regels terzake van de kerkelijke financien waarbij de hoofdstukken I en II zijn gericht op de gemeenten. Ordinantie 18 bevat regels voor het toezicht op het financiele beheer van de gemeenten door provinciale commissies en een generaal college van toezicht. Dit toezicht houdt onder meer in dat toestemming gevraagd dient te worden voor diverse in de Ordinantie genoemde rechtshandelingen. Ordinantie 19 regelt de behandeling van bezwaren en geschillen door kerkelijke geschilcommissies.”

    r.o. 2.1

    “Er bestaat verschil van mening over de vraag of een kerkvoogdij op grond van art. 2:2, lid 2 BW eigen rechtspersoonlijkheid heeft. Het beantwoorden van deze vraag is voor de onderhavige procedure echter niet van belang, omdat ook zo'n rechtspersoon-kerkvoogdij gebonden kan zijn aan centraal vastgestelde kerkrechtelijke beheersregels. Ik benadruk dat zo'n binding aan dergelijke regels mogelijk is, maar dat deze er niet behoeft te zijn. Dit is immers de inzet van dit geding.”

    r.o. 2.4 · lid 2

    “Onderdeel 3 van het cassatiemiddel richt zich met meerdere subonderdelen (in het bijzonder) tegen rov. 22 van het arrest van het hof, waarin is beslist dat de vrij beheergemeenten krachtens art. 2:2, lid 2 BW gebonden zijn aan de regelgeving van de Kerk, waaronder de Kerkorde 1951 en die van 1991. Het Hof voegt hieraan toe: "Daarmee is verworpen het standpunt van de Gemeenten dat zij in vermogensrechtelijk opzicht (wat betreft het beheer van hun goederen en fondsen), althans hun kerkvoogdijen buiten het kerkverband staan"”

    r.o. 3.11 · lid 2

    “Subonderdeel 3.1 komt hiertegen op met de klacht dat het hof hiermee heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent (onder meer en vooral) art. 2:2 BW, althans dat deze beslissing onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Net als in onderdeel 2 wordt deze algemeen geformuleerde klacht nader vorm gegeven in de daaropvolgende subonderdelen.”

    r.o. 3.12

    ECLI:NL:PHR:2003:AN7818

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof Amsterdam · 14 april 2026

    Stichting begraafplaats is zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap, geen burgerlijke stichting

    “Vervolgens zijn op 20 december 2010 de statuten van de stichting gewijzigd. Daarmee zijn de thans geldende statuten tot stand gekomen. In deze statuten is onder meer het volgende opgenomen: “Artikel 1 (…) 2. De stichting is een publieke kerkelijke rechtspersoon in de zin van canon 116 paragraaf 1 van de Codex Juris Canonici, als bedoeld in artikel 10 van de Algemene bepalingen voor kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de RK Kerkprovincie in Nederland, en bezit als zodanig rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht op grond van artikel 2:2 Burgerlijk Wetboek. 3. De Algemene Bepalingen voor Kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de RK Kerkprovincie in Nederland, voor de laatste maal vastgesteld door de Bisschoppenconferentie van RK Kerkprovincie op twaalf/dertien december negentienhonderd vier en negentig, zijn van toepassing op de rechtspersoon.””

    r.o. 3.19

    “Met grief 1 bestrijdt het bestuur de vaststelling van de feiten. Uit deze grief volgt echter niet waarom de vastgestelde feiten onjuist zouden zijn, zodat deze grief faalt. Grief 2 kan niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, zoals volgt uit de beoordeling hierna. Met grieven 3 t/m 19 richt het bestuur zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de stichting moet worden beschouwd als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW, waarop de artikelen 2:8 en 2:294 BW – die ten grondslag liggen aan het verzoek van het bestuur – niet van toepassing zijn. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.”

    r.o. 5.3 · lid 1

    “Het hof stelt voorop dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersoonlijkheid bezitten, zo volgt uit artikel 2:2 lid 1 BW. Ook vóór de invoering van Boek 2 in 1976 werd algemeen aangenomen dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersonen waren. Kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap , waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s).”

    r.o. 5.4 · lid 1

    “Het R.K. Kerkgenootschap is (onbetwist) een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW. De in deze zaak te beantwoorden vraag luidt of de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap .”

    r.o. 5.5 · lid 1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1043

Rechtbanken (2)

  • Rechtbank Noord-Holland · 18 augustus 2026

    Rechtbank benoemt bestuur stichting op grond van artikel 2:299 BW

    “[…] 4] en [betrokkene 6] niet rechtsgeldig zijn benoemd. Bij het ontbreken van bestuursleden, is het niet mogelijk om zonder tussenkomst van de rechtbank tot een geldig benoemd bestuur te komen. De [verzoekers] verzoeken de rechtbank in het bestuur te voorzien en daarbij de in het verzoek genoemde personen te benoemen, waarna de stichting kan worden omgezet in een rechtspersoon in de zin van artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zodat canoniek recht kan worden toegepast en gehandhaafd in de stichting. Zij hebben daar onder meer belang bij omdat het canoniek recht bepaalt dat het tot de rechten en verplichtingen van de bisschop behoort om (onder meer) te zorgen voor regelmatige en correct gehouden godsdienstoefeningen.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:RBNHO:2026:9685

  • Rechtbank Gelderland · 29 juli 2026

    Kort geding oud-diakenen tegen kerkgenootschap over collectief aftreden kerkenraad

    “De Gereformeerde Gemeente Tricht-Geldermalsen (gedaagde sub 1, hierna: de GG Tricht-Geldermalsen of de gemeente) is een kerkgenootschap als bedoeld in artikel 2:2 BW. De GG Tricht-Geldermalsen is een zelfstandige, plaatselijke kerkelijke gemeente met ruim 1700 leden en maakt deel uit van het landelijke kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten (gedaagde sub 4, hierna: het kerkverband).”

    r.o. 2.1

    “[…] c.s. stellen zich allereerst op het standpunt dat de burgerlijke rechter onbevoegd is om van dit geschil kennis te nemen en over de vorderingen van de diakenen te oordelen. Volgens hen gaat het om een interne kerkelijke aangelegenheid en moet de overheid zich onthouden van bemoeienis met de inhoud van de godsdienst en de organisatie van de kerk. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 2:2 BW kerkgenootschappen voorziet in een vergaande organisatievrijheid, die zowel de oprichting als de inrichting daarvan omvat. Een kerkgenootschap wordt geregeerd door haar eigen statuut (in dit geval de DKO), voor zover dit niet strijdig is met de wet. Dit berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Bij een interne kerkelijke aangelegenheid als de onderhavige is voor de civiele rechter een beperkte rol weggelegd. De scheiding tussen kerk en staat gaat echter niet zover dat de gang naar de burgerlijke rechter per definitie uitgesloten is. Dat zou in strijd zijn met de grondrechten van artikel 17 en 112 Grondwet. Volgens vaste rechtspraak is het recht waarin de eiser vraagt te worden beschermd bepalend. En daarbij geldt als uitgangspunt dat de burgerlijke rechter, […]”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBGEL:2026:6126